Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-24
ECLI:NL:PHR:2026:273
Strafrecht
1,964 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:PHR:2026:273 text/xml public 2026-03-25T14:49:51 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-24 24/00712 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:273 text/html public 2026-03-25T14:34:29 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:273 Parket bij de Hoge Raad , 24-03-2026 / 24/00712 - PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/00712 Zitting 24 maart 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, hierna: de verdachte. Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 15 februari 2024 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-001197-23) wegens 1. " diefstal " en 2. “ schuldwitwassen ” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht dagen, waarvan vier dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. 2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.I. L'Ghdas, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel 3. Het middel bevat een klacht die ziet op het verzuim de dagvaarding uit te reiken op het in de appelakte vermelde adres van de verdachte. 4. De aan de Hoge Raad gezonden stukken wijzen het volgende uit: a) In het proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 3 maart 2023 staat als zijn adres [a-straat 1] in [plaats] vermeld. Op de vraag waar hij woont heeft de verdachte blijkens het proces-verbaal geantwoord dat hij in een hotel in [plaats] woont, dat hij daar vijf dagen eerder naartoe is overgeplaatst en dat hij een kaart heeft ontvangen waarop het adres staat. In de fouillering van de verdachte is, zo volgt ook uit het proces-verbaal, een kaart van “ CAO ” – ik begrijp: COA – aangetroffen met daarop het adres “ [b-straat 1] [plaats] ”. b) Bij vonnis van 5 april 2023 van de rechtbank Den Haag is de verdachte bij verstek veroordeeld. c) Blijkens de appelakte van 19 april 2023 is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Deze akte vermeldt als adres van de verdachte “ [b-straat 1] [plaats] ”. d) In de aan de griffie van de rechtbank gezonden schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep van mr. M.I. L’Ghdas van 18 april 2023 is opgenomen dat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep naar “ het bij u bekende adres van cliënt ” kan worden gezonden. e) Op de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 1 februari 2024 staat als adres van de verdachte “ [plaats] [b-straat 1] ” vermeld. f) Een akte van uitreiking met de vermelding dat de verdachte “ Thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande ” is, met invuldatum 21 december 2023, houdt in dat de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde niet bekend is en dat de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 1 februari 2024 is uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie (OM). g) Op een akte van uitreiking met als adres “ [a-straat 1] [plaats] ”, met invuldatum 28 december 2023, is aangekruist dat de geadresseerde niet (meer) op het vermelde adres woont en is ingevuld dat de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 1 februari 2024 niet is uitgereikt. h) Een akte van uitreiking met als adres “ [a-straat 1] [plaats] ”, met invuldatum 25 januari 2024, vermeldt dat de geadresseerde niet in de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven staat, maar dat de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde wel bekend is. De akte houdt in dat de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 1 februari 2024 is uitgereikt aan een medewerker van het OM. i) Uit een informatiestaat SKDB-persoon van 25 januari 2024 blijkt dat van de verdachte op die datum geen BRP-adres beschikbaar was, dat hij niet gedetineerd was en dat als zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats, met registratiedatum 3 maart 2023, “ [a-straat 1] [plaats] ” is opgenomen. j) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 februari 2024 houdt in dat de verdachte daar niet is verschenen, dat diens raadsman daar wel is verschenen maar niet gemachtigd was om de verdediging te voeren en dat tegen de verdachte verstek is verleend. 5. Artikel 36e lid 1 onderdeel b onder 2° Sv bepaalt dat uitreiking van de dagvaarding aan de niet-gedetineerde verdachte geschiedt aan zijn feitelijke woon- of verblijfplaats, indien hij niet als ingezetene is ingeschreven in de BRP. In het geval geen uitreiking aan de feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte heeft kunnen geschieden, wordt de dagvaarding ingevolge artikel 36e lid 2 onderdeel b Sv uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats kan onder meer niet worden aangenomen indien niet is getracht de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op een uit de stukken van het geding – voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald – adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden. Als voorbeeld van zo’n uit de stukken van het geding blijkend adres heeft de Hoge Raad onder andere een door of namens de verdachte bij zijn verhoor door de politie of de rechter-commissaris opgegeven adres genoemd. 6. In het bestreden arrest ligt als oordeel van het hof besloten dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend. Uit de onder randnummer 4 genoemde stukken kan worden opgemaakt dat de verdachte bij zijn politieverhoor het adres in [plaats] heeft opgegeven als zijn toenmalige woonadres en dat niet is getracht de appeldagvaarding uit te reiken op dat adres. Het moet er daarom voor worden gehouden dat dit niet is geschied. Het adres in [plaats] betreft een uit de stukken van het geding – voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald – adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden. Gelet daarop doet het nalaten de appeldagvaarding op dat adres aan te bieden, niettegenstaande de poging het stuk te betekenen aan het eveneens uit de stukken van het geding blijkende feitelijke woon- of verblijfadres in [plaats] (alwaar hij voorafgaand aan zijn overplaatsing naar [plaats] heeft verbleven), twijfel rijzen over de juistheid van het oordeel dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend. Gezien het grote belang dat toekomt aan het aanwezigheidsrecht van de verdachte dient mijns inziens bij twijfel in het voordeel van de verdachte te worden beslist. 7. Het middel is terecht voorgesteld. Ik geef de Hoge Raad in overweging om de appeldagvaarding zelf nietig te verklaren. 8. Nu het middel reeds slaagt op de hiervoor vermelde grond, behoeft het overige dat de steller van het middel heeft aangevoerd geen bespreking. Afronding 10. Het middel slaagt. 11. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, waarmee de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM wordt overschreden. Indien zou worden besloten tot het opnieuw dagvaarden van de verdachte in hoger beroep, kan het hof daarmee rekening houden. 12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de appeldagvaarding. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rov. 3.17, 3.24-3.25. Hoewel de Hoge Raad een bij het politieverhoor opgegeven adres in vorenbedoeld overzichtsarrest als voorbeeld heeft genoemd in het kader van de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg, kan ook voor de betekening van de appeldagvaarding een feitelijke woon- of verblijfplaats aan het politieverhoor worden ontleend. Vgl. HR 30 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1799. Vgl. HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1490; HR 21 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:84, en HR 16 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1821.