Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-10
ECLI:NL:PHR:2026:240
Strafrecht
8,112 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:240 text/xml public 2026-05-12T12:45:21 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-10 23/04687 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:750 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:240 text/html public 2026-05-12T12:05:44 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:240 Parket bij de Hoge Raad , 10-03-2026 / 23/04687 Conclusie AG. Opzettelijk aanwezig hebben van methamfetamine (art. 2.C Opiumwet). Middel klaagt dat hof – gelet op kernroljurisprudentie – zaak ten onrechte niet heeft teruggewezen naar de rechtbank dan wel dat afwijzing van verzoek tot terugwijzing ontoereikend is gemotiveerd. AG: Kernroljurisprudentie niet van toepassing. Dagvaarding in eerste aanleg met behulp van een tolk in persoon uitgereikt. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/04687 Zitting 10 maart 2026 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, hierna: de verdachte. 1 Inleiding 1.1 Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 27 november 2023 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 26 september 2022 met aanvulling van gronden bevestigd, behalve ten aanzien van de straf. Het hof heeft de verdachte wegens “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van drie maanden, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaak 23/04686. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen. 1.3 Namens de verdachte heeft A.M.V. Bandhoe, advocaat in Zoetermeer, één middel van cassatie voorgesteld. 2 Het middel 2.1 Bezien in samenhang met de toelichting komt het middel op tegen de afwijzing door het hof van het in hoger beroep gedane verzoek om de zaak naar de rechtbank terug te wijzen. Volgens de steller van het middel heeft het hof – gelet op de kernroljurisprudentie – de zaak ten onrechte niet naar de rechtbank teruggewezen, dan wel de afwijzing van het verzoek tot terugwijzing ontoereikend gemotiveerd. 2.2 Het middel klaagt dat het hof tegen de verdachte verstek heeft verleend en de zaak inhoudelijk heeft behandeld en de zaak – gelet op de kernroljurisprudentie – ten onrechte niet heeft teruggewezen naar de rechtbank, dan wel de afwijzing van het verzoek tot terugwijzing ontoereikend heeft gemotiveerd. 2.3 De aan de Hoge Raad gezonden stukken betreffende de behandeling van de zaak in eerste aanleg houden, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in: (i) een proces-verbaal van verhoor van 12 juli 2022, waaruit volgt dat de verdachte zichzelf in staat achtte om in de Nederlandse taal te communiceren, maar de verhorend verbalisant constateerde dat de verdachte de Nederlandse taal onvoldoende beheerste, waarna het verhoor met behulp van een tolk in de Poolse taal heeft plaatsgevonden; (ii) een akte van uitreiking in persoon op het politiebureau in Delft d.d. 12 juli 2022 van de dagvaarding in eerste aanleg voor de zitting van 26 september 2022 om 16:40 uur bij de politierechter in de rechtbank Den Haag; (iii) een relaas in het procesdossier, waarin onder “OVERLEG OFFICIER VAN JUSTITIE” het volgende is opgenomen: “Op dinsdag 12 juli 2022 te 16:50 uur werd door politiepersoneel aan de [verdachte] met behulp van een tolk Pools, [tolk] RBTV nummer […] , de dagvaarding uitgereikt. De dagvaarding is voorzien van het parketnummer 09/174596-22. De verdachte moet zich op 26 september 2022 te 16:40 uur verantwoorden bij de politierechter te Den Haag”; (iv) het proces-verbaal van de zitting van 26 september 2022, waaruit volgt dat de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen, zijn raadsvrouw mr. P.M. Langereis niet gemachtigd is en het hof verstek heeft verleend tegen de verdachte; (v) het vonnis van 26 september 2022 van de politierechter in de rechtbank Den Haag. 2.4 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2023 houdt onder meer in: “De raadsvrouw wordt in de gelegenheid gesteld de grieven toe te lichten: Ik verzoek om terugwijzing van de zaak naar de rechtbank omdat mijn cliënt een beroep doet op de kernroljurisprudentie. Ik verwijs naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden met parketnummer 21-001388-23 en zal een kopie van deze uitspraak aan u overleggen. De vertaling van de dagvaarding ontbreekt in het dossier, daarom is in eerste aanleg onterecht bij verstek vonnis gewezen. U vraagt mij of daar tijdens de terechtzitting in eerste aanleg iets over gezegd is. Ik ben daar wel aanwezig geweest, maar ik was toen niet gemachtigd. U houdt mij voor dat ik over de geldigheid van de dagvaarding ook als niet gemachtigd advocaat iets over kan zeggen. In reactie op de raadsvrouw voert de advocaat-generaal het woord: Op voorhand heb ik de stukken betreffende de betekening, namelijk de akte van betekening en de vertaalde oproep, nagezonden. Op 12 juli is de verdachte aangehouden en op het politiebureau is aan de verdachte de dagvaarding in persoon uitgereikt. Hij heeft daar ook voor getekend. Het nasturen van een vertaling van de dagvaarding naar de [a-straat] is dan wettelijk gezien niet meer nodig. Hij is ook gehoord met een Poolse tolk. De dagvaarding is aan hem uitgereikt met behulp van een Poolse tolk en hem is nog een vertaalde dagvaarding nagestuurd. [verdachte] was op de hoogte van de zitting, in eerste aanleg is dit verweer ook niet gevoerd. De akte is rechtsgeldig betekend, mocht bij verstek worden afgedaan en kan nu ook in hoger beroep, worden afgedaan. De raadsvrouw deelt mee dat zij de stukken niet heeft ontvangen. Zij voert het woord: Het doet er niet toe of de verdachte is gehoord met een tolk, maar het gaat er om of een vertaalde dagvaarding is uitgereikt. De vertaling moet naar zowel het adres in Polen als naar het adres aan de [a-straat] . Ik heb reeds op het e-mailbericht van de advocaat-generaal gereageerd met de mededeling dat uit die betekeningsstukken niet blijkt of en wanneer de vertaling is verstuurd. De advocaat-generaal deelt mede dat zij in haar systemen kan zien dat een aantekening is gemaakt dat op 12 september 2022 een vertaling naar Polen is verstuurd. De voorzitter deelt de volgende beslissing mee: De zaak wordt niet terugverwezen naar de rechtbank. De dagvaarding is in persoon betekend, met behulp van een tolk, waarna nog een vertaling naar het adres in Polen is verzonden. Bovendien is de raadsvrouw ter terechtzitting in eerste aanleg aanwezig geweest, waar zij de betekening van de dagvaarding had kunnen aankaarten.” 2.5 Voor de beoordeling van de klacht dat het hof de zaak, gelet op de kernroljurisprudentie, ten onrechte niet heeft teruggewezen naar de rechtbank zijn de volgende bepalingen van belang: - art. 36e (oud) Sv: “1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt: a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon; b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden: 1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel, 2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde. 2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen; b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:240 text/xml public 2026-05-12T12:45:21 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-10 23/04687 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:750 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:240 text/html public 2026-05-12T12:05:44 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:240 Parket bij de Hoge Raad , 10-03-2026 / 23/04687 Conclusie AG. Opzettelijk aanwezig hebben van methamfetamine (art. 2.C Opiumwet). Middel klaagt dat hof – gelet op kernroljurisprudentie – zaak ten onrechte niet heeft teruggewezen naar de rechtbank dan wel dat afwijzing van verzoek tot terugwijzing ontoereikend is gemotiveerd. AG: Kernroljurisprudentie niet van toepassing. Dagvaarding in eerste aanleg met behulp van een tolk in persoon uitgereikt. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/04687 Zitting 10 maart 2026 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, hierna: de verdachte. 1 Inleiding 1.1 Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 27 november 2023 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 26 september 2022 met aanvulling van gronden bevestigd, behalve ten aanzien van de straf. Het hof heeft de verdachte wegens “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van drie maanden, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaak 23/04686. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen. 1.3 Namens de verdachte heeft A.M.V. Bandhoe, advocaat in Zoetermeer, één middel van cassatie voorgesteld. 2 Het middel 2.1 Bezien in samenhang met de toelichting komt het middel op tegen de afwijzing door het hof van het in hoger beroep gedane verzoek om de zaak naar de rechtbank terug te wijzen. Volgens de steller van het middel heeft het hof – gelet op de kernroljurisprudentie – de zaak ten onrechte niet naar de rechtbank teruggewezen, dan wel de afwijzing van het verzoek tot terugwijzing ontoereikend gemotiveerd. 2.2 Het middel klaagt dat het hof tegen de verdachte verstek heeft verleend en de zaak inhoudelijk heeft behandeld en de zaak – gelet op de kernroljurisprudentie – ten onrechte niet heeft teruggewezen naar de rechtbank, dan wel de afwijzing van het verzoek tot terugwijzing ontoereikend heeft gemotiveerd. 2.3 De aan de Hoge Raad gezonden stukken betreffende de behandeling van de zaak in eerste aanleg houden, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in: (i) een proces-verbaal van verhoor van 12 juli 2022, waaruit volgt dat de verdachte zichzelf in staat achtte om in de Nederlandse taal te communiceren, maar de verhorend verbalisant constateerde dat de verdachte de Nederlandse taal onvoldoende beheerste, waarna het verhoor met behulp van een tolk in de Poolse taal heeft plaatsgevonden; (ii) een akte van uitreiking in persoon op het politiebureau in Delft d.d. 12 juli 2022 van de dagvaarding in eerste aanleg voor de zitting van 26 september 2022 om 16:40 uur bij de politierechter in de rechtbank Den Haag; (iii) een relaas in het procesdossier, waarin onder “OVERLEG OFFICIER VAN JUSTITIE” het volgende is opgenomen: “Op dinsdag 12 juli 2022 te 16:50 uur werd door politiepersoneel aan de [verdachte] met behulp van een tolk Pools, [tolk] RBTV nummer […] , de dagvaarding uitgereikt. De dagvaarding is voorzien van het parketnummer 09/174596-22. De verdachte moet zich op 26 september 2022 te 16:40 uur verantwoorden bij de politierechter te Den Haag”; (iv) het proces-verbaal van de zitting van 26 september 2022, waaruit volgt dat de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen, zijn raadsvrouw mr. P.M. Langereis niet gemachtigd is en het hof verstek heeft verleend tegen de verdachte; (v) het vonnis van 26 september 2022 van de politierechter in de rechtbank Den Haag. 2.4 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2023 houdt onder meer in: “De raadsvrouw wordt in de gelegenheid gesteld de grieven toe te lichten: Ik verzoek om terugwijzing van de zaak naar de rechtbank omdat mijn cliënt een beroep doet op de kernroljurisprudentie. Ik verwijs naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden met parketnummer 21-001388-23 en zal een kopie van deze uitspraak aan u overleggen. De vertaling van de dagvaarding ontbreekt in het dossier, daarom is in eerste aanleg onterecht bij verstek vonnis gewezen. U vraagt mij of daar tijdens de terechtzitting in eerste aanleg iets over gezegd is. Ik ben daar wel aanwezig geweest, maar ik was toen niet gemachtigd. U houdt mij voor dat ik over de geldigheid van de dagvaarding ook als niet gemachtigd advocaat iets over kan zeggen. In reactie op de raadsvrouw voert de advocaat-generaal het woord: Op voorhand heb ik de stukken betreffende de betekening, namelijk de akte van betekening en de vertaalde oproep, nagezonden. Op 12 juli is de verdachte aangehouden en op het politiebureau is aan de verdachte de dagvaarding in persoon uitgereikt. Hij heeft daar ook voor getekend. Het nasturen van een vertaling van de dagvaarding naar de [a-straat] is dan wettelijk gezien niet meer nodig. Hij is ook gehoord met een Poolse tolk. De dagvaarding is aan hem uitgereikt met behulp van een Poolse tolk en hem is nog een vertaalde dagvaarding nagestuurd. [verdachte] was op de hoogte van de zitting, in eerste aanleg is dit verweer ook niet gevoerd. De akte is rechtsgeldig betekend, mocht bij verstek worden afgedaan en kan nu ook in hoger beroep, worden afgedaan. De raadsvrouw deelt mee dat zij de stukken niet heeft ontvangen. Zij voert het woord: Het doet er niet toe of de verdachte is gehoord met een tolk, maar het gaat er om of een vertaalde dagvaarding is uitgereikt. De vertaling moet naar zowel het adres in Polen als naar het adres aan de [a-straat] . Ik heb reeds op het e-mailbericht van de advocaat-generaal gereageerd met de mededeling dat uit die betekeningsstukken niet blijkt of en wanneer de vertaling is verstuurd. De advocaat-generaal deelt mede dat zij in haar systemen kan zien dat een aantekening is gemaakt dat op 12 september 2022 een vertaling naar Polen is verstuurd. De voorzitter deelt de volgende beslissing mee: De zaak wordt niet terugverwezen naar de rechtbank. De dagvaarding is in persoon betekend, met behulp van een tolk, waarna nog een vertaling naar het adres in Polen is verzonden. Bovendien is de raadsvrouw ter terechtzitting in eerste aanleg aanwezig geweest, waar zij de betekening van de dagvaarding had kunnen aankaarten.” 2.5 Voor de beoordeling van de klacht dat het hof de zaak, gelet op de kernroljurisprudentie, ten onrechte niet heeft teruggewezen naar de rechtbank zijn de volgende bepalingen van belang: - art. 36e (oud) Sv: “1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt: a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon; b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden: 1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel, 2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde. 2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen; b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan.
Volledig
Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres, alsmede aan het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending. 3. De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan worden volstaan met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat dit nog uit een afzonderlijke akte hoeft te blijken. 4. In het belang van een goede uitvoering van dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.” - art. 423 lid 1 en 2 Sv: “1. Het gerechtshof kan het vonnis hetzij geheel bevestigen, hetzij gedeeltelijk bevestigen en gedeeltelijk vernietigen, hetzij geheel vernietigen. Het gerechtshof bevestigt het vonnis geheel hetzij met gehele of gedeeltelijke overneming hetzij met aanvulling of verbetering van gronden. Ingeval het vonnis geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd, doet het gerechtshof wat de rechtbank had behoren te doen, behoudens terugwijzing op grond van het tweede lid. 2. Indien de hoofdzaak niet door de rechtbank is beslist en het onderzoek daarvan gevolg moet zijn van de vernietiging van het vonnis, doet het gerechtshof de zaak zelf af, tenzij terugwijzing naar dezelfde rechtbank door de advocaat-generaal of de verdachte ter terechtzitting is verlangd. Terugwijzing vindt ook zonder uitdrukkelijk gebleken verlangen van de verdachte plaats indien de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig is en de dagvaarding om op de terechtzitting in hoger beroep te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte niet in persoon is gedaan of betekend en zich geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. In geval van terugwijzing doet de rechtbank recht met inachtneming van ’s hofs arrest.” 2.6 In art. 423 lid 1 Sv is als hoofdregel opgenomen dat de appelrechter een hem voorgelegde zaak zelf afdoet. In hoger beroep vindt een herkansing plaats en kunnen fouten en gebreken uit eerste aanleg worden hersteld. Niettemin wordt in het tweede lid van art. 423 Sv een uitzondering op deze hoofdregel gemaakt voor het geval de rechter in eerste aanleg ten onrechte niet over de hoofdzaak heeft beslist. De Hoge Raad heeft in zijn zogenoemde kernroljurisprudentie een ruimere werking aan art. 423 lid 2 Sv toegekend. In een arrest van 27 juni 2023 heeft de Hoge Raad een weergave gegeven van het geformuleerde kader: “3.4.1 Als de hoofdzaak door de rechtbank is beslist en er is sprake van een verzuim dat zich heeft voorgedaan bij de behandeling en beslissing van de zaak in eerste aanleg en dat tot nietigheid leidt, moet het hof – na een nieuwe behandeling van de zaak in hoger beroep – de uitspraak van de rechtbank vernietigen. Het hof doet dan wat de rechtbank had behoren te doen, en wijst de zaak dus niet terug naar de rechtbank op de grond dat de verdachte een aanleg heeft gemist (vgl. artikel 423 lid 1 Sv). 3.4.2 Aan artikel 423 lid 2 Sv ligt als beginsel ten grondslag dat een verdachte in aan hoger beroep onderworpen zaken aanspraak heeft op berechting in twee feitelijke instanties. Op grond van dit beginsel wordt in sommige gevallen afgeweken van de onder 3.4.1 genoemde hoofdregel. Dan wordt, na vernietiging van het vonnis in eerste aanleg, de zaak teruggewezen naar de rechtbank. Naast de in artikel 423 lid 2 Sv geregelde gevallen kan van zo’n geval onder meer sprake zijn als de rechter op de terechtzitting in eerste aanleg niet aan de inhoudelijke behandeling van de zaak had mogen toekomen omdat een van de overige personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg niet is verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich ook niet een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was. Tot deze personen kunnen, naast de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie, alleen de verdachte en zijn raadsman worden gerekend. (Vgl. in enigszins andere bewoordingen HR 7 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0442 ( NJ 1996/557 , m.nt. A.C. ’t Hart; red. ).)” 2.7 De Hoge Raad heeft aldus – naast de in art. 423 lid 2 Sv geregelde gevallen, waarin de rechter in eerste aanleg ten onrechte niet over de hoofdzaak heeft beslist – gevallen aangewezen, waarin de rechter in eerste aanleg wel over de hoofdzaak heeft beslist, maar niet aan de inhoudelijke behandeling van de zaak had mogen toekomen, en die daarom eveneens voor terugwijzing in aanmerking kunnen komen. Van zo’n geval is onder meer sprake als een van de overige personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg (te weten de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie, de verdachte of zijn raadsman) in eerste aanleg niet is verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich ook niet een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was. 2.8 In de voorliggende zaak doet zo’n geval zich niet voor. Het hof heeft, gelet op hetgeen onder 2.2 (iii) is vermeld en waaruit blijkt dat de dagvaarding met behulp van een geregistreerde tolk in de (voor de verdachte begrijpelijke) Poolse taal aan de verdachte in persoon is uitgereikt, niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de dagvaarding in eerste aanleg in persoon is betekend, met behulp van een tolk. In het oordeel van het hof ligt besloten dat de verdachte – op de wijze als bedoeld in art. 36e lid 1 sub b Sv – op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting. Gelet op de hiervoor besproken jurisprudentie, draagt deze grond de afwijzing van het verzoek tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank zelfstandig. De afwijzing van dit verzoek wordt niet onbegrijpelijk doordat een vertaling van de dagvaarding in eerste aanleg in het dossier ontbreekt of omdat in eerste aanleg zou zijn verzuimd een Poolse vertaling te versturen naar het bekende adres van de verdachte dat niet als achterhaald kan worden beschouwd. 3 Slotsom 3.1 Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. 3.2 Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen meer dan twee jaren na het instellen van cassatie op 30 november 2023. Daarom is de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden. De Hoge Raad zal gelet op de opgelegde gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, en de mate van overschrijding naar mijn verwachting kunnen volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Ook verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen. 3.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Rolnummer: 22-002707-22.
Volledig
Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres, alsmede aan het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending. 3. De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan worden volstaan met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat dit nog uit een afzonderlijke akte hoeft te blijken. 4. In het belang van een goede uitvoering van dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.” - art. 423 lid 1 en 2 Sv: “1. Het gerechtshof kan het vonnis hetzij geheel bevestigen, hetzij gedeeltelijk bevestigen en gedeeltelijk vernietigen, hetzij geheel vernietigen. Het gerechtshof bevestigt het vonnis geheel hetzij met gehele of gedeeltelijke overneming hetzij met aanvulling of verbetering van gronden. Ingeval het vonnis geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd, doet het gerechtshof wat de rechtbank had behoren te doen, behoudens terugwijzing op grond van het tweede lid. 2. Indien de hoofdzaak niet door de rechtbank is beslist en het onderzoek daarvan gevolg moet zijn van de vernietiging van het vonnis, doet het gerechtshof de zaak zelf af, tenzij terugwijzing naar dezelfde rechtbank door de advocaat-generaal of de verdachte ter terechtzitting is verlangd. Terugwijzing vindt ook zonder uitdrukkelijk gebleken verlangen van de verdachte plaats indien de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig is en de dagvaarding om op de terechtzitting in hoger beroep te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte niet in persoon is gedaan of betekend en zich geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. In geval van terugwijzing doet de rechtbank recht met inachtneming van ’s hofs arrest.” 2.6 In art. 423 lid 1 Sv is als hoofdregel opgenomen dat de appelrechter een hem voorgelegde zaak zelf afdoet. In hoger beroep vindt een herkansing plaats en kunnen fouten en gebreken uit eerste aanleg worden hersteld. Niettemin wordt in het tweede lid van art. 423 Sv een uitzondering op deze hoofdregel gemaakt voor het geval de rechter in eerste aanleg ten onrechte niet over de hoofdzaak heeft beslist. De Hoge Raad heeft in zijn zogenoemde kernroljurisprudentie een ruimere werking aan art. 423 lid 2 Sv toegekend. In een arrest van 27 juni 2023 heeft de Hoge Raad een weergave gegeven van het geformuleerde kader: “3.4.1 Als de hoofdzaak door de rechtbank is beslist en er is sprake van een verzuim dat zich heeft voorgedaan bij de behandeling en beslissing van de zaak in eerste aanleg en dat tot nietigheid leidt, moet het hof – na een nieuwe behandeling van de zaak in hoger beroep – de uitspraak van de rechtbank vernietigen. Het hof doet dan wat de rechtbank had behoren te doen, en wijst de zaak dus niet terug naar de rechtbank op de grond dat de verdachte een aanleg heeft gemist (vgl. artikel 423 lid 1 Sv). 3.4.2 Aan artikel 423 lid 2 Sv ligt als beginsel ten grondslag dat een verdachte in aan hoger beroep onderworpen zaken aanspraak heeft op berechting in twee feitelijke instanties. Op grond van dit beginsel wordt in sommige gevallen afgeweken van de onder 3.4.1 genoemde hoofdregel. Dan wordt, na vernietiging van het vonnis in eerste aanleg, de zaak teruggewezen naar de rechtbank. Naast de in artikel 423 lid 2 Sv geregelde gevallen kan van zo’n geval onder meer sprake zijn als de rechter op de terechtzitting in eerste aanleg niet aan de inhoudelijke behandeling van de zaak had mogen toekomen omdat een van de overige personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg niet is verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich ook niet een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was. Tot deze personen kunnen, naast de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie, alleen de verdachte en zijn raadsman worden gerekend. (Vgl. in enigszins andere bewoordingen HR 7 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0442 ( NJ 1996/557 , m.nt. A.C. ’t Hart; red. ).)” 2.7 De Hoge Raad heeft aldus – naast de in art. 423 lid 2 Sv geregelde gevallen, waarin de rechter in eerste aanleg ten onrechte niet over de hoofdzaak heeft beslist – gevallen aangewezen, waarin de rechter in eerste aanleg wel over de hoofdzaak heeft beslist, maar niet aan de inhoudelijke behandeling van de zaak had mogen toekomen, en die daarom eveneens voor terugwijzing in aanmerking kunnen komen. Van zo’n geval is onder meer sprake als een van de overige personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg (te weten de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie, de verdachte of zijn raadsman) in eerste aanleg niet is verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich ook niet een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was. 2.8 In de voorliggende zaak doet zo’n geval zich niet voor. Het hof heeft, gelet op hetgeen onder 2.2 (iii) is vermeld en waaruit blijkt dat de dagvaarding met behulp van een geregistreerde tolk in de (voor de verdachte begrijpelijke) Poolse taal aan de verdachte in persoon is uitgereikt, niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de dagvaarding in eerste aanleg in persoon is betekend, met behulp van een tolk. In het oordeel van het hof ligt besloten dat de verdachte – op de wijze als bedoeld in art. 36e lid 1 sub b Sv – op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting. Gelet op de hiervoor besproken jurisprudentie, draagt deze grond de afwijzing van het verzoek tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank zelfstandig. De afwijzing van dit verzoek wordt niet onbegrijpelijk doordat een vertaling van de dagvaarding in eerste aanleg in het dossier ontbreekt of omdat in eerste aanleg zou zijn verzuimd een Poolse vertaling te versturen naar het bekende adres van de verdachte dat niet als achterhaald kan worden beschouwd. 3 Slotsom 3.1 Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. 3.2 Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen meer dan twee jaren na het instellen van cassatie op 30 november 2023. Daarom is de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden. De Hoge Raad zal gelet op de opgelegde gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, en de mate van overschrijding naar mijn verwachting kunnen volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Ook verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen. 3.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Rolnummer: 22-002707-22.