Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-03
ECLI:NL:PHR:2026:195
Strafrecht
9,235 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:195 text/xml public 2026-03-05T11:26:17 2026-02-22 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-03 24/04335 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:195 text/html public 2026-03-05T11:25:17 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:195 Parket bij de Hoge Raad , 03-03-2026 / 24/04335 Conclusie AG. Reeks oplichtingen (art. 326 Sr). Eerste middel klaagt dat verdachte slechts ongedekte Europese overschrijvingskaarten heeft ingediend, hetgeen geen voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen oplevert. Dit middel faalt. Tweede middel bevat slagende klacht dat hof bij opleggen GS geen acht heeft geslagen op een eerder onherroepelijk geworden opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en dus art. 63 Sr heeft miskend. Conclusie strekt tot vernietiging t.a.v. duur opgelegde GS, tot een zodanige beslissing HR o.g.v. art. 440 Sv gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/04335 Zitting 3 maart 2026 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, hierna: de verdachte. 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 20 november 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens in de zaak met parketnummer 03-217012-20 onder 1 “oplichting”, onder 3 “verduistering, meermalen gepleegd”, onder 4, 5, 6 en 7 telkens “oplichting, meermalen gepleegd” en in de zaak met parketnummer 03-334234-21 onder 1 en 2 telkens “oplichting” en onder 3 “verduistering, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 57 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslist over in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen en de openbaarmaking gelast van het arrest na het onherroepelijk worden daarvan, inclusief de vermelding van de personalia van de verdachte, door publicatie daarvan op de website van rechtspraak.nl. Verder heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en in verband daarmee aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. 1.2 Namens de verdachte heeft G.W.L.A.M. Koppen, advocaat in Eindhoven, twee middelen van cassatie voorgesteld. 2 Het eerste middel 2.1 Het eerste middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte tot een bewezenverklaring is gekomen van de in de zaak met parketnummer 03-217012-20 onder 7 impliciet cumulatief tenlastegelegde elf gevallen van oplichting, omdat uit de bewezenverklaarde feitelijke gedragingen niet begrijpelijk kan volgen dat de verdachte door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels aangevers heeft bewogen goederen te leveren. In de kern heeft de verdachte slechts ongedekte Europese overschrijvingskaarten ingediend. 2.2 Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 03-217012-20 onder 7 bewezenverklaard dat: “ hij op tijdstippen in de periode van 15 januari 2020 tot en met 14 juli 2020 in Nederland en/of in België telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, - [betrokkene 1] heeft bewogen tot de afgifte van een Mercedes-Benz GLK 220 en/of - [aangever] heeft bewegen tot de afgifte van een boot (Capelli) en/of - [betrokkene 3] heeft bewogen tot de afgifte van een Landrover Defender en/of - [betrokkene 4] heeft bewogen tot de afgifte van een camper (Rimor) en/of - [betrokkene 5] en/of [A] heeft bewogen tot de afgifte van een Mercedes-Benz C220 Bluetec en/of - [betrokkene 6] heeft bewogen tot de afgifte van een BMW 740 I en/of - [betrokkene 7] heeft bewogen tot de afgifte van een Audi RS 4 Avant en/of - [betrokkene 8] en/of [B] heeft bewogen tot de afgifte van Range Rover Evoque en/of - [betrokkene 9] heeft bewogen tot de afgifte van een BMW 520D en/of - [betrokkene 10] heeft bewogen tot de afgifte van een camper (Volkswagen California) en/of - [betrokkene 11] heeft bewogen tot de afgifte van een camper (Adria Matrix), door - zich voor te doen als bonafide autohandelaar en/of eigenaar van autodemontagebedrijf [verdachte] te [plaats] en/of bonafide koper van voornoemd(e) goed(eren) en/of - met voornoemde perso(o)n(en) afspraken te maken over de aankoop van voornoemd(e) goed(eren) en/of - een of meer koopovereenkomsten te ondertekenen en de indruk te wekken dat hij de overeengekomen prijs kan betalen en/of, - met het overhandigen van zijn bankpas en/of rijbewijs en/of identiteitskaart vertrouwen te wekken en/of - (telkens) ter betaling van voornoemd(e) goed(eren) een Europese overschrijvingskaart van de ING Bank op te maken en/of in te (laten) dienen (bij de bank), terwijl verdachte telkens onvoldoende saldo op zijn bankrekening had, waardoor voornoemde personen werden bewogen tot bovenomschreven afgiftes. ” 2.3 De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep tien van de onder 7 tenlastegelegde feiten bekend, zodat het hof ingevolge art. 359 lid 3 Sv heeft volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen ten aanzien van deze feiten. De tenlastegelegde oplichting van [aangever] heeft de verdachte ontkend en ten aanzien van dit feit heeft het hof onderkend dat niet kan worden volstaan met een dergelijke opsomming. Met betrekking tot dit bewezenverklaarde feit heeft het hof als bewijsmiddelen in het arrest opgenomen: “ 24. Het proces-verbaal aangifte met bijlagen d.d. 16 juni 2020 (paginanummers 197 t/m 211), voor zover inhoudende als verklaring van [aangever] : (paginanummer 197) Ik doe bij deze aangifte van oplichting tegen [verdachte] . [verdachte] heeft van mij een boot gekocht. Ik heb echter geen geld ontvangen van [verdachte] . Ik ben eigenaar van een Rib (rubberboot), merk Capelli, type 770WA. Deze boot is voorzien van een 300 pk Yamaha buitenboordmotor, serienummer […] . De boot is in Nederland geregistreerd onder nummer […] op mijn naam. Ik had deze boot in Spanje staan. Ik wilde de boot gaan verkopen. De boot stond te koop voor 59.750 euro. Ik had op de advertentie enkele gegadigden om de boot te kopen. Ik heb de boot daarom over laten komen naar België en deze is bezorgd bij jachthaven [C] te [plaats] . De hoogste bieder voor de boot was [verdachte] die 55.000 euro wilde betalen. Ik heb telefonisch contact gehad met [verdachte] en we zijn tot koop overeengekomen. Ik heb een contract opgemaakt en deze gemaild naar [verdachte] op zijn [e-mailadres] . Ik wist dat [verdachte] ergens in Nederland verbleef in de buurt van [plaats] . Zijn adres is [a-straat 1] [plaats] . [verdachte] had een foto van zijn ID kaart per WhatsApp naar mij gestuurd. Ik zag dat zijn gegevens waren: [verdachte] , [verdachte] , geboren [geboortedatum] -1972. [verdachte] heeft toen het koopcontract ondertekend en mij teruggemaild. (paginanummer 198) Toen de boot in België was, heb ik weer contact gehad met [verdachte] op [telefoonnummer] . We hebben toen de afspraak gemaakt dat ik naar [plaats] zou komen om de betaling te regelen en de boot over te schrijven op zijn naam. Op 12-6-2020 ben ik naar [plaats] (NL) gegaan en heb [verdachte] daar getroffen. We zijn toen naar een winkeltje gegaan waar ook een ING-loket was. Daar heeft [verdachte] een Europese overschrijvingskaart ingevuld ter waarde van 55.000 euro. [verdachte] had toen ook zijn rijbewijs bij zich, waarvan een foto gemaakt is. Tevens laat ik u een foto zien van de overschrijvingskaart en van het bankpasje van [verdachte] . De mevrouw aan het ING-loket zei dat ze de overschrijving naar [plaats] zou sturen en dat daarna het geld overgemaakt zou worden naar mij. De mevrouw van de winkel zou de overschrijving versturen. We zijn dus naar [plaats] gereden (ieder in eigen auto) en daar heb ik de boot achter mijn auto gekoppeld. [verdachte] is toen voorop gereden naar een parkeerplaats aan de [b-straat] te [plaats] . Daar stond zijn vriend met een zwarte Opel met Nederlands kenteken. [verdachte] reed zelf ook in een BMW met Nederlands kenteken.
Volledig
Ik heb [verdachte] alle documenten van de boot en trailer gegeven zoals: CE verklaring van de boot, CE verklaring van de buitenboordmotor, CE verklaring van de trailer en het Belgische kentekenbewijs van de trailer. Hier in [plaats] vond dus op 12-6-2020 officieel de overdracht plaats. (paginanummer 199) [verdachte] deed zich ook voor als een opkoper en verkoper van boten en auto’s. Hij deed zich als een oprechte opkoper/verkoper voor die onder andere contact had met [betrokkene 12] uit [plaats] . Ik dacht in eerste instantie dat ik ook te maken had met een eerlijke koper. Ik ging er ook vanuit dat het geld goed zou komen omdat we op een ING-kantoor waren en dat de bediende zei dat het geld overgemaakt zal worden, waarschijnlijk 17-6-2020, maar uiterlijk 19-6-2020. Ik begrijp echter nu dat dit niet zal gaan gebeuren. [DP: Hierna worden een drietal afbeeldingen weergegeven die als bijlage bij het proces-verbaal van aangifte van [aangever] zijn gevoegd. De afbeeldingen zijn aangemerkt als “foto 1”, “foto 2” en “foto 3” van respectievelijk een overschrijfkaart, een betaalpas en een rijbewijs] 25 De eigen waarneming van het hof, inhoudende: Op voormelde foto 1 neemt het hof, voor zover relevant, waar een afbeelding van een deel van een oranjekleurige Europese overschrijvingskaart van de ING-Bank met witte invulstroken, met de voorgedrukte tekst: [verdachte] (het hof begrijpt de naam van de kaartgebruiker) en [rekeningnummer 1] (het hof begrijpt het rekeningnummer van de kaartgebruiker). Voorts is handmatig ingevuld bij Bedrag € ‘55.000,00’ en bij IBAN ontvanger ‘ [rekeningnummer 2] ’ en is een handtekening geplaatst, leesbaar als ‘ [verdachte] ’. Op voormelde foto 2 neemt het hof, voor zover relevant, waar een oranje ING betaalpas met daarop de volgende gegevens: [verdachte] [rekeningnummer 1] Pasnummer […] Op voormelde foto 3 neemt het hof, voor zover relevant, waar een roze Nederlands AM-B Rijbewijs met daarop een portretfoto van een man met donker haar en de volgende gegevens: 1. [verdachte] 2. [verdachte] 3. [geboortedatum] .1972 [geboorteplaats] 4a 11.10.2013 4b 11.10.2023 4.c [plaats] Voorzien van een handtekening, leesbaar als [verdachte] 26. Het proces-verbaal van verhoor getuige met bijlagen d.d. 16 juni 2020 (paginanummers 212 t/m 231), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige] : (Paginanummer 212) Ik heb een yachtservice bedrijf, genaamd [D] in [plaats] op het adres [c-straat 1] [plaats] . (Paginanummer 213) Op 12 juni 2020 verscheen ineens [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) weer op mijn bedrijf. Hij was nu met een zwarte BMW en een vriend was bij hem die in een Opel Vectra reed. Achter de Opel was een boottrailer gekoppeld waarop een grote Rib (rubberboot) stond van het merk Capelli. Ik weet dat dit een goed en niet goedkoop merk is. Ik zag dat achter de boot een 300 pk Yamaha buitenboordmotor zat. Deze motor kost nieuw rond de 30.000 euro. [verdachte] zei dat hij een boot had ingeruild en vroeg of ik interesse had in deze Capelli. Hij vroeg 20.000 euro voor deze combinatie. Ik zag dat op de boot het Nederlandse registratienummer […] stond. Ik vond dit een beetje verdacht omdat dit bedrag veel te laag was. Op 13 juni 2020 verscheen [verdachte] weer bij mijn bedrijf, nu alleen in de zwarte BMW en zonder boot. Hij vroeg toen of ik zelf interesse had in de Rib. Hij bood de boot toen te koop aan voor 15.000 euro. 2.4 Verder heeft het hof de volgende bewijsoverwegingen in zijn arrest opgenomen: “ Bewijsoverwegingen feit 7 ( [aangever] - een boot (Capelli)) in de zaak met parketnummer 03-217012-20 De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van de tenlastegelegde oplichting van [aangever] betoogd. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte de boot contant heeft betaald en hij zichzelf aldus niet wederrechtelijk heeft bevoordeeld. Er is geen overschrijvingskaart aangeboden bij het ING-kantoor. De verdachte zou de boot daarna voor een bedrag van € 30.000,00 en twee gouden horloges doorverkopen. Dit betreft dus geen lager bedrag dan het bedrag dat hij aan aangever (€ 55.000,00) heeft betaald. De verklaring van de verdachte is dan ook voldoende aannemelijk geworden, aldus de verdediging. Gelet hierop dient de verdachte te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde oplichting van [aangever] . Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Bij een samenweefsel van verdichtsels behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang. Op grond van het verhandelde ter terechtzitting en het politiedossier stelt het hof het volgende vast. Op 16 juni 2020 doet [aangever] aangifte tegen de verdachte ter zake van oplichting. Aangever had een boot, merk Capelli, met buitenboordmotor te koop gezet. Het registratienummer van de boot betreft […] . De verdachte heeft het hoogste bod uitgebracht op de boot (€ 55.000,00) en na telefonisch contact zijn aangever en verdachte een koop overeengekomen. De verdachte heeft het koopcontract ondertekend en gemaild aan aangever. Over hef feit dat de verdachte voornoemde boot van aangever heeft gekocht, bestaat ook geen discussie. Dit is anders voor wat betreft het feit dat aangever heeft verklaard dat de koopsom nimmer daadwerkelijk door de verdachte is betaald. Volgens aangever deed de verdachte zich voor als opkoper en verkoper van boten en auto’s. Zij zijn na het sluiten van de koop samen op 12 juni 2020 naar een ING-servicepunt in [plaats] gegaan. Naar zeggen van de aangever heeft de verdachte een Europese overschrijvingskaart ingevuld ter waarde van het overeengekomen bedrag van € 55.000,00. Van deze overschrijvingskaart, op naam van de verdachte met daarop vermeld een bedrag van € 55.000,00 alsmede de naam van aangever en voorzien van een handtekening waarin de naam [verdachte] valt te lezen, is een foto gemaakt die als afbeelding bij de bewijsmiddelen is opgenomen. Aangever heeft verder een foto van de pinpas en het rijbewijs van de verdachte aangeleverd. Ook hiervan zijn de afbeeldingen aan de bewijsmiddelen toegevoegd. Op dezelfde dag, 12 juni 2020, is een overschrijving van het vaartuig geregeld en heeft de fysieke overdracht van de boot plaatsgevonden. De boot met, nog steeds hetzelfde registratienummer […] , is evenwel reeds dezelfde en de volgende dag door de verdachte voor respectievelijk € 20.000,00 en € 15.000,00 aangeboden aan [getuige] , eigenaar van een yachtservice bedrijf. Het vorenstaande leidt bij het hof tot het volgende oordeel. De op naam van de verdachte afgegeven Europese overschrijvingskaart waarvan een afbeelding is opgenomen bij de bewijsmiddelen is naar het oordeel van het hof ten behoeve van de aankoop van de boot van aangever door verdachte gebruikt.
Volledig
Dit neemt het hof, naast de verklaring van aangever, aan op basis van het feit dat deze kaart is voorzien van een handtekening die een grote gelijkenis vertoont met de handtekening op het rijbewijs van de verdachte. Daarnaast komt het rekeningnummer op de overschrijvingskaart overeen met het rekeningnummer op de bankpas van de verdachte ( [rekeningnummer 1] ) die eveneens door aangever is gefotografeerd en waarvan de afbeelding in de bewijsmiddelen is opgenomen. Het hof ziet dan ook geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de afbeelding van deze Europese overschrijvingskaart te twijfelen noch aan de verklaring van aangever hierover. Bovendien staat deze wijze van handelen door de verdachte geenszins op zichzelf, maar is sprake van een vergelijkbare modus operandi als terug is te zien in overige feiten die thans ter beoordeling aan het hof voorliggen. Het hof overweegt daartoe als volgt. De aangifte van [aangever] past qua modus operandi goed bij de modus operandi van de bewezenverklaarde en (grotendeels) door de verdachte bekende feiten terzake van oplichting. Ook bij die feiten bediende de verdachte zich veelal van een ongedekte Europese overschrijvingskaart in combinatie met identiteits- en/of verificatiedocumenten, zoals een rijbewijs en een bankpas. Ook werd veelal een ING-kantoor door verdachte en het door hem beoogde slachtoffer bezocht, alwaar de formaliteiten werden afgerond, maar waar het in geen geval kwam tot een betaling. Daarentegen vindt de verklaring van de verdachte dat hij de boot contant zou hebben betaald op geen enkele wijze steun in het dossier. Bovendien laat een contante betaling zich lastig rijmen met een door verdachte (eveneens) afgegeven overschrijvingskaart ten bedrage van de volledig overeengekomen prijs. Verdachtes verklaring is daarmee, zeker bezien in het licht van alle andere bewezenverklaarde feiten, volstrekt ongeloofwaardig te achten. Het hof zal daar dan ook verder geen acht op slaan. Daarbij komt nog dat uit het gegeven dat de verdachte op dezelfde dag van de koop deze boot voor een substantieel lager bedrag te koop heeft aangeboden zonder redengevende verklaring daarvoor niets anders kan worden afgeleid dan dat de verdachte geenszins de bedoeling had om de aangever zijn geld te betalen. Integendeel, zijn handelwijze duidt er zonder meer op dat hij trachtte het eenmaal aan hem verstrekte goed zo snel mogelijk van de hand te doen om zo snel mogelijk de waarde daarvan in geld te verzilveren en zodoende de eventuele mogelijkheid tot beslaglegging onder de verdachte te voorkomen. Gelet op dit alles ontbreekt iedere aanleiding voor ook maar een begin van twijfel aan de inhoud van de verklaringen van [aangever] en [getuige] , zodat het hof uitgaat van de juistheid van hun verklaringen, waarmee het vrijspraakverweer van de verdediging faalt. Concluderend is het hof gelet op voorgaande van oordeel dat er sprake is van -met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling van zichzelf- het aannemen van een valse hoedanigheid en/of listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels, waardoor [aangever] werd bewogen tot afgifte van zijn Capelli boot.” 2.5 In de toelichting op het middel wordt met betrekking tot de onder 7 tenlastegelegde gevallen van oplichting aangevoerd dat in feite slechts sprake is van het aanbieden van ongedekte cheques, hetgeen niet een voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen oplevert. In dit verband wordt erop gewezen dat de verdachte geen valse identiteit heeft aangenomen. In het verlengde hiervan wordt aangevoerd dat de aangever niet met voldoende in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid heeft gehandeld. 2.6 De steller van het middel merkt terecht op het enkele aanbieden van een ongedekte cheque naar Nederlands recht niet zonder meer strafbaar is. Dit laat zich verklaren doordat zich situaties kunnen voordoen waarin een persoon zulke bankoverschrijvingen aanbiedt zonder dat bij hem een oogmerk van misleiding in de zin van art. 225 Sr of een oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling in de zin van art. 326 Sr aanwezig is, maar waarin hij bij het aanbieden te goeder trouw verwacht een voldoende saldo op zijn bankrekening te hebben staan, terwijl dat op het moment van verzilveren niet het geval blijkt te zijn. 2.7 Als het gaat om de tenlastegelegde oplichting van [aangever] is meer aan de hand dan het enkele aanbieden van een ongedekte overschrijvingskaart. De verdachte heeft immers – door eerst een bod te doen op de boot, vervolgens af te spreken bij een ING-loket, zich aldaar te legitimeren richting de aangever en de overschrijvingskaart in te vullen en aan te bieden aan de mevrouw van het ING-loket – bij de aangever de indruk gewekt dat hij een bonafide opkoper/verkoper was van auto’s en boten. Ik wijs er in dit verband op dat uit de verklaring van de aangever (bewijsmiddel 24) blijkt dat de verdachte heeft verkondigd dat hij onder andere contacten had met ‘ [betrokkene 12] ’ uit [plaats] . Ik ga er op basis van openbare bronnen van uit dat hier wordt gedoeld op de luxe jachtbouwer [betrokkene 12] . Wat mij betreft, kon het hof gezien het voorgaande oordelen dat de verdachte een valse hoedanigheid, namelijk die van een oprechte handelaar in boten en auto’s, heeft aangenomen en dat de aangever hierdoor is bewogen tot afgifte van de boot. De stelling dat geen sprake zou zijn van een voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen, deel ik niet. Dit geldt ook voor het standpunt dat de aangever niet met voldoende in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid heeft gehandeld. 2.8 Ik heb – mede gelet op de door het hof vastgestelde vergelijkbare modus operandi – geen reden om aan te nemen dat dit anders zou zijn voor de andere tien onder feit zeven bewezenverklaarde feiten die de verdachte ter terechtzitting heeft bekend. Nu de schriftuur omtrent die ander feiten geen enkel argument bevat, meen ik dat ten aanzien van deze feiten niet kan worden gezegd dat een duidelijke cassatieklacht is geformuleerd, zodat dit punt hoe dan ook geen verdere bespreking behoeft. 2.9 Het middel faalt. 3 Het tweede middel 3.1 Het tweede middel bevat de klacht dat het hof bij bepaling van de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf geen acht heeft geslagen op een eerder onherroepelijk geworden opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Hiermee heeft het hof, zo begrijp ik de steller van het middel, art. 63 Sr miskend, nu het hof is uitgegaan van een te hoge maximum gevangenisstraf. 3.2 Ten aanzien van de strafoplegging heeft het hof onder meer overwogen: “ Op te leggen sanctie […] Het hof heeft ten nadele van de verdachte acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 juli 2024, waaruit volgt dat de verdachte eerder en herhaaldelijk onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke delicten. Het hof stelt voorts vast dat in eerste aanleg de voorlopige hechtenis van de verdachte per 24 december 2020 is geschorst en per 12 oktober 2021 deze schorsing is opgeheven, in welke schorsingsperiode de verdachte door is gegaan met het plegen van strafbare feiten zoals die thans bewezen zijn verklaard. Hieruit blijkt de kennelijke onverbeterlijkheid bij de verdachte als het aankomt op het oplichten van personen. Daarna is de verdachte tijdens een schorsing uit de voorlopige hechtenis op de vlucht geslagen en een tijdlang voor politie en justitie onvindbaar geweest. Zo is in die periode buiten zijn aanwezigheid in eerste aanleg over deze feiten beslist. De verdachte heeft door zich aldus te gedragen getracht elke verantwoordelijkheid voor de bewezenverklaarde feiten te ontlopen. Dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep ervoor heeft gekozen om een andere proceshouding aan te nemen, doet aan de ernst van deze omstandigheden niet af. Daarnaast blijkt uit voornoemd uittreksel dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van toepassing is. Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij schoon schip wil maken.
Volledig
Hij heeft een nieuwe vriendin en als hij vrijkomt kan hij terecht bij een voormalig werkgever, zo begrijpt het hof, om graafwerkzaamheden te verrichten. Hij heeft ernstige gezondheidsklachten en staat op de wachtlijst voor een operatie. Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof stelt ten aanzien van de duur van die op te leggen straf het volgende vast. Gelet op de van toepassing zijnde samenloopregeling ex artikel 57 Sr is de maximaal op te leggen straf in het geval van samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop hoofdstraffen zijn gesteld niet meer dan een derde boven het hoogste maximum. De maximaal op te leggen straf voor een veroordeling van artikel 326 Sr betreft een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. De maximaal op te leggen straf voor één veroordeling van artikel 321 Sr betreft een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. In dit geval betreft de maximum op te leggen straf aldus één gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, verhoogd met een derde, hetgeen resulteert in een maximum gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en vier maanden (= 64 maanden). Het hof is van oordeel dat het opleggen van deze maximumstraf in beginsel passend zou zijn, en heeft daarbij de persoonlijke omstandigheden van de verdachte mede in acht genomen. De door de advocaat-generaal gevorderde straf doet naar het oordeel van het hof, niettegenstaande de vrijspraak van het onder feit 2 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 03-217012-20, geen recht aan de ernst van het bewezenverklaarde zoals hiervoor uiteengezet. Het hof heeft daarbij acht geslagen op het bijna veertig pagina’s tellende strafblad van de verdachte en het feit dat de verdachte op verschillende manieren heeft getracht om zijn verantwoordelijkheid aan het bewezenverklaarde te ontlopen. Bovendien neemt het hof het de verdachte zeer kwalijk dat hij tijdens een schorsing van de voorlopige hechtenis verder is gegaan met het plegen van soortgelijke strafbare feiten, welke feiten uiteindelijk gevoegd zijn in deze strafzaak onder parketnummer 03-334234-21 en ook bewezen zijn verklaard door het hof. Het opleggen van een straf zoals door de raadsman verzocht kan om diezelfde redenen niet aan de orde zijn. Het hof heeft bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf tevens het bepaalde in artikel 63 Sr betrokken. Concluderend is het hof van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 64 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, passend en geboden is. Het hof stelt ten slotte voorop dat elke verdachte recht heeft op een afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Geconstateerd is dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is geschonden. Na onderzoek is het volgende gebleken: - De verdachte is op 27 augustus 2020 in verzekering gesteld. - Op 30 mei 2022 is door de rechtbank vonnis gewezen. - Op 8 juni 2022 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. - Op 23 oktober 2024 heeft de inhoudelijke behandeling bij het gerechtshof te ‘s- Hertogenbosch plaatsgevonden. - Het arrest is gewezen op 20 november 2024. Naar het oordeel van het hof betrof de redelijke termijn in eerste aanleg één periode van 16 maanden. Weliswaar is de voorlopige hechtenis van de verdachte enkele keren geschorst geweest, ten tijde van de uitspraak van het vonnis was de verdachte voorlopig gehecht. Tussen de inverzekeringstelling van de verdachte en de uitspraak van de rechtbank is een termijn van ruim 21 maanden verstreken, hetgeen niet (geheel) aan de verdachte valt toe te rekenen. Dit is één overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim 5 maanden. Naar het oordeel van het hof betrof de redelijke termijn in hoger beroep tevens een periode van 16 maanden. Daartoe overweegt het hof dat de verdachte gedurende de procesgang in hoger beroep grotendeels gedetineerd is geweest. De voorlopige hechtenis is geschorst om een in een andere strafzaak opgelegde gevangenisstraf uit te zitten en daarnaast is de voorlopige hechtenis ook een korte periode geschorst waarna de verdachte niet teruggekeerd is naar de penitentiaire inrichting. Het hof zal echter, nu de totale duur van detentie nog niet inzichtelijk is gemaakt, uitgaan in het voordeel van de verdachte van een redelijke termijn van 16 maanden. Tussen het instellen van het hoger beroep en de uitspraak van het hof is een termijn verstreken van ruim 29 maanden, hetgeen niet (geheel) aan de verdachte valt toe te rekenen. Dit betreft een overschrijding van de redelijke termijn met 13 maanden. Het hof heeft hiervoor overwogen dat een gevangenisstraf voor de duur van 64 maanden met aftrek van het voorarrest in beginsel passend en geboden is. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof echter volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 57 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep nog verzocht om openbaarmaking van de uitspraak op www.rechtspraak.nl. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Gelet op de ernst en de lange duur van het bewezenverklaarde strafbare handelen door de verdachte, de omstandigheid dat de verdachte geen blijk heeft gegeven het laakbare van al zijn handelen in te zien en dat hij op verschillende manieren heeft getracht om zijn verantwoordelijkheid aan het bewezenverklaarde te ontlopen, het feit dat hij tietallen slachtoffers heeft gemaakt, het feit dat hij ook eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor vergelijkbare zaken, het feit dat hij zelfs tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis in onderhavige zaak met parketnummer 03-217012-20 is verder gegaan met het plegen van soortgelijke strafbare feiten en de omstandigheid dat er aldus rekening moet worden gehouden met een gevaar voor herhaling acht het hof het van belang om de maatschappij in het algemeen te waarschuwen voor de handelwijze van de verdachte en diens praktijken door hen hiervan op de hoogte te stellen. Derhalve zal het hof bepalen dat deze uitspraak nadat deze onherroepelijk is geworden, openbaar zal worden gemaakt door deze te publiceren op www.rechtspraak.nl zonder de gegevens van verdachte te anonimiseren, zodat een ieder via internet op de hoogte kan geraken van de praktijken van de verdachte. Met de oplegging van deze bijkomende straf beoogt het hof nieuwe slachtoffers te voorkomen. Aangezien hiermee geen op de verdachte te verhalen kosten gemoeid zijn, zal het hof met toepassing van artikel 36, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht de kosten van openbaarmaking op nihil schatten.” 3.3 Art. 63 Sr luidt: “Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.” 3.4 Uit rechtspraak van de Hoge Raad omtrent art. 63 Sr blijkt het volgende beoordelingskader: “a. de rechter moet nagaan wat de maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest indien alle feiten gevoegd zouden zijn behandeld en dus tot één rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid, terwijl b.
Volledig
hij in ieder geval geen hogere straf zal mogen opleggen dan overeenkomt met het hiervoor onder a) bedoelde maximum verminderd met de eerder opgelegde straffen en c. hij in geen geval hoger mag straffen dan tot het maximum van de vrijheidsstraf die is gesteld op het door hem te berechten feit.” 3.5 Het gaat in de onderhavige zaak om de strafoplegging in verband met de bewezenverklaring van een groot aantal oplichtingen en verduisteringen gepleegd in de periode van 24 september 2018 tot en met 7 mei 2021. Blijkens de 40 pagina’s tellende justitiële documentatie van de verdachte is hij op 9 februari 2022 door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voor het meermalen plegen van oplichting in de periode van 30 september 2019 tot en met 7 oktober 2019. Deze veroordeling is op 24 februari 2022 onherroepelijk geworden. 3.7 Toepassing van het hiervoor weergegeven beoordelingskader op de onderhavige feiten levert het volgende op. De maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf indien alle voormelde feiten gevoegd zouden zijn behandeld en dus tot één rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid, is vijf jaren en vier maanden, ofwel 64 maanden (art. 326 Sr kent een strafmaximum van vier jaren, verhoogd met een derde nu sprake is van meerdaadse samenloop als bedoeld in art. 57 Sr). Nu de tussenliggende veroordeling een gevangenisstraf van 6 maanden bedraagt, kon de rechter ingevolge art. 63 Sr dus maximaal 58, en geen 64, maanden gevangenisstraf opleggen. 3.8 Dit betekent dat het middel slaagt. Het hof heeft blijkens zijn overwegingen gemeend dat de overschrijding van de redelijke termijn tot strafvermindering moet leiden. Een vermindering van de gevangenisstraf dient te geschieden door eerst de gevangenisstraf vast te stellen die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden en deze vervolgens zodanig te verminderen dat de overschrijding afdoende wordt gecompenseerd. Bij het vaststellen van de duur van de gevangenisstraf vóór aftrek wegens overschrijding van de redelijke termijn, heeft het hof de betekenis van art. 63 Sr miskend door geen rekening te houden met de tussenliggende veroordeling en getuigt zijn oordeel dus van een onjuiste rechtsopvatting. Daaraan doet niet af dat de uiteindelijk opgelegde straf van 57 maanden de maximum op te leggen straf van 58 maanden die het hof met inachtneming van art. 63 Sr kon opleggen niet te boven gaat. 3.9 Vanuit proceseconomische redenen zou ik willen voorstellen dat de Hoge Raad de zaak zelf afdoet door de duur van de gevangenisstraf opnieuw te bepalen en daarbij met toepassing van art. 63 Sr uit te gaan van een maximaal op te leggen gevangenisstraf van 58 maanden, alsmede van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Daarbij kan de Hoge Raad ook een eventuele overschrijding van de redelijke termijn in cassatie betrekken. 4 Slotsom 4.1 Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt, maar de Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen. 4.2 Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad mogelijk uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 28 november 2024 in een zaak waarin de verdachte zich ten tijde van de betekening van de aanzegging in cassatie in voorlopige hechtenis bevond. In dat geval zal de redelijke termijn in cassatie worden overschreden. Als die eventuele overschrijding meer dan een maand bedraagt, zal dit tot strafvermindering moeten leiden. 4.3 Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar enkel wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, en tot een zodanige beslissing als de Hoge Raad op grond van artikel 440 Sv gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG HR 22 juli 1974, ECLI:NL:HR:1974:AB5630, NJ 1974/501 m.nt. Th.W. van Veen, onder “ambtshalve”; HR 29 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1915, NJ 1995/227 m.nt. A.H.J. Swart, r.o 6.4 en HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0633, NJ 1997/410. Vgl. A.H.J. Swart in zijn noot bij HR 29 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1915, NJ 1995/227 . HR 29 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2227, NJ 2006/176 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.6. HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3489, r.o. 3.2. Vgl. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.2 en 3.4.