Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2025-06-24
ECLI:NL:PHR:2025:718
Strafrecht
438 tokens
=== CONCLUSIE ===
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de betrokkene.
1. Bij arrest van 22 februari 2023 heeft het gerechtshof Amsterdam (parketnummer 23-001752-21) het vonnis van 2 juni 2021 van de rechtbank Amsterdam (parketnummer 13-046371-21) bevestigd en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 7.325,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 23/00885. Dit betreft de samenhangende strafzaak jegens de betrokkene. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, heeft één middel van cassatie voorgesteld, doch wat mij betreft tevergeefs.
4. Dat er – naast de aangifte – géén (door artikel 342 lid 2 Sv verlangd) bijkomend bewijs is voor de diefstal van een betrekkelijk groot contant geldbedrag, behelst een klacht over een gebrek in de motivering van de bewezenverklaring in de strafzaak. Daarover kan in de ontnemingszaak echter niet met vrucht worden geklaagd. Mocht de gelijkluidende klacht in de strafzaak succes hebben, dan doet artikel 511i Sv zijn werk (zodat de betrokkene sowieso geen belang heeft bij de klacht).
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep en kan op de voet van artikel 81 lid 1 RO worden afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Hetzij geen middel in de zin der wet, vgl. HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:512, hetzij geen belang bij het middel, vgl. HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1255.