Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2025-03-11
ECLI:NL:PHR:2025:293
Strafrecht
3,913 tokens
Conclusie
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
1Inleiding
1.1
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 12 juni 2023 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
1.2
Namens de verdachte heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, één middel van cassatie voorgesteld.
2Het middel
2.1
Het middel klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 12 juni 2023 houdt onder meer in:
“De advocaat-generaal voert het woord - zakelijk weergeven - als volgt:
Het gaat vandaag om een niet tijdig ingesteld appel. Op 9 januari 2022 is de mededeling uitspraak in persoon aan verdachte uitgereikt. Verdachte heeft op 21 juni 2022 appel ingesteld. Het uitgangspunt is dat een verdachte veertien dagen de tijd heeft om het hoger beroep in te stellen nadat hij bekend is geworden met de uitspraak. Zeer zelden wordt hierin een uitzondering gemaakt. In dit geval zijn er geen omstandigheden die wijzen op een verschoonbare termijnoverschrijding. De stelling van de verdediging is: er zat geen bijsluiter bij de mededeling uitspaak, dus verdachte wist niet van de termijn. Er zit een ander stuk in het dossier, wat de politie waarschijnlijk zo heeft geprint. Ik ga ervan uit dat er geen bijsluiter achter de mededeling uitspraak zat.
Er is geen jurisprudentie over het ontbreken van een bijsluiter achter de mededeling uitspraak, maar dit maakt ook niet uit voor het te laat indienen van het appel. Verdachte had contact kunnen opnemen met de griffie. Hij is ook geen first offender en kende de gang van zaken.
De voorzitter vraagt aan verdachte of hij een mededeling heeft ontvangen over de beslissing van de politierechter van 6 april 2021.
De verdachte verklaart -zakelijk weergegeven- als volgt:
Ik heb één papiertje gezien dat aan mij is overhandigd door een agent. Dit papiertje heb ik getekend en verder heb ik niets gezien. Ik heb toen mijn broertje gebeld en gevraagd wat ik moest doen. Ik wist niet van de termijn in hoger beroep.
U vraagt mij of ik niet schrok van de brief. Ik snapte het eerlijk gezegd niet. Ik ben later met mijn familie gaan praten en zij zeiden meteen: bel een advocaat. Toen is het balletje gaan rollen.
De oudste raadsheer vraagt aan de verdachte wat er nou precies aan hem is uitgereikt.
De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:
Een papiertje met een paar zinnen er op. Daar stond wel iets op over veertien dagen, met een heel verhaal. Het papiertje zat niet in een envelop.
De jongste raadsheer deelt mede aan verdachte dat er een stuk in het dossier zit van 9 januari 2022 waarop verdachte zijn handtekening heeft gezet en dat hij in juni 2022 hoger beroep heeft ingesteld nadat hij een ander stuk kreeg, waarop stond dat hij zich moest melden. Hij vraagt aan verdachte waarom hij niet al in januari 2022 aan de bel heeft getrokken.
De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:
Ik heb geen idee. Ik heb een wit, dubbelgevouwen a4'tje gekregen van een agent die zei: 'Hoi, lees hem maar door.' Toen heb ik nog niks gedaan. In juni 2022 kreeg ik een brief dat ik mij moest melden en toen dacht ik aan het papiertje dat ik in januari had gekregen. Het drong in januari niet tot mij door dat ik veertien dagen moest zitten. Mijn rijbewijs had ik toen ook al terug.
De raadsvrouw voert het woord tot verdediging overeenkomstig haar pleitnota, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht. In aanvulling op haar pleitnota deelt de raadsvrouw mede dat zij net als de advocaat-generaal heeft gezocht naar jurisprudentie, maar ook geen uitspraken of arresten heeft gevonden over wat het wel of niet aanwezig zijn van een bijsluiter bij een mededeling uitspraak betekent voor de ontvankelijkheid van het beroep.
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken, maar hij maakt hiervan geen gebruik.
De voorzitter deelt mee, dat het hof zich zal terugtrekken in raadkamer om te beraadslagen. Na beraad sluit de voorzitter het onderzoek ter zitting en deelt mee dat volgens de beslissing van het hof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.
De voorzitter deelt als beslissing van het hof mee:
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep is te laat ingediend en dat heeft te maken met dat u op 9 januari 2022 de mededeling uitspraak heeft ontvangen. Volgens de wet had u vanaf toen veertien dagen de tijd om hoger beroep in te stellen. In de wet staat niet dat de termijn pas gaat lopen op het moment dat er tevens informatie is verstrekt over het recht om binnen twee weken in hoger beroep te gaan. Dit volgt ook niet uit de jurisprudentie van de Hoge Raad. Dit betekent dat u het hoger beroep te laat hebt ingesteld. De termijnoverschrijding is niet verschoonbaar.”
2.3
Het hof heeft in zijn arrest overwogen:
“Door de verdediging is bepleit dat het hoger beroep tijdig is ingesteld, subsidiair dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht, omdat er geen bijsluiter bij de mededeling uitspraak was gevoegd waaruit verdachte kon opmaken dat hij veertien dagen de tijd had om hoger beroep in te stellen.
De mededeling betreffende het vonnis waarvan beroep is op 9 januari 2022 aan verdachte in persoon betekend. Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen daarna tegen het vonnis hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van die termijn ingesteld.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging dat het hoger beroep tijdig is ingesteld, subsidiair dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.
Verdachte heeft op 9 januari 2022 een brief uitgereikt gekregen waarin staat dat de politierechter op 6 april 2021 vonnis heeft gewezen waarbij verdachte is veroordeeld voor het overtreden van artikel 9, tweede lid van de Wegenverkeerswet op 9 november 2020 en waarbij hem een gevangenisstraf van twee weken is opgelegd. Verdachte had volgens de wet vanaf 9 januari 2022 twee weken de tijd om hoger beroep in te stellen. Dat heeft verdachte niet gedaan. Hij heeft geen enkele actie ondernomen. Pas nadat verdachte op 17 juni 2022 een brief had ontvangen waarin stond dat hij zich diende te melden om zijn straf uit te zitten, heeft hij actie ondernomen en heeft hij op 21 juni 2022 hoger beroep ingesteld.
Door de raadsvrouw is naar voren gebracht dat niet is gebleken dat verdachte op 9 januari 2022 (naast de bovengenoemde brief) de gebruikelijke bijsluiter uitgereikt heeft gekregen waarin hij wordt geïnformeerd over zijn recht om binnen twee weken in hoger beroep te gaan.
Uit de wet of de jurisprudentie volgt niet dat de termijn van hoger beroep pas begint te lopen vanaf het moment dat een verdachte tevens is geïnformeerd over zijn recht om in hoger beroep te gaan en de termijn waarbinnen dat moet gebeuren. Derhalve is het hoger beroep te laat ingesteld.
Indien sprake is van een termijnoverschrijding kan deze in een beperkt aantal gevallen verschoonbaar worden geacht. Van zo’n uitzonderingssituatie is hier geen sprake.
Dictum
<div>Een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken
</div>
Utrecht, 23 juli 2021
De officier van justitie,”.
2.7
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.
- Art. 366 lid 1, 2 en 3 Sv:
“1. De officier van justitie doet de mededeling van het vonnis dat de beslissing van de rechtbank op grond van artikel 349, 351 of 352, tweede lid, bevat en dat buiten de aanwezigheid van de verdachte is uitgesproken, zo spoedig mogelijk aan hem betekenen.
2. Deze mededeling wordt niet gedaan
a. aan de verdachte aan wie de dagvaarding of aan wie de oproeping voor de nadere terechtzitting na schorsing van het onderzoek voor onbepaalde tijd, in persoon is betekend,
b. aan de verdachte die op de terechtzitting of op de nadere terechtzitting aanwezig is geweest,
c. indien zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting dan wel die van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.
3. De mededeling vermeldt de rechter die het vonnis heeft gewezen, de dagtekening van het vonnis, de benaming van het strafbaar feit met vermelding van de plaats en het tijdstip waarop het zou zijn begaan, en voor zoveel in het vonnis vermeld, naam en voornamen, geboortedatum en -plaats, en de woon- of verblijfplaats van de verdachte.”
- Art. 408 lid 1 en 2 Sv:
“1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;
b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;
c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;
[…]
2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.”
2.8
In gevallen als bedoeld in art. 408 lid 2 Sv gaat de termijn voor het instellen van hoger beroep lopen op het moment dat zich een omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is. Daarvoor is volgens de Hoge Raad nodig dat de verdachte op de hoogte wordt gesteld van wat voor hem van belang is voor de besluitvorming over het instellen van hoger beroep, zoals de aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straffen of maatregelen.
2.9
Art. 366 Sv regelt in welke gevallen en hoe mededeling moet worden gedaan van de uitspraak aan de bij verstek veroordeelde verdachte. Schending van de voorschriften van dit artikel kan gevolgen hebben voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Voor die ontvankelijkheid is echter niet nodig dat geheel aan art. 366 lid 3 Sv wordt voldaan. De Hoge Raad neemt al snel aan dat een gebrekkige mededeling van de uitspraak voldoende is om de verdachte op de hoogte te stellen van wat voor hem van belang is voor de besluitvorming over het instellen van hoger beroep. Zo heeft de Hoge Raad bekendheid met het vonnis aangenomen bij een mededeling waarin de datum van het vonnis onjuist was weergegeven. Datzelfde geldt voor een mededeling met de essentialia van het vonnis maar zonder de rechter die het vonnis had gewezen. Ook vond de Hoge Raad voldoende dat de verdachte bekend was met het parketnummer van de zaak en de opgelegde straf. Tot slot was volgens de Hoge Raad voldoende dat de verdachte telefonisch contact heeft gehad met de reclassering over de uitvoering van de opgelegde werkstraf, of dat de verdachte een krantenknipsel had ontvangen met informatie over de veroordeling. Onvoldoende was onjuiste informatie over de opgelegde straf. Ook onvoldoende – maar dat lijkt mij ver onder de ondergrens – was de enkele aanduiding van een parketnummer en het arrondissementsparket waaraan het proces-verbaal van uitreiking moest worden teruggezonden.
2.10
Het hof heeft het verweer van de verdediging dat het hoger beroep tijdig is ingesteld, subsidiair de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht, verworpen en geoordeeld dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep. Daartoe heeft het hof overwogen dat uit het onder 2.6 geciteerde schriftelijke stuk blijkt dat de politierechter op 6 april 2021 vonnis heeft gewezen waarbij de verdachte is veroordeeld voor overtreding van art. 9 lid 2 WVW 1994 op 9 november 2020 en dat hem daarbij een gevangenisstraf voor de duur van twee weken is opgelegd. Verder is het hof voorbijgegaan aan het argument van de verdediging dat niet is gebleken dat aan de verdachte op 9 januari 2022 de gebruikelijke bijsluiter over het instellen van hoger beroep is uitgereikt, omdat uit de wet of de jurisprudentie niet volgt dat de termijn pas dan begint te lopen. Tot slot heeft het hof het verweer over verschoonbare termijnoverschrijding verworpen, omdat algemeen bekend is dat er beroepsmogelijkheden zijn en dat informatie daarover kan worden ingewonnen bij een advocaat of de instelling waarvan de beslissing afkomstig is.
2.11
Wat mij betreft faalt het middel. Ter terechtzitting was niet in geschil dat de verdachte een mededeling uitspraak op papier heeft ontvangen zonder een bijsluiter met de gegevens over het instellen van hoger beroep. Het door de verdediging overgelegde schriftelijke stuk, waarvan ook het hof kennelijk is uitgegaan, bevat echter – met uitzondering van de pleegplaats van het feit en de woon- of verblijfplaats van de verdachte – alle informatie die volgens art. 366 lid 3 Sv is vereist. Het oordeel van het hof dat deze informatie een omstandigheid oplevert “waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is” getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Dat geldt ook voor het oordeel van het hof dat daaraan niet afdoet dat bij die mededeling geen bijsluiter was gevoegd met informatie over het instellen van hoger beroep. Dat is immers geen eis die in de wet of de rechtspraak wordt gesteld. Het hof heeft de verdachte daarom zonder nader onderzoek niet-ontvankelijk in het hoger beroep kunnen verklaren.
Conclusie
3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
De steller van het middel verwijst naar HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940.
Het document eindigt hiermee, zonder verdere ondertekening.
HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2011, r.o. 2.4.1. Daar wordt verwezen naar HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940.
HR 10 december 1991, NJ 1992/341, r.o. 4.3.
HR 15 juni 1993, DD 93.476.
HR 10 december 1991, NJ 1992/341, r.o. 4.1 en 4.2.
HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3055, r.o. 3.6.
HR 2 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1821, r.o. 2.4.
HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7028, r.o. 2.4.
HR 10 juni 1969, NJ 1970/33.
HR 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3278 (niet gepubliceerd), NbSr 2005/23, r.o. 3.4.2.