Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-06-25
ECLI:NL:PHR:2024:687
Strafrecht
11,592 tokens
Conclusie
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 13 september 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft voorts een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 jaren opgelegd, en bevolen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is. En het hof heeft de gevangenneming van de verdachte bevolen
Er bestaat samenhang met de zaken 22/03502 en 22/03489. In de zaak met parketnummer 22/03502 zal ik vandaag ook concluderen. In de zaak met parketnummer 22/03489 heeft Uw Raad het cassatieberoep op 23 april 2024 niet-ontvankelijk verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. B. Kizilocak, advocaat in Rotterdam, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
De eerste twee middelen betreffen de bewijsvoering. Daarom geef ik voordat ik de middelen bespreek de bewezenverklaring en de bewijsvoering weer.
Bewezenverklaring en bewijsvoering
5. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘hij in de periode van 11 december 2020 tot en met 13 december 2020 te Maasvlakte Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, 208,3 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel genoemd in lijst I van de Opiumwet’
6. De bijlage bij het arrest houdt in dat het hof voor het bewijs bezigt ‘de in bijlage II bij het vonnis waarvan beroep onder 1 tot en met 17 uitgewerkte bewijsmiddelen’. Deze bewijsmiddelen houden (onder meer) het volgende in:
1. Het proces-verbaal van politie (…), inhoudende als relaas van de [verbalisant 1] :
Op 13 december 2020 te Maasvlakte-Rotterdam zag politiemedewerker [verbalisant 2] in stack 129 op laag 2 een open container staan. Ik zag dat er een persoon uit de container kwam. Hij rende weg over de containers.
Ik zag dat de container voorzien was van het containernummer [containernummer 1] . Vervolgens zag ik dat er een persoon uit de container kwam. De verdachte bleek na zijn aanhouding te zijn genaamd: [betrokkene 1] .
2. Het proces-verbaal van Belastingdienst/Douane Rotterdam Haven (…), inhoudende als relaas van de [verbalisant 3] :
Datum: 13 december 2020
Tijdstip: Omstreeks 08:04
Locatie: ECT-Delta kraan AC 130 DDN laan 31
Ik heb de man medegedeeld dat hij is aangehouden wegens vermoedelijke overtreding van artikel 2 van de Opiumwet. De man gaf op te zijn: [verdachte] .
3. Het proces-verbaal van politie (…), inhoudende als relaas van de [verbalisant 2] :
Tijdens het debriefen hoorde ik over de portofoon dat douanier [verbalisant 3] , één verdachte heeft aangehouden in stack 130. Ik herkende deze verdachte als dezelfde persoon die ik eerder uit de container heb zien klimmen.
4. Het proces-verbaal van Belastingdienst/Douane Rotterdam Haven (…), inhoudende als relaas van de [verbalisant 4] :
13 december 2020 omstreeks 08:00 uur hield ik als verdachte aan: NN. Ik zag dat de deuren van een container open stonden in stack genummerd met 129. De container was voorzien van een uniek nummer [containernummer 2] . Tijdens het betreden van de genoemde container, zag ik, een manspersoon in de genoemde container. De verdachte droeg zichtbaar betonschaar zwart van kleur met zich mee. De verdachte is overgenomen door de collega’s van de zeehavenpolitie.
5. Het algemeen proces-verbaal (relaas) zaak Camber, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 5] op 22 januari 2021 (…):
Aanpassing proces-verbaal aanhouding [betrokkene 2]:
Door de douane-ambtenaar die de aanhouding verrichte van de verdachte [betrokkene 2] (op dat moment een NN-man) werden enkele aanpassingen verricht in het aanhoudingsproces-verbaal. Deze aanhouding vond plaats in een container in stacklaan 130, genummerd [containernummer 3] (in plaats van [containernummer 2]), en hij had de melding gekregen op zondag 13 december 2020, omstreeks 06.00 uur (in plaats van 27 juli 2020, omstreeks 06.00 uur). Bij deze man werden een betonschaar en een Samsung mobiele telefoon aangetroffen en in beslag genomen (in plaats van een Iphone).
6. Het proces-verbaal van politie (…), inhoudende als relaas van de [verbalisant 6]:
Aan ons werd overgeleverd door de douane de op 13 december 2020, omstreeks 08:00 uur te Europaweg 875, 3199 LD Maasvlakte Rotterdam op heterdaad aangehouden verdachte: [betrokkene 2].
7. Het proces-verbaal van Belastingdienst/Douane Rotterdam Haven (…), inhoudende als relaas van de verbalisanten 3154 en 6242 of één van hen:
Op 13 december 2020 omstreeks 07:50 uur, hielden wij op het terrein van de ECT Delta Maasvlakte in het container stack 124 ter hoogte van laan 15 als verdachte aan: N.N. Tijdens het schonen van het container stack 124 zagen wij een manspersoon op een container op 2 hoog liggen. De verdachte is overgenomen door de collega’s van de zeehavenpolitie.
8. Het proces-verbaal van politie (…), inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 6]:
Aan ons werd overgeleverd de op 13 december 2020 omstreeks 07:50 uur te Europaweg 875, 3199 LD Maasvlakte Rotterdam op heterdaad aangehouden verdachte: [betrokkene 3]. Douanier 6242 maakte van zijn bevindingen zelf proces-verbaal op.
9. Het proces-verbaal van Belastingdienst/Douane Rotterdam Haven (…), inhoudende als relaas van de verbalisanten 2201, 9631, 4325, 7596, 4876, 3154, 1823 en [verbalisant 7] of één van hen:
Wij zagen dat de container uniek nummer [containernummer 1] had. In totaal hebben wij 208 pakketten inhoudende vermoedelijk verdovende middelen verwijderd. Van de 208 pakketten, heb ik 23 willekeurige pakketten geselecteerd. Van de pakketten genummerd 1 t/m 21 nam ik circa 3 gram van de witte poederachtige substantie voor analyse door het Douanelaboratorium.
Netto gewicht 208 pakketten = 1001,4 x 208 = 208,30 kilogram
(…)
10. Een geschrift, te weten een rapport van het Douane Laboratorium (…), inhoudende:
Ik ontving een verzegelde plastic zak met daarin:
(…)
Het materiaal van alle bovenvermelde SIN-nummers bevat cocaïne.
11. Het proces-verbaal van Belastingdienst/Douane Rotterdam Haven (…), inhoudende als relaas van de verbalisanten 4876 en 4325 of één van hen:
In container met uniek nummer [containernummer 1] hebben wij diverse goederen aangetroffen:
• Een jas van het merk The North Face
• Een jas van het merk Levi’s
• Vier slaapzakken
• Vier rugzakken van het merk Kaytan
• Twee betonscharen van het merk Gamma
• Twee paar werkhandschoenen
• Drie stanleymessen
• Drie zaklampen
• Drie powerbanks met diverse laadkabels
• Vier pakjes sigaretten van het merk Marlboro
• Vier rollen toiletpapier
• Diverse levensmiddelen
• Een zak met afval.
12. Het proces-verbaal van politie (…), inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] of één van hen:
Op zondag 13 september 2020 omstreeks 10.00 werden wij verbalisanten verzocht naar Rotterdam te gaan voor een sporenonderzoek in een zeecontainer. Het onderzoek vond plaats in een zeecontainer met opschrift “[containernummer 1]”. De hierna omschreven sporen en sporendragers werden veiliggesteld.
Feiten
Op 13 december 2020 omstreeks 05:00 uur ontving de politie een melding van de beveiliging van de ECT Delta Terminal op de Maasvlakte dat een onbekende man was gezien in stack 129-130. In stack 129 is vervolgens een container ([containernummer 1]), te weten een EU container, afkomstig uit Haugesund, Noorwegen, aangetroffen waarvan de deuren openstonden. In deze container bevond zich [betrokkene 1] , die hierop meteen is aangehouden. Een andere man kwam uit de container en ging ervandoor op het moment dat hij werd aangeroepen door de verbalisanten.
Ongeveer twee uur later werden drie andere mannen aangetroffen in de nabijheid van voornoemde container. [verdachte] bevond zich tussen de containers in stack 130 en is door verbalisanten herkend als de man die eerder die ochtend uit de container ([containernummer 1]) kwam en ervandoor was gegaan. [betrokkene 2] bevond zich in een lege container in stack 130 en had bij zich een betonschaar en een Samsung A20 telefoon (nr. -[telefoonnummer 7]). [betrokkene 3] lag bovenop een container in stack 124.
In de container ([containernummer 1]) bleken na onderzoek door de politie 208 pakketten cocaïne te liggen met een totaalgewicht van 208,3 kilo. Daarnaast lagen in deze container vier slaapzakken, vier rugtassen, twee betonscharen, twee paar werkhandschoenen, drie stanleymessen, drie zaklampen, drie powerbanks met diverse laadkabels, vier pakjes sigaretten, vier rollen toiletpapier, een Nokia 105 telefoon (nr. -[telefoonnummer 8]), een door midden gebroken Samsung A20 telefoon (nr. -[telefoonnummer 9]) en diverse gebruikte en ongebruikte flesjes en blikjes frisdrank. In een rugzak zat proviand. Tevens lagen in de container een jas van het merk The North Face en een jas van het merk Levi’s.
De Samsung telefoons die in de container ([containernummer 1]) en bij [betrokkene 2] zijn aangetroffen betroffen Pretty Good Privacy telefoons. De gebruiker van de Nokia 105 telefoon heeft slechts contact gehad met vijf telefoonnummers. Een van die nummers stond op naam van de moeder van [betrokkene 2]. Op 12 december 2020 is met de Nokia 105 telefoon een bericht verzonden met de tekst: “[betrokkene 2]_west". [betrokkene 2] is de voornaam van [betrokkene 2].
Het DNA van [verdachte] , [betrokkene 3] en [betrokkene 1] is aangetroffen op blikjes dan wel flesjes frisdrank die in de container lagen. Het DNA van [betrokkene 2] is aangetroffen op de Levi's jas die in de container lag. In de jaszak van één van de in de container ([containernummer 1]) inbeslaggenomen jassen is een sleutelbos aangetroffen. Eén van die sleutels paste op de portiekdeur van het pand aan de [a-straat 1] te [plaats], in welk pand [verdachte] woont.
De iPhone van [betrokkene 1] (nr. -4252) straalde op 11 december 2020 om 22:30 uur aan op een zendmast aan de Breukelseweg 79 te Rotterdam. De bij [betrokkene 2] aangetroffen Samsung A20 telefoon (nr. -[telefoonnummer 7]) straalde op 11 december 2020 om 22:30 uur aan op een zendmast aan de Spartastraat 7 te Rotterdam. Om 22:32 uur straalde op deze zendmast ook aan de in de container aangetroffen Samsung A20 telefoon (nr. -[telefoonnummer 9]). De in de container aangetroffen Nokia 105 telefoon (-[telefoonnummer 8]) straalde deze zendmast aan om 23:16 uur. De Beukelsweg ligt nabij de Spartastraat te Rotterdam. Later die avond, op 12 december 2020 om 00:06 uur straalde de iPhone van [betrokkene 1] aan op de zendmast aan de Wieldijk/Kanaaldijk te Zwartewaal, terwijl de beide Samsung A20 telefoons aanstralen op een zendmast aan de Smalleweg 2 te Zwartewaal en de Prinsenweg te Vierpolders. Vanaf 02:06 uur op 12 december 2020 straalden voornoemde telefoons alleen nog aan op zendmasten op de Maasvlakte. [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij met een andere man naar de Maasvlakte is gereden. De auto van [betrokkene 1] , een Range Rover met het kenteken [kenteken] is aangetroffen in de buurt van de Spartastraat, te weten op de parkeerplaats van Mevlanaplein te Rotterdam
Herkenning verdachte door verbalisanten
Anders dan de raadsvrouw twijfelt het hof niet aan de betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte door de verbalisanten. [verbalisant 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de verdachte goed heeft kunnen zien. [verbalisant 1] heeft de verdachte in het gezicht gekeken en heeft hem daarnaast herkend aan zijn schoenen. [verbalisant 2] heeft op twee meter afstand van de verdachte gestaan, op het moment dat de verdachte uit de container kwam. [verbalisant 2] had zijn zaklamp op de verdachte gericht. Het hof ziet daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de herkenningen. Het hof stelt vast dat de verdachte de persoon is geweest die uit de container is weggerend.
Aanwezigheid verdachten op de Maasvlakte en in de container
Op grond van vorengaande feiten stelt het hof vast dat [betrokkene 1] vanaf 12 december 2020 omstreeks 02:00 uur tot 13 december omstreeks 05:00 uur aanwezig is geweest op de Maasvlakte. Uit de zendmastgegevens en de telecomgegevens en het gegeven dat de auto van [betrokkene 1] is aangetroffen in de buurt van de Spartastraat leidt het hof af dat [betrokkene 1] met [betrokkene 2] naar de Maasvlakte is (mee)gereden. Zij zijn aldus meer dan 27 uren aanwezig geweest op het haventerrein, voordat zij werden aangehouden.
[betrokkene 1] is aangehouden in de container. Daarnaast is zijn DNA aangetroffen op een flesje frisdrank in de container. Het hof gaat ervanuit dat ook [betrokkene 2] in de container aanwezig is geweest, gelet op de in de container aangetroffen Nokia 105 telefoon, waarmee contact is gezocht met het telefoonnummer van de moeder van [betrokkene 2] en een tekstbericht is verzonden met daarin voornaam van [betrokkene 2]. Het hof wordt gesterkt in dit oordeel door de in de container aangetroffen Levi's jas, waarop het DNA van [betrokkene 2] is aangetroffen.
Het hof stelt daarnaast vast dat ook [verdachte] in de container aanwezig is geweest, nu de verbalisanten hem uit de container hebben zien komen, zijn DNA op een blikje frisdrank in die container is aangetroffen en in één van de inbeslaggenomen jassen een sleutel is aangetroffen die op de portiekdeur van het pand van de woning van [verdachte] past. Het hof is van oordeel dat ook [betrokkene 3] in die container aanwezig is geweest, omdat ook zijn DNA is aangetroffen op één blikje en twee flesjes frisdrank in de container en ook hij is aangehouden in de nabijheid van de container.
Het hof wordt gesterkt in deze overtuiging door het aantreffen van nu juist vier slaapzakken, vier rugzakken, vier pakjes sigaretten en vier wc-rollen in de desbetreffende container. Het hof is derhalve van oordeel dat alle vier de medeverdachten op enig moment in de container met de cocaïne aanwezig zijn geweest. De slaapzakken, de powerbanks, het wc-papier en de proviand duiden daarbij bovendien op een aanwezigheid van langere duur. Gelet hierop is het hof van oordeel dat, ook al kan het exacte tijdstip van aankomst van [verdachte] en [betrokkene 3] op het haventerrein niet worden vastgesteld, alle vier verdachten in ieder geval een aanzienlijke periode hebben doorgebracht op het haventerrein.
Het is het hof ambtshalve bekend dat in het DDN stack van de ECT terminal, waarin de onderhavige container zich bevond, met grote regelmaat cocaïne uit de zich daar bevindende containers wordt gehaald. De zogenaamde “uithalers" halen de cocaïne uit de uit Zuid-Amerika afkomstige containers en brengen deze in eerste instantie naar een andere container, die minder aanleiding geeft voor een controle, zoals een container afkomstig uit de EU. Deze uithalers hebben dan zaken bij zich voor een langer verblijf, zoals slaapzakken, proviand en wc papier.
Conclusie
Aan de achterzijde van de container zagen wij een rugzak met daarin gereedschap, zaklampen, snoep, koekjes, brood en andere etenswaar.
In een zwarte jas van het merk The North Face, troffen wij een bos (huis)sleutels en een mobiele telefoon van het merk Nokia aan.
SIN: AAOI1307NL
• Plaats veiligstellen: Bemonstering blikje bullit az container
SIN: AAOI1305NL
Plaats veiligstellen: Bemonstering blikje coca cola az container
SIN: AAOI1314NL
Plaats veiligstellen: Bemonstering spaflesje az container
SIN: AAOI1304NL
Plaats veiligstellen: Jas levi’s vloer az container
13. Een deskundigenverslag van het Nederlands Forensisch Instituut van 15 maart 2021 (…), opgemaakt door K. Steensma, MSc, inhoudende:
SIN DNA kan afkomstig zijn van Bewijskracht
AAOI1304NL#01 afgeleid DNA-Hoofdprofiel meer dan 1 miljard
verdachte [betrokkene 2]
AAOI1305NL#0i verdachte [betrokkene 3] meer dan 1 miljard
AAOI1307NL#01 [verdachte] meer dan 1 miljard
AAOI1314NL#01 verdachte [betrokkene 1] meer dan 1 miljard
14. Het proces-verbaal van politie (…), inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11] of één van hen:
In container [containernummer 1] werd in de jaszak van een jas een sleutelbos met daaraan twee vermoedelijk huissleutels aangetroffen. Wij kwamen aan in de [a-straat] te [plaats], alwaar [verdachte] woonachtig is op [a-straat 1]. Deze portiekdeur gaf toegang tot de gemeenschappelijke ruimte vanwaar de huisnummers […] tot en met […] konden worden betreden. Ik heb een van de twee sleutels in het slot gestoken en hier aan gedraaid. Vervolgens zagen wij dat de deur kon worden geopend.
15. Het proces-verbaal van politie (…), inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 5]:
Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] behoorde bij een Nokia 105, welke op 13 december 2020 in de container [containernummer 1] werd aangetroffen. Het telefoonnummer bleek met een beperkt aantal telefoonnummers in contact, te weten:
[telefoonnummer 2];
[telefoonnummer 3];
[telefoonnummer 4];
[telefoonnummer 5];
[telefoonnummer 6].
Het laatstgenoemd telefoonnummer, [telefoonnummer 6], blijkt volgens CIOT gegevens op naam te staan van de moeder van de verdachte [betrokkene 2].
Opmerkelijk is dat op 12 december 2020 middels het telefoonnummer [telefoonnummer 1] een uitgaand sms bericht was verstuurd naar het telefoonnummer [telefoonnummer 2] met de tekst "[betrokkene 2]_west‘.
16. Het proces-verbaal van Belastingdienst/Douane Rotterdam Haven (…), inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 12]:
Goedcode [betrokkene 2].01
Merk: Samsung
Type: Galaxy A20
Omdat er een machine 2 machine simkaart in het toestel zat en de telefoon direct opstartte in een ’secure start up’ modus waarbij in het scherm staat: ‘dit toestel wordt beheerd door je organisatie’, kan het niet anders dan dat deze Samsung gebruikt werd als een PGP telefoon.
17. Het proces-verbaal van politie (…), inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 5]:
De simkaarten van beide Samsung PGP telefoons, respectievelijk voorzien van de simkaarten [sim-kaart 1] (aangetroffen bij de verdachte [betrokkene 2]) en [sim-kaart 2] (aangetroffen in de container [containernummer 1]) werden alleen maar gebruikt voor (ge-encrypt) dataverkeer.’
7. In aanvulling op deze bewijsmiddelen heeft het hof het volgende bewijsmiddel opgenomen:
‘Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam van 15 maart 2021. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven–:
als de op 15 maart 2021 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [verbalisant 1]:
U zegt mij dat ik in het proces-verbaal een hele specifieke omschrijving van de persoon die uit de container komt geef. U vraagt mij hoe het kwam dat ik de persoon zo specifiek kon omschrijven. De persoon heeft mij in het gezicht aangekeken toen ik hem zei naar beneden te komen. Hij heeft mij echt goed aangekeken en er even gestaan. Ik heb hem dus goed kunnen zien. Ik ben een schoenenliefhebber. Aan de vorm van de Nike-schoen kan je zien wat voor type het is. Het licht van mijn zaklamp stond erop. De zaklamp is erg fel. Ik kon het goed zien.’
8. Het hof heeft voorts het volgende overwogen:
‘Nadere bewijsoverwegingen
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig haar pleitnotities op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat op basis van de herkenningen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de man is die uit de container, waarin zich de cocaïne bevond, kwam en ervandoor is gegaan. Daarnaast is door de raadsvrouw bepleit dat niet duidelijk is waar het DNA op het blikje is aangetroffen en dat het niet aannemelijk is dat de in de container aangetroffen sleutels toebehoren aan de verdachte. Daarom kan niet worden vastgesteld dat de verdachte in de container is geweest.
Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen sprake is van medeplegen, nu er niet is gebleken van enige connectie tussen de verdachten. Daarnaast is het veiligstellen van een zending cocaïne ten behoeve van het verdere vervoer niet voldoende voor het medeplegen van de invoer (HR 17 oktober 2017: ECLI:NL:HR:2017:2640), aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt het volgende.
Feiten
Gelet op het bovenstaande is naar het oordeel van het hof de aanwezigheid van de vier verdachten voor een aanzienlijke periode op het haventerrein en op het moment van aanhouding in of in de omgeving van een container, die enkele weken eerder uit Noorwegen was aangekomen, en waarin een grote hoeveelheid (overgepakte) cocaïne werd aangetroffen, waarbij tevens is komen vast te staan dat deze vier verdachten in die container hebben verbleven, niet anders te verklaren dan dat de verdachten in die periode de cocaïne hebben verplaatst uit de "broncontainer" naar de container waarin de cocaïne is aangetroffen. Van concrete aanwijzingen die zouden moeten leiden tot een ander oordeel is het hof niet gebleken.
Medeplegen
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten, die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering. De verdachten hebben de cocaïne verplaatst uit de "broncontainer" naar de container waarin de cocaïne is aangetroffen, van waaruit de cocaïne verder moest worden vervoerd. Naar het oordeel van het hof is derhalve sprake van handelingen gericht op de invoer van cocaïne en hebben de verdachten in onderhavige zaak meer betrokkenheid gehad bij de invoer dan enkel het veiligstellen van de cocaïne ten behoeve van het verdere vervoer. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen. Dat de verdachten hebben verklaard elkaar niet te kennen, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Voor medeplegen is immers niet vereist dat de betrokken daders elkaar kennen.
Opzet
Het hof is daarnaast van oordeel dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de cocaïne. De pakketten met cocaïne waren voor een deel gescheurd, waardoor wit poeder zichtbaar was. Bovendien waren de pakketten (deels) overgepakt in de zich in de container bevindende slaapzakken en rugzakken. Het kan dan ook niet anders dan dat de verdachte bij het uithalen en/of zijn latere aanwezigheid in de container heeft gezien dat het om cocaïne ging. Het hof is van oordeel dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de invoer van cocaïne gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is het hof niet gebleken.
Verklaring verdachte
De verdachte heeft verklaard dat hij op het haventerrein aanwezig was voor elektronica. Het hof overweegt in dit verband dat de terminal bestaat uit drie verschillende gebieden. De verdachte is aangehouden in het gebied DDN (Delta Dedicated North). Hier komen schepen met goederen vanuit Zuid-Amerika aan de kade. Op de DDN bevinden zich vooral containers met laagwaardige goederen, zoals fruit. De goederen waarnaar de verdachte volgens zijn verklaring naar op zoek was, bevinden zich in een ander gebied van de terminal. Gelet op de indeling van de terminal en de aard van de goederen die aankomen in het gebied waar de verdachte is aangehouden, acht het hof de verklaring van de verdachte niet geloofwaardig.
Aangetroffen DNA
Voor zover de raadsvrouw heeft aangevoerd dat uit het aangetroffen DNA van de verdachte op het blikje drinken niet kan worden afgeleid of de verdachte het blikje in de container heeft achtergelaten en dus in de container is geweest, overweegt het hof het volgende. De aanwezigheid van verdachte in de container leidt het hof af uit meerdere feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang bezien, zoals hiervoor reeds overwogen. Dat niet duidelijk is op welke plek op het blikje het DNA is aangetroffen, doet daaraan niet af.’
Bespreking van het eerste middel
9. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof voor de bewezenverklaring redengevend heeft geacht dat de container met daarin de cocaïne afkomstig was uit Noorwegen, terwijl de gebezigde bewijsmiddelen daaromtrent niets inhouden en het hof verzuimd heeft aan te geven aan welk bewijsmiddel de herkomst van de container is ontleend. Dat geldt ook, aldus het middel, voor de overweging dat de pakketten met cocaïne (deels) waren overgepakt in de slaapzakken en rugzakken.
10. Het hof heeft overwogen dat in stack 129 ‘een container ([containernummer 1]), te weten een EU container, afkomstig uit Haugesund, Noorwegen (is) aangetroffen’. Dat het om een EU container uit Noorwegen ging, past bij de opmerking die het hof maakt over de werkwijze van uithalers. Maar de bewezenverklaring, inhoudend dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk 208,3 kg cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, en de vaststelling dat hij deze cocaïne in dat kader in bedoelde container aanwezig heeft gehad, berust niet op de aldus vastgestelde achtergrond van de container. Voor zover al sprake is van een redengevend feit, doet het ontbreken van een nadere aanduiding van het land waaruit de container afkomstig is niet af aan de toereikendheid van de bewijsvoering.
11. Het hof heeft in de overweging die specifiek gewijd is aan het opzet van de verdachte vastgesteld dat ‘de pakketten (deels) overgepakt (waren) in de zich in de container bevindende slaapzakken en rugzakken’. Deze vaststelling volgt niet uit de bewijsmiddelen. Maar uit de bewijsmiddelen volgt wel dat zich in de container met nummer [containernummer 1] 208 pakketten met cocaïne betroffen die samen 208,3 kilogram wogen, en dat zich in dezelfde container (onder meer) vier slaapzakken en vier rugzakken bevonden (bewijsmiddelen 9 en 11). Dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de pakketten deels waren overgepakt in de slaapzakken en rugzakken doet tegen die achtergrond evenmin af aan de toereikendheid van de bewijsvoering.
12. Ik merk daarbij op dat het hof de wetenschap van de verdachte van de cocaïne ook heeft afgeleid uit de omstandigheid dat de pakketten deels gescheurd waren, waardoor wit poeder zichtbaar was. Tegen dat onderdeel van de bewijsmotivering wordt in de cassatieschriftuur geen klacht geformuleerd.
13. Het middel faalt.
Bespreking van het tweede middel
14. Het tweede middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans niet begrijpelijk is gemotiveerd. Het middel valt uiteen in drie deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid hoeveel tijd voor zijn aanhouding de verdachte op het haventerrein is gearriveerd en dat dan ook niet kan blijken dat hij een aanzienlijke periode op het haventerrein aanwezig is geweest.
15. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte is aangehouden om 8:04 uur en dat hij door verbalisant Van de Zwan is herkend als de persoon die hij (eerder) uit de container met het nummer [containernummer 1] zag komen (bewijsmiddelen 1, 2 en 3). In die container zijn 208 pakketten met cocaïne aangetroffen die samen 208,30 kg wogen (bewijsmiddel 9). In dezelfde container bevonden zich onder meer een jas van het merk The North Face, vier slaapzakken, vier rugzakken van het merk Kaytan, vier rollen toiletpapier, diverse levensmiddelen en een zak afval (bewijsmiddel 11). Op een in de container aangetroffen blikje bullit zat DNA dat met een zeer grote mate van waarschijnlijkheid van de verdachte was (bewijsmiddelen 12 en 13). In de zwarte jas van het merk The North Face zat een bos (huis)sleutels en een mobiele telefoon van het merk Nokia. Met één van de huissleutels aan de aangetroffen bos kon (zo begrijp ik) de portiekdeur worden geopend die toegang gaf tot de gemeenschappelijke ruimte vanwaar het appartement van de verdachte kon worden betreden.
Feiten
De Nokia bleek met een beperkt aantal telefoonnummers in contact te hebben gestaan, waaronder een telefoonnummer dat op naam stond van de moeder van medeverdachte [betrokkene 2]. Op 12 december is met de Nokia een sms bericht gestuurd aan een ander telefoonnummer met de tekst ‘[betrokkene 2]_west’; [betrokkene 2] is de voornaam van medeverdachte [betrokkene 2] (bewijsmiddelen 12, 14 en 15). Reeds uit de vaststellingen in de bewijsmiddelen, waaronder laatstgemeld sms bericht, de slaapzakken, de zak met afval en de omstandigheid dat reeds 208 zakken met cocaïne waren overgebracht, heeft het hof – meen ik – kunnen afleiden dat de verdachte ‘in ieder geval een aanzienlijke periode’ heeft doorgebracht op het haventerrein.
16. Daar komt bij dat het hof in de bewijsoverweging melding heeft gemaakt van feiten en omstandigheden die kunnen worden afgeleid uit zendmastgegevens. Het hof vermeldt dat de iPhone van [betrokkene 1] op 11 december 2020 om 22:30 uur aanstraalt op een zendmast aan (kennelijk) de Beukelsweg 79 te Rotterdam. De bij [betrokkene 2] aangetroffen Samsung telefoon straalde op dat tijdstip aan op een zendmast aan de Spartastraat 7 te Rotterdam. Om 22:32 uur straalde ook de andere in de container aangetroffen Samsung telefoon op deze zendmast aan. En de in de container aangetroffen Nokia straalde om 23:16 uur deze zendmast aan. De Beukelsweg ligt, aldus het hof, nabij de Spartastraat te Rotterdam. Op 12 december 2020 om 00:06 uur straalde de iPhone van [betrokkene 1] aan op de zendmast aan de Wieldijk/Kanaaldijk te Zwartewaal, terwijl beide Samsung telefoons aanstralen op een zendmast aan de Smalleweg 2 te Zwartewaal en de Prinsenweg te Vierpolders. Vanaf 02:06 uur straalden ‘voornoemde telefoons alleen nog aan op zendmasten op de Maasvlakte’. Het hof overweegt voorts dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij met een andere man naar de Maasvlakte is gereden en dat de auto van [betrokkene 1] is aangetroffen in de buurt van de Spartastraat. De cassatieschriftuur bevat geen klacht tegen het in de bewijsvoering betrekken van deze feiten en omstandigheden
17. Het hof stelt vervolgens op grond van ‘vorengaande feiten’ vast dat [betrokkene 1] vanaf 12 december 2020 omstreeks 02:00 uur tot 13 december omstreeks 05:00 uur aanwezig is geweest op de Maasvlakte’. Het hof leidt uit ‘de zendmastgegevens en de telecomgegevens en het gegeven dat de auto van [betrokkene 1] is aangetroffen in de buurt van de Spartastraat’ af dat [betrokkene 1] met [betrokkene 2] naar de Maasvlakte is (mee)gereden en dat zij aldus ‘meer dan 27 uren aanwezig (zijn) geweest op het haventerrein, voordat zij werden aangehouden’. Het hof baseert niet alleen op de uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden maar ook op deze feiten en omstandigheden het ‘oordeel dat, ook al kan het exacte tijdstip van aankomst van [verdachte] en [betrokkene 3] op het haventerrein niet worden vastgesteld, alle vier verdachten in ieder geval een aanzienlijke periode hebben doorgebracht op het haventerrein’.
18. In cassatie kan niet worden onderzocht of de door de feitenrechter in zijn bewijsmotivering vastgestelde feiten en omstandigheden juist zijn. Dat geldt ook voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht. Onbegrijpelijk zijn de conclusies van feitelijke aard die het hof uit de vastgestelde feiten en omstandigheden heeft getrokken, niet. Daaraan doet niet af dat uit de bewijsvoering niet blijkt dat (alle) slaapzakken al gebruikt waren of dat de slaapzakken (etc.) door de verdachten waren meegenomen.
19. De eerste deelklacht faalt.
20. De tweede deelklacht ziet op de overweging inhoudend dat in de DDN stack van de ECT terminal met grote regelmaat cocaïne uit de zich daar bevindende containers wordt gehaald, dat de zogenaamde ‘uithalers’ cocaïne halen uit de uit Zuid-Amerika afkomstige containers, dat zij deze in eerste instantie brengen naar een andere container en dat deze uithalers zaken bij zich hebben voor een langer verblijf, zoals slaapzakken, proviand en wc-papier. Volgens de steller van het middel gaat het hier niet om feiten van algemene bekendheid.
21. Uw Raad heeft overwogen dat van algemene bekendheid zijn ‘die gegevens die ieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen geacht moet worden te kennen of die hij zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen kan achterhalen’. Borgers en Kooijmans wijzen er in verband met deze eis op dat de (externe) openbaarheid en de controleerbaarheid van rechterlijke beslissingen vergen dat het oordeel ‘ook voor anderen dan de procesdeelnemers begrijpelijk’ is. Maar dat onder omstandigheden ook ‘plaatselijke’ algemene bekendheid of algemene bekendheid in bepaalde kring toereikend kan zijn.
22. Het begrip ‘uithaler’ geniet inmiddels een zekere bekendheid. Op een informatiepagina van de Douane (‘Uithalers en de Douane: wie doet wat’) worden uithalers omschreven als ‘mensen die in opdracht van criminelen drugs uit containers halen’. Uithalers komen volgens deze informatiepagina ‘op twee plekken: waar de volle containers liggen, en waar vervoersbedrijven lege containers inleveren’. De informatiepagina wijst op de ‘uithalerswet’. Het door die wet ingevoerde art. 138aa Sr stelt strafbaar hij die ‘wederrechtelijk verblijft op een in een haven, luchthaven of spoorwegemplacement gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen’. Dat deze wet wel aldus wordt genoemd, dat met het oog op uithalers een specifieke strafbaarstelling is ingevoerd, en dat de Douane er een speciale informatiepagina aan wijdt waarop een gestandaardiseerde werkwijze wordt uiteengezet, maakt al duidelijk dat regelmatig uithalers worden gesignaleerd.
23. Op een informatiepagina van ECT, gedateerd 22 juni 2023, is te vinden dat DDN staat voor Delta Dedicated North Terminal, dat deze (op dat moment) 30 jaar oud was, en dat het de eerste ‘automated terminal in the world’ was. Op een andere informatiepagina van ECT is te vinden dat met ‘stack’ wordt aangeduid ‘That part of the company site that is used for the storage and transport of containers. The stack is a secured area which is almost fully surrounded by fencing, concrete enclosures or crash barriers. At places where the fencing has been interrupted, secured openings have been created which offer access to the stack’. Op een informatiepagina van de politie is te vinden dat cocaïne ‘wordt gehaald uit de bladeren van de cocaplant, die in Zuid-Amerika groeit’.
24. Tegen deze achtergrond kan – meen ik – worden aangenomen dat de overweging waarin het hof feiten en omstandigheden uiteenzet die het hof ambtshalve bekend zijn, feiten van algemene bekendheid bevat voor zover het gaat om de vaststelling dat ‘in het DDN stack van de ECT terminal, waarin de onderhavige container zich bevond, met grote regelmaat cocaïne uit de zich daar bevindende containers wordt gehaald’ en dat de ‘uithalers’ de cocaïne halen uit de uit Zuid-Amerika afkomstige containers.
25. Het hof was ook niet gehouden deze feiten van algemene bekendheid tijdens het onderzoek ter terechtzitting aan de orde te stellen. Ik wijs er daarbij op dat de advocaat-generaal in het (kennelijk overgelegde) requisitoir heeft uiteengezet ‘hoe dat uithalen van cocaïne uit de Rotterdamse haven er vandaag de dag uitziet. Dat uithalen geschiedt meestal op de ECT-terminal in het DDN-stack, waar de meeste containers uit Zuid-Amerika aankomen’. De situatie waarin de rechter ‘zijn beslissing doet steunen op mededelingen of waarnemingen die die hem buiten het geding ter kennis zijn gekomen en waarvan de overige bij het geding betrokkenen onkundig zijn gebleven, zodat zij niet in staat zijn geweest zich daarover uit te laten’ doet zich derhalve niet voor.
Feiten
Ik merk op dat de raadsman blijkens het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep en de overgelegde pleitnota ook niet heeft gesteld dat een en ander hem en de verdachte onbekend zou zijn.
26. Ik laat daarbij nog in het midden in hoeverre de bewezenverklaring daadwerkelijk (mede) op deze door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden van algemene bekendheid steunt.
27. Geen feit van algemene bekendheid is, meen ik, dat ‘uithalers’ de cocaïne ‘in eerste instantie (brengen) naar een andere container, die minder aanleiding geeft voor een controle, zoals een container afkomstig uit de EU’ en dat de uithalers dan zaken bij zich hebben ‘voor een langer verblijf, zoals slaapzakken, proviand en wc papier’. Dat de verdachten de cocaïne hebben gebracht naar een container die uit een ander land afkomstig is en dat de verdachten de genoemde zaken bij zich hadden, heeft het hof evenwel niet afgeleid uit een feit van algemene bekendheid, maar uit de bewijsmiddelen. Ik verwijs voor een weergave van de feiten en omstandigheden die het hof aan de bewezenverklaring ten grondslag heeft gelegd naar de bespreking van de eerste deelklacht.
28. Het hof heeft uit die feiten en omstandigheden kennelijk afgeleid en kunnen afleiden dat de vier verdachten de door het hof beschreven werkwijze hebben gevolgd. Dat het hof bij het waarderen van de aanwijzingen die uit de bewijsmiddelen volgen in het achterhoofd heeft gehad welke werkwijze uithalers in andere zaken die het hof heeft berecht hebben gevolgd en daar in de bewijsoverwegingen (ten overvloede) uitdrukking aan heeft gegeven doet naar het mij voorkomt niet af aan de begrijpelijkheid en toereikendheid van de bewijsmotivering.
29. De tweede deelklacht faalt.
30. De derde deelklacht houdt in dat in de bewijsmiddelen ‘elk spoor van een container van herkomst ontbreekt’ en dat evenmin blijkt van een aanwijzing ‘voor een verplaatsing van de pakketten van buiten naar binnen de container waar zij zijn aangetroffen’. Dat zou meebrengen dat, wat er ook zij ‘van de juistheid van de overwegingen over de werkwijze van de uithalers’, niet kan worden bewezen dat het in dit concrete geval op die wijze is gegaan.
31. Voor zover deze klacht ervanuit gaat dat het bewezenverklaarde tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van 208,3 kg cocaïne (kennelijk in de betekenis die de uitbreidende definitie van art. 1, vierde lid, Opiumwet daaraan geeft) slechts uit de bewijsvoering kan worden afgeleid indien die duidelijkheid biedt over de container van herkomst en over de verplaatsing naar de container met nummer [containernummer 1] , stelt het middel een eis die het recht niet kent. Dat de cocaïne zich in deze container bevond, samen met goederen die (ook blijkens aangetroffen DNA) met de verdachten in verband kunnen worden gebracht, biedt mede tegen de achtergrond van de andere vastgestelde feiten en omstandigheden voldoende basis voor de vaststelling dat de verdachten in de periode dat zij op het haventerrein verbleven ‘de cocaïne hebben verplaatst uit de “broncontainer” naar de container waarin de cocaïne is aangetroffen’.
32. De steller van het middel stelt ook in dit verband weer aan de orde dat uit de bewijsmiddelen niet zou kunnen blijken vanaf wanneer precies de verdachte aanwezig was op het haventerrein. In dat verband wijs ik op de bespreking van de eerste deelklacht. Dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte een (uitvoerings)handeling heeft verricht gericht op de invoer van de verdovende middelen, doet er niet aan af dat het hof uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht aan een nauwe en bewuste samenwerking gericht op die invoer heeft geleverd. Ik neem daarbij in aanmerking dat bij de vaststelling of van medeplegen sprake is van belang kan zijn ‘in hoeverre de concrete omstandigheden van het geval door de rechter kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen’.
33. De derde deelklacht faalt.
34. Daarmee faalt het middel.
Bespreking van het derde middel
35. Het derde middel bevat de klacht dat het hof de gevangenneming van de verdachte heeft bevolen omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld, aangezien de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet en de verdachte reeds eerder op de Maasvlakte zou zijn aangehouden en om die redenen moet worden gevreesd voor een herhaling van een soortgelijk feit. Noch uit de uitspraak noch uit het proces-verbaal van de zitting van het gerechtshof zou blijken dat de verdachte eerder is aangehouden op de Maasvlakte. En het feit waarvoor de verdachte is veroordeeld zou een feit van een andere orde zijn, zodat het gevaar voor herhaling en daarmee het bevel tot gevangenneming niet begrijpelijk zou zijn gemotiveerd
36. In een zaak waarin Uw Raad op 26 juni 1984 arrest wees werd ook geklaagd over de door het hof bevolen gevangenneming. Uw Raad overwoog dat de verdachte bij dit middel redelijk belang miste. Nu het eerste middel niet tot cassatie kon leiden en Uw Raad ook geen grond voor ambtshalve cassatie aanwezig oordeelde, ‘zal op grond van het bepaalde in art. 26 aanhef en sub a Sr de bij ’s Hofs eindarrest opgelegde gevangenisstraf – waarop de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd in mindering zal worden gebracht – op de dag van ’s Hogen Raads uitspraak ingaan’.
37. Ook in de onderhavige zaak leiden de beide eerste middelen naar het mij voorkomt niet tot cassatie en bestaat geen grond om de zaak ambtshalve terug te wijzen of te verwijzen. Dat brengt mee dat de verdachte redelijk belang bij dit middel mist.
Bespreking van het vierde middel
38. Het vierde middel houdt in dat het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in de cassatiefase is geschonden doordat de stukken van het geding niet tijdig naar de griffie van de Hoge Raad zijn gezonden.
39. Namens de verdachte is op 23 september 2022 cassatieberoep ingesteld. De stukken van het geding zijn op 24 juli 2023 op de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Het hof heeft in het bestreden arrest de gevangenneming van de verdachte bevolen. In de cassatieakte is als adres [a-straat 1] vermeld en ook uit de historische detentiegegevens blijkt dat de gevangenneming op dat moment niet was geëffectueerd. Ik leid uit een en ander af dat de termijn van 8 maanden van toepassing is. Die termijn is met iets meer dan 2 maanden overschreden. Dat moet tot strafvermindering leiden.
40. Het middel slaagt.
Afronding
41. De eerste drie middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Het vierde middel slaagt.
42. Ambtshalve merk ik inzake het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn het volgende op. Ten tijde van de aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv bevond de verdachte zich, zo volgt uit de akte van uitreiking, niet in voorlopige hechtenis. Voor het overige heb ik ook geen gronden aangetroffen die ambtshalve tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
43. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430 m.nt. Van Kempen, rov. 2.5.2.
HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7900, NJ 2008/626 m.nt. Reijntjes.
HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0291, NJ 2011/116 m.nt. Mevis.
G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T.