Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-11-26
ECLI:NL:PHR:2024:1263
Strafrecht
18,456 tokens
Conclusie
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 7 juli 2022 de verdachte wegens onder 1 “medeplegen van gewoontewitwassen”, onder 2 “medeplegen van een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren”, onder 3 en 5 “de eendaadse samenloop van: medeplegen van oplichting, en medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd” en onder 6 en 7 “telkens: medeplegen van oplichting”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren onder algemene en bijzondere voorwaarden zoals nader in het arrest bepaald en met aftrek van voorarrest als bedoeld in artikel 27 Sr. Voorts zijn beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals nader in het arrest opgenomen.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 22/02523, 22/02758, 22/02704, 22/02703, 22/02706, 22/02705 en 22/02608. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.W. Stoet, advocaat te 's‑Gravenhage, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel bevat klachten over de kwalificatie en de strafoplegging van het onder 1 bewezen verklaarde. Het tweede middel heeft betrekking op de kwalificatie van het onder 5 bewezen verklaarde en het derde middel ziet op het onder feit 7 bewezen verklaarde ‘medeplegen’. Voordat ik overga tot bespreking van de middelen, geef ik eerst de inhoud van de zaak weer.
De zaak
5. De zaak gaat, zoals kernachtig door het hof samengevat, over het volgende:
“Deze strafzaak komt voort uit het opsporingsonderzoek dat bekend is onder de naam “13 Rolwolk”. Dit onderzoek ziet op zes verdachten die in wisselende samenstellingen worden verdacht van verschillende strafbare feiten, zoals oplichting, flessentrekkerij en witwassen. De verdachten zijn: [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] Otten, [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5]. De verschillende verdenkingen worden in chronologische volgorde besproken. De verdachten worden hierna ter bevordering van de leesbaarheid ook aangeduid bij hun achternaam.
[verdachte] en [medeverdachte 1], allebei betrokken bij het bedrijf [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1]), hebben om geld te genereren bij Global Hardware Solutions (hierna: GHS), Cancom GmbH (hierna: Cancom) en Max ICT BV (hierna: Max ICT) goederen besteld op naam van een ander bedrijf, te weten [bedrijf 2] (hierna [bedrijf 2]) respectievelijk Automatiseringen Van Thillo B.V. (hierna: Van Thillo). De goederen zijn door deze bedrijven geleverd terwijl deze niet zijn betaald. Dit is als flessentrekkerij in feit 2 ten laste gelegd in de zaken van zowel [medeverdachte 1] als [verdachte]. De in feit 2 ontvangen goederen zijn doorverkocht aan de bedrijven [bedrijf 4] BV (hierna: [bedrijf 4]) en [bedrijf 5] BV (hierna: [bedrijf 5]), wat als een verdenking van medeplegen van (gewoonte)witwassen is ten laste gelegd als feit 1 voor zowel [medeverdachte 1] als [verdachte]. Vervolgens benaderden [verdachte] en [medeverdachte 1] factoringmaatschappij Bibby Financial Services B.V. (hierna: Bibby). Er is een contract met Bibby afgesloten waarbij werd overeengekomen dat Bibby facturen van [bedrijf 1] (gericht aan klanten van [bedrijf 1]) over zou nemen. Vervolgens zijn facturen gericht aan Investar Holding B.V. (hierna: Investar) en Offshore Drilling Services B.V. (hierna Offshore Drilling) overgedragen aan Bibby terwijl [bedrijf 1] geen goederen heeft geleverd aan Investar of Offshore Drilling. De verdenking van medeplegen oplichting van Bibby Financial Services, een poging daartoe en het medeplegen van het gebruik maken van valse facturen zijn als feiten 3, 4 en 5 ten laste gelegd in de zaken van [medeverdachte 1] en [verdachte]. Deze drie feiten zijn door [medeverdachte 1] en [verdachte] niet betwist. De opbrengsten uit de flessentrekkerij en de oplichting van Bibby zijn (deels) naar bankrekeningen op naam van bedrijven van [medeverdachte 4] en de privébankrekening van [medeverdachte 4] overgeboekt. Dit is als (gewoonte) witwassen aan [medeverdachte 4] ten laste gelegd (feit 5). Via het bedrijf [bedrijf 1] hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] tevens het payrollingbedrijf Easystaff Payroll Services B.V. (hierna: Easystaff) benaderd. Easystaff werd voorgespiegeld dat werknemers van [bedrijf 1] projectwerkzaamheden zouden gaan verrichten bij de bedrijven [bedrijf 6] B.V. (hierna: [bedrijf 6]) en [bedrijf 7] B.V. (hierna: [bedrijf 7]). Nadat een samenwerkingsovereenkomst tussen EasyStaff en [bedrijf 1] was gesloten, werden de voor de tewerkstelling van de werknemers bij [bedrijf 6] en [bedrijf 7] noodzakelijke documenten opgesteld. Onder meer werden arbeidsovereenkomsten en inschrijvingsformulieren voor de verschillende werknemers gemaakt. Ook werden werkbriefjes opgesteld waarop voor iedere werknemer was vermeld hoeveel uren per week bij de desbetreffende opdrachtgever was gewerkt. EasyStaff heeft vervolgens aan de (in totaal 22) werknemers loon uitbetaald tot een bedrag van in totaal € 92.899,71. In werkelijkheid zijn nimmer werkzaamheden door werknemers van [bedrijf 1] verricht bij [bedrijf 6] en [bedrijf 7]. De namen en gegevens van beide bedrijven zijn buiten hun medeweten door [medeverdachte 1] en [verdachte] misbruikt. Het medeplegen van oplichting van Easystaff wordt zowel [medeverdachte 1] en [verdachte] (feit 6) verweten als [medeverdachte 3] (feit 1). Nadat Easystaff had laten weten te vermoeden dat zij werden opgelicht, is door [medeverdachte 2], namens het bedrijf [bedrijf 8] B V. (hierna: [bedrijf 8]), een bedrijf dat op zijn naam is gesteld, het factoringbedrijf CS Factoring benaderd. Als debiteuren werden [bedrijf 9] B.V, en [bedrijf 10] B.V. genoemd. Door het overleggen van valse facturen werd CS Factoring bewogen tot betaling ervan. In totaal heeft CS Factoring € 121.192,00 betaald. Dit feit staat op de tenlastelegging van [verdachte] en [medeverdachte 1] (feit 7), [medeverdachte 2] (feit 1) en [medeverdachte 5] (feit 1).”
Het eerste middel
6. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof het onder 1 bewezen verklaarde witwassen ten onrechte heeft gekwalificeerd als gewoontewitwassen in de zin van artikel 420ter Sr, althans dat in het kader van de strafoplegging ten onrechte is uitgegaan van overtreding van artikel 420ter Sr (terwijl dit feit een zwaarder strafmaximum kent dan witwassen in de zin van artikel 420bis Sr).
De bespreking van het eerste middel
7. Onder feit 1 is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
“1.
Conclusie
37. De middelen falen en kunnen naar mijn inzicht worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende overweging.
38. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, waarmee de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM wordt overschreden. Dit dient tot vermindering van de door het hof opgelegde gevangenisstraf te leiden.
39. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
40. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voor het onder 4 bewezen verklaarde is de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging.
Arrest hof, p. 5-6.
Arrest hof, p. 1.
Arrest hof, p. 11.
Arrest hof, p. 14.
In de toelichting op het middel wordt feit 3 genoemd, maar ik ga er gelet op de inhoud van het middel en het arrest van uit dat de steller van het middel doelt op feit 5.
Arrest hof, p. 3.
Arrest hof, p. 12-13.
HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. P.A.M. Mevis; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. P.A.M. Mevis, en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411 m.nt. N. Rozemond. Zie verder J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 483 e.v.
Zie HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581, NJ 2011/481, en HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905, NJ 2004/443.
Zie HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. P.A.M. Mevis; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. P.A.M. Mevis.
Vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411 m.nt. N. Rozemond. Zie daarnaast bijvoorbeeld HR 14 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:394; HR 9 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:3, en HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:439, NJ 2024/191 m.nt. A.J. Machielse.
HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:893, r.o. 2.4: “Voor zover het middel berust op de opvatting dat voor de bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat het gewicht van de bijdrage van de verdachte in de hiervoor onder 2.3 weergegeven zin gelijkwaardig is aan dat van zijn mededader(s), vindt het geen steun in het recht”.
Zie bijv. HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1162.
Zie met name de bewijsmiddelen 1, 5, 6, 10 en 11.
Het betreft hier onder meer een aanvraagformulier factoring, een CS Factoring Overeenkomst en een KvK-uittreksel van het bedrijf [bedrijf 8]; arrest hof, p. 10. Zie tevens bewijsmiddel 17.
Conclusie
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 7 oktober 2015 tot en met 3 november 2015 en/of op een of meer tijdstip(pen gelegen in of omstreeks de periode van 14 juli 2016 tot en met 19 juli 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
van een of meer voorwerp(en), te weten een of meer server(s) en/of (een) geheugenkaarten en/of computerapparatuur (met een totale waarde van ongeveer 93.254 euro) heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te weten voornoemd(e) een of meer server(s) en/of (een) geheugenkaart(en) en/of computerapparatuur (met een totale waarde van ongeveer 93.254 euro), voorhanden heeft gehad,
en/of
voornoemd(e) een of meer server(s) en/of (een) geheugenkaart(en) en/of computerapparatuur (met een totale waarde van ongeveer 93.254 euro) heeft overgedragen en/of omgezet
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,
terwijl hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s) van het plegen van dit/deze feit(en) een gewoonte heeft gemaakt;”
8. Ten laste van de verdachte is daarvan bewezen verklaard dat:
“1. hij op tijdstippen gelegen omstreeks de periode van 14 juli 2016 tot en met 19 juli 2016 in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander, voorwerpen, te weten computerapparatuur heeft overgedragen en omgezet terwijl hij, verdachte, en zijn mededader telkens wisten, dat die voorwerpen geheel - onmiddellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;”
9. Het onder 1 bewezen verklaarde is door het hof vervolgens gekwalificeerd als het “medeplegen van gewoontewitwassen”.
10. Gelet op het bewezen verklaarde, waarin het ten laste gelegde bestanddeel “terwijl hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s) van het plegen van dit/deze feit(en) een gewoonte heeft gemaakt” niet voorkomt, moet het ervoor worden gehouden dat het hof het bewezen verklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als het medeplegen van gewoontewitwassen in de zin van artikel 420ter Sr. Daarover klaagt de steller van het middel terecht.
11. Tot cassatie behoeft dat m.i. echter niet te leiden, althans niet tot verwijzing of terugwijzing, nu de Hoge Raad de kwalificatie eigenhandig zou kunnen verbeteren. Die verbetering behoeft naar ik meen geen gevolgen te hebben voor de opgelegde straf. De verdachte is voor zes strafbare feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk. Naast het in dit middel centraal staande witwassen (feit 1), betreft de veroordeling en strafoplegging onder (2) het “medeplegen van een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren”, onder 3 en 5 “de eendaadse samenloop van: medeplegen van oplichting, en medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd” en onder 6 en 7 “telkens: medeplegen van oplichting”. Gelet op de omvang van de bewezen verklaarde feiten, het aandeel van het in dit middel centraal staande witwasfeit daarin en de gegeven strafmotivering, is het m.i. niet aannemelijk dat het hof na terugwijzing tot de oplegging van een lagere straf zou zijn gekomen. Hierbij zou trouwens tevens in aanmerking kunnen worden genomen dat het hof het bewezen verklaarde (dat in totaal tien servers en vijftien harde schijven betreft) in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen (18 tot en met 21) had kunnen kwalificeren als het ‘medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd’ (dus als een geval van meerdaadse samenloop), waarvoor het strafmaximum (met ingang van 1 januari 2015) eenzelfde hoogte heeft als het strafmaximum bij gewoontewitwassen. Om die redenen faalt de klacht bij gebrek aan belang.
Het tweede middel
12. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof de bewezenverklaring van het onder 5 ten laste gelegde ten onrechte heeft gekwalificeerd als “het medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 Sr, als ware het echt en onvervalst” nu het opzettelijk gebruik niet uit de bewezenverklaring volgt.
13. In de toelichting op het middel wordt naar voren gebracht dat onder feit 5 jegens de verdachte het opzettelijk gebruik van een vals geschrift ten laste is gelegd. Het hof heeft blijkens de bewezenverklaring de verdachte vrijgesproken van het opzettelijk gebruikmaken van dat geschrift, welk bestanddeel een essentieel bestanddeel van de delictsomschrijving behelst zodat het hof had moeten vrijspreken, althans de verdachte had moeten ontslaan van alle rechtsvervolging, aldus de steller van het middel.
De bespreking van het tweede middel
14. Aan de verdachte is onder feit 5 ten laste gelegd dat:
“hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2016 tot en met 30 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals(e) of vervalst(e) facturen gericht aan Investar Holding BV en/of Drilling Offshore Services BV en/of Automatiseringen Van Thillo B.V.
- zijnde (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat/die geschrift(en) echt en onvervalst,
bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, die facturen heeft verkocht en/of overlegd aan Bibby Financial Services B.V.
en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat die facturen opgesteld zijn door [bedrijf 1] BV en/of [bedrijf 1].nl en/of (respectievelijk) gericht zijn aan de bedrijven Investar Holding BV en/of Drilling Offshore Services BV en/of Automatiseringen Van Thillo B.V. en/of aankopen en/of afleveringen van servers en/of geheugenkaarten aan (respectievelijk) Investar Holding BV en/of Drilling Offshore Services BV en/of Automatiseringen Van Thilio B.V. vermelden,
zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) geen servers en/of geheugenkaarten aan bedrijven Investar Holding BV en/of Drilling Offshore Services BV en/of Automatiseringen Van Thillo B.V. heeft verkocht en/of afgeleverd;”
15. Hiervan heeft het hof bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 1 mei 2016 tot en met 30 juni 2016 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse facturen gericht aan Investar Holding B.V. en Drilling Offshore Services B.V. en Automatiseringen Van Thillo B.V. - zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die geschriften echt en onvervalst,
bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, en/of zijn mededader, die facturen heeft verkocht aan Bibby Financial Services B.V.
en bestaande die valsheid hierin dat die facturen opgesteld zijn door [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 1].nl en (respectievelijk) gericht zijn aan de bedrijven Investar Holding B.V. en Drilling Offshore Services B.V. en Automatiseringen Van Thillo B.V. en aankopen en afleveringen van servers en geheugenkaarten aan (respectievelijk) Investar Holding B.V. en Drilling Offshore Services B.V. en Automatiseringen Van Thillo B.V. vermelden,
zulks terwijl hij, verdachte of zijn mededader geen servers en/of geheugenkaarten aan bedrijven Investar Holding B.V. en Drilling Offshore Services B.V. en Automatiseringen Van Thillo B.V. heeft verkocht en afgeleverd;”
16.
Conclusie
Artikel 225 lid 2 Sr luidt als volgt:
“Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst dan wel opzettelijk zodanig geschrift aflevert of voorhanden heeft, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik.”
17. Zoals gezegd behelst het tweede middel de klacht dat het hof het onder 5 bewezen verklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als het “medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst” nu het opzettelijk gebruik niet uit de bewezenverklaring volgt.
18. Geconstateerd kan worden dat de tekst van de bewezenverklaring wel degelijk omvat dat de verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, “opzettelijk [onderstreping DA] gebruik heeft gemaakt van valse facturen gericht aan Investar Holding B.V. en Drilling Offshore Services B.V en Automatiseringen Van Thillo B.V.”. Het hof heeft het onder 5 bewezen verklaarde daarmee kunnen kwalificeren als het “[…] medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”. Het middel mist dan ook feitelijke grondslag.
19. Het middel faalt.
Het derde middel
20. Het derde middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van feit 7 onbegrijpelijk is, althans onvoldoende met redenen is omkleed, nu uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte als ‘medepleger’ heeft deelgenomen aan dit feit.
21. In de toelichting op het middel wordt naar voren gebracht dat de verdachte niet betrokken is geweest bij de handelingen zoals in de bewezenverklaring opgenomen onder de verschillende gedachtestreepjes. De verdachte heeft tot zijn aanhouding op de achtergrond bijstand geboden door informatie te verschaffen en technische ondersteuning te verlenen, hetwelk in het licht van de totaliteit van de feiten en de handelingen van de medeverdachten een meer beperkte betrokkenheid behelst, aldus de steller van het middel. De verdachte is niet bij CS Factoring B.V. in beeld geweest en had geen leidende rol in de oplichtingspraktijken. Daarmee is volgens de steller van het middel de bijdrage van de verdachte van onvoldoende gewicht om van medeplegen te kunnen spreken. Verder wijst de steller van het middel erop dat voor alle afgiften zoals bewezen verklaard moet blijken dat sprake is van medeplegen en daarmee van een intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht, hetwelk voor de afgiften na de aanhouding van de verdachte niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
22. Voordat ik overga tot bespreking van het middel, geeft ik eerst de relevante processuele feiten en het beoordelingskader inzake ‘medeplegen’ weer.
De relevante processuele feiten
23. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 7 bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 14 oktober 2016 tot en met 24 november 2016 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, CS Factoring B.V. heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen tot een totaal van ongeveer 121.192 euro,
hebbende hij, verdachte en zijn mededaders met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – telkens valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid
- namens het bedrijf [bedrijf 8] B.V. ([bedrijf 8] BV) contact gelegd met CS Factoring B.V. en
- namens [bedrijf 8] BV een overeenkomst met CS Factoring B.V. afgesloten waarbij werd overeengekomen dat CS Factoring B.V. facturen van [bedrijf 8] BV gericht aan klanten van [bedrijf 8] BV aankoopt en
- als debiteuren [bedrijf 9] BV en/of [bedrijf 10] BV aangeleverd en
- formulieren "Verklaring tot opdracht betalingsadres" aan CS Factoring B.V. die (mede) (valselijk) ondertekend waren door [betrokkene 1] (namens [bedrijf 9] BV) en door [betrokkene 2] (namens [bedrijf 10] BV) gestuurd naar CS Factoring B.V. en
- 4 facturen van [bedrijf 9] BV (ter waarde van ongeveer 69.104 euro) en 2 facturen van [bedrijf 10] BV (ter waarde van ongeveer 52.088 euro) verkocht aan CS Factoring B.V., zulks terwijl hij, verdachte en zijn mededaders telkens geen goederen hebben geleverd aan [bedrijf 9] BV en [bedrijf 10] BV en geen facturen aan [bedrijf 9] BV en [bedrijf 10] BV hebben gestuurd,
waardoor CS Factoring B.V. telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgiften.”
24. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen luiden als volgt:
“
1. De verklaring die de [verdachte]
ter terechtzitting in eerste aanleg op hoger beroep op 2 april 2019 heeft afgelegd. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang:
Mijn rol was het doen van de technische dingen.
Ik ben [gebruikersnaam].
De jongste rechter houdt een chat op pag. 5117 voor (zoals weergegeven in bewijsmiddel 10).
Het klopt dat ik dacht dat het geen bonafide deal was. We hebben een poging gedaan geld te genereren. Ik had ervaring met factoring. Het kan dat ik die kennis heb doorgespeeld.
2. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 10 april 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 5903 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover deze verbalisanten afgelegde
verklaring van [medeverdachte 2]:
V: de naam [bedrijf 11] is veranderd in [bedrijf 8] BV?
O: ja, die is veranderd.
V: Bent u naar meer factoringmaatschappijen geweest?
O: ja naar CS Factoring
Tonen overeenkomst tussen [bedrijf 8] B.V. en CS Factoring, d.d. 14-10-2016 getekend door [medeverdachte 2]
Bijlage 6
V: Is de overeenkomst door u ondertekend?
A: Dat is mijn handtekening. Ik heb deze overeenkomst tot factoring inderdaad zelf ondertekend.
3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 11 april 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 5965 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover deze verbalisanten afgelegde verklaring van [medeverdachte 2]:
Verbalisanten laten de verdachte de whatsapp chatgesprekken lezen tussen [verdachte] en [betrokkene 3], tussen [verdachte] en [medeverdachte 5] & tussen [verdachte] en [medeverdachte 1].
V: Herkent u de whatsapp berichten?
A: Ja ik denk dat [medeverdachte 5] eigenlijk [medeverdachte 5] is. Hij werd ook wel de boekhouder genoemd.
V: Vertelt u uw verhaal maar.
A: Ik ken [medeverdachte 1] (het hof begrijpt hier en hierna: [medeverdachte 1]) wel. Het is de man op de foto waarvan ik eerder zei dat het [medeverdachte 1] was. [medeverdachte 1] gebruikte ook vaak de naam [medeverdachte 1] als hij belde met mensen. Ik weet toevallig ook dat hij wel eens een andere naam gebruikte.
V: Was het mogelijk [medeverdachte 1]?
A: Ja het was [medeverdachte 1]. Of wat daar dan op lijkt. Ik hoorde hem die naam wel eens aan de telefoon gebruiken.
Ik moest langs factoringmaatschappijen gaan. Zo moest ik langs CS Factoring gaan. Wanneer deze bedrijven spullen wilden hebben zoals bankafschriften leverde [medeverdachte 1] of [medeverdachte 5] dit aan.
Conclusie
[medeverdachte 1] gaf zich altijd uit als [medeverdachte 1] als hij namens [bedrijf 8] belde.
4. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 12 april 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 3] (doorgenummerde pag. 5990e.v.).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover deze verbalisanten afgelegde
verklaring van [medeverdachte 2]:
O: Wij laten de verdachte een foto zien, met nummer PL0480:16:00007 (het hof merkt op dat als bijlage aan het proces-verbaal een foot met dit nummer is gehecht met een afbeelding van de verdachte [medeverdachte 5]).
V: Kent u deze man?
A: Ja, dat is [medeverdachte 5] waar ik over heb verklaard.
V: U heeft bij de notaris de naam van [bedrijf 11] B.V. veranderd in [bedrijf 8] B V. Wie kwam met de naam [bedrijf 8] BV.?
A: Dat was [medeverdachte 1]. Ik had al een website gemaakt met de naam [bedrijf 8]. Dat wist [medeverdachte 1] omdat ik hem eerder een visitekaartje had gegeven. Hij wilde daarom de naam [bedrijf 11] B.V. veranderen in [bedrijf 8] BV.
5. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 7 december 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 1426 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover deze verbalisanten afgelegde
verklaring van [verdachte]:
(pag. 1433) ln mijn telefoon staan inderdaad berichten over [bedrijf 9]. Ik heb whats app berichten hierover met [betrokkene 4]. Ik heb [betrokkene 4] wachtwoorden gegeven.
Ik weet dat [betrokkene 5] de valse website heeft gemaakt. Ik heb deze nagekeken en KvK gegevens e.d. aangeleverd om op de site te plaatsen.
U zegt mij dat er in mijn telefoon ook gegevens staan van [medeverdachte 2]. Dit is de man van [bedrijf 8]. Hij was betrokken bij [bedrijf 9].
Ik heb mijn kennis gebruikt hoe je zaken moest opzetten doorgegeven aan [medeverdachte 2]
6. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 10 februari 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 5048 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover deze verbalisanten afgelegde
verklaring van [verdachte]:
Oplichting CS factoring
V: Er zijn valse facturen van [bedrijf 9] en [bedrijf 10] ingediend bij CS factoring. Ben jij daarbij betrokken?
A: ik heb van [bedrijf 9] een website gecontroleerd. De website is gemaakt door [betrokkene 5]. Ik heb deze nagekeken er zaten enkele spelfouten in. Ik heb dit doorgegeven aan [betrokkene 5].
V: En de website van [bedrijf 8]?
A: Ik heb een doorverwijzing gemaakt van de ene naar de andere website. Ik heb de website van [bedrijf 11] omgezet naar [bedrijf 8]. Dus als je de naam intypt van [bedrijf 11] dan kom je uit op de website van [bedrijf 8].
V: Wie is [medeverdachte 2]?
A: Dat is de eigenaar van [bedrijf 8] en [bedrijf 11].
V: In je telefoon hebben wij een plaatje aangetroffen van All Advice consultants. Hoe kom je aan dat plaatje?
A: Dat zal ik wel van [medeverdachte 1] hebben gekregen. Het moest op een formulier worden gezet. Het moest op een financieel formulier worden gezet van [bedrijf 8]. Ik heb het logo op het papier gezet.
V: Waarvoor diende het (de) financiële formulieren?
A: Volgens mij waren het jaarverslagen.
7. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 7 november 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 7472 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover deze verbalisanten afgelegde
verklaring van [medeverdachte 1]
:
Zaakdossier [bedrijf 8]
V: Zegt de naam [bedrijf 8] B.V. u iets?
A: Ja, dat is van
[medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2]), een relatie van [verdachte].
V: CS Factoring B.V. heeft aangifte gedaan van oplichting door [bedrijf 8] BV. Er zijn valse facturen ingediend op naam van [bedrijf 9] en [bedrijf 10] B.V. Bent u daarbij betrokken geweest?
A: [bedrijf 8] is verder gegaan terwijl ik binnen zat. De heer [medeverdachte 2] en de heer [medeverdachte 5] zijn bezig geweest met oplichten.
V: In de telefoon van [verdachte] hebben (wij) de volgende groepsapp aangetroffen:
[verdachte] [telefoonnummer 1]@s.whatsapp.net
[medeverdachte 1] [telefoonnummer 2]@s.whatsapp.net
[medeverdachte 2] [telefoonnummer 3] @s.whatsapp.net
[betrokkene 3] [telefoonnummer 4] @s.whatsapp.net
[medeverdachte 5] [telefoonnummer 5] @s.whatsapp.net
V Wie is [verdachte]?
A [verdachte]
V: [medeverdachte 1]?
A: Dat ben ik.
V: [medeverdachte 2]?
A: Dat is [medeverdachte 2].
V: [betrokkene 3]?
A: Dat is [betrokkene 4].
V: [medeverdachte 5]?
A De naam [medeverdachte 5] zegt mij nu even niks. Maar mijn vermoeden is [medeverdachte 5] omdat hij een van de hoofdrolspelers is in deze zaak.
8. Een proces-verbaal van aangifte van 12 december 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4], met bijlagen (doorgenummerde pag. 5 153 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover deze verbalisant afgelegde
verklaring van [betrokkene 6]:
Ik wil aangifte doen van oplichting en valsheid in geschrifte namens de besloten vennootschap CS Factoring B.V. gevestigd te Obdam
Het eerste contact met [bedrijf 8] BV was met een persoon genaamd [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] nam namens zijn baas [medeverdachte 2] voor een informatievraag contact op met CS Factoring BV. [medeverdachte 1] maakte vervolgens een afspraak met CS Factoring. Bij deze afspraak op 14 oktober 2016 te Obdam (Nederland) was [medeverdachte 1] gezamenlijk met [medeverdachte 2] aanwezig.
CS Factoring heeft op 14 oktober 2016 een overeenkomst gesloten met [bedrijf 8] BV ([bedrijf 8] BV), getekend door [medeverdachte 2] Otten.
AIs bijlage aan het proces-verbaal is als geschrift gehecht een kopie van deze overeenkomst van 14 oktober 2016 (doorgenummerde pag. 5160 e.v.). waarin onder meer is vastgelegd dat [bedrijf 8] aan CS Factoring (toekomstige) handelsvorderingen verkoopt die aan afnemers van [bedrijf 8] dienen te worden gefactureerd.
De documenten zijn gecontroleerd en er is een kredietwaardigheidscheck gedaan.
Op 21 oktober 2016 is een getekend formulier verklaring tot opdracht betalingsadres van [bedrijf 8] BV ontvangen door CS Factoring BV. Het formulier is mede ondertekend door [medeverdachte 2]. De verklaring betreft debiteur [betrokkene 1], handelend namens [bedrijf 9] BV, e-mailadres: [betrokkene 1]@[bedrijf 9].nl.
Conclusie
Als bijlage aan het proces-verbaal is als geschrift een kopie gehecht van de Verklaring tot opdracht betalingsadres van 21 oktober 2016 (doorgenummerde pag. 5214), ondertekend door [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] van [bedrijf 9] BV.
In periode 21 oktober 2016 tot en met 16 november 2016 heeft CS Factoring BV 6 facturen van [bedrijf 8] BV aangekocht. [medeverdachte 2] verklaarde met [bedrijf 8] BV producten te hebben geleverd aan [bedrijf 9] BV.
Op 21 oktober 2016 ontving CS Factoring BV per e-mail met een factuur van [bedrijf 8] BV welke was gericht aan [bedrijf 9] BV. Na verificatie bij [betrokkene 1] via het e-mailadres [betrokkene 1]@[bedrijf 9].nl gaf deze debiteur aan dat de factuur akkoord was. Na deze verificatie is op 21 oktober 2016, door CS Factoring deze factuur aangekocht voor een bedrag van €20.539,77. Dit bedrag is overgemaakt op bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [bedrijf 8] BV.
Op 24 oktober 2016 ontving CS Factoring BV per e-mail een factuur van [bedrijf 8] BV welke was gericht aan [bedrijf 9] BV. Na verificatie bij [betrokkene 1] via het e-mailadres [betrokkene 1]@[bedrijf 9].nl gaf deze debiteur aan dat de factuur akkoord was. Na deze verificatie is op 25 oktober 2016, door CS Factoring deze factuur aangekocht voor een bedrag van €9.681,43. Dit bedrag is overgemaakt op bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [bedrijf 8] BV.
Op 1 november 2016 ontving CS Factoring BV per e-mail een factuur van [bedrijf 8] BV welke was gericht aan [bedrijf 9] BV. Na verificatie bij [betrokkene 1] via het e-mailadres [betrokkene 1]@[bedrijf 9].nl gaf deze debiteur aan dat de factuur akkoord was. Na deze verificatie is op 4 november 2016, door CS Factoring deze factuur aangekocht voor een bedrag van € 14.315,49. Dit bedrag is overgemaakt op bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [bedrijf 8] BV.
Op 9 november 2016 ontving CS Factoring BV per e-mail een factuur van [bedrijf 8] BV welke was gericht aan [bedrijf 9] BV. Na verificatie bij [betrokkene 1] via het e-mailadres [betrokkene 1]@[bedrijf 9].nl gaf deze debiteur aan dat de factuur akkoord was. Na deze verificatie is op 10 november 2016, door CS Factoring deze factuur aangekocht voor een bedrag van €24.569,56. Dit bedrag is overgemaakt op bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [bedrijf 8] BV.
Op 9 november 2016 ontving een medewerker van CS Factoring BV een tweede formulier ‘Verklaring tot opdracht betalingsadres’ van [medeverdachte 2]. Dit tweede formulier was getekend door [betrokkene 2], handelend namens [bedrijf 10] BV. Contactgegevens van deze persoon zijn: [bedrijf 10]@mail.com en mobiele nummer 06-[telefoonnummer 6]. Een kopie van dit formulier overhandig ik u bij deze en kan bij de aangifte worden gevoegd.
Als bijlage aan het proces-verbaal is als geschrift een kopie gehecht van de Verklaring tot opdracht betalingsadres van 9 november 2016 (doorgenummerde pag. 5226), ondertekend door [medeverdachte 2] en [betrokkene 2] van [bedrijf 10] BV.
Op 9 november 2016 ontving CS Factoring BV per e-mail een factuur van [bedrijf 8] BV welke was gericht aan [bedrijf 10] BV. Na verificatie bij [bedrijf 10] via het e-mailadres [bedrijf 10]@mail.com gaf deze debiteur aan dat de factuur akkoord was. Na deze verificatie is op 14 november 2016, door CS Factoring deze factuur aangekocht voor een bedrag van €24.859,92.Dit bedrag is overgemaakt op bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [bedrijf 8] BV.
Op 16 november 2016 ontving CS Factoring BV per e-mail een factuur van [bedrijf 8] BV welke was gericht aan [bedrijf 10] BV. Na verificatie bij [bedrijf 10] via het e-mailadres [bedrijf 10]@mail.com gaf deze debiteur aan dat de factuur akkoord was. Na deze verificatie is op 18 november 2016, door CS Factoring deze factuur aangekocht voor een bedrag van €27.229,60.Dit bedrag is overgemaakt op bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [bedrijf 8] BV.
Om een betaling te verifiëren wilde de medewerker van CS Factoring contact opnemen met [betrokkene 1], maar de medewerker kon geen telefoonnummer vinden. We hebben het uittreksel KvK bekeken van [bedrijf 9] BV en het telefoonnummer gebeld. Eerst kregen we de voicemail, later werden we teruggebeld door vermoedelijk de echte [betrokkene 1]. Deze persoon verklaarde dat hij niets heeft ontvangen van [bedrijf 8] BV en dat zijn bedrijfsnaam wordt gebruikt.
Het vermoeden was ontstaan van oplichting door [medeverdachte 2] met gebruik van vervalste id gegevens.
We hebben geprobeerd [medeverdachte 2] alsnog te laten betalen. [medeverdachte 2] stuurde daarop een mail waarin hij aangaf contact te hebben gehad met [betrokkene 1] en dat hij meteen zou betalen.
Op 24 november 2016 ontving CS Factoring een mail van [betrokkene 1] met betaalbewijs. Het meegezonden betaalbewijs van ING bleek vervalst. Het geld is niet bij CS Factoring binnen gekomen.
Op 24 november 2016 hebben we gebeld met de accountant (All Advice) van wie de begroting in het dossier afkomstig was. Die bleken niet bekend te zijn met [bedrijf 8] of [medeverdachte 2].
9. Een proces-verbaal van bevindingen van 8 mei 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pag. 5459 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven,
als bevindingen van de hiervoor vermelde verbalisant:
Navraag KvK
Bij de kamer van koophandel op 4 mei 2017 zijn de volgende gegevens bekend:
KvK-nummer: [KvK nummer 1]
Naam: [bedrijf 8] B.V. ([bedrijf 8])
Handelsnamen : [bedrijf 8] B.V. ([bedrijf 8])
[bedrijf 8] B.V.
[bedrijf 8]
1e inschrijving: 17-01-2011
Datum oprichting: 21-12-2010
Datum laatste
statutenwijziging: 10-10-2016
Adres: [a-straat 1]
Plaats: [plaats]
Met ingang van 7-3-2017 in staat van faillissement verklaard
Enig aandeelhouder en voorheen bestuurder
Voornamen: [medeverdachte 2]
Naam: [medeverdachte 2]
Geboortedatum: [geboortedatum] 1970
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
10. Een proces-verbaal van bevindingen van 16 juni 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 5413 e.v.)
Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven,
als bevindingen van de hiervoor vermelde verbalisant:
Op 25 oktober 2016 werd de telefoon van de verdachte [verdachte] tijdens zijn aanhouding in beslag genomen. Er is onderzoek gedaan naar deze telefoon, daar zijn meerdere processen-verbaal van gemaakt.
Zoekwoorden
Na het invoeren van het zoekwoord CS, [bedrijf 8] en [bedrijf 9] kwamen er meerdere chatsessies naar voren. Onder andere een chatsessie met [medeverdachte 1]. Er zal een bijlage (1, 2 & 3) worden toegevoegd, met de resultaten van de losse zoekwoorden.
Tevens zijn de chatsessies met [medeverdachte 2], [betrokkene 5], [medeverdachte 5] en een groepschat tussen [verdachte], [medeverdachte 1], [betrokkene 4] en [medeverdachte 5] gevoegd als bijlage.
Bijlage
Bijlage 1: chatsessie [medeverdachte 1] met zoekwoord [bedrijf 8].
Bijlage 2: chatsessie [medeverdachte 1] met zoekwoord CS.
Bijlage 3: chatsessie [medeverdachte 1] met zoekwoord [bedrijf 9].
Bijlage 4: chatsessie met [medeverdachte 2].
Conclusie
Bijlage 5: chatsessie met [betrokkene 5].
Bijlage 6: chatsessie met [medeverdachte 5].
Bijlage 7: Groepschat.
In deze zeven als bijlagen gehechte geschriften zijn onder meer de volgende WhatsApp-berichten opgenomen:
Bijlage 1: appberichten tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] (doorgenummerde pag. 5414 e.v.)
11 oktober 2016
[verdachte]:
- [bedrijf 8]
14 oktober 2016
[verdachte]:
- [bedrijf 11]? Of [bedrijf 8]?
17 oktober 2016
[medeverdachte 1]:
- Vanuit sales [bedrijf 8] mail
[verdachte]:
- Handtekening aan het maken voor [bedrijf 8].
18 oktober 2016
[medeverdachte 1]:
- lnfo@[bedrijf 8]
24 oktober 2016
[verdachte]:
- [bedrijf 8]@gmail.com
- lnfo@[bedrijf 8]?
Bijlage 2: appberichten tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] (doorgenummerde pag. 5416 e.v.)
20 oktober 2016
[verdachte]:
- Heb je al een credit check laten doen door CS?
21 oktober 2016
[medeverdachte 1]:
- Kan je de mail van cs doorsturen
[verdachte]:
- CS is doorgestuurd.
23 oktober 2016
[medeverdachte 1]:
- Cs
Check even in het systeem van van cs wat de limiet is van [bedrijf 9] en maak factuur van 7900 ex btw
En [bedrijf 9] 8200 ex btw
- Morgen cs vastgoed ook
- Je kan de limiet zien of het past bij cs in het systeem
- Laat me weten of het via cs kan van [bedrijf 9]
24 oktober 2016
[medeverdachte 1]:
- Cs is akkoord [bedrijf 9]
- Dis voor cs hoeven we niets meer te doen ?
Bijlage 3: appberichten tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] (doorgenummerde pag. 5419 e.v.)
10 oktober 2016
[verdachte]:
- [bedrijf 9]. 42.5k
16 oktober 2016
[verdachte]:
- [bedrijf 9].nl
17 oktober 2016
[verdachte]:
- En waar kan ik [bedrijf 9] naar toe laten schakelen?
18 oktober 2016
[medeverdachte 1]:
- Check jij al deze sites voor al deze 2 zijn van belang !!
[bedrijf 10] factuur po 18 750 ex btw
[bedrijf 9] 19260 ex btw
[verdachte]:
- Regel jij die formulieren, ben die gasten nog aan het invoeren hier. Heb als contactpersoon [betrokkene 1] Email: [betrokkene 1]@[bedrijf 9].nl
19 oktober 2016
[medeverdachte 1]:
- Ok had je die iban rekening ingevuld voor [bedrijf 10] en [bedrijf 9]
20 oktober 2016
[verdachte]:
- Kan ik die rekening ook voor [bedrijf 9] gebruiken?
[medeverdachte 1]:
- Is de site verder goed van [bedrijf 9]
21 oktober 2016
[medeverdachte 1]:
- En wat is de inlog van [bedrijf 9]
[verdachte]:
- [betrokkene 1]@[bedrijf 9].nl
- drikjan4d
[medeverdachte 1]:
- Stuur me factuur vastgoed
Bijlage 4: appberichten tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] (doorgenummerde pag.. 5422 e.v.)
21 oktober 2016
[verdachte]:
- Hi [medeverdachte 2], had jij die lui van CS gesproken?
[medeverdachte 2]:
- [verdachte] heb jij wachtwoord van mail info@[bedrijf 8].nl Veranderd?
[verdachte]:
- Misschien de boekhouder. Want sales was ook al veranderd door hem
Bijlage 5: appberichten tussen [verdachte] en ‘[betrokkene 5]’ (doorgenummerde pag. 5424 e.v.)
15 oktober 2016
[verdachte]:
- Hi [betrokkene 5], can you put [bedrijf 9] online?
[betrokkene 5]:
- When I finish the projects we can contact via teamviewer and set it up
[verdachte]:
- OK
17 oktober 2016
[verdachte]:
- An you put KvK and btwnummer on the websites [bedrijf 9] Btw: [BTW nummer] KvK: [KvK nummer 2]
- Also phone number, you will get it in a minute.
- With [bedrijf 9] there is still some space in de address line.
- Street and city should be together..
[betrokkene 5]:
- Ok
18 oktober 2016
[verdachte]:
- Good morning [betrokkene 5], can you make [bedrijf 9] in Dutch?
- Website [bedrijf 10]: it should be Onze diensten, now it says: Onze dientsen
[betrokkene 5]:
- Ok
[verdachte]:
- Should be ‘Financieel advies'
[betrokkene 5]:
- Done
[verdachte]:
- Oh sorry, it should also be ‘Financieel adviseur'.
[betrokkene 5]:
- Done
Bijlage 7: appberichten tussen [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [betrokkene 4] en [medeverdachte 5] (doorgenummerde pag. 5440 e.v.)
21 oktober 2016
[medeverdachte 1]:
- [[medeverdachte 1]] created the group "Blijfscherp".
- Laten we hierin communiceren anders moet iedereen elkaar gaan Bellen
- [medeverdachte 2] zet het ww terug
[medeverdachte 2]:
- Mijn domein server lig plat
- Kan de site om het wachtwoord te veranderen niet bereiken
- Mss iemand andres wel
- Wachtwoord moet worden [wachtwoord 1]
[verdachte]:
- Mijndomein ligt er ook bij mij uit
[medeverdachte 5]:
- Ik kan gewoon inloggen
- En nu ff mij niet storen
- Ik heb verl werk
- [verdachte]
- Wat is wachtwoord voor die emails die jij hebt aangemaakt
[verdachte]:
- De ww zijn simpel: Voornaam + eerste letter achternaam + [...] Allemaal kleine letters
11. Een proces-verbaal van bevindingen van 15 maart 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pag. 5444 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijkweergegeven, als
bevindingen van voornoemde verbalisant:
Op 25 oktober 2016 is de telefoon van de verdachte [verdachte] tijdens zijn aanhouding in beslag genomen.
Conclusie
Er is onderzoek gedaan naar deze telefoon
Zoekwoord [betrokkene 3]
Na het invoeren van het zoekwoord [betrokkene 3] kwam 1 chatsessie naar voren tussen: [telefoonnummer 4]@s.whatsapp.net [betrokkene 3]
[telefoonnummer 1]@s.whatsapp.net Moot
De uitwerking is als bijlage gevoegd.
In het als bijlage gehechte geschrift zijn onder meer de volgende WhatsApp-berichten tussen [verdachte] en [betrokkene 4] opgenomen:
21 oktober 2016
[betrokkene 4]:
- [betrokkene 1]@[bedrijf 9].nl
- Wachtwoord is?
[verdachte]:
- Inloggen met: [betrokkene 1]@[bedrijf 9].nl Wachtwoord: [wachtwoord 2]
12. Een geschrift, te weten een verslag van het verhoor van [medeverdachte 5] op 9 september 2015 (doorgenummerde pagina 5452 e.v.).
Dit geschrift houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
verklaring van [medeverdachte 5]:
Ik heb telefoonnummer 06 [telefoonnummer 5].
13. Een proces-verbaal van bevindingen van 28 november 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], met bijlagen (doorgenummerde pag. 1337 ev.).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven,
als bevindingen van voornoemde verbalisant:
Op 25 november 2016 werd ik in de middag gebeld door de [PI] die mij vertelde dat zij een mobiele telefoon hadden aangetroffen bij de verdachte [medeverdachte 1].
Hierop heb ik de telefoon bij de [PI] in beslag genomen. Ik heb handmatig in de telefoon kunnen kijken en de simkaart van de telefoon uitgelezen. De uitwerkingen zijn als bijlage aan dit proces-verbaal gevoegd.
In het als bijlage gehechte geschrift is het volgende uitgaande tekstbericht weergegeven:
SITE MOET GOED ZIJN EN JE MOET BETALEN EN INDIENEN VIA DE INLOG VAN CS VRAAG NAAR [betrokkene 7] DIE TURK [medeverdachte 5] MOET DE FACTUREN MAKEN EN HIJ HEEFT INLOG VAN DE MAIL
14. Een proces-verbaal van aanhouding van 6 juni 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6] (doorgenummerde pag. 6003 ev.).
Dit proces-verbaal houdt in. voor zover van belang en zakelijkweergegeven
, als bevindingen van voornoemde verbalisanten:
Op 6 juni 2017 hielden wij als verdachte aan: [medeverdachte 5], geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats], met de Nederlandse en Turkse nationaliteit.
15. Een proces-verbaal van bevindingen van 22 maart 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], met bijlagen (doorgenummerde pag. 5537 ev.).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van voornoemde verbalisant:
Van betaalrekening [rekeningnummer 2] zijn de volgende gegevens bekend:
Naam: [betrokkene 8]
h/o: [bedrijf 12]
Wettelijk vertegenwoordiger:
Naam: [betrokkene 8]
Transactie:
Datum Naam/omschrijving Bij/af
25-10-2016 Naam: [bedrijf 8] B.V. + 955,00
16. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 16 juni 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 5547 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover deze verbalisanten afgelegde
verklaring van [betrokkene 8]
:
V: Bent u de eigenaar van het bedrijf [bedrijf 12]?
A: Ja op papier wel.
V: Waarom heeft u deze zaak opgericht?
A: Dat heb ik op verzoek gedaan van een persoon die [medeverdachte 1] heet. Ik was in Amsterdam, september vorig jaar moet het zijn geweest toen was ik in een kroegje waar [medeverdachte 1] naar mij toe kwam. Hij vroeg mij of ik geld wilde verdienen. Ik moest van hem een eenmanszaak ofzo openen. Ik zou daar 2 a 3 duizend euro mee kunnen verdienen en dat wilde ik wel. Ik had toen met deze persoon afgesproken om de volgende dag naar Amsterdam CS te komen. Daar pikte hij mij op en gingen we naar het KvK gebouw in Amsterdam. Hij bleef buiten staan en ik moest naar binnen. Ik kreeg de papieren waar de naam In Finance op stond. Zo heb ik alles in gevuld. Hierna sprak ik met hem af om in Zevenaar de volgende dag een bankrekening te openen. De volgende dag ontmoette ik [medeverdachte 1] bij een restaurant, daar kreeg ik de papieren en gegevens mee om de rekening bij de ING te openen. Nadat ik dat gedaan had, gaf ik alles af de bankpas e.d. over aan deze persoon. Ik heb hem verder nooit meer gezien.
V: Wij laten je nu een aantal foto's zien. Wie zijn dit?
A: De jongen op fotonummer 4 is de [medeverdachte 1] waar ik over spreek.
V: Wij hebben de transacties van [rekeningnummer 2] t.n.v. [bedrijf 12] opgevraagd. Er hebben op de rekening drie transacties plaats gevonden, namelijk op 25 oktober 2016 wordt een bedrag van € 955,00 bijgeschreven afkomstig van [bedrijf 8] BV. Waarom krijgt u een bedrag van € 955,00 van het bedrijf [bedrijf 8] B.V.?
A: Daar weet ik allemaal niks van. Ik heb geen afschriften thuis gehad helemaal niks.
Aan de verdachte zijn de vier onderstaande foto ’s getoond. De verdachte verklaarde over foto 4 dat het [medeverdachte 1] was. Foto 4 is de foto van de verdachte [medeverdachte 1], geboren op 15 mei 1985 te Amsterdam.
17. Een proces-verbaal van bevindingen van 17 januari 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], met bijlagen (doorgenummerde pag. 5791 ev.).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven,
als bevindingen van voornoemde verbalisant:
Op 25 oktober 2016 is aangehouden de verdachte genaamd [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1968. Tijdens zijn aanhouding was [verdachte] in het bezit van onder meer twee computertassen. Deze twee computertassen lagen in zijn auto.
Ik heb ik de volgende stukken aangetroffen in de computertassen:
• Aandeelhoudersbesluit van [bedrijf 11] B.V., om de naam te wijzigen conform concept zaaknummer 7076518, getekend door [medeverdachte 2], d.d. 10 oktober 2016 te Amsterdam
• Akte tot wijziging statuten, zaaknummer 7076518, naamwijziging van [bedrijf 11] B.V in [bedrijf 8] B.V. de akte is niet ondertekend en niet voorzien van een datum
• Aanvraagformulier factoring CS, niet ingevuld, op voorblad staat geschreven: "voorbeeld factuur [verdachte]".
• CS Factoring Overeenkomst, niet ingevuld
• Uittreksel KvK, d.d. 13 oktober 2016, [bedrijf 8] B.V., bestuurder en enig aandeelhouder [medeverdachte 2], geboren [geboortedatum] 1970
• ING Bank, Naam wijzigen in [bedrijf 8] B.V.
• Boekje van [bedrijf 8]
• Oude credit- en debet facturen van [bedrijf 11] B.V.”
25.
Conclusie
Verder heeft het hof in het bestreden arrest met betrekking tot het bewijs ten aanzien van feit 7 het volgende overwogen:
“Bewijsoverweging ten aanzien van de oplichting van CS Factoring (feit 7)
[…]
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast:
i) In de ten laste gelegde periode van de oplichting van CS Factoring was [medeverdachte 2] de enig aandeelhouder en de bestuurder van [bedrijf 8].
ii) [medeverdachte 1] heeft, met een informatievraag, het eerste contact met CS Factoring gelegd. Naar aanleiding hiervan heeft vervolgens op 14 oktober 2016 een overleg plaats gehad tussen [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en een vertegenwoordiger van CS Factoring over het afsluiten van een factoringsovereenkomst. Nog dezelfde dag is deze overeenkomst gesloten tussen [bedrijf 8] en CS Factoring. [medeverdachte 2] heeft de overeenkomst namens [bedrijf 8] ondertekend.
iii) In de periode van 21 oktober tot en met 16 november 2016 heeft [bedrijf 8] aan CS Factoring facturen op naam van de bedrijven [bedrijf 9] B.V. (hierna: [bedrijf 9]) en [bedrijf 10] B.V. (hierna: [bedrijf 10]) verkocht. Bij het aanleveren van de facturen werd gebruik gemaakt van websites, e-mailadressen en een telefoonnummer (van de contactpersoon van [bedrijf 10]) waarmee de indruk werd gewekt dat de facturen daadwerkelijk voor deze bedrijven bestemd waren en deze bedrijven ook akkoord waren met deze facturen, bijvoorbeeld doordat bij navraag door CS Factoring via deze e-mailadressen een bevestiging werd gegeven.
iv) De door [bedrijf 8] verkochte facturen waren evenwel nepfacturen: [bedrijf 8] heeft aan [bedrijf 9] en [bedrijf 10] nooit goederen geleverd en heeft dus ook nooit facturen aan deze bedrijven gestuurd.
v) CS Factoring heeft voor de koop van de nepfacturen een bedrag van in totaal ongeveer € 121.192,00 uitgekeerd aan [bedrijf 8].
Aan de hand van de in het dossier opgenomen bewijsmiddelen en de verklaring van [verdachte] ter terechtzitting in eerste aanleg kan worden vastgesteld dat hij zijn kennis over factoring heeft overgedragen aan de [medeverdachte 2]. Hij is vervolgens betrokken gebleven bij het opzetten van de oplichtingsconstructie, door de bij de oplichting gebruikte websites te controleren en de informatie voor op de websites aan te leveren. Uit de appconversaties die op zijn telefoon zijn aangetroffen blijkt ook zijn verdere, actieve betrokkenheid; zo gaf hij een domeinnaam, e-mailadressen en bijbehorende wachtwoorden door aan medeverdachten. Bij de vaststelling van de rol van [verdachte] komt verder betekenis toe aan het feit dat hij bij zijn aanhouding op 25 oktober 2016 in zijn auto twee computertassen had, waarin documenten zaten die kunnen worden gerelateerd aan de oplichting van CS Factoring. In de tas zaten onder meer een aanvraagformulier factoring, een CS Factoring Overeenkomst en een KvK-uittreksel van het bedrijf [bedrijf 8]. Dat die documenten van [medeverdachte 1] zouden zijn en dat [verdachte] niet bekend zou zijn met die documenten, zoals hij ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard, acht het hof niet geloofwaardig, gelet op de plek waar de documenten zijn aangetroffen en bezien in het licht van de hiervoor genoemde omstandigheid waaruit de betrokkenheid van [verdachte] bij de oplichting blijkt. Ook is van belang dat op het voorblad van het aanvraagformulier factoring CS staat geschreven “voorbeeld factuur [verdachte]", hetgeen logischerwijs verwijst naar de voornaam van [verdachte] en hem dus hiermee in verband brengt. Aldus heeft [verdachte] handelingen verricht die van wezenlijk belang zijn geweest voor zowel het opzetten als het uitvoeren van de oplichting van CS Factoring en die van zodanig gewicht zijn geweest dat zij de kwalificatie medeplegen rechtvaardigen. Dat [verdachte] vanaf 25 oktober 2016 gedetineerd is geweest en dat na die datum anderen de noodzakelijke oplichtingshandelingen hebben moeten verrichten, staat - gelet op het gewicht van zijn aandeel in de samenwerking tot aan het moment van zijn detentie - aan zijn rol als medepleger niet in de weg.
[verdachte] heeft nauw en bewust samengewerkt met de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5]. Zoals ook in de arresten tegen deze medeverdachten is vastgesteld, heeft de rol van [medeverdachte 1] in de kern erin bestaan dat hij het eerste contact met CS Factoring heeft gelegd en vervolgens, samen met [medeverdachte 2], verder overleg met CS Factoring heeft gevoerd, op basis waarvan het bedrijf bereid bleek met [bedrijf 8] zaken te doen. Ook bij de verdere oplichtingshandelingen is [medeverdachte 1] betrokken geweest, getuige zijn actieve en inhoudelijke bijdrages in de verschillende appconversaties die in de bewijsmiddelenbijlage zijn weergegeven. [medeverdachte 2] was degene die samen met [medeverdachte 1] de besprekingen met CS Factoring over de mogelijkheid van factoring heeft gevoerd en die vervolgens namens [bedrijf 8] de factoringsovereenkomst heeft getekend. Voor [medeverdachte 5] geldt ten slotte dat ook hij een van de deelnemers was aan de groepsapp die werd gebruikt om te overleggen over het op poten zetten van de oplichting van CS Factoring. Verder was [medeverdachte 5] degene die valse documenten aanleverde die voor de oplichting werden gebruikt.”
26. Voor zover voor de beoordeling van dit middel van belang, is namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 13 juni 2022 – blijkens de aan het proces-verbaal ter terechtzitting gehechte pleitnotities – het volgende naar voren gebracht (met weglating van voetnoten):
“Feit 7 – oplichting
13. Dan het laatste feit (Feit 7), de oplichting van het bedrijf CS Factoring B.V. Net als ten aanzien van feit 1 en feit 2 zal de verdediging uw hof verzoeken om client hiervan vrij te spreken.
14. De verdediging betwist niet dat cliënt op enig moment betrokken is geweest bij de oplichting van CS Factoring. Wel wordt betwist dat de rol van cliënt met de rol van medepleger in verband kan worden gebracht. In ieder geval staat vast dat cliënt het geheel aan de tenlastegelegde oplichtingshandelingen - de daadwerkelijke middelen waarmee CS Factoring is bewogen tot afgifte van geldbedragen - niet heeft verricht. Cliënt heeft geen contact gezocht met CS Factoring namens [bedrijf 8] B.V. (gedachtestreepje 1), geen overeenkomst gesloten met CS Factoring en geen facturen aan CS Factoring verkocht.
15. De (beperkte) rol die cliënt heeft gehad, zit in de voorbereiding. Hij is aanwezig geweest bij een bespreking en heeft daarbij zijn kennis over factoring aan [medeverdachte 2] doorgegeven, hij heeft [betrokkene 5] geholpen met de website door deze te controleren en was daartoe deelnemer van een appgroep die ter terechtzitting van uw hof is besproken. Hoewel de verdediging niet direct uit de berichten die in deze appgroep zijn verstuurd kan afleiden dat cliënt bepaalde e-mailadressen en domeinnamen heeft
aangemaakt
, kan wel uit de berichten worden opgemaakt dat cliënt dergelijke informatie doorgaf (zoals door de advocaat-generaal wordt benoemd). De stelling van de advocaat-generaal dat cliënt zou hebben gereageerd op een e-mail uit naam van het bij de oplichting gebruikt bedrijf [bedrijf 9], kan echter niet worden afgeleid uit de berichten waarnaar in het requisitoir wordt verwezen. Weliswaar wordt door [betrokkene 3] (de andere deelnemer aan het gesprek) de vraag gesteld of cliënt al op ‘de mail’ heeft gereageerd, maar niet blijkt welke mail daarmee wordt bedoeld, op welk e-mailadres deze mail is binnengekomen en dus ook niet of dit het e-mailadres van [bedrijf 9] is. Ook blijkt niet of specifiek deze vraag van [betrokkene 3] daadwerkelijk bevestigend wordt beantwoord.
16.
Conclusie
De betrokkenheid van cliënt bij de oplichting van CS Factoring is derhalve volledig terug te voeren op de voorbereiding daarvan. Sterker nog, de periode waarin de tenlastegelegde oplichtingshandelingen worden uitgevoerd
door de andere verdachten
, zit cliënt in voorlopige hechtenis. De tenlastegelegde periode onder feit 7 overlapt dan ook voor het grootste gedeelte met de periode waarin cliënt in voorarrest zat (14 oktober t/m 24 november 2016 resp. 25 oktober t/m 20 december 2016).
17. Uit de u wel bekende vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aangaande het leerstuk medeplegen volgt dat het medeplegen van een delict in de regel wordt geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van dat feit. Wanneer enige rol in de uitvoering van het delict ontbreekt zal dit - om de lat van het medeplegen te kunnen halen - moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grotere rol in de voorbereiding. In de bewijsvoering zal in zulke uitzonderlijke gevallen wel bijzondere aandacht moeten worden besteed aan de vraag of wel zo nauw en bewust is samengewerkt dat van medeplegen kan worden gesproken, en in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.
18. Client heeft met zijn handelen slechts een bijdrage verschaft die gelijk kan worden gesteld aan het verstrekken van inlichtingen en een bijdrage aan het creëren een
mogelijkheid
tot de oplichting van CS Factoring. Cliënt heeft met de daadwerkelijke oplichting van het bedrijf, middels het verstrekken van formulieren, het verkopen van facturen en het daarmee verkrijgen van de geldbedragen niets van doen gehad.
19. In de visie van de verdediging haalt de bijdrage van cliënt de lat van medeplegen niet. Hoewel het ontbreken van een rol in de uitvoering van het delict
kan
worden gecompenseerd door een grote(re) rol in de voorbereiding daarvan, moet deze rol wel van voldoende gewicht zijn om als een wezenlijke/significante bijdrage te kunnen worden gekwalificeerd. Dat cliënt een bijdrage heeft geleverd aan de oplichting van CS Factoring wordt zoals gezegd niet betwist, maar deze bijdrage dient met medeplichtigheid in verband te worden gebracht. Deze deelnemingsvorm is niet tenlastegelegd, waardoor een vrijspraak van Feit 7 dient te volgen.
20. De verdediging verzoekt uw hof dan ook om client van de oplichting van CS Factoring vrij te spreken.”
Het beoordelingskader inzake ‘medeplegen’
27. De Hoge Raad heeft vanaf 2014 in verschillende arresten algemene beschouwingen gewijd aan de deelnemingsvorm van het medeplegen. Vóór 2014 had hij al uitgemaakt dat voor de kwalificatie ‘medeplegen’ is vereist dat bij het strafbare feit ‘nauw en bewust is samengewerkt’ en dat het accent hierbij meer ligt op de samenwerking dan op de vraag wie welke handelingen heeft verricht. De vraag of aan dit vereiste is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden en wordt in cassatie sterk gekleurd door de precieze bewijsvoering van de feitenrechter, zoals een op het medeplegen toegesneden nadere motivering.
28. De Hoge Raad heeft benadrukt dat de kwalificatie ‘medeplegen’ slechts dan gerechtvaardigd is als de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel of de voor medeplegen vereiste ‘nauwe en bewuste samenwerking’ zich heeft voorgedaan, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
29. Voor een bewezenverklaring van medeplegen is niet vereist dat het gewicht van de bijdrage van de verdachte gelijkwaardig is aan dat van zijn mededader(s).Alhoewel de bijdrage van de medepleger in de regel zal worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit, kan zijn bijdrage ook bestaan uit verscheidene gedragingen voor, tijdens en/of na het delict.
30. Een en ander brengt mee dat wanneer het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, op de rechter de taak rust om ingeval hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren.
31. Bovendien kan de procesopstelling van de verdachte een rol spelen. De feitenrechter mag bij zijn bewijsoordeel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem ten laste gelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven.
De bespreking van het derde middel
32. Het hof heeft vastgesteld dat de rol van de verdachte bij de oplichting van CS Factoring B.V. erin was gelegen (i) dat hij zijn kennis over factoring heeft overgedragen aan de [medeverdachte 2], (ii) dat hij vervolgens betrokken is gebleven bij het opzetten van de oplichtingsconstructie middels het controleren van de bij de oplichting gebruikte websites en het aanleveren van informatie voor die websites en (iii) dat hij een domeinnaam, e-mailadressen en bijbehorende wachtwoorden heeft doorgegeven aan de medeverdachten. Voor wat betreft de rol van de verdachte kent het hof verder gewicht toe aan het feit dat in zijn auto bij zijn aanhouding op 25 oktober 2016 twee computertassen zijn aangetroffen waarin documenten zaten die naar de overtuiging van het hof kunnen worden gerelateerd aan de oplichting van CS Factoring B.V.. Daarbij stond op een van deze documenten geschreven “voorbeeld factuur [verdachte]”, de voornaam van de verdachte.
33. Uit deze omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte handelingen heeft verricht die van wezenlijk belang waren voor zowel het opzetten als het uitvoeren van de oplichting en die van zodanig gewicht zijn geweest dat zij de kwalificatie ‘medeplegen’ rechtvaardigen. De omstandigheid dat de verdachte vanaf 25 oktober 2016 gedetineerd zat en dat na die datum anderen de noodzakelijke oplichtingshandelingen hebben moeten verrichten, staat naar het oordeel van het hof gelet op het gewicht van het aandeel van de verdachte in de samenwerking tot aan het moment van zijn detentie, aan zijn rol als medepleger niet in de weg. Verder is door het hof overwogen dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5].
34. Uit de vaststellingen van het hof kan worden afgeleid dat de verdachte een significante bijdrage heeft geleverd bij zowel de voorbereiding als de uitvoering van de bewezen verklaarde oplichting tot aan het moment van zijn detentie. Gelet daarop komt ’s hofs oordeel dat sprake is van ‘medeplegen’ mij niet onbegrijpelijk voor. Dit geldt tevens voor de bewezen verklaarde periode vanaf het moment dat de verdachte gedetineerd zat. Het hof heeft in dat kader immers niet onbegrijpelijk overwogen dat de bijdrage van de verdachte in de voorbereiding en uitvoering van het delict tot aan het moment van zijn detentie van voldoende gewicht was om ook vanaf het moment van zijn detentie te kunnen blijven spreken van ‘medeplegen’. De afwezigheid van enige bijdrage vanaf de detentie van de verdachte wordt door zijn rol in de voorbereiding en uitvoering tot dat moment m.i. voldoende gecompenseerd.
35.