Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-02-13
ECLI:NL:PHR:2024:127
Strafrecht
2,373 tokens
Conclusie
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] in 1966,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 17 februari 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens onder 1 “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” en onder 2 “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen. Daarbij heeft het hof beslist over de vordering van de benadeelde partij en heeft het hof de tenuitvoerlegging van twee eerder voorwaardelijk opgelegde straffen gelast.
Namens de verdachte heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Het middel klaagt dat art. 359 lid 6 Sv is geschonden aangezien het hof heeft verzuimd de redenen op te geven die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van de oplegging van een straf die vrijheidsbeneming meebrengt.
4. Het hof heeft ten aanzien van de strafoplegging overwogen:
“De advocaat-generaal heeft een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen gevorderd.
De raadsman heeft in het geval van een bewezenverklaring een deels voorwaardelijke taakstraf bepleit.
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging van een politieagent. Zodoende heeft verdachte ervan blijk gegeven geen respect te hebben voor verbalisanten. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van een auto. Aldus handelende heeft de verdachte de benadeelde partij flinke financiële schade berokkend en hem overlast bezorgd. Voorts heeft verdachte inbreuk gemaakt op het gevoel van veiligheid van de bewoners in de buurt.
Het hof heeft bij de vaststelling van de op te leggen straf voorts rekening gebonden met het feit dat uit een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 december 2021 blijkt dat verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Eerdere veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten, liep verdachte bovendien nog in de proeftijd van eerder voorwaardelijk opgelegde straffen.
Het hof ziet in de hierboven genoemde omstandigheden, met de advocaat-generaal, reden om dezelfde straf op te leggen als de politierechter heeft gedaan.”
5. Art. 359 lid 6 Sv luidt:
“Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsbeneming medebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid. […]”
6. Art. 359 lid 6 Sv geeft specifieke regels over het motiveren van een vrijheidsbenemende sanctie. Uit de strafmotivering moet expliciet blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat zo'n sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen. Daarom is onvoldoende dat de rechter enkel overweegt dat de strafoplegging in overeenstemming is met de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken en dat uit het justitieel documentatieregister betreffende verdachte blijkt dat zij in het verleden reeds ter zake van soortgelijke zaken door de rechter tot straf is veroordeeld. Ook onvoldoende is een overweging gevolgd door de stelling dat de volgende straffen passend en geboden worden geacht, omdat daaruit niet expliciet volgt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd. Dat wordt daarom anders als in deze overweging wordt gesproken over een (klaarblijkelijke) gevangenisstraf of een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Ook voldoende is een motivering waaruit blijkt waarom de rechter vindt dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een sanctie die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich meebrengt en waarin wordt ingegaan op de specifieke omstandigheden van de zaak. Tot slot overwoog de Hoge Raad in een arrest van 20 november 2018 dat een summiere motivering met daarin de overweging dat “de eis van de officier van justitie passend en gerechtvaardigd” is onvoldoende is. Er moet namelijk expliciet uit de motivering volgen dat een sanctie wordt overwogen die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich meebrengt door uit te drukken dat een dergelijke sanctie wordt opgelegd en deze te verbinden met de redenen uit de strafmotivering.
7. Uit de rechtspraak over art. 359 lid 6 Sv kunnen dus twee eisen worden afgeleid: uit de strafmotivering moet expliciet blijken (i) dat niet kan worden volstaan met een lichtere sanctie dan onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming en (ii) welke redenen de rechter daarvoor heeft.
8. Met betrekking tot de onder (ii) weergegeven eis wordt in de schriftuur naar voren gebracht dat van “de overwegingen die wel zijn opgenomen niet kan worden gezegd dat die logischerwijze leiden tot de conclusie dat met een andere straf dan oplegging van onvoorwaardelijke vrijheidsstraf niet kan worden volstaan”.
9. Daar denk ik anders over. Het hof heeft in deze zaak verschillende redenen aangegeven waarom deze straf moet worden opgelegd. Het hof heeft immers aangegeven dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de belediging van een politieagent en daarmee blijk heeft gegeven geen respect te hebben voor verbalisanten, dat de verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling en hierbij een grote hoeveelheid financiële schade heeft veroorzaakt en het slachtoffer overlast heeft bezorgd, dat eerdere soortgelijke veroordelingen niet hebben voorkomen dat de verdachte heeft gerecidiveerd en dat de verdachte zich bevond in de proeftijd van eerder voorwaardelijk opgelegde straffen. Naar mijn mening is het niet onbegrijpelijk dat het hof op grond van deze omstandigheden kennelijk van oordeel is dat bij deze verdachte niet langer kan worden volstaan met een lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In het bijzonder is daarbij van belang dat het hof heeft overwogen dat niet alleen eerdere veroordelingen niet hebben voorkomen dat de verdachte is gerecidiveerd, maar dat ook een voorwaardelijke veroordeling dit effect niet heeft gehad. Daarom faalt het middel in zoverre.
10. Met betrekking tot de onder (i) weergegeven eis geldt dat het hof in zijn overweging niet expliciet heeft uitgesproken dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Wel geeft het hof aan dat het op grond van genoemde omstandigheden reden ziet om dezelfde straf op te leggen als de politierechter heeft gedaan en de advocaat-generaal heeft geëist. Uit de strafmotivering blijkt verder dat deze straf een gevangenisstraf van 30 dagen betreft. In de schriftuur wordt aangevoerd dat het hof, ook al wordt de eis van de advocaat-generaal genoemd, niet of onvoldoende tot uitdrukking heeft gebracht dat de oplegging van een vrijheidsstraf aan de verdachte nog tot een nadere afweging bij het hof heeft geleid. In de schriftuur wordt in dat kader opgemerkt dat, anders dan in een arrest van de Hoge Raad van 14 april 2020, in het arrest in de voorliggende zaak geen enkele keer het woord ‘gevangenisstraf’ of ‘vrijheidsbeneming’ voorkomt.
Conclusie
13. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
14. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191, r.o. 4.3.3.
HR 29 augustus 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6411, r.o. 4.1-4.3.
HR 6 juni 2017, ECLI:NL:2017:2138, r.o. 2.2-2.3 (niet gepubliceerd); HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2495, r.o. 3.2-3.3; HR 14 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:35, r.o. 2.1-2.2 en de bijbehorende conclusie van toenmalige advocaat-generaal Bleichrodt van 19 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1399, onder 4-8.
HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191, r.o. 4.1-4.3.4 en HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2852, r.o. 3.1-3.3.3.
HR 3 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4994, r.o. 5.2-5.3.
HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2196, r.o. 2.2-2.3.
Conclusie
HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:630.
HR 3 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4994, r.o. 5.2-5.3.
HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:630, r.o. 2. Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee van 3 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:146, onder 4 en 8-11.