Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-10-15
ECLI:NL:PHR:2024:1043
Strafrecht
2,039 tokens
Conclusie
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte
I. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 18 oktober 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens "diefstal" en “opzetheling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week, met aftrek van het voorarrest.
Er bestaat samenhang met de zaak 23/04243. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte heeft A. Darrazi, advocaat te Tilburg, één middel van cassatie voorgesteld.
II. Het cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
4. Het middel behelst de klacht dat het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet heeft gemotiveerd in de zin van art. 359 Sv, althans heeft verzuimd in het arrest in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot afwijking van een daarover door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359 Sv. Door het hof zou in het geheel niet zijn gemotiveerd waarom in dit specifieke geval geen voorwaardelijke gevangenisstraf kon worden opgelegd.
De bewezenverklaring
5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“[feit 1]
hij op 12 april 2023 te Nijmegen meerdere winkelgoederen, die aan de Action toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om zich het wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 2.
hij in of omstreeks de periode 21 februari 2023 t/m 22 februari 2023 te Nijmegen, een laptop voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.”
De strafmotivering
6. Het hof heeft blijkens de (in cassatie voorhanden) ‘Aantekening van het mondeling arrest’ het volgende overwogen onder het kopje “Oplegging van straf en/of maatregel”:
“De hierna na te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het hof heeft bij zijn straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.”
7. In deze ‘Aantekening van het mondeling arrest’ ontbreekt het vervolg wat betreft de strafmotivering.
Het verweer van de verdediging
8. Uit het proces-verbaal van ’s hofs terechtzitting van 18 oktober 2023 blijkt dat de raadsvrouw namens de verdachte overeenkomstig haar pleitnota het volgende heeft aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de strafoplegging:
“Persoonlijke omstandigheden
8. Grootedelachtbare voorzitter, Grootedelachtbare college, indien en voor zover Uw College
komt tot een bewezenverklaring en een strafoplegging, dan verzoekt de verdediging u om
rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van cliënt.
9. Cliënt is vanuit Oekraïne gevlucht naar Nederland en verblijft in een asielzoekerscentrum.
Hij heeft een asielverzoek ingediend, maar deze is tot op heden niet ingewilligd. Daarnaast
heeft cliënt te kennen gegeven Nederland te willen verlaten en terug te keren naar zijn land
van herkomst om daar een toekomst op te bouwen.
10. Cliënt heeft in deze zaak 2 dagen gezeten en gelet op het feit dat hij wenst terug te keren
naar zijn land van herkomst verzoek ik u om een straf conform het voorarrest aangevuld
met een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Conclusie
11. Grootedelachtbaar voorzitter, Edelachtbaar college, primair verzoek ik u om cliënt ten aanzien van feit 2 te ontslaan van alle rechtsvervolging.
12. Subsidiair verzoekt de verdediging Uw College om, in het geval van oplegging van een straf, een gevangenisstraf conform het voorarrest aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.”
Het juridisch kader
9. Art. 359 Sv, dat ingevolge art. 415 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is verklaard, luidt voor zover hier van belang als volgt:
“[…]
Dictum
[…]
5. Het vonnis geeft in het bijzonder de redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid.
6. Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsbeneming medebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid. Het vonnis geeft voorts zoveel mogelijk de omstandigheden aan, waarop bij de vaststelling van de duur van de straf is gelet. Het vonnis vermeldt welk gedeelte van een opgelegde vrijheidsstraf, gelet op de mogelijkheid van deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire Beginselenwet of de voorwaardelijke invrijheidstelling, bedoeld in artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht, in ieder geval ten uitvoer wordt gelegd.”
10. In het arrest van 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, NJ 2023/129, m.nt. Ten Voorde heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat in art. 359 leden 5 en 6 Sv enkele motiveringsvoorschriften zijn neergelegd die de rechter ambtshalve bij de oplegging van een straf in acht moet nemen en dat de grote vrijheid die de feitenrechter bij de beslissing over de strafoplegging die is afgestemd op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de persoon van de verdachte en alle overige betrokken belangen ook de verantwoordelijkheid van de feitenrechter meebrengt om – met het oog op de begrijpelijkheid en de aanvaardbaarheid van de strafoplegging en mede in reactie op wat ter terechtzitting naar voren is gebracht over de strafoplegging – inzicht te bieden in de beweegredenen die in het concrete geval hebben geleid tot de opgelegde straf. Uit HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2202 volgt dat in geval van oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enkele verwijzing naar de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de verdachte geen opgave van de redenen bevat die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en dus niet een genoegzame motivering als bedoeld in art. 359 lid 6 Sv oplevert.
De bespreking van het middel
11. Voor zover het middel klaagt dat het hof niet begrijpelijk of onvoldoende heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging ten aanzien van de strafoplegging mist het feitelijke grondslag. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 tweede volzin Sv is in het, hierboven weergegeven, betoog van de raadsvrouw over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen sprake.
12. Voor zover het middel klaagt dat het hof de oplegging van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet heeft gemotiveerd overeenkomstig het bepaalde in art. 359 lid 6 Sv is het terecht voorgesteld.
III. Slotsom
13. Het middel slaagt.
14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de betreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Vgl. ook HR 29 augustus 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6411.