Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2023-03-21
ECLI:NL:PHR:2023:329
Strafrecht
2,634 tokens
Conclusie
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte
1Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is op 19 augustus 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een op tegenspraak gewezen vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 27 juni 2019. Naar het oordeel van het hof heeft de niet ter zitting van het hof verschenen verdachte geen bezwaren opgegeven tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof ziet zelf ook geen noodzaak tot een inhoudelijke behandeling van de zaak.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. T. Straten en I.T.H.L. van de Bergh, beiden advocaat te Maastricht, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
2Het middel
2.1
In het middel wordt geklaagd dat het hof het aanhoudingsverzoek van de raadsman heeft afgewezen “vanwege het ontbreken van een nadere onderbouwing van dat verzoek, terwijl dat oordeel ontoereikend gemotiveerd is. Voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat niet is voldaan aan de eis dat een concrete omstandigheid moet worden aangevoerd die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk, aangezien uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de raadsman het aanhoudingsverzoek heeft ingediend omdat hij (de verdachte) vlak voorafgaand aan de zitting pas voor het eerst heeft gesproken. Indien er volgens het hof wel een concrete omstandigheid aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd, is het oordeel ontoereikend gemotiveerd, aangezien uit de motivering niet blijkt dat het hof een afweging heeft gemaakt tussen alle betrokken belangen, terwijl het hof ook niet is ingegaan op hetgeen aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd”.
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:
“De griffier heeft op verzoek van de voorzitter om 11.30 uur, het aanvangstijdstip van de zitting, telefonisch contact gezocht met de raadsman van verdachte, welke oproep onbeantwoord is gebleven. Hierop heeft de griffier telefonisch contact gezocht met het kantoor van de raadsman. Een medewerker van het kantoor gaf aan dat mr. A.L. Rinsma op vakantie is en derhalve niet ter zitting zal verschijnen. De zaak zou worden waargenomen door zijn kantoorgenoot mr. M.H.A. Horsch (hierna: mr. Horsch), waarop de griffier is doorverbonden met mr. Horsch. Door mr. Horsch is aan de griffier medegedeeld, dat hij zijn cliënt niet heeft kunnen spreken en dat hij niet was gemachtigd om de verdediging te voeren. Mr. Horsch gaf aan dat hij zijn cliënt evenwel net telefonisch heeft gesproken en dat zijn cliënt heeft aangegeven dat hij gebruik wenst te maken van zijn aanwezigheidsrecht in het bijzijn van zijn raadsman. Tevens gaf mr. Horsch aan dat hij per e-mail een aanhoudingsverzoek zal doen.
De voorzitter merkt op dat mr. Horsch inderdaad zojuist, heden om 11:33 uur, per e-mail een aanhoudingsverzoek heeft ingediend. Deze e-mail is als bijlage aan dit proces-verbaal gehecht. Mr. Horsch geeft in deze e-mail aan dat hij voor het eerst heden contact met zijn cliënt heeft kunnen krijgen en zijn cliënt hem heeft laten weten dat hij gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht.
(…)
Het hof onderbreekt het onderzoek voor beraad.
Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter de beslissing van het hof mede:
Het door mr. Horsch ingediende aanhoudingsverzoek zal worden afgewezen, vanwege het ontbreken van een nadere onderbouwing van het verzoek. Het is het hof niet gebleken waarom de verdachte vandaag niet ter terechtzitting aanwezig kon zijn. Tevens leidt het hof uit de inhoud van het aanhoudingsverzoek af dat mr. Horsch niet van plan was om heden ter zitting te verschijnen.
Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”
2.3
Voorop staat dat de verdachte of zijn raadsman bij een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting concreet de omstandigheid moet aanvoeren die aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag ligt. Indien zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen. Als zo’n omstandigheid wel wordt aangevoerd, dient de rechter bij de beoordeling van het aanhoudingsverzoek vrijwel altijd een afweging te maken tussen het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in art. 6 lid 3, aanhef en onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich bij zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en het belang van de verdachte en/of de samenleving bij een doeltreffende en spoedige berechting. “Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.” Wanneer de rechter de aan een verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk acht, kan hij het aanhoudingsverzoek afwijzen zonder dat hij de zojuist bedoelde belangenafweging heeft gemaakt. Uit de jurisprudentie blijkt dat de rechter dat ‘niet aannemelijkheidsoordeel’ niet te snel mag vellen. In de regel zal hij de verzoeker eerst in de gelegenheid moeten stellen de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde omstandigheid nader te onderbouwen. Die gelegenheid hoeft de rechter de verzoeker niet te bieden wanneer hij van oordeel is dat de aangevoerde omstandigheid van geen betekenis is voor de voorgeschreven belangenafweging.
2.4
In de onderhavige zaak heeft het hof het per mail gedane aanhoudingsverzoek van de raadsman van de verdachte – welk verzoek was gericht op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte – “vanwege het ontbreken van een nadere onderbouwing van het verzoek” afgewezen. Kennelijk is het hof van oordeel dat de door de raadsman van de verdachte aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde omstandigheden (i) dat hij niet eerder in contact kon komen met de verdachte, (ii) dat hij de verdachte pas vlak voor de terechtzitting voor het eerst telefonisch heeft gesproken en (iii) dat de verdachte toen heeft aangegeven dat hij graag gebruik wilde maken van zijn aanwezigheidsrecht, niet als voldoende onderbouwing van het aanhoudingsverzoek kunnen gelden. Met de stellers van het middel meen ik dat dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk is. Mogelijk heeft het hof beoogd dat oordeel te verduidelijken met de – aansluitende – zinsnede dat “het hof niet (is) gebleken waarom de verdachte vandaag niet ter terechtzitting aanwezig kon zijn”. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat het hof van oordeel is dat alleen omstandigheden die de verdachte hebben verhinderd ter terechtzitting te verschijnen, als onderbouwing van een aanhoudingsverzoek kunnen gelden. Als dat zo is, dan was het (wellicht) beter geweest dat het hof bij de afwijzing van het aanhoudingsverzoek had overwogen dat het verzoek niet onderbouwd was in plaats van te overwegen dat een ‘nadere onderbouwing van het verzoek ontbreekt’.
2.5
Wanneer in het kader van de beoordeling van het aanhoudingsverzoek, de vraag waarom de verdachte niet op de zitting van het hof is komen opdagen, cruciaal is, had het op de weg van het hof gelegen de raadsman daar – telefonisch of per mail – naar te vragen. Dat is echter niet gebeurd. Bovendien had het dan voor de hand gelegen dat het hof had vastgesteld wanneer de verdachte op de hoogte was geraakt van de zittingsdatum.
Conclusie
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1896, rov. 2.3.
Vgl. onder meer HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737, NJ 2020/230, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.5 en HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1896, rov. 2.3.
Zie naast de in de vorige noten genoemde arresten onder meer ook HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, NJ 2019/285, m.nt. P.A.M. Mevis, HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:769, NJ 2020/229, m.nt. P.A.M. Mevis en HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1172.
Wellicht heeft het hof zich laten inspireren door HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1172. Ook in die zaak was de verdachte niet ter terechtzitting verschenen, maar anders dan in de onderhavige zaak, de door hem bepaaldelijk gemachtigd raadsman wel. Deze raadsman had verzocht om aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting omdat de verdachte hem eerder had laten weten dat hij bij de behandeling van zijn zaak aanwezig wilde zijn. De raadsman kon niet zeggen waarom zijn cliënt niet op zitting was verschenen. Anders dan in de onderhavige zaak had het hof in die zaak bovendien geconstateerd dat de verdachte wel van de zitting wist. Het hof wijst, gehoord de advocaat-generaal, het aanhoudingsverzoek af omdat door de raadsman “geen gronden zijn aangegeven (…) die tot toewijzing van het aanhoudingsverzoek dienen te leiden”. In cassatie overweegt de Hoge Raad dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is “(i)n aanmerking genomen dat de raadsman uitsluitend heeft gesteld dat hij niet weet waarom de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen”.
Vgl. HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:79, NJ 2020/83, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.4. Vgl. ook de conclusie van Hofstee voor HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:505 (HR: art. 81.1 RO), onder 13.