Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2021-04-20
ECLI:NL:PHR:2021:595
Strafrecht
680 tokens
=== CONCLUSIE ===
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
hierna: de betrokkene.
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 20 maart 2019 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 171.659,46 en de verplichting tot betaling aan de staat op nihil gesteld.
2. Er bestaat samenhang met de strafzaak tegen de betrokkene (19/01690). In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht heeft in de ontnemingszaak het standpunt ingenomen dat het arrest in de ontnemingszaak dient te worden vernietigd aangezien de veroordeling in de strafzaak niet in stand kan blijven.
4. Voor zover hetgeen in de schriftuur wordt aangevoerd met betrekking tot de ontnemingszaak al is aan te merken als een middel, voldoet het niet aan de eisen die aan een cassatiemiddel worden gesteld. Het is vaste rechtspraak dat een cassatiemiddel een stellige en duidelijke klacht betreft over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. In een ontnemingszaak kan derhalve niet worden aangevoerd dat eventuele gebreken in de hoofdzaak noodzakelijkerwijs moeten leiden tot cassatie in de ontnemingszaak. In dat geval moet het voorschrift van artikel 557 lid 4 Sv (oud) jo artikel 511i Sv uitkomst bieden. Het namens de betrokkene aangevoerde is niet aan te merken als een middel van cassatie als bedoeld in de wet.
5. Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van artikel 437 lid 2, in verbinding met artikel 511h Sv, niet in acht genomen, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de betrokkene niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Vgl. HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2434; HR 10 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2881, en HR 17 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1348. Zie ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 179.
Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt van 27 januari 2015 bij HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:512 (ECLI:NL:PHR:2015:143, onder 4).
Sinds 1 januari 2020: art. 6:1:16 lid 2 Sv.