Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2015-04-21
ECLI:NL:PHR:2015:830
Strafrecht
1,995 tokens
=== CONCLUSIE ===
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte bij arrest van 3 december 2013 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel
4.1. Het middel klaagt over de (motivering van de) beslissing om verdachte niet ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep.
4.2. Voordat ik inga op de beslissing van het Hof schets ik eerst kort de voorgeschiedenis. De Rechtbank Amsterdam heeft verdachte bij vonnis van 31 augustus 2012 wegens “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand met aftrek van voorarrest. De Rechtbank heeft tevens de gevangenhouding van verdachte bevolen. Het gaat hier om een poging tot zakkenrollen.
4.3. Blijkens de tot het dossier behorende “akte instellen rechtsmiddel” heeft mr. R.I. Takens namens de verdachte op 31 augustus 2012, derhalve tijdig, hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank Amsterdam.
4.4. De raadsman van verdachte heeft bij appelschriftuur van 3 september 2012 een aantal grieven aangevoerd die betrekking hadden op de bewezenverklaring en de strafmaat. Voorts is in die appelschriftuur verzocht om een aantal – met naam en toenaam genoemde – getuigen te horen.
4.5. Op de zitting in hoger beroep van 1 augustus 2013 is de verdachte niet verschenen. Zijn raadsman is toen wél verschenen en heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij door verdachte uitdrukkelijk was gemachtigd om als advocaat de verdachte te verdedigen. In het proces-verbaal van de zitting van 1 augustus wordt gerefereerd aan de namens de verdachte ingediende appelschriftuur van 3 september 2012 en is besproken hoe het horen van de daarin opgegeven getuigen gerealiseerd zou kunnen worden. Aan het eind van de zitting van 1 augustus 2013 deelde de voorzitter als beslissing van het Hof mede dat het onderzoek zou worden geschorst voor onbepaalde tijd met bevel tot oproeping van de verdachte en de raadsman tegen het nader te bepalen tijdstip.
4.6. De zaak is vervolgens op 3 december 2013 hervat. De oproeping van de verdachte voor die zitting van 3 december 2013 is op 19 november 2011 aan de griffier van de Rechtbank te Amsterdam uitgereikt. Een afschrift van deze oproeping is op 20 november 2013 aan de raadsman van de verdachte verstrekt. Op die oproeping van de verdachte staat met grote letters “regie” gestempeld.
4.7. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 3 december 2013 is de verdachte toen niet verschenen en zijn raadsman evenmin. Het proces-verbaal van die zitting vermeldt voorts - voor zover hier van belang - het volgende:
“De voorzitter merkt op dat de oproeping van de verdachte voor de regiezitting op 19 november 2013 aan de griffier van de rechtbank is uitgereikt. De verdachte heeft geen vaste woon- en verblijfplaats in Nederland. De voorzitter merkt op dat de verdachte in zijn eerste verhoor bij de politie als postadres heeft opgegeven de [a-straat 1] te Amsterdam. In eerste aanleg is de verdachte gedagvaard op dit adres. Deze akte is destijds niet uitgereikt omdat de in de adressering aangegeven woning niet zou bestaan.
De advocaat-generaal merkt op dat zij een faxbericht van de raadsman van de verdachte gedateerd 3 december 2013 heeft ontvangen. De raadsman van de verdachte deelt in deze brief mede dat zijn cliënt recent geen contact meer met hem heeft opgenomen en dat hij zich derhalve niet gemachtigd voelt om ter terechtzitting te verschijnen en namens zijn cliënt het woord te voeren. De raadsman laat weten dat indien zijn cliënt wel ter terechtzitting verschijnt hij bereid is hem verder bij te staan.
Desgevraagd vordert de advocaat-generaal niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep, omdat noch de verdachte noch de raadsman zijn verschenen en daarmee te kennen geven geen belang meer te hebben bij een verdere behandeling van het hoger beroep. Andere redenen om de behandeling voort te zetten doen zich niet voor, aldus de advocaat-generaal.”
4.8. In het bestreden arrest van 3 december 2013 heeft het Hof eerst het procesverloop in hoger beroep weergegeven. Vervolgens heeft het ten aanzien van de ontvankelijkheid van de verdachte in het ingestelde hoger beroep als volgt overwogen:
“De verdachte heeft zonder enig bericht van verhindering verstek laten gaan, terwijl hij wist, althans kon weten van de onderhavige zitting. Evenmin heeft hij contact opgenomen met zijn raadsman. Deze laatste heeft zich voorts niet langer gemachtigd geacht en is om die reden niet verschenen. Verder weegt mee dat tijdens de onderhavige zitting de verdachte en zijn raadsman gehoord moesten worden over voor de voortgang van het proces van belang zijnde kwesties die samenhingen met verzoeken van de verdediging; het hof zou daarover beslissingen moeten nemen. Gezien het belang hiervan maakt het in dit geval niet uit of het om een regiezitting of een inhoudelijke zitting zou gaan: gezien de aard van hetgeen zou worden behandeld mocht van verdachte en zijn raadsman een actieve proceshouding worden verwacht. Niettemin is er niemand ter terechtzitting verschenen en er is evenmin een verzoek tot aanhouding gedaan. Bij deze stand van zaken kan het hof slechts de conclusie trekken dat de verdediging bij voortzetting van de behandeling in hoger beroep geen belang meer heeft. In dat licht behoeft niet meer op de verzoeken van de verdediging te worden beslist.
Bij het oordeel van het hof heeft daarnaast nog een rol gespeeld dat de verdachte geen bekende woon- of verblijfplaats heeft. Hij is niet bekend bij het GBA en heeft overigens een adres opgegeven - [a-straat 1] te Amsterdam - dat blijkens opgave van de postbezorger niet bestaat. Dat betekent dat nu ook de raadsman het contact met zijn cliënt kwijt is er geen enkele kans bestaat dat de verdachte van een eventuele voortzetting van de zaak op de hoogte zou komen.
Het hof heeft tenslotte de vraag onder ogen gezien of het ingekomen faxbericht van de raadsman dient te worden aangemerkt als een onttrekking aan de verdediging van de verdachte en of er voor het hof dan redenen zouden zijn om ambtshalve tot toevoeging van een andere raadsman of raadsvrouw aan de verdachte over te gaan. Het hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord. De mededeling van de raadsman dat hij niet ter terechtzitting zal verschijnen maar bereid is zijn bijstand aan de verdachte voort te zetten indien deze dat wenst houdt niet het eindigen van de toevoegingsrelatie in, zodat voor ambtshalve optreden van het hof geen aanleiding is.
Bij het verder ontbreken van een rechtens te respecteren belang bij voortzetting van het hoger beroep zal het hof de verdachte daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren.”
4.9. Het middel richt zich, als gezegd, tegen deze beslissing. Volgens de steller van het middel is de beslissing gebaseerd op gronden die de beslissing niet kunnen dragen.
4.10. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende voorop te worden gesteld. Art. 416 lid 2 Sv geeft de appelrechter de bevoegdheid om het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren indien de verdachte geen appelschriftuur heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven. Van belang is voorts dat intrekking van een ingesteld hoger beroep niet mogelijk is als het onderzoek op de terechtzitting reeds is aangevangen. Wel kan dan een met intrekking vergelijkbaar effect worden bewerkstelligd door toepassing van art. 416 lid 2 Sv. De Hoge Raad heeft namelijk het niet handhaven van opgegeven bezwaren voor de toepassing van genoemd artikellid gelijkgesteld met het niet (bij appelschriftuur of mondeling) opgeven van bezwaren.
4.11.