Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2014-03-11
ECLI:NL:PHR:2014:419
Strafrecht
23,152 tokens
Conclusie
[verdachte]
Verdachte is bij arrest van 26 maart 2012 door het Gerechtshof te Amsterdam wegens onder 1 ‘valsheid in geschrift, meermalen gepleegd’, en ‘opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd’, en ‘oplichting, meermalen gepleegd’ en ‘poging tot oplichting’, en onder 2 ‘witwassen’, veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij ABN AMRO Bank N.V. toegewezen voor een bedrag van € 115.000,- in combinatie met de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr te vervangen door 365 dagen hechtenis. Het hof heeft in zijn arrest ook nog beslissingen genomen inzake inbeslaggenomen voorwerpen.
Mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte tien middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel klaagt dat het hof de afwijzing van een aanhoudingsverzoek om stukken aan het dossier toe te voegen niet op grond van de juiste maatstaf heeft afgewezen dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd.
Bij de beoordeling van het middel wil ik vooropstellen dat ter terechtzitting strikt genomen alleen het verzoek is gedaan om aanhouding van de zaak. Dit verzoek is weliswaar in verband gebracht met het ontbreken van stukken, maar een uitdrukkelijk en geconcretiseerd verzoek om stukken aan het dossier toe te voegen, is niet gedaan
.
Desalniettemin heeft het hof dit verzoek klaarblijkelijk (ook) opgevat als een verzoek stukken aan het dossier toe te voegen. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 mei 2012 houdt hierover het volgende in:
‘De raadsman van de verdachte doet een verzoek tot aanhouding van de zaak. Hij voert daartoe aan dat uit het dossier niet blijkt welke interne processen bij de bank worden gevolgd en voorts dat brondocumenten niet in het dossier aanwezig zijn.
De advocaat-generaal verzet zich tegen de inwilliging van het verzoek.
Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissingen van het hof mede:
- dat het verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak wordt afgewezen. Het hof overweegt daartoe dat bij een afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het belang dat de verdachte heeft bij aanhouding, het belang dat de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging, de twee laatstgenoemde belangen dienen te prefereren. Het hof heeft hierbij in het bijzonder in ogenschouw genomen dat het verzoek weinig specifiek is en dat het hof- voor zover de brondocumenten zich niet in het dossier bevinden en voor zover uit het dossier niet blijkt hoe de interne processen bij de bank zijn geregeld - de aanvulling van het dossier zoals verzocht niet van belang acht voor enig te nemen beslissing in het kader van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.’
6. De maatstaf voor de beoordeling van het ter terechtzitting van het hof gedane verzoek om stukken toe te voegen aan het dossier moet zijn of de noodzaak daarvan is gebleken. Op grond van de jurisprudentie dient de rechter daarbij te toetsen (a) of de inhoud van de verzochte stukken redelijkerwijs van belang kunnen zijn hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin; (b) of die inhoud redelijkerwijs van belang zou kunnen zijn voor enige in de onderhavige strafzaak door het hof te nemen beslissing.
7. De raadsman heeft in het kader van zijn verzoek om aanhouding niet aangegeven op welke wijze de “interne processen bij de bank” dan wel “de brondocumenten” van belang zouden kunnen zijn, hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin noch op welke wijze de inhoud van deze stukken redelijkerwijze van belang zou kunnen zijn voor enige in de onderhavige strafzaak door het hof te nemen beslissing. Het verzoek is zacht uitgedrukt ‘weinig specifiek’.
8. In het oordeel van het hof, dat de aanvulling van het dossier zoals verzocht niet van belang acht voor enig te nemen beslissing in het kader van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering, ligt mijns inziens besloten dat de inhoud van de stukken redelijkerwijs niet van belang zou kunnen zijn voor enige in de onderhavige strafzaak door het hof te nemen beslissing. Gelet op de summiere toelichting die de raadsman aan het verzoek om aanhouding ten grondslag heeft gelegd, acht ik het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.
9. Het middel faalt.
10. Het tweede middel klaagt over de geldigheid van de inleidende dagvaarding voor wat betreft feit 1 onderdeel 2.
11. Aan de verdachte is als feit 1 onderdeel 2 ten laste gelegd dat
‘hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 oktober 2002 tot en met 24 december 2008 te Amsterdam, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van één of meer vals(e) en/of vervalst(e) formulieren voor en/of ten behoeve van kredietaanvragen (onder meer Flexibel Kredietcontract en/of een formulier ten behoeve van de toets van Bureau Krediet Registratie) - zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen -, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte dat/die formulier(en) heeft aangeboden aan (de afdeling Kredietverschaffing van) ABN-AMRO en/of Geldshop.nl en/of InterBank en/of Bureau Krediet Registratie, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/deze geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst’.
12. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 1 onderdeel 2 bewezen verklaard dat:
‘hij op tijdstippen in de periode van 29 oktober 2002 tot en met 24 december 2008 te Amsterdam meermalen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse formulieren ten behoeve van kredietaanvragen - zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte die formulieren heeft aangeboden aan (de afdeling Kredietverschaffing van) ABN-AMRO en InterBank, terwijl hij wist dat deze geschriften bestemd waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst’.
13. Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsman van de verdachte aangevoerd dat dit onderdeel van de tenlastelegging nietig moet worden verklaard en daarbij verwezen naar de nietigverklaring ervan door de rechtbank. De rechtbank heeft de tenlastelegging voor wat betreft feit 1 onderdeel 2 nietig verklaard en daarbij het volgende overwogen:
‘Mede gezien de summiere feitelijke omschrijving van de wijze van gebruik maken van deze formulieren is onvoldoende duidelijk op welke valse of vervalste formulieren de opsteller van de tenlastelegging met dit onderdeel doelt.’
14. Het hof heeft het verweer verworpen en daartoe in zijn arrest het volgende overwogen:
‘Bij het antwoord op de vraag of de dagvaarding voldoet aan de wettelijke vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) staat centraal of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging – tegen de achtergrond van het dossier – goed kan verdedigen. Bij de beoordeling van een nietigheidsverweer ten aanzien van de dagvaarding speelt voorts de vraag of bij de verdachte bij kennisneming van het strafdossier redelijkerwijs twijfel kan bestaan welke specifieke gedragingen hem worden verweten (vgl. HR 14 november 2000, 2001, 18).
In het eerste deel van feit 1 is de verdachte tenlastegelegd het valselijk opmaken/vervalsen van formulieren ten behoeve van kredietaanvragen en BKR-toetsingen. Deze formulieren worden voldoende nauwkeurig omschreven en zijn te herleiden tot formulieren die zich in het politiedossier bevinden (zie bijvoorbeeld ordner 1, blz. 142 ev.).
In het tweede deel van feit 1 - en dienaangaande het verweer - wordt de verdachte verweten dat hij gebruik heeft gemaakt van deze valse/vervalste formulieren ten behoeve van de kredietaanvragen.
Beoordeling
Fase: afwijzen.’
36. Hieruit heeft het hof kennelijk opgemaakt dat het formulier bij InterBank is ingediend en dat is getracht InterBank te bewegen tot het aangaan van een schuld bestaande uit een consumptief krediet. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk zodat ook deze klacht faalt.
37. Het vijfde en het zesde middel falen in alle onderdelen.
38. Het zevende middel klaagt dat het hof het onder 2 bewezen verklaarde feit ten onrechte als witwassen heeft gekwalificeerd.
39. Het hof heeft onder 2 ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat
‘hij in de periode van 29 oktober 2002 tot en met 18 mei 2009, te Amsterdam, althans in Nederland, een geldbedrag heeft voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dat bedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf’.
40. Uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte voor zichzelf en/of voor zijn echtgenote consumptief krediet heeft aangevraagd en verkregen bij zijn werkgever ABN Amro N.V. en/of een dochtermaatschappij InterBank – overigens zonder dat zijn echtgenote daarvan iets wist. In hoeverre dat krediet is opgenomen kan uit de gebruikte bewijsmiddelen niet volgen. Evenmin wat met de geldbedragen is gedaan. Een nadere overweging heeft het hof niet aan de kwalificatie van het bewezen verklaarde als witwassen gewijd.
41. Het geldbedrag dat de verdachte voorhanden heeft gehad en zou hebben witgewassen is afkomstig uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, te weten de onder 1 ten laste van hem bewezen verklaarde valsheid in geschrift, gebruik maken van een vervalst geschrift en oplichting. In het middel wordt terecht aangevoerd dat noch uit de gebruikte bewijsmiddelen noch uit de motivering (die immers ontbreekt) kan worden afgeleid dat de verdachte het geld niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld.
42. Uit het arrest van de Hoge Raad van 8 januari 2013 volgt dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd. Daarom moet de rechter in zijn motivering duidelijk maken welke gedragingen van de verdachte daarnaast gericht zijn geweest op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. De ratio van deze nadere motiveringseis, die in situaties als de onderhavige aan de witwaskwalificatie wordt gesteld, is te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen onder zich heeft (gehad), zich ook automatisch schuldig maakt aan (schuld)witwassen.
43. Uit de door het hof gebezigde bewijsvoering volgt rechtstreeks dat het geldbedrag afkomstig is uit door de verdachte zelf begane misdrijven. Het hof had daarom niet zonder nadere motivering tot de kwalificatie van witwassen kunnen komen.
44. Het middel slaagt.
45. Het achtste middel klaagt dat de strafoplegging onbegrijpelijk althans onvoldoende met redenen omkleed is doordat het hof met betrekking tot de onder 1 ten laste van de verdachte bewezen verklaarde feiten ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 55 althans 56 Sr.
46. Het hof heeft de onder 1, eerste, derde en vierde onderdeel, bewezen verklaarde feiten gekwalificeerd als valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, oplichting, meermalen gepleegd en poging tot oplichting. Het onder 1, tweede onderdeel, bewezen verklaarde feit heeft het hof gekwalificeerd als het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, meermalen gepleegd.
47. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat steeds sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in art. 55 Sr en minst genomen van een voortgezette handeling als bedoeld in art. 56 Sr. In zijn arrest heeft het hof evenwel, slechts art. 57 Sr aangehaald.
48. De toelichting op het middel ziet eraan voorbij dat het hof het onder 1, derde en vijfde onderdeel, bewezen verklaarde feit heeft gekwalificeerd als oplichting, meermalen gepleegd. Alleen al daarom is er sprake van meerdaadse samenloop als bedoeld in art. 57 Sr.
49. Overigens ontgaat mij wat het belang van verdachte bij de klacht is, gelet op de hoogte van de aan hem opgelegde gevangenisstraf, namelijk negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk. Op valsheid in geschrift, de strafbepaling die volgens art. 55 en 56 Sr ingeval van eendaadse samenloop respectievelijk voortgezette handeling zou moeten worden toegepast, is een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren gesteld.
50. Het middel faalt.
51. Het negende middel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering van de benadeelde partij omdat het hof ‘niet heeft kunnen vaststellen dat een in eerste aanleg overgelegde volmacht aan de wettelijke eisen voldeed en derhalve of de benadeelde “…”’. In een fax-brief van 30 januari 2013 heeft mr. Jebbink als toelichting op de schriftuur geschreven dat op de plaats van ‘…’ gelezen dient te worden ‘partij op de wettelijk voorgeschreven wijze is vertegenwoordigd’. Op een dergelijke aanvulling van de schriftuur kan geen acht worden geslagen nu deze bij de griffie van de Hoge Raad is ingekomen buiten de termijn die voor het indienen van een schriftuur was gesteld.
52. De klacht sluit gedeeltelijk aan bij hetgeen de raadsman van de verdachte ter terechtzitting van het hof van 12 maart 2012 heeft aangevoerd in verband met de vordering van de benadeelde partij en heeft (overwegend) betrekking op de machtiging die in eerste aanleg door [betrokkene 4] is overgelegd, terwijl het hof hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd, heeft betrokken op de in hoger beroep door [betrokkene 5] overgelegde machtiging, waarin wordt verklaard dat [betrokkene 4] destijds (in eerste aanleg) bevoegd was ABN AMRO Bank te vertegenwoordigen.
53. De ter terechtzitting overgelegde pleitnotitie, die deel uitmaakt van het proces-verbaal, houdt hierover het volgende in:
‘Indien U de verdediging volgt met betrekking tot het ten laste gelegde en cliënt vrijspreekt dan volgt afwijzing van de vordering op grond hiervan. Anders verzoek ik u de vordering af te wijzen, daar er geen schriftelijke machtiging is bijgevoegd.’
54. In zijn arrest heeft het hof als volgt het verweer samengevat en verworpen:
‘Door de raadsman van de verdachte is het verweer gevoerd dat de vordering van de ABN-AMRO bank N.V. moet worden afgewezen nu volgens de raadsman de volmacht van [betrokkene 5] ontoereikend is, nu de gevolmachtigde zijn bevoegdheid slechts gezamenlijk met een tweede gevolmachtigde kan uitoefenen, waarvan in casu niet blijkt.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
In eerste aanleg is op 16 juni 2009 een voegingsformulier ingekomen van ABN AMRO Bank, ondertekend door [betrokkene 4]. Ter terechtzitting in eerste aanleg op 27 mei 2010 is genoemde [betrokkene 4] verschenen en heeft hij verklaard gevolmachtigde van de ABN AMRO te zijn en daartoe een volmacht overgelegd. Deze volmacht bevindt zich niet in het dossier maar hiervan blijkt wel uit het vonnis van de rechtbank en, zij het slechts indirect, uit het proces-verbaal van die zitting. Op 9 maart 2012 is bij het hof ingekomen een brief van [betrokkene 5] die verklaart dat genoemde [betrokkene 4] destijds bevoegd was de ABN AMRO Bank te vertegenwoordigen. Als bijlage bij deze brief is een volmacht aangehecht waaruit blijkt dat [betrokkene 5] tezamen met een ander bevoegd is de ABN AMRO Bank te vertegenwoordigen.
Het hof overweegt dat gelet op het bovenstaande voldoende is komen vast te staan dat de ABN AMRO Bank zich als benadeelde partij heeft willen voegen.’
55. Zoals ik hiervoor onder 52. al opmerkte richt het middel zich niet tegen de in hoger beroep overgelegde volmacht van [betrokkene 5] maar tegen het oordeel van het hof inzake de door [betrokkene 4] in eerste aanleg overgelegde volmacht.
Beoordeling
72. De toelichting op het middel bevat nog de klacht dat de data niet zonder meer begrijpelijk zijn ‘mede gelet op de – naar algemene ervaringsregels aannemelijke – verplichting jegens ABN Amro Bank N.V. van de begunstigde tot het voldoen van rente over verstrekt krediet’. Mij is niet duidelijk wat deze klacht precies inhoudt. Misschien is ermee bedoeld dat de verdachte al rente aan de bank moet vergoeden over het geld dat hij op grond van het doorlopend krediet heeft opgenomen en dat hij het onredelijk vindt daar bovenop nog eens in het kader van de betalingsmaatregel wettelijke rente te moeten vergoeden. Dat is evenwel een rechtsvraag die in het middel niet aan de orde wordt gesteld. Het middel bevat slechts een motiveringsklacht, zodat de klacht al om die reden moet falen. De klacht is verder te weinig concreet geformuleerd om voor bespreking in aanmerking te komen.
73. Het middel is, voorzover het de ingangsdatum van de wettelijke rente aan de orde stelt terecht voorgesteld. De kennelijke misslag met betrekking tot de ingangsdatum van de wettelijke rente kan door de Hoge Raad worden hersteld.
74. Het zevende middel slaagt. De andere middelen falen. De middelen 1, 3, 4, 5, 6 en 8 kunnen worden afgedaan met de aan ar. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
75. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
76. Deze conclusie strekt:
tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover daarin is bepaald dat het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag van € 115.000,- wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2005, waarbij de Hoge Raad voor wat dit onderdeel betreft de zaak zelf kan afdoen door te bepalen dat het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 december 2008;
vernietiging van het bestreden arrest voorzover het de beslissing over feit 2 en de strafoplegging betreft en tot terugwijzing van de zaak teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan;
en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
HR 24 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8660, r.o. 2.4.; zie ook M.J.A. Duker, ‘Noodzaak en verdedigingsbelang: naar meer eenduidigheid’, DD 2008/3, 41.
HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4482, NJ 2012, 538 r.o. 2.4.
HR 24 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8660, r.o. 2.4.
Vgl. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4482, NJ 2012/538 r.o. 2.4 voor een voorbeeld waarbij de afwijzing van het verzoek zonder nadere motivering niet begrijpelijk was ‘terwijl volgens de pleitnotities de stukken met informatie uit de meldkamer van de politie met betrekking tot P. er kennelijk mede toe dienen de aannemelijkheid te toetsen van de feitelijke grondslag van een door de verdachte in te roepen strafuitsluitingsgrond’.
Duker (a.w. par. 1) bepleit de invulling van zowel het noodzakelijkheidscriterium als het verdedigingsbelangcriterium aan de hand van de maatstaf ‘of het verzochte relevant is voor beantwoording van de vragen van artikelen 348 en 350 Sv’.
‘V: Bent u bekend met de kredietsystemen van de bank?
A: Ja, het systeem heet KF (Konsumptief Krediet)
V: Hoe voert u een BKR toetsing uit?
A: Als je een nieuwe klant krijgt, moetje de naam of de postcode van de nieuwe klant intoetsen.
Het kredietsysteem doet dan de BKR toetsing vanzelf. Als de klant al in de administratie van de
bank voorkomt, kun je ook het ABN AMRO rekeningnummer intoetsen. Ook dan wordt de klant
getoetst door het systeem.
V: Moet de naam en de geboortedatum bij een BKR toetsing exact juist zijn?
A: Ja, als je de naam of de geboortedatum verkeerd invoert, herkent BKR de betreffende persoon
niet.’
Bewijsmiddel 5 ‘Ik leen mijn pas nimmer uit en ik ben de enige die mijn pincode weet. Ik laat nimmer anderen op mijn pas werken. Als ik van mijn werkplek ga, neem ik mijn pas altijd mee.’
HR 20 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8638, NJ 1991, 238 m.nt. Th.W. van Veen r.o. 5.2.-5.3.
Noyon/Langemeijer/Remmelink, art. 51, aant. 6.1. (suppl. 139, augustus 2007, A.J. Machielse) onder verwijzing in voetnoot 5 naar NJ 1991/238: ‘Als derde geldt ook een rechtspersoon, als de leidinghebbers deze via valsheid in geschrift benadelen. Hun wetenschap kan niet aan de rechtspersoon worden toegerekend.’
HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010, NJ 2010,655 m.nt. N. Keijzer; HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2009 r.o. 2.4.
HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6909, NJ 2013, 265 m.nt. M.J. Borgers.
HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014, 75, r.o. 2.4.2 en HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2002, NJ 2014, 77, m.nt. M.J. Borgers, r.o. 3.3.
Het volgende staat niet in het citaat, maar het hof verwijst naar:
‘VOLMACHT “3”
ABN AMRO Bank N.V. […] (de “Bank”) bevestigt hierbij namens de Raad van Bestuur van de Bank […] de benoeming van [betrokkene 5] als procuratiehouder van de Bank en houder van een volmacht “3” (de “Procuratiehouder”).
De procuratiehouder heeft een algemene volmacht om namens de Bank alle transacties aan te gaan die onderdeel vormen van alle activiteiten van de Bank, alle documenten te ondertekenen en alle handelingen en zaken uit te voeren die volgens de Procuratiehouder noodzakelijk zijn, daarmee verband houden of daartoe bevorderlijk zijn, evenwel altijd onder de voorwaarde dat de Procuratiehouder deze bevoegdheden dient uit te oefenen gezamenlijk met een andere houder van een volmacht “1”, “2”, “3”, “4” of “5”.’
HR 5 februari 2002, ECLI:NL:HR:2003:AD5371, r.o. 4.6.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 396.
J.B. Huizink, Rechtspersoon, vennootschap en onderneming, Deventer: Kluwer 2013, p. 224 nr. 143.
HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6214, NJ 2012, 351 r.o. 3.5.1.
Kredietnummers [003] à € 35.000; [005] à € 36.000; [004] à € 44.000.
HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:123, r.o. 3.5.
Conclusie
[verdachte]
Verdachte is bij arrest van 26 maart 2012 door het Gerechtshof te Amsterdam wegens onder 1 ‘valsheid in geschrift, meermalen gepleegd’, en ‘opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd’, en ‘oplichting, meermalen gepleegd’ en ‘poging tot oplichting’, en onder 2 ‘witwassen’, veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij ABN AMRO Bank N.V. toegewezen voor een bedrag van € 115.000,- in combinatie met de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr te vervangen door 365 dagen hechtenis. Het hof heeft in zijn arrest ook nog beslissingen genomen inzake inbeslaggenomen voorwerpen.
Mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte tien middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel klaagt dat het hof de afwijzing van een aanhoudingsverzoek om stukken aan het dossier toe te voegen niet op grond van de juiste maatstaf heeft afgewezen dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd.
Bij de beoordeling van het middel wil ik vooropstellen dat ter terechtzitting strikt genomen alleen het verzoek is gedaan om aanhouding van de zaak. Dit verzoek is weliswaar in verband gebracht met het ontbreken van stukken, maar een uitdrukkelijk en geconcretiseerd verzoek om stukken aan het dossier toe te voegen, is niet gedaan
.
Desalniettemin heeft het hof dit verzoek klaarblijkelijk (ook) opgevat als een verzoek stukken aan het dossier toe te voegen. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 mei 2012 houdt hierover het volgende in:
‘De raadsman van de verdachte doet een verzoek tot aanhouding van de zaak. Hij voert daartoe aan dat uit het dossier niet blijkt welke interne processen bij de bank worden gevolgd en voorts dat brondocumenten niet in het dossier aanwezig zijn.
De advocaat-generaal verzet zich tegen de inwilliging van het verzoek.
Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissingen van het hof mede:
- dat het verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak wordt afgewezen. Het hof overweegt daartoe dat bij een afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het belang dat de verdachte heeft bij aanhouding, het belang dat de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging, de twee laatstgenoemde belangen dienen te prefereren. Het hof heeft hierbij in het bijzonder in ogenschouw genomen dat het verzoek weinig specifiek is en dat het hof- voor zover de brondocumenten zich niet in het dossier bevinden en voor zover uit het dossier niet blijkt hoe de interne processen bij de bank zijn geregeld - de aanvulling van het dossier zoals verzocht niet van belang acht voor enig te nemen beslissing in het kader van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.’
6. De maatstaf voor de beoordeling van het ter terechtzitting van het hof gedane verzoek om stukken toe te voegen aan het dossier moet zijn of de noodzaak daarvan is gebleken. Op grond van de jurisprudentie dient de rechter daarbij te toetsen (a) of de inhoud van de verzochte stukken redelijkerwijs van belang kunnen zijn hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin; (b) of die inhoud redelijkerwijs van belang zou kunnen zijn voor enige in de onderhavige strafzaak door het hof te nemen beslissing.
7. De raadsman heeft in het kader van zijn verzoek om aanhouding niet aangegeven op welke wijze de “interne processen bij de bank” dan wel “de brondocumenten” van belang zouden kunnen zijn, hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin noch op welke wijze de inhoud van deze stukken redelijkerwijze van belang zou kunnen zijn voor enige in de onderhavige strafzaak door het hof te nemen beslissing. Het verzoek is zacht uitgedrukt ‘weinig specifiek’.
8. In het oordeel van het hof, dat de aanvulling van het dossier zoals verzocht niet van belang acht voor enig te nemen beslissing in het kader van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering, ligt mijns inziens besloten dat de inhoud van de stukken redelijkerwijs niet van belang zou kunnen zijn voor enige in de onderhavige strafzaak door het hof te nemen beslissing. Gelet op de summiere toelichting die de raadsman aan het verzoek om aanhouding ten grondslag heeft gelegd, acht ik het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.
9. Het middel faalt.
10. Het tweede middel klaagt over de geldigheid van de inleidende dagvaarding voor wat betreft feit 1 onderdeel 2.
11. Aan de verdachte is als feit 1 onderdeel 2 ten laste gelegd dat
‘hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 oktober 2002 tot en met 24 december 2008 te Amsterdam, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van één of meer vals(e) en/of vervalst(e) formulieren voor en/of ten behoeve van kredietaanvragen (onder meer Flexibel Kredietcontract en/of een formulier ten behoeve van de toets van Bureau Krediet Registratie) - zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen -, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte dat/die formulier(en) heeft aangeboden aan (de afdeling Kredietverschaffing van) ABN-AMRO en/of Geldshop.nl en/of InterBank en/of Bureau Krediet Registratie, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/deze geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst’.
12. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 1 onderdeel 2 bewezen verklaard dat:
‘hij op tijdstippen in de periode van 29 oktober 2002 tot en met 24 december 2008 te Amsterdam meermalen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse formulieren ten behoeve van kredietaanvragen - zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte die formulieren heeft aangeboden aan (de afdeling Kredietverschaffing van) ABN-AMRO en InterBank, terwijl hij wist dat deze geschriften bestemd waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst’.
13. Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsman van de verdachte aangevoerd dat dit onderdeel van de tenlastelegging nietig moet worden verklaard en daarbij verwezen naar de nietigverklaring ervan door de rechtbank. De rechtbank heeft de tenlastelegging voor wat betreft feit 1 onderdeel 2 nietig verklaard en daarbij het volgende overwogen:
‘Mede gezien de summiere feitelijke omschrijving van de wijze van gebruik maken van deze formulieren is onvoldoende duidelijk op welke valse of vervalste formulieren de opsteller van de tenlastelegging met dit onderdeel doelt.’
14. Het hof heeft het verweer verworpen en daartoe in zijn arrest het volgende overwogen:
‘Bij het antwoord op de vraag of de dagvaarding voldoet aan de wettelijke vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) staat centraal of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging – tegen de achtergrond van het dossier – goed kan verdedigen. Bij de beoordeling van een nietigheidsverweer ten aanzien van de dagvaarding speelt voorts de vraag of bij de verdachte bij kennisneming van het strafdossier redelijkerwijs twijfel kan bestaan welke specifieke gedragingen hem worden verweten (vgl. HR 14 november 2000, 2001, 18).
In het eerste deel van feit 1 is de verdachte tenlastegelegd het valselijk opmaken/vervalsen van formulieren ten behoeve van kredietaanvragen en BKR-toetsingen. Deze formulieren worden voldoende nauwkeurig omschreven en zijn te herleiden tot formulieren die zich in het politiedossier bevinden (zie bijvoorbeeld ordner 1, blz. 142 ev.).
In het tweede deel van feit 1 - en dienaangaande het verweer - wordt de verdachte verweten dat hij gebruik heeft gemaakt van deze valse/vervalste formulieren ten behoeve van de kredietaanvragen.
Beoordeling
Fase: afwijzen.’
36. Hieruit heeft het hof kennelijk opgemaakt dat het formulier bij InterBank is ingediend en dat is getracht InterBank te bewegen tot het aangaan van een schuld bestaande uit een consumptief krediet. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk zodat ook deze klacht faalt.
37. Het vijfde en het zesde middel falen in alle onderdelen.
38. Het zevende middel klaagt dat het hof het onder 2 bewezen verklaarde feit ten onrechte als witwassen heeft gekwalificeerd.
39. Het hof heeft onder 2 ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat
‘hij in de periode van 29 oktober 2002 tot en met 18 mei 2009, te Amsterdam, althans in Nederland, een geldbedrag heeft voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dat bedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf’.
40. Uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte voor zichzelf en/of voor zijn echtgenote consumptief krediet heeft aangevraagd en verkregen bij zijn werkgever ABN Amro N.V. en/of een dochtermaatschappij InterBank – overigens zonder dat zijn echtgenote daarvan iets wist. In hoeverre dat krediet is opgenomen kan uit de gebruikte bewijsmiddelen niet volgen. Evenmin wat met de geldbedragen is gedaan. Een nadere overweging heeft het hof niet aan de kwalificatie van het bewezen verklaarde als witwassen gewijd.
41. Het geldbedrag dat de verdachte voorhanden heeft gehad en zou hebben witgewassen is afkomstig uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, te weten de onder 1 ten laste van hem bewezen verklaarde valsheid in geschrift, gebruik maken van een vervalst geschrift en oplichting. In het middel wordt terecht aangevoerd dat noch uit de gebruikte bewijsmiddelen noch uit de motivering (die immers ontbreekt) kan worden afgeleid dat de verdachte het geld niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld.
42. Uit het arrest van de Hoge Raad van 8 januari 2013 volgt dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd. Daarom moet de rechter in zijn motivering duidelijk maken welke gedragingen van de verdachte daarnaast gericht zijn geweest op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. De ratio van deze nadere motiveringseis, die in situaties als de onderhavige aan de witwaskwalificatie wordt gesteld, is te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen onder zich heeft (gehad), zich ook automatisch schuldig maakt aan (schuld)witwassen.
43. Uit de door het hof gebezigde bewijsvoering volgt rechtstreeks dat het geldbedrag afkomstig is uit door de verdachte zelf begane misdrijven. Het hof had daarom niet zonder nadere motivering tot de kwalificatie van witwassen kunnen komen.
44. Het middel slaagt.
45. Het achtste middel klaagt dat de strafoplegging onbegrijpelijk althans onvoldoende met redenen omkleed is doordat het hof met betrekking tot de onder 1 ten laste van de verdachte bewezen verklaarde feiten ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 55 althans 56 Sr.
46. Het hof heeft de onder 1, eerste, derde en vierde onderdeel, bewezen verklaarde feiten gekwalificeerd als valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, oplichting, meermalen gepleegd en poging tot oplichting. Het onder 1, tweede onderdeel, bewezen verklaarde feit heeft het hof gekwalificeerd als het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, meermalen gepleegd.
47. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat steeds sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in art. 55 Sr en minst genomen van een voortgezette handeling als bedoeld in art. 56 Sr. In zijn arrest heeft het hof evenwel, slechts art. 57 Sr aangehaald.
48. De toelichting op het middel ziet eraan voorbij dat het hof het onder 1, derde en vijfde onderdeel, bewezen verklaarde feit heeft gekwalificeerd als oplichting, meermalen gepleegd. Alleen al daarom is er sprake van meerdaadse samenloop als bedoeld in art. 57 Sr.
49. Overigens ontgaat mij wat het belang van verdachte bij de klacht is, gelet op de hoogte van de aan hem opgelegde gevangenisstraf, namelijk negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk. Op valsheid in geschrift, de strafbepaling die volgens art. 55 en 56 Sr ingeval van eendaadse samenloop respectievelijk voortgezette handeling zou moeten worden toegepast, is een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren gesteld.
50. Het middel faalt.
51. Het negende middel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering van de benadeelde partij omdat het hof ‘niet heeft kunnen vaststellen dat een in eerste aanleg overgelegde volmacht aan de wettelijke eisen voldeed en derhalve of de benadeelde “…”’. In een fax-brief van 30 januari 2013 heeft mr. Jebbink als toelichting op de schriftuur geschreven dat op de plaats van ‘…’ gelezen dient te worden ‘partij op de wettelijk voorgeschreven wijze is vertegenwoordigd’. Op een dergelijke aanvulling van de schriftuur kan geen acht worden geslagen nu deze bij de griffie van de Hoge Raad is ingekomen buiten de termijn die voor het indienen van een schriftuur was gesteld.
52. De klacht sluit gedeeltelijk aan bij hetgeen de raadsman van de verdachte ter terechtzitting van het hof van 12 maart 2012 heeft aangevoerd in verband met de vordering van de benadeelde partij en heeft (overwegend) betrekking op de machtiging die in eerste aanleg door [betrokkene 4] is overgelegd, terwijl het hof hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd, heeft betrokken op de in hoger beroep door [betrokkene 5] overgelegde machtiging, waarin wordt verklaard dat [betrokkene 4] destijds (in eerste aanleg) bevoegd was ABN AMRO Bank te vertegenwoordigen.
53. De ter terechtzitting overgelegde pleitnotitie, die deel uitmaakt van het proces-verbaal, houdt hierover het volgende in:
‘Indien U de verdediging volgt met betrekking tot het ten laste gelegde en cliënt vrijspreekt dan volgt afwijzing van de vordering op grond hiervan. Anders verzoek ik u de vordering af te wijzen, daar er geen schriftelijke machtiging is bijgevoegd.’
54. In zijn arrest heeft het hof als volgt het verweer samengevat en verworpen:
‘Door de raadsman van de verdachte is het verweer gevoerd dat de vordering van de ABN-AMRO bank N.V. moet worden afgewezen nu volgens de raadsman de volmacht van [betrokkene 5] ontoereikend is, nu de gevolmachtigde zijn bevoegdheid slechts gezamenlijk met een tweede gevolmachtigde kan uitoefenen, waarvan in casu niet blijkt.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
In eerste aanleg is op 16 juni 2009 een voegingsformulier ingekomen van ABN AMRO Bank, ondertekend door [betrokkene 4]. Ter terechtzitting in eerste aanleg op 27 mei 2010 is genoemde [betrokkene 4] verschenen en heeft hij verklaard gevolmachtigde van de ABN AMRO te zijn en daartoe een volmacht overgelegd. Deze volmacht bevindt zich niet in het dossier maar hiervan blijkt wel uit het vonnis van de rechtbank en, zij het slechts indirect, uit het proces-verbaal van die zitting. Op 9 maart 2012 is bij het hof ingekomen een brief van [betrokkene 5] die verklaart dat genoemde [betrokkene 4] destijds bevoegd was de ABN AMRO Bank te vertegenwoordigen. Als bijlage bij deze brief is een volmacht aangehecht waaruit blijkt dat [betrokkene 5] tezamen met een ander bevoegd is de ABN AMRO Bank te vertegenwoordigen.
Het hof overweegt dat gelet op het bovenstaande voldoende is komen vast te staan dat de ABN AMRO Bank zich als benadeelde partij heeft willen voegen.’
55. Zoals ik hiervoor onder 52. al opmerkte richt het middel zich niet tegen de in hoger beroep overgelegde volmacht van [betrokkene 5] maar tegen het oordeel van het hof inzake de door [betrokkene 4] in eerste aanleg overgelegde volmacht.
Beoordeling
72. De toelichting op het middel bevat nog de klacht dat de data niet zonder meer begrijpelijk zijn ‘mede gelet op de – naar algemene ervaringsregels aannemelijke – verplichting jegens ABN Amro Bank N.V. van de begunstigde tot het voldoen van rente over verstrekt krediet’. Mij is niet duidelijk wat deze klacht precies inhoudt. Misschien is ermee bedoeld dat de verdachte al rente aan de bank moet vergoeden over het geld dat hij op grond van het doorlopend krediet heeft opgenomen en dat hij het onredelijk vindt daar bovenop nog eens in het kader van de betalingsmaatregel wettelijke rente te moeten vergoeden. Dat is evenwel een rechtsvraag die in het middel niet aan de orde wordt gesteld. Het middel bevat slechts een motiveringsklacht, zodat de klacht al om die reden moet falen. De klacht is verder te weinig concreet geformuleerd om voor bespreking in aanmerking te komen.
73. Het middel is, voorzover het de ingangsdatum van de wettelijke rente aan de orde stelt terecht voorgesteld. De kennelijke misslag met betrekking tot de ingangsdatum van de wettelijke rente kan door de Hoge Raad worden hersteld.
74. Het zevende middel slaagt. De andere middelen falen. De middelen 1, 3, 4, 5, 6 en 8 kunnen worden afgedaan met de aan ar. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
75. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
76. Deze conclusie strekt:
tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover daarin is bepaald dat het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag van € 115.000,- wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2005, waarbij de Hoge Raad voor wat dit onderdeel betreft de zaak zelf kan afdoen door te bepalen dat het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 december 2008;
vernietiging van het bestreden arrest voorzover het de beslissing over feit 2 en de strafoplegging betreft en tot terugwijzing van de zaak teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan;
en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
HR 24 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8660, r.o. 2.4.; zie ook M.J.A. Duker, ‘Noodzaak en verdedigingsbelang: naar meer eenduidigheid’, DD 2008/3, 41.
HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4482, NJ 2012, 538 r.o. 2.4.
HR 24 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8660, r.o. 2.4.
Vgl. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4482, NJ 2012/538 r.o. 2.4 voor een voorbeeld waarbij de afwijzing van het verzoek zonder nadere motivering niet begrijpelijk was ‘terwijl volgens de pleitnotities de stukken met informatie uit de meldkamer van de politie met betrekking tot P. er kennelijk mede toe dienen de aannemelijkheid te toetsen van de feitelijke grondslag van een door de verdachte in te roepen strafuitsluitingsgrond’.
Duker (a.w. par. 1) bepleit de invulling van zowel het noodzakelijkheidscriterium als het verdedigingsbelangcriterium aan de hand van de maatstaf ‘of het verzochte relevant is voor beantwoording van de vragen van artikelen 348 en 350 Sv’.
‘V: Bent u bekend met de kredietsystemen van de bank?
A: Ja, het systeem heet KF (Konsumptief Krediet)
V: Hoe voert u een BKR toetsing uit?
A: Als je een nieuwe klant krijgt, moetje de naam of de postcode van de nieuwe klant intoetsen.
Het kredietsysteem doet dan de BKR toetsing vanzelf. Als de klant al in de administratie van de
bank voorkomt, kun je ook het ABN AMRO rekeningnummer intoetsen. Ook dan wordt de klant
getoetst door het systeem.
V: Moet de naam en de geboortedatum bij een BKR toetsing exact juist zijn?
A: Ja, als je de naam of de geboortedatum verkeerd invoert, herkent BKR de betreffende persoon
niet.’
Bewijsmiddel 5 ‘Ik leen mijn pas nimmer uit en ik ben de enige die mijn pincode weet. Ik laat nimmer anderen op mijn pas werken. Als ik van mijn werkplek ga, neem ik mijn pas altijd mee.’
HR 20 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8638, NJ 1991, 238 m.nt. Th.W. van Veen r.o. 5.2.-5.3.
Noyon/Langemeijer/Remmelink, art. 51, aant. 6.1. (suppl. 139, augustus 2007, A.J. Machielse) onder verwijzing in voetnoot 5 naar NJ 1991/238: ‘Als derde geldt ook een rechtspersoon, als de leidinghebbers deze via valsheid in geschrift benadelen. Hun wetenschap kan niet aan de rechtspersoon worden toegerekend.’
HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010, NJ 2010,655 m.nt. N. Keijzer; HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2009 r.o. 2.4.
HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6909, NJ 2013, 265 m.nt. M.J. Borgers.
HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014, 75, r.o. 2.4.2 en HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2002, NJ 2014, 77, m.nt. M.J. Borgers, r.o. 3.3.
Het volgende staat niet in het citaat, maar het hof verwijst naar:
‘VOLMACHT “3”
ABN AMRO Bank N.V. […] (de “Bank”) bevestigt hierbij namens de Raad van Bestuur van de Bank […] de benoeming van [betrokkene 5] als procuratiehouder van de Bank en houder van een volmacht “3” (de “Procuratiehouder”).
De procuratiehouder heeft een algemene volmacht om namens de Bank alle transacties aan te gaan die onderdeel vormen van alle activiteiten van de Bank, alle documenten te ondertekenen en alle handelingen en zaken uit te voeren die volgens de Procuratiehouder noodzakelijk zijn, daarmee verband houden of daartoe bevorderlijk zijn, evenwel altijd onder de voorwaarde dat de Procuratiehouder deze bevoegdheden dient uit te oefenen gezamenlijk met een andere houder van een volmacht “1”, “2”, “3”, “4” of “5”.’
HR 5 februari 2002, ECLI:NL:HR:2003:AD5371, r.o. 4.6.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 396.
J.B. Huizink, Rechtspersoon, vennootschap en onderneming, Deventer: Kluwer 2013, p. 224 nr. 143.
HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6214, NJ 2012, 351 r.o. 3.5.1.
Kredietnummers [003] à € 35.000; [005] à € 36.000; [004] à € 44.000.
HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:123, r.o. 3.5.
Conclusie
De tenlastelegging specificeert die formulieren nader, namelijk dat deze formulieren zijn gebruikt ten behoeve van kredietaanvragen bij de ABN-AMRO (de bank) en deze formulieren die zijn gebruikt ten behoeve van toetsing door Bureau Krediet Registratie. In de Flexibel Krediet- contracten tussen verdachte en de ABN-AMRO wordt uitdrukkelijk vermeld dat de aanvraag zal worden voorgelegd aan de BKR te Tiel (bijvoorbeeld ordner 4, blz. 156 e.v. met betrekking tot de lening van 13 juni 2003). Dit was de verdachte vanzelfsprekend uit hoofde van zijn dienstbetrekking en functie bij de ABN-AMRO bekend.
In het derde en vierde deel van feit 1 wordt respectievelijk oplichting en poging daartoe tenlastegelegd met gebruikmaking van dezelfde formulieren als genoemd in het eerste onderdeel van feit 1.
Het hof is van oordeel dat de verdachte, zo mogelijk met behulp van zijn raadsman, in staat moeten worden geacht de tekst van de tenlastelegging te kunnen begrijpen. Daarnaast heeft de verdachte tijdens zijn verhoren bij de politie en tijdens het onderzoek ter terechtzitting blijk gegeven van zijn begrip van de tenlastelegging. De tenlastelegging behelst derhalve naar het oordeel van het hof een voldoende duidelijke opgave van de feiten nu de tekst van de tenlastelegging voldoende duidelijk, begrijpelijk, feitelijk en niet tegenstrijdig is. Het hof is, gezien het bovenstaande, van oordeel dat de gehele tenlastelegging aan de vereisten van artikel 261 Sv voldoet en verwerpt derhalve alle nietigheidsverweren van de verdediging.’
15. Het hof heeft de tenlastelegging zo uitgelegd dat de in onderdeel 2 in algemene bewoordingen aangeduide formulieren, de formulieren zijn die in de onderdelen 1, 3 en 4 meer in het bijzonder zijn vermeld. Die uitleg is aan het hof voorbehouden en is geenszins onbegrijpelijk, te meer niet nu het middel zich richt tegen een onderdeel van de onder 1 tenlastegelegde feiten dat in de context moet worden gelezen van de andere onderdelen van hetgeen onder 1 tenlastegelegde is gelegd. Daarmee falen de in de toelichting vervatte klachten dat niet zou blijken waaruit de valsheid of vervalsing van de documenten heeft bestaan (dat is immers aangegeven in onderdeel 1); niet is aangeduid om welke facturen het zou gaan zodat dit onderdeel te weinig specifiek is (de facturen zijn vermeld in onderdelen 1, 3 en 4); niet blijkt waarom de facturen in onderdeel 2 niet specifiek zijn omschreven maar wel in onderdelen 1, 3 en 4 (daarom behoefde dat niet nog eens in onderdeel 2 te worden herhaald en was een wijziging van de tenlastelegging voor wat betreft onderdeel 2 niet nodig) en onderdeel 2 betrekking heeft op een ruimere periode dan de onderdelen 1, 3 en 4 (waardoor onderdeel 2 de periode van de andere onderdelen omvat).
16. Voor het overige bevat de toelichting op het middel nog een reeks klachten die behoren tot hetzij de categorie spijkers-op-laag-water-zoeken, hetzij tot de categorie eisen die het recht niet kent, hetzij beide categorieën. Ik noem als voorbeelden de betrekkelijke informatiefunctie van de vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek; het ontbreken van de vaststelling door het hof dat de verdachte en/of diens raadsman ‘te kennen hebben gegeven op welke geschriften de beschuldiging in hun beleving precies betrekking had’ en de klacht dat het hof er blijk van geeft ‘dat (slechts) op grond van de omschrijving van geschriften in de tenlastelegging kan worden bepaald op welke onderdelen van het politiedossier de beschuldiging precies betrekking heeft.’
17. Het middel faalt.
18. Het derde middel klaagt dat het hof de wijze waarop de verdachte ‘het kredietsysteem in het algemeen een BKR-toetsing uitvoert’, redengevend heeft geoordeeld voor het bewijs nu het hof de verdachte van dit onderdeel heeft vrijgesproken.
19. Het onder 5 door het hof gebruikte bewijsmiddel bevat verklaringen van de verdachte waarvan een deel betrekking heeft op de kredietsystemen van de bank en het door de verdachte uitvoeren van een BKR toetsing. Het hof heeft hier kennelijk mee willen aangeven dat de verdachte ook de BKR toets uitvoerde in verband met de kredieten die hij zichzelf en zijn echtgenote verstrekte en op de hoogte was van de kredietsystemen. Dit is van belang voor het onder 1 onderdeel 2 ten laste van de verdachte bewezenverklaarde feit (kort gezegd: dat hij gebruik heeft gemaakt van valse/vervalste formulieren ten behoeve van de kredietaanvragen) en ondersteunt de overweging die het hof heeft gewijd aan de geldigheid van het onder 1 onderdeel 2 ten laste gelegde feit, in het bijzonder voor wat betreft de overweging dat het de verdachte uit hoofde van zijn dienstbetrekking en functie bij de ABN-AMRO ermee bekend was dat de kredietaanvragen werden voorgelegd aan de BKR.
20. Het middel faalt.
21. Het vierde middel klaagt over de bewijsconstructie voor zover het hof bewezen heeft verklaard dat de verdachte van bepaalde formulieren gebruik heeft gemaakt. Althans, zo leg ik het middel uit gelet op de toelichting hierop. Het middel zelf klaagt strikt genomen niet over de bewijsconstructie maar over de kwalificatiebeslissing ‘gebruik maken van een vals geschrift, meermalen gepleegd’. Het middel bevat twee klachten. De eerste klacht houdt in dat uit de gebruikte bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte de formulieren heeft aangeboden. De tweede klacht houdt in dat geen sprake was van ‘gebruik maken van een vals of vervalst geschrift’ omdat geen sprake was van misleiding van een derde.
22. Hetgeen het hof onder 1 ten laste van de verdachte bewezen heeft verklaard bestaat uit vier onderdelen die afzonderlijk door het hof zijn gekwalificeerd. Onder 1 is ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:
‘hij in de periode van 29 oktober 2002 tot en met 1 maart 2005 te Amsterdam, meermalen formulieren ten behoeve van kredietaanvragen - zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens in strijd met de waarheid
- op het formulier vermeld d.d. 29 oktober 2002 (met nummer: [003]) van 11.000 Euro dat zijn, verdachtes, echtgenote [betrokkene 2] alleenstaand was en woonachtig aan de [a-straat 1] en
- op het formulier vermeld d.d. 13 juni 2003 voor een Flexibel Krediet (met nummer: [005]) van 10.000 Euro dat hij, verdachte, alleenstaand was en woonachtig was aan de [d-straat 1] en
- op het formulier vermeld d.d. 15 september 2004 voor de verhoging van het Flexibel Krediet met nummer [005] naar 36.000 Euro dat hij, verdachte, alleenstaand was, en
- op de internetaanvraag van InterBank op 30 juni 2003 vermeld dat hij, de aanvrager is [verdachte], welke alleenstaand was en woonachtig was aan de [c-straat 1], en
- op het formulier d.d. 13 augustus 2004 voor een verhoging van het Flexibel Krediet met nummer [003] naar 35.000 Euro dat zijn, verdachtes, echtgenote [betrokkene 2] alleenstaand was en inwonend was aan de [b-straat 1], en
- op het formulier/ vermeld d.d. 11 augustus 2004 voor een Flexibel Krediet met nummer [004] van 30.100 euro dat een persoon genaamd [betrokkene 2] alleenstaand was en zonder kinderen was en woonachtig was aan de [c-straat 1] en
- op het formulier vermeld d.d. 7 oktober 2004 voor een verhoging van het Flexibel Krediet met nummer [004] naar respectievelijk 38.000 Euro dat een persoon genaamd [betrokkene 2] alleenstaand was en zonder kinderen was en woonachtig was aan de [c-straat 1] en
- op het formulier d.d.
Beoordeling
Aangevoerd wordt dat het hof niet heeft kunnen vaststellen dat de door [betrokkene 4] overgelegde volmacht aan de wettelijke eisen voldeed waardoor de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij onjuist dan wel ontoereikend gemotiveerd is. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof [betrokkene 4] niet als vertegenwoordiger van de benadeelde partij had mogen aanmerken, doordat (a) onduidelijk is of [betrokkene 4] ten tijde van het overleggen van het voegingsformulier en het toelichten ervan ‘beschikte over een (geldige) bevoegdheid om de benadeelde partij te vertegenwoordigen’ en (b) het hof geen kennis heeft kunnen nemen van de volmacht.
56. Hoewel er niet wordt geklaagd over de door het hof toegepaste maatstaf, wil ik hierover toch nog het volgende opmerken. Het hof overweegt dat ‘voldoende is komen vast te staan dat de ABN AMRO Bank zich als benadeelde partij heeft willen voegen.’ Ik meen dat het hof hierbij een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. De maatstaf is immers of ABN AMRO Bank zich als benadeelde partij heeft gevoegd, niet of hij zich heeft willen voegen. De vraag of ABN AMRO Bank zich heeft willen voegen, is echter wel van belang omdat beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat indien niet zou zijn voldaan aan de vereiste van een bijzondere schriftelijke volmacht, de benadeelde partij niet op die grond niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, dan nadat haar door het openbaar ministerie of de rechter de gelegenheid is geboden dat verzuim te herstellen en die gelegenheid niet is benut. Dat betekent dat als het middel gegrond zou worden verklaard en dit zou leiden tot vernietiging van het arrest, de bank alsnog de gelegenheid zou moeten worden geboden een bijzondere schriftelijke volmacht te overleggen die aan de voorwaarden voldoet. Wat hiervan ook zij, nu het hof kennelijk heeft aangenomen dat zowel [betrokkene 4] als [betrokkene 5] bevoegd waren ABN AMRO Bank te vertegenwoordigen, hoefde het hof de bank niet in de gelegenheid te stellen enig verzuim met betrekking tot de volmacht te herstellen.
57. In zijn overweging verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank in haar vonnis heeft vastgesteld en naar hetgeen blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 27 mei 2010. De klacht dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat het steunt op het vonnis van de rechtbank dat door het hof is vernietigd, stuit af op het bepaalde in art. 423, derde lid, Sv.
58. In haar vonnis van 10 juni 2010 heeft de rechtbank met betrekking tot de volmacht het volgende overwogen:
‘De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de bevoegdheid van [betrokkene 4] om de benadeelde partij ABN-AMRO te vertegenwoordigen. Ter terechtzitting heeft [betrokkene 4] een machtiging overgelegd die namens de bestuurders van ABN-AMRO [betrokkene 6] en [betrokkene 7] is ondertekend, alsmede een recent uittreksel uit de Kamer van Koophandel waaruit blijkt dat ABN-AMRO slechts vertegenwoordigd kan worden door twee daartoe bevoegde functionarissen. Uit het uittreksel blijkt dat [betrokkene 7] ten tijde van de ondertekening bevoegd was en ook thans nog bevoegd is de ABN-AMRO te vertegenwoordigen. Voor [betrokkene 6] blijkt dat niet uit het uittreksel. Volgens de mondelinge mededeling van de gemachtigde ter terechtzitting, is [betrokkene 6] thans niet meer werkzaam als bestuurder van ABN-AMRO en ontbreekt zijn naam om die reden in het in recente uittreksel uit het handelsregister. Ten tijde van de ondertekening van de machtiging was [betrokkene 6] evenwel als bestuurder van ABNAMRO, tekeningsbevoegd. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van deze mededeling en daarmee aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [betrokkene 4] te twijfelen.’
59. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 27 mei 2010 houdt met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij het volgende in:
‘Ter terechtzitting is voorts verschenen een persoon die opgeeft te zijn: [betrokkene 4]. Hij verklaart zich in dit strafproces te hebben gevoegd als gevolmachtigde namens de benadeelde partij ABN-AMRO met betrekking tot de door de ABN-AMRO als gevolg van het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde geleden schade en wel tot een bedrag van € 148.834 (zegge honderdachtenveertig duizend en achthonderdvierendertig euro).
De benadeelde partij licht de vordering, omschreven in het formulier ex artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, welk formulier zich reeds in het dossier bevindt, toe.’
60. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting van de rechtbank aangevoerd dat de benodigde machtiging ontbreekt. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt hierover het volgende in:
‘Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij merk ik op dat deze vordering moet worden afgewezen dan wel niet in behandeling worden genomen, nu er een machtiging ontbreekt waaruit blijkt dat [betrokkene 4], die de vordering heeft ingediend, bevoegd is de ANB-AMRO in deze procedure te vertegenwoordigen. Uit de stukken blijkt immers niet dat de twee op de overgelegde machtiging van [betrokkene 4] genoemde bestuurders bevoegd waren de ABN-AMRO te vertegenwoordigen.’
61. Het hof heeft [betrokkene 4] aangemerkt als bijzonder gevolmachtigde van ABN AMRO Bank N.V. en daarbij verwezen naar de ter terechtzitting van de rechtbank door [betrokkene 4] overgelegde volmacht. De rechtbank heeft vastgesteld dat de volmacht is verstrekt door [betrokkene 7] waarvan de rechtbank eveneens op basis van de statuten van ABN AMRO Bank N.V. heeft vastgesteld dat hij ten tijde van de verlening van de volmacht deel uitmaakt van de Raad van Bestuur van ABN AMRO Bank N.V.
62. Aan de geldigheid van de verleende volmacht doet niet af dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat [betrokkene 6], die de volmacht mede heeft ondertekend, ten tijde daarvan deel uitmaakte van de Raad van Bestuur van de Bank zoals de rechtbank heeft vastgesteld. Op grond van het bepaalde in art. 2:130, tweede lid eerste volzin, BW is namelijk elke bestuurder bevoegd de vennootschap te vertegenwoordigen. Hieraan doet niet af dat op grond van de statuten ABN AMRO Bank N.V. alleen kan worden vertegenwoordigd door twee daartoe bevoegde functionarissen. Een dergelijke beperking heeft in beginsel geen werking tegenover derden: een voorwaarde voor de bevoegdheid tot vertegenwoordiging kan slechts door de vennootschap worden ingeroepen, aldus art. 2:130 derde lid tweede volzin, BW. Huizink schrijft hierover het volgde:
‘Zou de vertegenwoordigingsbevoegdheid op allerlei manieren in de statuten van de rechtspersoon kunnen worden geclausuleerd, dan vergt het voor de wederpartij belangrijke antwoord op de vraag of degene met wie men handelt eigenlijk wel bevoegd is om de rechtspersoon te vertegenwoordigen, het nodige onderzoek (raadplegen handelsregister en dergelijke). Dat is, zeker internationaal gezien, niet bevorderlijk voor het handelsverkeer. Door het richtlijnstelsel, weet men het bestuur, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit, in beginsel steeds onbeperkt en onvoorwaardelijk vertegenwoordigingsbevoegd.’
63. Voor de civiele vordering van de benadeelde partij binnen het strafproces dient op grond van het voorgaande eveneens tot uitgangspunt te worden genomen, dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de rechtspersoon op basis van de wet en niet op basis van de statuten moet worden beoordeeld.
64. Het middel faalt.
65. Het tiende middel bevat twee klachten. Ten eerste klaagt het middel dat het hof de data waarop de wettelijke rente verschuldigd is onjuist heeft vastgesteld. Ten tweede klaagt het middel dat de inhoud van de opgelegde betalingsmaatregel strijdig is met de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de benadeelde partij.
66. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen voor een bedrag van € 115.000,- en daarnaast de zogenoemde schadevergoedingsmaatregel opgelegd in combinatie met vervangende hechtenis voor de duur van 365 dagen.
Conclusie
De tenlastelegging specificeert die formulieren nader, namelijk dat deze formulieren zijn gebruikt ten behoeve van kredietaanvragen bij de ABN-AMRO (de bank) en deze formulieren die zijn gebruikt ten behoeve van toetsing door Bureau Krediet Registratie. In de Flexibel Krediet- contracten tussen verdachte en de ABN-AMRO wordt uitdrukkelijk vermeld dat de aanvraag zal worden voorgelegd aan de BKR te Tiel (bijvoorbeeld ordner 4, blz. 156 e.v. met betrekking tot de lening van 13 juni 2003). Dit was de verdachte vanzelfsprekend uit hoofde van zijn dienstbetrekking en functie bij de ABN-AMRO bekend.
In het derde en vierde deel van feit 1 wordt respectievelijk oplichting en poging daartoe tenlastegelegd met gebruikmaking van dezelfde formulieren als genoemd in het eerste onderdeel van feit 1.
Het hof is van oordeel dat de verdachte, zo mogelijk met behulp van zijn raadsman, in staat moeten worden geacht de tekst van de tenlastelegging te kunnen begrijpen. Daarnaast heeft de verdachte tijdens zijn verhoren bij de politie en tijdens het onderzoek ter terechtzitting blijk gegeven van zijn begrip van de tenlastelegging. De tenlastelegging behelst derhalve naar het oordeel van het hof een voldoende duidelijke opgave van de feiten nu de tekst van de tenlastelegging voldoende duidelijk, begrijpelijk, feitelijk en niet tegenstrijdig is. Het hof is, gezien het bovenstaande, van oordeel dat de gehele tenlastelegging aan de vereisten van artikel 261 Sv voldoet en verwerpt derhalve alle nietigheidsverweren van de verdediging.’
15. Het hof heeft de tenlastelegging zo uitgelegd dat de in onderdeel 2 in algemene bewoordingen aangeduide formulieren, de formulieren zijn die in de onderdelen 1, 3 en 4 meer in het bijzonder zijn vermeld. Die uitleg is aan het hof voorbehouden en is geenszins onbegrijpelijk, te meer niet nu het middel zich richt tegen een onderdeel van de onder 1 tenlastegelegde feiten dat in de context moet worden gelezen van de andere onderdelen van hetgeen onder 1 tenlastegelegde is gelegd. Daarmee falen de in de toelichting vervatte klachten dat niet zou blijken waaruit de valsheid of vervalsing van de documenten heeft bestaan (dat is immers aangegeven in onderdeel 1); niet is aangeduid om welke facturen het zou gaan zodat dit onderdeel te weinig specifiek is (de facturen zijn vermeld in onderdelen 1, 3 en 4); niet blijkt waarom de facturen in onderdeel 2 niet specifiek zijn omschreven maar wel in onderdelen 1, 3 en 4 (daarom behoefde dat niet nog eens in onderdeel 2 te worden herhaald en was een wijziging van de tenlastelegging voor wat betreft onderdeel 2 niet nodig) en onderdeel 2 betrekking heeft op een ruimere periode dan de onderdelen 1, 3 en 4 (waardoor onderdeel 2 de periode van de andere onderdelen omvat).
16. Voor het overige bevat de toelichting op het middel nog een reeks klachten die behoren tot hetzij de categorie spijkers-op-laag-water-zoeken, hetzij tot de categorie eisen die het recht niet kent, hetzij beide categorieën. Ik noem als voorbeelden de betrekkelijke informatiefunctie van de vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek; het ontbreken van de vaststelling door het hof dat de verdachte en/of diens raadsman ‘te kennen hebben gegeven op welke geschriften de beschuldiging in hun beleving precies betrekking had’ en de klacht dat het hof er blijk van geeft ‘dat (slechts) op grond van de omschrijving van geschriften in de tenlastelegging kan worden bepaald op welke onderdelen van het politiedossier de beschuldiging precies betrekking heeft.’
17. Het middel faalt.
18. Het derde middel klaagt dat het hof de wijze waarop de verdachte ‘het kredietsysteem in het algemeen een BKR-toetsing uitvoert’, redengevend heeft geoordeeld voor het bewijs nu het hof de verdachte van dit onderdeel heeft vrijgesproken.
19. Het onder 5 door het hof gebruikte bewijsmiddel bevat verklaringen van de verdachte waarvan een deel betrekking heeft op de kredietsystemen van de bank en het door de verdachte uitvoeren van een BKR toetsing. Het hof heeft hier kennelijk mee willen aangeven dat de verdachte ook de BKR toets uitvoerde in verband met de kredieten die hij zichzelf en zijn echtgenote verstrekte en op de hoogte was van de kredietsystemen. Dit is van belang voor het onder 1 onderdeel 2 ten laste van de verdachte bewezenverklaarde feit (kort gezegd: dat hij gebruik heeft gemaakt van valse/vervalste formulieren ten behoeve van de kredietaanvragen) en ondersteunt de overweging die het hof heeft gewijd aan de geldigheid van het onder 1 onderdeel 2 ten laste gelegde feit, in het bijzonder voor wat betreft de overweging dat het de verdachte uit hoofde van zijn dienstbetrekking en functie bij de ABN-AMRO ermee bekend was dat de kredietaanvragen werden voorgelegd aan de BKR.
20. Het middel faalt.
21. Het vierde middel klaagt over de bewijsconstructie voor zover het hof bewezen heeft verklaard dat de verdachte van bepaalde formulieren gebruik heeft gemaakt. Althans, zo leg ik het middel uit gelet op de toelichting hierop. Het middel zelf klaagt strikt genomen niet over de bewijsconstructie maar over de kwalificatiebeslissing ‘gebruik maken van een vals geschrift, meermalen gepleegd’. Het middel bevat twee klachten. De eerste klacht houdt in dat uit de gebruikte bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte de formulieren heeft aangeboden. De tweede klacht houdt in dat geen sprake was van ‘gebruik maken van een vals of vervalst geschrift’ omdat geen sprake was van misleiding van een derde.
22. Hetgeen het hof onder 1 ten laste van de verdachte bewezen heeft verklaard bestaat uit vier onderdelen die afzonderlijk door het hof zijn gekwalificeerd. Onder 1 is ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:
‘hij in de periode van 29 oktober 2002 tot en met 1 maart 2005 te Amsterdam, meermalen formulieren ten behoeve van kredietaanvragen - zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens in strijd met de waarheid
- op het formulier vermeld d.d. 29 oktober 2002 (met nummer: [003]) van 11.000 Euro dat zijn, verdachtes, echtgenote [betrokkene 2] alleenstaand was en woonachtig aan de [a-straat 1] en
- op het formulier vermeld d.d. 13 juni 2003 voor een Flexibel Krediet (met nummer: [005]) van 10.000 Euro dat hij, verdachte, alleenstaand was en woonachtig was aan de [d-straat 1] en
- op het formulier vermeld d.d. 15 september 2004 voor de verhoging van het Flexibel Krediet met nummer [005] naar 36.000 Euro dat hij, verdachte, alleenstaand was, en
- op de internetaanvraag van InterBank op 30 juni 2003 vermeld dat hij, de aanvrager is [verdachte], welke alleenstaand was en woonachtig was aan de [c-straat 1], en
- op het formulier d.d. 13 augustus 2004 voor een verhoging van het Flexibel Krediet met nummer [003] naar 35.000 Euro dat zijn, verdachtes, echtgenote [betrokkene 2] alleenstaand was en inwonend was aan de [b-straat 1], en
- op het formulier/ vermeld d.d. 11 augustus 2004 voor een Flexibel Krediet met nummer [004] van 30.100 euro dat een persoon genaamd [betrokkene 2] alleenstaand was en zonder kinderen was en woonachtig was aan de [c-straat 1] en
- op het formulier vermeld d.d. 7 oktober 2004 voor een verhoging van het Flexibel Krediet met nummer [004] naar respectievelijk 38.000 Euro dat een persoon genaamd [betrokkene 2] alleenstaand was en zonder kinderen was en woonachtig was aan de [c-straat 1] en
- op het formulier d.d.
Beoordeling
Aangevoerd wordt dat het hof niet heeft kunnen vaststellen dat de door [betrokkene 4] overgelegde volmacht aan de wettelijke eisen voldeed waardoor de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij onjuist dan wel ontoereikend gemotiveerd is. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof [betrokkene 4] niet als vertegenwoordiger van de benadeelde partij had mogen aanmerken, doordat (a) onduidelijk is of [betrokkene 4] ten tijde van het overleggen van het voegingsformulier en het toelichten ervan ‘beschikte over een (geldige) bevoegdheid om de benadeelde partij te vertegenwoordigen’ en (b) het hof geen kennis heeft kunnen nemen van de volmacht.
56. Hoewel er niet wordt geklaagd over de door het hof toegepaste maatstaf, wil ik hierover toch nog het volgende opmerken. Het hof overweegt dat ‘voldoende is komen vast te staan dat de ABN AMRO Bank zich als benadeelde partij heeft willen voegen.’ Ik meen dat het hof hierbij een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. De maatstaf is immers of ABN AMRO Bank zich als benadeelde partij heeft gevoegd, niet of hij zich heeft willen voegen. De vraag of ABN AMRO Bank zich heeft willen voegen, is echter wel van belang omdat beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat indien niet zou zijn voldaan aan de vereiste van een bijzondere schriftelijke volmacht, de benadeelde partij niet op die grond niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, dan nadat haar door het openbaar ministerie of de rechter de gelegenheid is geboden dat verzuim te herstellen en die gelegenheid niet is benut. Dat betekent dat als het middel gegrond zou worden verklaard en dit zou leiden tot vernietiging van het arrest, de bank alsnog de gelegenheid zou moeten worden geboden een bijzondere schriftelijke volmacht te overleggen die aan de voorwaarden voldoet. Wat hiervan ook zij, nu het hof kennelijk heeft aangenomen dat zowel [betrokkene 4] als [betrokkene 5] bevoegd waren ABN AMRO Bank te vertegenwoordigen, hoefde het hof de bank niet in de gelegenheid te stellen enig verzuim met betrekking tot de volmacht te herstellen.
57. In zijn overweging verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank in haar vonnis heeft vastgesteld en naar hetgeen blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 27 mei 2010. De klacht dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat het steunt op het vonnis van de rechtbank dat door het hof is vernietigd, stuit af op het bepaalde in art. 423, derde lid, Sv.
58. In haar vonnis van 10 juni 2010 heeft de rechtbank met betrekking tot de volmacht het volgende overwogen:
‘De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de bevoegdheid van [betrokkene 4] om de benadeelde partij ABN-AMRO te vertegenwoordigen. Ter terechtzitting heeft [betrokkene 4] een machtiging overgelegd die namens de bestuurders van ABN-AMRO [betrokkene 6] en [betrokkene 7] is ondertekend, alsmede een recent uittreksel uit de Kamer van Koophandel waaruit blijkt dat ABN-AMRO slechts vertegenwoordigd kan worden door twee daartoe bevoegde functionarissen. Uit het uittreksel blijkt dat [betrokkene 7] ten tijde van de ondertekening bevoegd was en ook thans nog bevoegd is de ABN-AMRO te vertegenwoordigen. Voor [betrokkene 6] blijkt dat niet uit het uittreksel. Volgens de mondelinge mededeling van de gemachtigde ter terechtzitting, is [betrokkene 6] thans niet meer werkzaam als bestuurder van ABN-AMRO en ontbreekt zijn naam om die reden in het in recente uittreksel uit het handelsregister. Ten tijde van de ondertekening van de machtiging was [betrokkene 6] evenwel als bestuurder van ABNAMRO, tekeningsbevoegd. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van deze mededeling en daarmee aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [betrokkene 4] te twijfelen.’
59. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 27 mei 2010 houdt met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij het volgende in:
‘Ter terechtzitting is voorts verschenen een persoon die opgeeft te zijn: [betrokkene 4]. Hij verklaart zich in dit strafproces te hebben gevoegd als gevolmachtigde namens de benadeelde partij ABN-AMRO met betrekking tot de door de ABN-AMRO als gevolg van het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde geleden schade en wel tot een bedrag van € 148.834 (zegge honderdachtenveertig duizend en achthonderdvierendertig euro).
De benadeelde partij licht de vordering, omschreven in het formulier ex artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, welk formulier zich reeds in het dossier bevindt, toe.’
60. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting van de rechtbank aangevoerd dat de benodigde machtiging ontbreekt. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt hierover het volgende in:
‘Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij merk ik op dat deze vordering moet worden afgewezen dan wel niet in behandeling worden genomen, nu er een machtiging ontbreekt waaruit blijkt dat [betrokkene 4], die de vordering heeft ingediend, bevoegd is de ANB-AMRO in deze procedure te vertegenwoordigen. Uit de stukken blijkt immers niet dat de twee op de overgelegde machtiging van [betrokkene 4] genoemde bestuurders bevoegd waren de ABN-AMRO te vertegenwoordigen.’
61. Het hof heeft [betrokkene 4] aangemerkt als bijzonder gevolmachtigde van ABN AMRO Bank N.V. en daarbij verwezen naar de ter terechtzitting van de rechtbank door [betrokkene 4] overgelegde volmacht. De rechtbank heeft vastgesteld dat de volmacht is verstrekt door [betrokkene 7] waarvan de rechtbank eveneens op basis van de statuten van ABN AMRO Bank N.V. heeft vastgesteld dat hij ten tijde van de verlening van de volmacht deel uitmaakt van de Raad van Bestuur van ABN AMRO Bank N.V.
62. Aan de geldigheid van de verleende volmacht doet niet af dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat [betrokkene 6], die de volmacht mede heeft ondertekend, ten tijde daarvan deel uitmaakte van de Raad van Bestuur van de Bank zoals de rechtbank heeft vastgesteld. Op grond van het bepaalde in art. 2:130, tweede lid eerste volzin, BW is namelijk elke bestuurder bevoegd de vennootschap te vertegenwoordigen. Hieraan doet niet af dat op grond van de statuten ABN AMRO Bank N.V. alleen kan worden vertegenwoordigd door twee daartoe bevoegde functionarissen. Een dergelijke beperking heeft in beginsel geen werking tegenover derden: een voorwaarde voor de bevoegdheid tot vertegenwoordiging kan slechts door de vennootschap worden ingeroepen, aldus art. 2:130 derde lid tweede volzin, BW. Huizink schrijft hierover het volgde:
‘Zou de vertegenwoordigingsbevoegdheid op allerlei manieren in de statuten van de rechtspersoon kunnen worden geclausuleerd, dan vergt het voor de wederpartij belangrijke antwoord op de vraag of degene met wie men handelt eigenlijk wel bevoegd is om de rechtspersoon te vertegenwoordigen, het nodige onderzoek (raadplegen handelsregister en dergelijke). Dat is, zeker internationaal gezien, niet bevorderlijk voor het handelsverkeer. Door het richtlijnstelsel, weet men het bestuur, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit, in beginsel steeds onbeperkt en onvoorwaardelijk vertegenwoordigingsbevoegd.’
63. Voor de civiele vordering van de benadeelde partij binnen het strafproces dient op grond van het voorgaande eveneens tot uitgangspunt te worden genomen, dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de rechtspersoon op basis van de wet en niet op basis van de statuten moet worden beoordeeld.
64. Het middel faalt.
65. Het tiende middel bevat twee klachten. Ten eerste klaagt het middel dat het hof de data waarop de wettelijke rente verschuldigd is onjuist heeft vastgesteld. Ten tweede klaagt het middel dat de inhoud van de opgelegde betalingsmaatregel strijdig is met de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de benadeelde partij.
66. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen voor een bedrag van € 115.000,- en daarnaast de zogenoemde schadevergoedingsmaatregel opgelegd in combinatie met vervangende hechtenis voor de duur van 365 dagen.
Conclusie
1 februari 2005 voor een verhoging van het Flexibel Krediet met nummer [004] naar 44.000 euro dat een persoon genaamd [betrokkene 2] alleenstaand was en zonder kinderen was en woonachtig was aan de [c-straat 1],
zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken
en
hij op tijdstippen in de periode van 29 oktober 2002 tot en met 24 december 2008 te Amsterdam meermalen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse formulieren ten behoeve van kredietaanvragen - zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte die formulieren heeft aangeboden aan (de afdeling Kredietverschaffing van) ABN-AMRO en InterBank, terwijl hij wist dat deze geschriften bestemd waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst
en
hij op tijdstippen in de periode van 29 oktober 2002 tot en met 24 december 2008 te Amsterdam,telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels telkens ABN-AMRO heeft bewogen het aangaan van schulden, te weten het afgeven van kredieten, immers heeft verdachte, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - telkens valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid
- op het formulier vermeld d.d. 29 oktober 2002 voor een Flexibel Krediet met nummer [003] van 11.000 Euro dat zijn, verdachtes, echtgenote [betrokkene 2] alleenstaand was en
- op het formulier vermeld d.d. 13 juni 2003 voor een Flexibel Krediet met nummer [005] van 10.000 Euro dat hij, verdachte, alleenstaand was en
- op het formulier vermeld d.d. 15 september 2004 voor de verhoging van het Flexibel Krediet met nummer [005] naar 36.000 Euro dat hij, verdachte, alleenstaand was en
- op het formulier/de aanvraag heeft vermeld en/of opgegeven aan een bankmedewerker van ABN-AMRO d.d. 13 augustus 2004 voor een verhoging van het Flexibel Krediet met nummer [003] naar 35.000 Euro dat zijn, verdachtes, echtgenote [betrokkene 2] alleenstaand was en inwonend aan de [b-straat 1] en
- op het formulier/de aanvraag heeft vermeld en/of opgegeven aan een bankmedewerker van ABN-AMRO d.d. 11 augustus 2004 voor een Flexibel Krediet met nummer [004] van 30.100 Euro dat een persoon genaamd [betrokkene 2] alleenstaand was en zonder kinderen was en woonachtig was aan de [c-straat 1] en
- op het formulier /de aanvraag heeft vermeld en/of opgegeven aan een bankmedewerker van ABN-AMRO d.d. 7 oktober 2004 voor een verhoging van het Flexibel Krediet met nummer [004] naar 38.000 Euro dat een persoon genaamd [betrokkene 2] alleenstaand was en zonder kinderen was en woonachtig was aan de [c-straat 1] en
- op het formulier /de aanvraag heeft vermeld en/of opgegeven aan een bankmedewerker van ABN-AMRO d.d. 1 februari 2005 voor een verhoging van het Flexibel Krediet met nummer [004] naar 44.000 euro dat een persoon genaamd [betrokkene 2] alleenstaand was en zonder kinderen was en woonachtig was aan de [c-straat 1]
en
hij op 30 juni 2003 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door één of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels InterBank te bewegen tot het aangaan van een schuld, te weten het afgeven van een krediet, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid
- op het formulier van InterBank vermeld dat een persoon genaamd [verdachte], alleenstaand was’.
23. Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen (onder 7, 8, 9, 11, 12, 13 en 14) blijkt dat krediet is aangevraagd terwijl met betrekking tot een deel van die aanvragen uit de bewijsmiddelen blijkt dat de aanvraag is ingediend door de verdachte (onder 7, 11, 12, 13 en 14). Vermeld is daar dat de aanvraag is gedaan door de gebruikerscode die exclusief door de verdachte werd gebruikt. Tevens zijn voor drie aanvragen de BKR toetsingsresultaten vermeld die telkens zijn aangevraagd door de verdachte (onder 11, 12, 13). Ten aanzien van al de genoemde aanvragen blijkt dat het gevraagde krediet is verleend. Hieruit kan volgen dat de verdachte de formulieren heeft gebruikt, zodat de klacht faalt.
24. De tweede klacht houdt in dat geen sprake was van ‘gebruik maken van een vals of vervalst geschrift’ omdat geen sprake was van misleiding van een derde. Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat ABN AMRO Bank N.V. de door de verdachte aangevraagde kredieten ter beschikking heeft gesteld. In het bijzonder kan worden gewezen op de onder 9 tot bewijs gebruikte kredietovereenkomst. De overeenkomst houdt onder meer het volgende in:
‘De ondergetekenden:
[verdachte], [d-straat 1], [woonplaats], hierna te noemen “Kredietnemer”en
de naamloze vennootschap ABN AMRO Bank N.V., hierna te noemen “de Bank”;
Verklaren te zijn overeengekomen:
1. De Bank stelt aan Kredietnemer ter beschikking een krediet tot een maximum van EUR 36.000 […] (“het ABN AMRO Flexibel Krediet”)
6. De Bank heeft de kredietaanvraag door Kredietnemer beoordeeld en verleent thans aan Kredietnemer het hiervoor genoemde ABN AMRO Flexibel Krediet op basis van persoonlijke en financiële gegevens, welke door kredietnemer bij de aanvraag van de ABN AMRO Flexibel Krediet aan de bank zijn verstrekt.’
25. Hieruit volgt dat verdachte ABN AMRO Bank N.V. heeft misleid. De klacht is gebaseerd op de opvatting dat verdachte ABN AMRO Bank N.V. niet heeft misleid omdat hij de formulieren zelf beoordeelde zodat van gebruik of misleiding geen sprake kan zijn omdat verdachte zelf op de hoogte was van de valsheid en – in het verlengde daarvan – ook de rechtspersoon ABN AMRO Bank N.V. Dat is een merkwaardige redenering, omdat in de onderhavige zaak niet de daderschap van de rechtspersoon, in het kader waarvan gedragingen en wetenschap van een medewerker van de rechtspersoon daderschap en wetenschap van de rechtspersoon kunnen opleveren, aan de orde is. Van een gelijkstelling van verdachte met de rechtspersoon, kan daarom voor wat betreft het gebruik van de formulieren en de misleiding van een derde geen sprake zijn, nu de rechtspersoon in casu slachtoffer is. Daarom mocht het hof wel degelijk aannemen dat verdachte ABN AMRO Bank N.V. heeft misleid. De klacht faalt.
26. Het middel faalt in beide onderdelen.
27. Het vijfde en zesde middel klagen over een samenstel van gedragingen dat ten laste van de verdachte onder 1 bewezen is verklaard. De middelen bevatten meerdere klachten over afzonderlijke onderdelen van de bewezenverklaring. Onder 1 zijn, verspreid over een viertal onderdelen afzonderlijke kwalificaties toegekend aan gedragingen die in onderling verband moeten worden beoordeeld. Dat is precies de reden waarom die gedragingen allemaal onder 1 ten laste zijn gelegd en niet als afzonderlijke feiten. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking omdat ze zich richten tegen onderdelen van hetzelfde bewezen verklaarde feit die in onderling verband moeten worden beoordeeld.
28. Een achttal klachten in de toelichting op de middelen richt zich tegen verschillende bestanddelen van het misdrijf oplichting: het aannemen van een valse naam; listige kunstgrepen; een samenweefsel van verdichtsels en een valse hoedanigheid. De klachten zijn telkens zo opgezet dat wordt ingegaan op een enkele gedraging die het hof ten laste van de verdachte bewezen heeft verklaard om vervolgens aan te voeren dat die enkele gedraging niet een van de bestanddelen van oplichting vervult.
Conclusie
1 februari 2005 voor een verhoging van het Flexibel Krediet met nummer [004] naar 44.000 euro dat een persoon genaamd [betrokkene 2] alleenstaand was en zonder kinderen was en woonachtig was aan de [c-straat 1],
zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken
en
hij op tijdstippen in de periode van 29 oktober 2002 tot en met 24 december 2008 te Amsterdam meermalen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse formulieren ten behoeve van kredietaanvragen - zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte die formulieren heeft aangeboden aan (de afdeling Kredietverschaffing van) ABN-AMRO en InterBank, terwijl hij wist dat deze geschriften bestemd waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst
en
hij op tijdstippen in de periode van 29 oktober 2002 tot en met 24 december 2008 te Amsterdam,telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels telkens ABN-AMRO heeft bewogen het aangaan van schulden, te weten het afgeven van kredieten, immers heeft verdachte, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - telkens valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid
- op het formulier vermeld d.d. 29 oktober 2002 voor een Flexibel Krediet met nummer [003] van 11.000 Euro dat zijn, verdachtes, echtgenote [betrokkene 2] alleenstaand was en
- op het formulier vermeld d.d. 13 juni 2003 voor een Flexibel Krediet met nummer [005] van 10.000 Euro dat hij, verdachte, alleenstaand was en
- op het formulier vermeld d.d. 15 september 2004 voor de verhoging van het Flexibel Krediet met nummer [005] naar 36.000 Euro dat hij, verdachte, alleenstaand was en
- op het formulier/de aanvraag heeft vermeld en/of opgegeven aan een bankmedewerker van ABN-AMRO d.d. 13 augustus 2004 voor een verhoging van het Flexibel Krediet met nummer [003] naar 35.000 Euro dat zijn, verdachtes, echtgenote [betrokkene 2] alleenstaand was en inwonend aan de [b-straat 1] en
- op het formulier/de aanvraag heeft vermeld en/of opgegeven aan een bankmedewerker van ABN-AMRO d.d. 11 augustus 2004 voor een Flexibel Krediet met nummer [004] van 30.100 Euro dat een persoon genaamd [betrokkene 2] alleenstaand was en zonder kinderen was en woonachtig was aan de [c-straat 1] en
- op het formulier /de aanvraag heeft vermeld en/of opgegeven aan een bankmedewerker van ABN-AMRO d.d. 7 oktober 2004 voor een verhoging van het Flexibel Krediet met nummer [004] naar 38.000 Euro dat een persoon genaamd [betrokkene 2] alleenstaand was en zonder kinderen was en woonachtig was aan de [c-straat 1] en
- op het formulier /de aanvraag heeft vermeld en/of opgegeven aan een bankmedewerker van ABN-AMRO d.d. 1 februari 2005 voor een verhoging van het Flexibel Krediet met nummer [004] naar 44.000 euro dat een persoon genaamd [betrokkene 2] alleenstaand was en zonder kinderen was en woonachtig was aan de [c-straat 1]
en
hij op 30 juni 2003 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door één of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels InterBank te bewegen tot het aangaan van een schuld, te weten het afgeven van een krediet, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid
- op het formulier van InterBank vermeld dat een persoon genaamd [verdachte], alleenstaand was’.
23. Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen (onder 7, 8, 9, 11, 12, 13 en 14) blijkt dat krediet is aangevraagd terwijl met betrekking tot een deel van die aanvragen uit de bewijsmiddelen blijkt dat de aanvraag is ingediend door de verdachte (onder 7, 11, 12, 13 en 14). Vermeld is daar dat de aanvraag is gedaan door de gebruikerscode die exclusief door de verdachte werd gebruikt. Tevens zijn voor drie aanvragen de BKR toetsingsresultaten vermeld die telkens zijn aangevraagd door de verdachte (onder 11, 12, 13). Ten aanzien van al de genoemde aanvragen blijkt dat het gevraagde krediet is verleend. Hieruit kan volgen dat de verdachte de formulieren heeft gebruikt, zodat de klacht faalt.
24. De tweede klacht houdt in dat geen sprake was van ‘gebruik maken van een vals of vervalst geschrift’ omdat geen sprake was van misleiding van een derde. Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat ABN AMRO Bank N.V. de door de verdachte aangevraagde kredieten ter beschikking heeft gesteld. In het bijzonder kan worden gewezen op de onder 9 tot bewijs gebruikte kredietovereenkomst. De overeenkomst houdt onder meer het volgende in:
‘De ondergetekenden:
[verdachte], [d-straat 1], [woonplaats], hierna te noemen “Kredietnemer”en
de naamloze vennootschap ABN AMRO Bank N.V., hierna te noemen “de Bank”;
Verklaren te zijn overeengekomen:
1. De Bank stelt aan Kredietnemer ter beschikking een krediet tot een maximum van EUR 36.000 […] (“het ABN AMRO Flexibel Krediet”)
6. De Bank heeft de kredietaanvraag door Kredietnemer beoordeeld en verleent thans aan Kredietnemer het hiervoor genoemde ABN AMRO Flexibel Krediet op basis van persoonlijke en financiële gegevens, welke door kredietnemer bij de aanvraag van de ABN AMRO Flexibel Krediet aan de bank zijn verstrekt.’
25. Hieruit volgt dat verdachte ABN AMRO Bank N.V. heeft misleid. De klacht is gebaseerd op de opvatting dat verdachte ABN AMRO Bank N.V. niet heeft misleid omdat hij de formulieren zelf beoordeelde zodat van gebruik of misleiding geen sprake kan zijn omdat verdachte zelf op de hoogte was van de valsheid en – in het verlengde daarvan – ook de rechtspersoon ABN AMRO Bank N.V. Dat is een merkwaardige redenering, omdat in de onderhavige zaak niet de daderschap van de rechtspersoon, in het kader waarvan gedragingen en wetenschap van een medewerker van de rechtspersoon daderschap en wetenschap van de rechtspersoon kunnen opleveren, aan de orde is. Van een gelijkstelling van verdachte met de rechtspersoon, kan daarom voor wat betreft het gebruik van de formulieren en de misleiding van een derde geen sprake zijn, nu de rechtspersoon in casu slachtoffer is. Daarom mocht het hof wel degelijk aannemen dat verdachte ABN AMRO Bank N.V. heeft misleid. De klacht faalt.
26. Het middel faalt in beide onderdelen.
27. Het vijfde en zesde middel klagen over een samenstel van gedragingen dat ten laste van de verdachte onder 1 bewezen is verklaard. De middelen bevatten meerdere klachten over afzonderlijke onderdelen van de bewezenverklaring. Onder 1 zijn, verspreid over een viertal onderdelen afzonderlijke kwalificaties toegekend aan gedragingen die in onderling verband moeten worden beoordeeld. Dat is precies de reden waarom die gedragingen allemaal onder 1 ten laste zijn gelegd en niet als afzonderlijke feiten. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking omdat ze zich richten tegen onderdelen van hetzelfde bewezen verklaarde feit die in onderling verband moeten worden beoordeeld.
28. Een achttal klachten in de toelichting op de middelen richt zich tegen verschillende bestanddelen van het misdrijf oplichting: het aannemen van een valse naam; listige kunstgrepen; een samenweefsel van verdichtsels en een valse hoedanigheid. De klachten zijn telkens zo opgezet dat wordt ingegaan op een enkele gedraging die het hof ten laste van de verdachte bewezen heeft verklaard om vervolgens aan te voeren dat die enkele gedraging niet een van de bestanddelen van oplichting vervult.