Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2014-07-01
ECLI:NL:RBAMS:2014:4189
Strafrecht
Op tegenspraak
13,388 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummer: 13/730005-14 (Promis)
Datum uitspraak: 1 juli 2014
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] (Pakistan) op [geboortedatum],
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [detentieadres].
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 juni 2014.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.V.A. Bos en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J. de Vries naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging – ten laste gelegd dat hij op of omstreeks de periode vanaf 18 december 2013 tot en met 23 januari 2014 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/ hebben gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en aldaar (telkens) een of meer voorwerpen, te weten in ieder geval:
- een (groot) geldbedrag van (ongeveer) 55.510,- euro en/of
- een (groot) geldbedrag van (ongeveer)1.000.000,- euro en/of
- een (groot) geldbedrag van (ongeveer) 42.625,- euro,
althans een of meer geldbedragen, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van de/het voorwerp(en) gebruik heeft/hebben gemaakt, zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1
Feiten
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Binnen het onderzoek [onderzoek A] vindt op 18 december 2013 een observatie plaats waarbij wordt gezien dat twee mannen met een Pakistaans uiterlijk op de [straat A] te Amsterdam ter hoogte van [een perceel] in een Peugeot 106, kenteken [kenteken A] stappen. [persoon 1] (hierna: [persoon 1]) bevindt zich op dat moment al in die auto. Hij wordt kort daarna aangehouden met een geldbedrag van € 55.510,- in zijn bezit. In de woning van [persoon 1] wordt diezelfde dag een hoeveelheid softdrugs aangetroffen. Onderschepte telefoongesprekken en sms-berichten duiden op ondergronds bankieren. Dit vermoeden wordt ondersteund door de verklaring van [persoon 1] bij de politie, inhoudende dat hij een paar keer per jaar een geldbedrag, zoals in dit geval € 55.510,-, moet ophalen en ergens moet afleveren en dat hij daar geld voor krijgt. Hij heeft de twee mannen een tokennummer gegeven waarna hij van hen het bij hem aangetroffen geldbedrag heeft ontvangen.
De twee mannen zijn uiteindelijk de woning aan de [adres 1] te Amsterdam binnengegaan.
Op 13 januari 2014 geeft de officier van justitie een bevel observatie af op grond van artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Naar aanleiding van dit bevel wordt op 18 januari 2014 een camera geplaatst die opnamen maakt van het portiek van de [adres 1].
Op 22 januari 2014 wordt voornoemde portiek onder observatie genomen. Verbalisanten zien die dag een man met Pakistaans uiterlijk uit het portiek komen. Een paar minuten later zien zij dat er een taxi aan komt rijden. Uit de taxi stapt een andere man met een Pakistaans uiterlijk. Beide mannen gaan het portiek binnen.
Op 23 januari 2014 wordt er wederom een observatie verricht. Verbalisanten zien verdachte en [persoon 2] uit het portiek komen, in een auto (Peugeot) stappen en verschillende winkels bezoeken in Rotterdam. Daarna rijdt de Peugeot naar een parkeerplaats aan de [weg A] te Rotterdam. De auto stopt meermalen en de mannen stappen een aantal keer uit, maar maken geen contact met andere personen. Vervolgens stappen beide mannen weer in de auto waarna deze naar de parkeerplaats op de [weg A] te Barendrecht rijdt. De bijrijder stapt uit en stapt als passagier in een Volkswagen Passat. Twee minuten later stapt hij daar weer uit en neemt hij weer als bijrijder plaats in de Peugeot. Beide auto’s rijden weg naar het industriegebied Bijdorp te Barendrecht. Aldaar is de Peugeot een kwartier niet in observatie. Wanneer verbalisanten de Peugeot weer in beeld krijgen, volgen zij de auto tot deze parkeert voor het portiek van de [adres 1]. Verbalisanten zien [persoon 3] en [persoon 4] het portiek uitkomen en samen met [persoon 2] en verdachte de auto uitladen en de goederen naar binnen dragen. Onder deze goederen bevinden zich een grote gele Jumbo tas en een donkerkleurige koffer. verdachte en [persoon 2] zetten de auto na het uitladen weg. Wanneer zij weer bij de [adres 1] aankomen, worden zij aangehouden.
Vervolgens wordt de woning aan de [adres 1] binnengetreden en doorzocht. In een slaapkamer worden [persoon 4] en [persoon 3] aangetroffen. [persoon 4] zit op een stoel naast een bed bij een geldtelmachine die op dat moment een bundel geld telt. [persoon 3] zit op het bed tussen vele geldbundels. Naast het geld staat een lege gele Jumbo tas met daarin een opgevouwen gele Jumbo tas en in de hoek staat een lege bruine koffer. In totaal gaat het om een bedrag van € 1.000.000,-. In de woonkamer bevindt zich een afgesloten inbouwkast waarvan de sleutel niet wordt aangetroffen. De kast is geopend door de deur uit de schernieren te lichten. Vervolgens wordt in de kast een koffer met € 42.625,- en een blauwe tas met plastic stekbakken aangetroffen.
Verdachte heeft verklaard dat de twee in de woning aangetroffen geldbedragen van hem zijn en dat hij dat geld heeft verkregen door ‘slecht werk’. Op de vraag wat voor slecht werk het betreft, heeft hij geantwoord dat hij zich ten aanzien daarvan op zijn zwijgrecht beroept, omdat hij anders straf zal krijgen.
4.2
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat [persoon 4] en verdachte in de periode van 18 december 2013 tot en met 23 januari 2014 zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen met betrekking tot alle drie in de tenlastelegging genoemde geldbedragen.
Ten aanzien van het eerste in de tenlastelegging genoemde geldbedrag (€ 55.510,-) is de officier van justitie van mening dat, mede op basis van de verklaring van [persoon 1], vast staat dat [persoon 4] en verdachte dat bedrag op 18 december 2013 hebben overgedragen aan voornoemde [persoon 1]. [persoon 1] heeft dit geld verdiend met de handel in verdovende middelen. Bovendien staat vast dat [persoon 1] veelvuldig contacten onderhield met personen met antecedenten op het gebied van de Opiumwet.
Ten aanzien van de tweede en derde in de tenlastelegging genoemde geldbedragen
(€ 1.000.000,- en € 42.625,-) staat in de visie van de officier van justitie vast dat [persoon 4], verdachte en [persoon 3] deze geldbedragen voorhanden hebben gehad. Vragen met betrekking tot deze geldbedragen beantwoorden zij niet; zij hebben een beroep gedaan op hun zwijgrecht.
De handelingen met betrekking tot het door verdachten aan [persoon 1] overgedragen geldbedrag en het geldbedrag van € 1.000.000,- vonden plaats onder omstandigheden die, in de context van de gebeurtenissen en in samenhang bezien als zogenoemde typologieën van – en daarmee kenmerkend voor – witwassen zijn aan te merken. Immers:
[persoon 3], [persoon 4] en verdachte hebben een zeer groot geldbedrag contant voorhanden gehad;
het transport van dit grote contante geldbedrag gebeurde onbeveiligd via een koffer of tas en werd geen gebruik gemaakt van het bancaire stelsel zodat het geldbedrag onttrokken is aan het gebruikelijke (overheids)toezicht en waardoor de werkelijke aard en de herkomst van het geld kon worden verhuld;
de geldbedragen zijn dermate groot dat verdachten hadden kunnen vermoeden dat het geld een niet legale herkomst zou kunnen hebben en ontbreekt in casu een legale economische verklaring voor het voorhanden hebben en – in het geval van de € 55.510,- – overdragen van een dergelijk groot geldbedrag;
heeft er niemand aanspraak gemaakt op de onder [persoon 4] in beslag genomen geldbedragen;
weigeren [persoon 4] en zijn medeverdachten te verklaren omtrent de herkomst van het geld.
Het vermoeden dat de aangetroffen geldbedragen afkomstig zijn van enig misdrijf is door verdachte niet weerlegd.
In reactie op de door de verdediging gevoerde verweren heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd.
Er is maar één bevel afgegeven (gedateerd 13 januari 2013) dat ziet op het stelselmatig observeren. Gelet op de vermoedens die op 23 januari 2013 bestonden, was de politie reeds op grond van artikel 3 van de Politiewet bevoegd om de verdachten te observeren.
De officier van justitie geeft toe dat in het proces-verbaal dat ziet op de verslaglegging van de observatie op 18 december 2013 de naam van verbalisant S-001 niet is opgenomen, terwijl hij wel degene is die [persoon 4] en verdachte heeft herkend. De officier van justitie gaat er echter vanuit dat de naam van S-001 abusievelijk niet in het proces-verbaal van 18 december 2013 is opgenomen.
Beoordeling
Ten aanzien van het eerste op de tenlastelegging genoemde geldbedrag (€ 55.510,-)
Verbalisant S-001 relateert in het proces-verbaal identificatie NN1 en NN2 [adres 1] (p. 59 en 60 van het dossier [onderzoek B]) het volgende. Tijdens de observatie op 9 januari 2014 zien hij en verbalisant S-090 twee Pakistaans uitziende mannen uit het portiek [adres 1] komen. Deze personen herkent S-001 als de personen die op 18 december 2013 de geldlevering hebben gedaan aan [persoon 1] en die na de geldlevering door verbalisant S-003 naar perceel [adres 1] zijn gevolgd.
Op de camerabeelden van 18 januari 2014 van het portiek [adres 1] herkennen S-001 en S-090 NN1 en NN2 als de twee personen die op 9 januari 2014 dezelfde portiek verlieten. Na aanhouding bleken deze personen verdachte en [persoon 4] te zijn.
Het proces-verbaal observatie 18 december 2013 (p. 87-89 van het dossier [onderzoek A]) is (mede) opgesteld en ondertekend door verbalisant S-090, maar niet door verbalisant S-001. Verbalisantnummer S-001 komt in het geheel niet in dit proces-verbaal voor. Met de verdediging en anders dan de officier van justitie meent, ziet de rechtbank dan ook geen enkel aanknopingspunt waaruit zij kan afleiden dat verbalisant S-001 deel heeft genomen aan deze observatie. De rechtbank is van oordeel dat aangenomen moet worden dat S-001 geen onderdeel uitmaakte van het observatieteam. Dat betekent dat de gestelde herkenning door S-001 van de twee mannen die op 18 december 2013 zijn gezien en gevolgd naar het oordeel van de rechtbank niet heeft kunnen plaatsvinden. Kennelijke schrijffouten in de betreffende processen-verbaal zijn naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden, althans het mogelijke bestaan daarvan is onvoldoende onderbouwd. Dit leidt ertoe dat het (voorwaardelijke) verzoek van de officier van justitie om verbalisant S-001 te horen wordt afgewezen, nu voor de rechtbank de noodzaak daartoe ontbreekt. In het dossier bevinden zich geen andere bewijsmiddelen waaruit de conclusie kan worden getrokken dat [persoon 4] en verdachte de twee mannen zijn die op 18 december 2013 geld hebben overgedragen aan [persoon 1]. Het dossier bevat daarentegen wel een contra indicatie voor die stelling. [persoon 1] heeft immers verklaard dat één van de twee mannen van wie hij het geld heeft gehad een broer was van [persoon 5]. Uit de beschikbare stukken blijkt niet van enige link tussen [persoon 4] en verdachte en de persoon [persoon 5].
De conclusie is dat niet kan worden bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de transactie op 18 december 2013. De rechtbank spreekt hem vrij van het verwijt dat hem ten aanzien van het bedrag van € 55.510,- wordt gemaakt.
Ten aanzien van de tweede en derde op de tenlastelegging genoemde geldbedragen
(€ 1.000.000,- en € 42.625,-)
Ten aanzien van het verweer dat men verdachte onterecht is gevolgd, nu een bevel tot stelselmatige observatie ontbrak, overweegt de rechtbank als volgt.
Het bevel ex artikel 126g Sv dat de officier van justitie op 13 januari 2014 heeft afgegeven, ziet slechts op de (statische) stelselmatige observatie van het portiek [adres 1] te Amsterdam middels opname apparatuur en niet op het stelselmatig observeren van verdachte. Van een bevel tot stelselmatige observatie van verdachte is de rechtbank niet gebleken.
Er is sprake van stelselmatige observatie als er een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte gemaakt wordt. Of dit het geval is hangt volgens de Hoge Raad af van een aantal omstandigheden zoals de duur, de intensiteit, de plaats, het doel van de observaties en de wijze waarop deze hebben plaatsgevonden (HR 21 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5254).
Uit het dossier blijkt dat verdachte driemaal is geobserveerd. Op 9 januari 2014 heeft er een 50 minuten durende observatie op de openbare weg plaatsgevonden. Op 22 januari 2014 vond er wederom een observatie op de openbare weg plaats. Deze duurde anderhalf uur. Tot slot is verdachte op 23 januari 2014 op de openbare weg geobserveerd van 11.21 uur tot 17.26 uur, waarbij verdachte een kwartier niet onder observatie heeft gestaan toen hij zich in de loods bevond.
De rechtbank is van oordeel dat door middel van deze drie observaties slechts een lichte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is gemaakt en dat – mede gelet op het in elk geval vanaf 13 januari 2014 geldende bevel ten aanzien van de woning aan de [adres 1] - geen sprake is van stelselmatige observatie waar een bevel ex 126g Sv aan ten grondslag moet liggen. Dat de politie het proces-verbaal observeren betreffende 22 januari 2014 (p. 78 e.v. van het zaaksdossier [onderzoek B]) en het proces-verbaal observeren 23 januari 2014 (p. 95 e.v. van het zaaksdossier [onderzoek B]) aanmerkt als een verslag van een stelselmatige observatie doet daar niet aan af.
Ten aanzien van het verweer dat de woning onrechtmatig is binnen getreden overweegt de rechtbank als volgt. Ter beantwoording van de vraag of er sprake was van een verdenking in de zin van artikel 67, eerste lid Sv en daarom een bevel tot binnentreden ter aanhouding en/of doorzoeking mocht worden afgegeven, zijn de reeds in rubriek 4.1 genoemde feiten en omstandigheden op 18 december 2013 en 23 januari 2014 van belang.
Deze feiten en omstandigheden in samenhang en onderling verband bezien rechtvaardigen de verdenking dat er sprake is van strafbare feiten worden gepleegd als bedoeld in artikel 67, eerste lid Sv, gepleegd door personen die in de woning aan de [adres 1] verbleven. Dit leidt er toe dat de binnentreding en de doorzoeking rechtmatig waren. De rechtbank verwerpt het verweer dienaangaande.
Uit de reeds in rubriek 4.1 genoemde feiten en omstandigheden trekt de rechtbank de volgende conclusies.
[persoon 2] en verdachte zijn op 23 januari 2014 met de auto naar Rotterdam en later naar Barendrecht geweest, alwaar zij contact hebben met een bestuurder van een andere auto. Zij volgen deze auto naar industrieterrein Bijdorp te Barendrecht en rijden daar een loods binnen. Gelet op het feit dat eenmaal terug bij de [adres 1] te Amsterdam door [persoon 2], verdachte , [persoon 4] en [persoon 3] meer tassen (een gele Jumbotas en een donkerkleurige koffer) uit de auto worden geladen dan dat de observanten ingeladen hebben zien worden, gaat de rechtbank ervan uit dat die tassen in de loods in de auto zijn gezet. Deze tassen zijn in de slaapkamer gevonden waar [persoon 4] en [persoon 3] en een geldbedrag van € 1.000.000,- zijn aangetroffen. Hieruit trekt de rechtbank de conclusie dat de inhoud van de tassen die in de loods in de auto zijn gezet bestond uit bankbiljetten.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de in de woning aangetroffen geldbedragen van hem zijn.
Gelet op alle feiten en omstandigheden en het uitblijven van een verklaring van verdachte omtrent de herkomst ervan is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat het van misdrijf afkomstig is. [persoon 4] was in aanwezigheid van [persoon 3] het geld aan het tellen op het moment dat de woning werd binnengetreden. Zij kunnen als medepleger van verdachte worden aangemerkt voor wat betreft het voorhanden hebben van € 1.000.000,-. Ten aanzien van het bedrag van € 42.625,- dat in een koffer in een afgesloten muurkast is gevonden overweegt de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat de medeverdachten [persoon 3] en [persoon 4] wetenschap hadden van de aanwezigheid van dit bedrag. De rechtbank acht aldus bewezen dat verdachte dat bedrag alleen voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat het uit misdrijf afkomstig was.
Beoordeling
Met de rechtspraak van de Hoge Raad wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat. Daarom heeft de Hoge Raad beslist dat "indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd". Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.
Ter terechtzitting heeft verdachte weliswaar verklaard dat de in de woning aangetroffen geldbedragen aan hem toebehoren en dat hij ze heeft verdiend met ‘verkeerde dingen’, maar deze verklaring is dermate vaag en algemeen dat deze als onaannemelijk terzijde moet worden gesteld. Ook zonder zichzelf te belasten had verdachte meer informatie kunnen en moeten verschaffen over de door hem gepleegde misdrijven. Dit leidt tot de volgende conclusies.
De rechtbank geconstateerd dat sprake is van geldbedragen die afkomstig zijn uit enig misdrijf. Op basis van het onderzoek ter terechtzitting en hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende aannemelijk geworden dat dat misdrijf door de verdachte zelf is begaan.
Het belang met het oog waarop de Hoge Raad eerdergenoemd vereiste heeft geformuleerd – voorkoming van dubbele bestraffing – is in het onderhavige geval dus niet in het geding. Als gevolg daarvan wordt het verweer verworpen.
Dit leidt tot de conclusie dat het bewezen geachte feit volgens de wet kan worden gekwalificeerd en ook overigens strafbaar is. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
Motivering
8.1
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest.
8.2
Het strafmaatverweer van de verdediging
De verdediging heeft niets ter zake aangevoerd.
8.3
Beoordeling
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft niet de Nederlandse nationaliteit, noch een vaste woonplaats in Nederland. Verdachte heeft een contant geldbedrag van één miljoen euro dat van misdrijf afkomstig was tezamen met anderen en een bedrag van ruim tweeënveertigduizend euro voorhanden gehad. Zulke grote contante geldbedragen dienen veelal ter financiering van (ander) misdadig handelen. Het in stand houden van ongecontroleerde omloop van dit geld heeft zodoende een sterk corrumperende werking.
De rechtbank heeft kennis genomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 maart 2014, inhoudende dat verdachte in Nederland niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen.
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de LOVS-richtlijnen. Als oriëntatiepunt ten aanzien van fraudedelicten die betrekking hebben op een bedrag van één miljoen euro geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden.
Gelet op de rol van verdachte ten opzichte van zijn medeverdachten [persoon 4] en [persoon 3] is de rechtbank van oordeel dat de in het oriëntatiepunt genoemde straf in het onderhavige geval passend en geboden is.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
meerdaadse samenloop van medeplegen van witwassen en witwassen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.M. van Dijk, voorzitter,
mrs. W.A.J.P. van den Reek en M.J.A. Duker, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N.C. van Geel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juli 2014.
Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Nu het dossier niet alleen bestaat uit het zaaksdossier [onderzoek B], maar het ook een deel van het zaaksdossier [onderzoek A] bevat, zal ter verduidelijking de naam van het zaaksdossier worden vermeld waarin de aangehaalde processen-verbaal zich bevinden.
Zaaksdossier [onderzoek A] proces-verbaal gebruik telefoonnummers [persoon 1], doorgenummerde pag. ZD 28 tot en met ZD 32 en een proces-verbaal van bevindingen onderzoek mobiele telefoons verdachte [persoon 1], doorgenummerde pag. 223, 224.
Zaaksdossier [onderzoek A] proces-verbaal van 1e verhoor verdachte [persoon 1], doorgenummerde pag. 16.
Zaaksdossier [onderzoek B] proces-verbaal van verhoor verdachte [persoon 1] doorgenummerde pag. 23.
Zaaksdossier [onderzoek B] proces-verbaal verblijfplaats geldkoeriers, doorgenummerde pag. 17.
Zaaksdossier [onderzoek B] proces-verbaal observeren woensdag 22 januari 2014, doorgenummerde pag. 79.
Zaaksdossier [onderzoek B] proces-verbaal observatie 23 januari 2014, doorgenummerde pag. 84 tot en met 86 en een proces-verbaal observeren 23 januari 2013, doorgenummerde pag. 96 en 97.
Zaaksdossier [onderzoek B] proces-verbaal bevindingen doorzoeking [adres 1], doorgenummerde pag. 124 tot en met 127.
Zaaksdossier [onderzoek B] proces-verbaal bevindingen Geldtellen, doorgenummerde pag. 141 plus bijlagen doorgenummerde pag. 143 en 144.
Verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 17 juni 2014.
Zaaksdossier [onderzoek A] proces-verbaal van verhoor verdachte [persoon 2], doorgenummerde p. 276.
ECLI:NL:HR:2010:BM4440 Hoge Raad, 26-10-2010; ECLI:NL:HR:2013:BX6909 Hoge Raad, 08-01-2013; ECLI:NL:HR:2013:CA3302 Hoge Raad, 18-06-2013.
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummer: 13/730005-14 (Promis)
Datum uitspraak: 1 juli 2014
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] (Pakistan) op [geboortedatum],
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [detentieadres].
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 juni 2014.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.V.A. Bos en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J. de Vries naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging – ten laste gelegd dat hij op of omstreeks de periode vanaf 18 december 2013 tot en met 23 januari 2014 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/ hebben gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en aldaar (telkens) een of meer voorwerpen, te weten in ieder geval:
- een (groot) geldbedrag van (ongeveer) 55.510,- euro en/of
- een (groot) geldbedrag van (ongeveer)1.000.000,- euro en/of
- een (groot) geldbedrag van (ongeveer) 42.625,- euro,
althans een of meer geldbedragen, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van de/het voorwerp(en) gebruik heeft/hebben gemaakt, zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1
Feiten
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Binnen het onderzoek [onderzoek A] vindt op 18 december 2013 een observatie plaats waarbij wordt gezien dat twee mannen met een Pakistaans uiterlijk op de [straat A] te Amsterdam ter hoogte van [een perceel] in een Peugeot 106, kenteken [kenteken A] stappen. [persoon 1] (hierna: [persoon 1]) bevindt zich op dat moment al in die auto. Hij wordt kort daarna aangehouden met een geldbedrag van € 55.510,- in zijn bezit. In de woning van [persoon 1] wordt diezelfde dag een hoeveelheid softdrugs aangetroffen. Onderschepte telefoongesprekken en sms-berichten duiden op ondergronds bankieren. Dit vermoeden wordt ondersteund door de verklaring van [persoon 1] bij de politie, inhoudende dat hij een paar keer per jaar een geldbedrag, zoals in dit geval € 55.510,-, moet ophalen en ergens moet afleveren en dat hij daar geld voor krijgt. Hij heeft de twee mannen een tokennummer gegeven waarna hij van hen het bij hem aangetroffen geldbedrag heeft ontvangen.
De twee mannen zijn uiteindelijk de woning aan de [adres 1] te Amsterdam binnengegaan.
Op 13 januari 2014 geeft de officier van justitie een bevel observatie af op grond van artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Naar aanleiding van dit bevel wordt op 18 januari 2014 een camera geplaatst die opnamen maakt van het portiek van de [adres 1].
Op 22 januari 2014 wordt voornoemde portiek onder observatie genomen. Verbalisanten zien die dag een man met Pakistaans uiterlijk uit het portiek komen. Een paar minuten later zien zij dat er een taxi aan komt rijden. Uit de taxi stapt een andere man met een Pakistaans uiterlijk. Beide mannen gaan het portiek binnen.
Op 23 januari 2014 wordt er wederom een observatie verricht. Verbalisanten zien verdachte en [persoon 2] uit het portiek komen, in een auto (Peugeot) stappen en verschillende winkels bezoeken in Rotterdam. Daarna rijdt de Peugeot naar een parkeerplaats aan de [weg A] te Rotterdam. De auto stopt meermalen en de mannen stappen een aantal keer uit, maar maken geen contact met andere personen. Vervolgens stappen beide mannen weer in de auto waarna deze naar de parkeerplaats op de [weg A] te Barendrecht rijdt. De bijrijder stapt uit en stapt als passagier in een Volkswagen Passat. Twee minuten later stapt hij daar weer uit en neemt hij weer als bijrijder plaats in de Peugeot. Beide auto’s rijden weg naar het industriegebied Bijdorp te Barendrecht. Aldaar is de Peugeot een kwartier niet in observatie. Wanneer verbalisanten de Peugeot weer in beeld krijgen, volgen zij de auto tot deze parkeert voor het portiek van de [adres 1]. Verbalisanten zien [persoon 3] en [persoon 4] het portiek uitkomen en samen met [persoon 2] en verdachte de auto uitladen en de goederen naar binnen dragen. Onder deze goederen bevinden zich een grote gele Jumbo tas en een donkerkleurige koffer. verdachte en [persoon 2] zetten de auto na het uitladen weg. Wanneer zij weer bij de [adres 1] aankomen, worden zij aangehouden.
Vervolgens wordt de woning aan de [adres 1] binnengetreden en doorzocht. In een slaapkamer worden [persoon 4] en [persoon 3] aangetroffen. [persoon 4] zit op een stoel naast een bed bij een geldtelmachine die op dat moment een bundel geld telt. [persoon 3] zit op het bed tussen vele geldbundels. Naast het geld staat een lege gele Jumbo tas met daarin een opgevouwen gele Jumbo tas en in de hoek staat een lege bruine koffer. In totaal gaat het om een bedrag van € 1.000.000,-. In de woonkamer bevindt zich een afgesloten inbouwkast waarvan de sleutel niet wordt aangetroffen. De kast is geopend door de deur uit de schernieren te lichten. Vervolgens wordt in de kast een koffer met € 42.625,- en een blauwe tas met plastic stekbakken aangetroffen.
Verdachte heeft verklaard dat de twee in de woning aangetroffen geldbedragen van hem zijn en dat hij dat geld heeft verkregen door ‘slecht werk’. Op de vraag wat voor slecht werk het betreft, heeft hij geantwoord dat hij zich ten aanzien daarvan op zijn zwijgrecht beroept, omdat hij anders straf zal krijgen.
4.2
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat [persoon 4] en verdachte in de periode van 18 december 2013 tot en met 23 januari 2014 zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen met betrekking tot alle drie in de tenlastelegging genoemde geldbedragen.
Ten aanzien van het eerste in de tenlastelegging genoemde geldbedrag (€ 55.510,-) is de officier van justitie van mening dat, mede op basis van de verklaring van [persoon 1], vast staat dat [persoon 4] en verdachte dat bedrag op 18 december 2013 hebben overgedragen aan voornoemde [persoon 1]. [persoon 1] heeft dit geld verdiend met de handel in verdovende middelen. Bovendien staat vast dat [persoon 1] veelvuldig contacten onderhield met personen met antecedenten op het gebied van de Opiumwet.
Ten aanzien van de tweede en derde in de tenlastelegging genoemde geldbedragen
(€ 1.000.000,- en € 42.625,-) staat in de visie van de officier van justitie vast dat [persoon 4], verdachte en [persoon 3] deze geldbedragen voorhanden hebben gehad. Vragen met betrekking tot deze geldbedragen beantwoorden zij niet; zij hebben een beroep gedaan op hun zwijgrecht.
De handelingen met betrekking tot het door verdachten aan [persoon 1] overgedragen geldbedrag en het geldbedrag van € 1.000.000,- vonden plaats onder omstandigheden die, in de context van de gebeurtenissen en in samenhang bezien als zogenoemde typologieën van – en daarmee kenmerkend voor – witwassen zijn aan te merken. Immers:
[persoon 3], [persoon 4] en verdachte hebben een zeer groot geldbedrag contant voorhanden gehad;
het transport van dit grote contante geldbedrag gebeurde onbeveiligd via een koffer of tas en werd geen gebruik gemaakt van het bancaire stelsel zodat het geldbedrag onttrokken is aan het gebruikelijke (overheids)toezicht en waardoor de werkelijke aard en de herkomst van het geld kon worden verhuld;
de geldbedragen zijn dermate groot dat verdachten hadden kunnen vermoeden dat het geld een niet legale herkomst zou kunnen hebben en ontbreekt in casu een legale economische verklaring voor het voorhanden hebben en – in het geval van de € 55.510,- – overdragen van een dergelijk groot geldbedrag;
heeft er niemand aanspraak gemaakt op de onder [persoon 4] in beslag genomen geldbedragen;
weigeren [persoon 4] en zijn medeverdachten te verklaren omtrent de herkomst van het geld.
Het vermoeden dat de aangetroffen geldbedragen afkomstig zijn van enig misdrijf is door verdachte niet weerlegd.
In reactie op de door de verdediging gevoerde verweren heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd.
Er is maar één bevel afgegeven (gedateerd 13 januari 2013) dat ziet op het stelselmatig observeren. Gelet op de vermoedens die op 23 januari 2013 bestonden, was de politie reeds op grond van artikel 3 van de Politiewet bevoegd om de verdachten te observeren.
De officier van justitie geeft toe dat in het proces-verbaal dat ziet op de verslaglegging van de observatie op 18 december 2013 de naam van verbalisant S-001 niet is opgenomen, terwijl hij wel degene is die [persoon 4] en verdachte heeft herkend. De officier van justitie gaat er echter vanuit dat de naam van S-001 abusievelijk niet in het proces-verbaal van 18 december 2013 is opgenomen.
Beoordeling
Ten aanzien van het eerste op de tenlastelegging genoemde geldbedrag (€ 55.510,-)
Verbalisant S-001 relateert in het proces-verbaal identificatie NN1 en NN2 [adres 1] (p. 59 en 60 van het dossier [onderzoek B]) het volgende. Tijdens de observatie op 9 januari 2014 zien hij en verbalisant S-090 twee Pakistaans uitziende mannen uit het portiek [adres 1] komen. Deze personen herkent S-001 als de personen die op 18 december 2013 de geldlevering hebben gedaan aan [persoon 1] en die na de geldlevering door verbalisant S-003 naar perceel [adres 1] zijn gevolgd.
Op de camerabeelden van 18 januari 2014 van het portiek [adres 1] herkennen S-001 en S-090 NN1 en NN2 als de twee personen die op 9 januari 2014 dezelfde portiek verlieten. Na aanhouding bleken deze personen verdachte en [persoon 4] te zijn.
Het proces-verbaal observatie 18 december 2013 (p. 87-89 van het dossier [onderzoek A]) is (mede) opgesteld en ondertekend door verbalisant S-090, maar niet door verbalisant S-001. Verbalisantnummer S-001 komt in het geheel niet in dit proces-verbaal voor. Met de verdediging en anders dan de officier van justitie meent, ziet de rechtbank dan ook geen enkel aanknopingspunt waaruit zij kan afleiden dat verbalisant S-001 deel heeft genomen aan deze observatie. De rechtbank is van oordeel dat aangenomen moet worden dat S-001 geen onderdeel uitmaakte van het observatieteam. Dat betekent dat de gestelde herkenning door S-001 van de twee mannen die op 18 december 2013 zijn gezien en gevolgd naar het oordeel van de rechtbank niet heeft kunnen plaatsvinden. Kennelijke schrijffouten in de betreffende processen-verbaal zijn naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden, althans het mogelijke bestaan daarvan is onvoldoende onderbouwd. Dit leidt ertoe dat het (voorwaardelijke) verzoek van de officier van justitie om verbalisant S-001 te horen wordt afgewezen, nu voor de rechtbank de noodzaak daartoe ontbreekt. In het dossier bevinden zich geen andere bewijsmiddelen waaruit de conclusie kan worden getrokken dat [persoon 4] en verdachte de twee mannen zijn die op 18 december 2013 geld hebben overgedragen aan [persoon 1]. Het dossier bevat daarentegen wel een contra indicatie voor die stelling. [persoon 1] heeft immers verklaard dat één van de twee mannen van wie hij het geld heeft gehad een broer was van [persoon 5]. Uit de beschikbare stukken blijkt niet van enige link tussen [persoon 4] en verdachte en de persoon [persoon 5].
De conclusie is dat niet kan worden bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de transactie op 18 december 2013. De rechtbank spreekt hem vrij van het verwijt dat hem ten aanzien van het bedrag van € 55.510,- wordt gemaakt.
Ten aanzien van de tweede en derde op de tenlastelegging genoemde geldbedragen
(€ 1.000.000,- en € 42.625,-)
Ten aanzien van het verweer dat men verdachte onterecht is gevolgd, nu een bevel tot stelselmatige observatie ontbrak, overweegt de rechtbank als volgt.
Het bevel ex artikel 126g Sv dat de officier van justitie op 13 januari 2014 heeft afgegeven, ziet slechts op de (statische) stelselmatige observatie van het portiek [adres 1] te Amsterdam middels opname apparatuur en niet op het stelselmatig observeren van verdachte. Van een bevel tot stelselmatige observatie van verdachte is de rechtbank niet gebleken.
Er is sprake van stelselmatige observatie als er een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte gemaakt wordt. Of dit het geval is hangt volgens de Hoge Raad af van een aantal omstandigheden zoals de duur, de intensiteit, de plaats, het doel van de observaties en de wijze waarop deze hebben plaatsgevonden (HR 21 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5254).
Uit het dossier blijkt dat verdachte driemaal is geobserveerd. Op 9 januari 2014 heeft er een 50 minuten durende observatie op de openbare weg plaatsgevonden. Op 22 januari 2014 vond er wederom een observatie op de openbare weg plaats. Deze duurde anderhalf uur. Tot slot is verdachte op 23 januari 2014 op de openbare weg geobserveerd van 11.21 uur tot 17.26 uur, waarbij verdachte een kwartier niet onder observatie heeft gestaan toen hij zich in de loods bevond.
De rechtbank is van oordeel dat door middel van deze drie observaties slechts een lichte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is gemaakt en dat – mede gelet op het in elk geval vanaf 13 januari 2014 geldende bevel ten aanzien van de woning aan de [adres 1] - geen sprake is van stelselmatige observatie waar een bevel ex 126g Sv aan ten grondslag moet liggen. Dat de politie het proces-verbaal observeren betreffende 22 januari 2014 (p. 78 e.v. van het zaaksdossier [onderzoek B]) en het proces-verbaal observeren 23 januari 2014 (p. 95 e.v. van het zaaksdossier [onderzoek B]) aanmerkt als een verslag van een stelselmatige observatie doet daar niet aan af.
Ten aanzien van het verweer dat de woning onrechtmatig is binnen getreden overweegt de rechtbank als volgt. Ter beantwoording van de vraag of er sprake was van een verdenking in de zin van artikel 67, eerste lid Sv en daarom een bevel tot binnentreden ter aanhouding en/of doorzoeking mocht worden afgegeven, zijn de reeds in rubriek 4.1 genoemde feiten en omstandigheden op 18 december 2013 en 23 januari 2014 van belang.
Deze feiten en omstandigheden in samenhang en onderling verband bezien rechtvaardigen de verdenking dat er sprake is van strafbare feiten worden gepleegd als bedoeld in artikel 67, eerste lid Sv, gepleegd door personen die in de woning aan de [adres 1] verbleven. Dit leidt er toe dat de binnentreding en de doorzoeking rechtmatig waren. De rechtbank verwerpt het verweer dienaangaande.
Uit de reeds in rubriek 4.1 genoemde feiten en omstandigheden trekt de rechtbank de volgende conclusies.
[persoon 2] en verdachte zijn op 23 januari 2014 met de auto naar Rotterdam en later naar Barendrecht geweest, alwaar zij contact hebben met een bestuurder van een andere auto. Zij volgen deze auto naar industrieterrein Bijdorp te Barendrecht en rijden daar een loods binnen. Gelet op het feit dat eenmaal terug bij de [adres 1] te Amsterdam door [persoon 2], verdachte , [persoon 4] en [persoon 3] meer tassen (een gele Jumbotas en een donkerkleurige koffer) uit de auto worden geladen dan dat de observanten ingeladen hebben zien worden, gaat de rechtbank ervan uit dat die tassen in de loods in de auto zijn gezet. Deze tassen zijn in de slaapkamer gevonden waar [persoon 4] en [persoon 3] en een geldbedrag van € 1.000.000,- zijn aangetroffen. Hieruit trekt de rechtbank de conclusie dat de inhoud van de tassen die in de loods in de auto zijn gezet bestond uit bankbiljetten.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de in de woning aangetroffen geldbedragen van hem zijn.
Gelet op alle feiten en omstandigheden en het uitblijven van een verklaring van verdachte omtrent de herkomst ervan is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat het van misdrijf afkomstig is. [persoon 4] was in aanwezigheid van [persoon 3] het geld aan het tellen op het moment dat de woning werd binnengetreden. Zij kunnen als medepleger van verdachte worden aangemerkt voor wat betreft het voorhanden hebben van € 1.000.000,-. Ten aanzien van het bedrag van € 42.625,- dat in een koffer in een afgesloten muurkast is gevonden overweegt de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat de medeverdachten [persoon 3] en [persoon 4] wetenschap hadden van de aanwezigheid van dit bedrag. De rechtbank acht aldus bewezen dat verdachte dat bedrag alleen voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat het uit misdrijf afkomstig was.
Beoordeling
Met de rechtspraak van de Hoge Raad wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat. Daarom heeft de Hoge Raad beslist dat "indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd". Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.
Ter terechtzitting heeft verdachte weliswaar verklaard dat de in de woning aangetroffen geldbedragen aan hem toebehoren en dat hij ze heeft verdiend met ‘verkeerde dingen’, maar deze verklaring is dermate vaag en algemeen dat deze als onaannemelijk terzijde moet worden gesteld. Ook zonder zichzelf te belasten had verdachte meer informatie kunnen en moeten verschaffen over de door hem gepleegde misdrijven. Dit leidt tot de volgende conclusies.
De rechtbank geconstateerd dat sprake is van geldbedragen die afkomstig zijn uit enig misdrijf. Op basis van het onderzoek ter terechtzitting en hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende aannemelijk geworden dat dat misdrijf door de verdachte zelf is begaan.
Het belang met het oog waarop de Hoge Raad eerdergenoemd vereiste heeft geformuleerd – voorkoming van dubbele bestraffing – is in het onderhavige geval dus niet in het geding. Als gevolg daarvan wordt het verweer verworpen.
Dit leidt tot de conclusie dat het bewezen geachte feit volgens de wet kan worden gekwalificeerd en ook overigens strafbaar is. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
Motivering
8.1
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest.
8.2
Het strafmaatverweer van de verdediging
De verdediging heeft niets ter zake aangevoerd.
8.3
Beoordeling
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft niet de Nederlandse nationaliteit, noch een vaste woonplaats in Nederland. Verdachte heeft een contant geldbedrag van één miljoen euro dat van misdrijf afkomstig was tezamen met anderen en een bedrag van ruim tweeënveertigduizend euro voorhanden gehad. Zulke grote contante geldbedragen dienen veelal ter financiering van (ander) misdadig handelen. Het in stand houden van ongecontroleerde omloop van dit geld heeft zodoende een sterk corrumperende werking.
De rechtbank heeft kennis genomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 maart 2014, inhoudende dat verdachte in Nederland niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen.
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de LOVS-richtlijnen. Als oriëntatiepunt ten aanzien van fraudedelicten die betrekking hebben op een bedrag van één miljoen euro geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden.
Gelet op de rol van verdachte ten opzichte van zijn medeverdachten [persoon 4] en [persoon 3] is de rechtbank van oordeel dat de in het oriëntatiepunt genoemde straf in het onderhavige geval passend en geboden is.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
meerdaadse samenloop van medeplegen van witwassen en witwassen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.M. van Dijk, voorzitter,
mrs. W.A.J.P. van den Reek en M.J.A. Duker, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N.C. van Geel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juli 2014.
Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Nu het dossier niet alleen bestaat uit het zaaksdossier [onderzoek B], maar het ook een deel van het zaaksdossier [onderzoek A] bevat, zal ter verduidelijking de naam van het zaaksdossier worden vermeld waarin de aangehaalde processen-verbaal zich bevinden.
Zaaksdossier [onderzoek A] proces-verbaal gebruik telefoonnummers [persoon 1], doorgenummerde pag. ZD 28 tot en met ZD 32 en een proces-verbaal van bevindingen onderzoek mobiele telefoons verdachte [persoon 1], doorgenummerde pag. 223, 224.
Zaaksdossier [onderzoek A] proces-verbaal van 1e verhoor verdachte [persoon 1], doorgenummerde pag. 16.
Zaaksdossier [onderzoek B] proces-verbaal van verhoor verdachte [persoon 1] doorgenummerde pag. 23.
Zaaksdossier [onderzoek B] proces-verbaal verblijfplaats geldkoeriers, doorgenummerde pag. 17.
Zaaksdossier [onderzoek B] proces-verbaal observeren woensdag 22 januari 2014, doorgenummerde pag. 79.
Zaaksdossier [onderzoek B] proces-verbaal observatie 23 januari 2014, doorgenummerde pag. 84 tot en met 86 en een proces-verbaal observeren 23 januari 2013, doorgenummerde pag. 96 en 97.
Zaaksdossier [onderzoek B] proces-verbaal bevindingen doorzoeking [adres 1], doorgenummerde pag. 124 tot en met 127.
Zaaksdossier [onderzoek B] proces-verbaal bevindingen Geldtellen, doorgenummerde pag. 141 plus bijlagen doorgenummerde pag. 143 en 144.
Verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 17 juni 2014.
Zaaksdossier [onderzoek A] proces-verbaal van verhoor verdachte [persoon 2], doorgenummerde p. 276.
ECLI:NL:HR:2010:BM4440 Hoge Raad, 26-10-2010; ECLI:NL:HR:2013:BX6909 Hoge Raad, 08-01-2013; ECLI:NL:HR:2013:CA3302 Hoge Raad, 18-06-2013.