Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2013-09-27
ECLI:NL:PHR:2013:912
Civiel recht
2,062 tokens
Conclusie
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker tot cassatie
tegen
De Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht,
gevestigd te Utrecht,
verweerster in cassatie
1.
Het op 6 juni 2013 tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen de beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 7 maart 2013 voor zover daarbij werd bekrachtigd de beschikking van de Rechtbank Utrecht van 2 november 2012. Bij die beschikking werd aan Bureau Jeugdzorg Utrecht (hierna: BJZ) op de voet van art. 29b Wet op de Jeugdzorg (hierna Wjz) machtiging verleend tot opname en verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg van verzoeker tot cassatie, [verzoeker], met ingang van 2 november 2012 tot 2 mei 2013. Het cassatieverzoekschrift bevat twee middelen. Er is in cassatie geen verweer gevoerd,
Hoewel de periode is verstreken waarvoor de machtiging is verleend, behoort verzoeker niet op die grond procesbelang te worden ontzegd (vgl. HR 31 mei 2013, rov. 3.5 (ECLI:NL:HR:2013:BZ5422, NJ 2013/412 m.nt. S.F.M. Wortmann)).
2.1
Middel I betreft de verklaring van de gedragswetenschapper als bedoeld in art. 29b lid 5 Wjz. Een machtiging voor gesloten jeugdzorg vereist volgens art. 29b lid 3 Wjz dat de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Art. 29b lid 4 Wjz vereist een verklaring van BJZ dat een geval als bedoeld in art. 29b lid 3 Wjz zich voordoet. Volgens art. 29b lid 5 Wjz behoeft de verklaring van BJZ de instemming van een gedragswetenschapper behorende tot een bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie. Vgl. omtrent deze instemmingseis HR 31 mei 2013, rov. 3.7 (ECLI:NL:HR:2013:BZ5422, NJ 2013/412 m.nt. S.F.M. Wortmann) alsmede mijn conclusie sub 2.11.1 e.v. voor deze uitspraak (ECLI:NL:PHR:2013:BZ5422).
2.2
In deze zaak heeft BJZ eerst een verklaring van [betrokkene 1] overgelegd. [betrokkene 1] is volgens [verzoeker] niet een gedragswetenschapper behorende tot een bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie. In reactie op dit verweer is vervolgens door BJZ de verklaring van [betrokkene 2] overgelegd. Deze “Verklaring Gedragskundige t.b.v. Gesloten Jeugdzorg” van [betrokkene 2] bestaat uit:
- een dossieranalyse, waarin wordt verwezen naar het concept plan van aanpak spoedeisende zorg van BJZ, het indicatiebesluit van BJZ en de verklaring van [betrokkene 1], die vervolgens wordt geciteerd en die eindigt met de passage “Ik stem op bovengenoemde gronden in met de verklaring van BJZ dat gesloten opvang voor bovengenoemde jongere noodzakelijk is.”;
- een weergave van het korte gesprek tussen [betrokkene 2] en [verzoeker] waarin, kort gezegd, [verzoeker] aangaf dat zijn advocaat hem heeft geadviseerd geen antwoorden te geven op de vragen van de psycholoog;
- een beantwoording van de drie onderzoeksvragen door [betrokkene 2] (te weten: 1. Er is sprake van ernstige opvoedings- en opgroeiproblematiek; 2. Er is sprake van een gebrek aan effect van hulpverlening in het verleden, zowel in het vrijwillig kader als in een gedwongen kader; 3. Er is sprake van zich onttrekken aan zorg of door anderen daaraan onttrokken worden);
- een samenvatting en conclusie welke luidt: “Uit het onderzoek is gebleken dat plaatsing in gesloten jeugdzorg voor [verzoeker] noodzakelijk is wegens ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren. De opneming en het verblijf zijn tevens noodzakelijk om te voorkomen dat hij zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.”
2.3
Volgens de eerste klacht van middel I heeft het hof in rov. 4.8 het recht geschonden door de verklaring van [betrokkene 2] aan te merken als een instemmingsverklaring, hoewel deze niet aan de wettelijke eisen voldoet.
Het hof is blijkens rov. 4.8 met de kinderrechter van oordeel dat deze verklaring in casu wel voldoet aan de strekking van de wettelijke bepaling, nu [betrokkene 2] in deze verklaring gemotiveerd het standpunt van BJZ onderschrijft dat zich een geval als bedoeld in artikel 29b lid 3 WJZ voordoet.
2.4
Deze klacht dient m.i. te falen. Het verdient aanbeveling de verklaring zo te formuleren dat er geen misverstand over kan ontstaan dat de gedragswetenschapper antwoord geeft op de in art. 29b lid 5 Wjz bedoelde vraag. Hoewel de formulering van de verklaring in dit geval niet exact art. 29b lid 5 Wjz volgt, heeft het hof zich ervan overtuigd dat de gedragswetenschapper in dit geval wel de juiste vraag voor ogen heeft gestaan en heeft getoetst.
Gezien deze overweging klaagt het middel onder 1.4 naar mijn mening ten onrechte dat het hof de strikte waarborgen die de wet geeft als het om vrijheidsbeneming gaat, heeft veronachtzaamd. Het hof heeft immers getoetst of aan de in art. 29b lid 5 Wjz bedoelde waarborg is voldaan en heeft geoordeeld dat dit het geval is.
Het middel wijst sub 1.3 op een uitspraak van hof Den Haag van 6 augustus 2008 (ECLI:NL:GHDHA:2008:BE9979). Daarin overwoog het hof Den Haag dat reeds niet aan art. 29b lid 5 Wjz was voldaan omdat de gedragswetenschapper verklaart in te stemmen dat zich een geval als bedoeld in art. 29b lid 3 Wjz voordoet, maar niet verklaart dat zij instemt met de verklaring van BJZ dat een dergelijk geval zich voordoet. Naar het oordeel van het hof Den Haag was in dat geval tevens inhoudelijk niet aan de strekking van art. 29b lid 5 Wjz voldaan, omdat de verklaring van de gedragswetenschapper iedere argumentatie met controleerbare en verifieerbare feiten en omstandigheden ontbeerde. Het door het hof Den Haag beoordeelde geval verschilt dus in zoverre van het onderhavige geval. Ik lees daarin dan ook niet de opvatting, dat een minder gelukkige formulering van de verklaring als bedoeld in art. 29b lid 5 Wjz, die overigens wel voldoet aan de strekking van die bepaling, reeds tot de conclusie zou moeten leiden dat niet is voldaan aan de door art. 29b Wjz gestelde eisen.
Volgens het middel onder 1.5 voldoet de verklaring niet aan de eisen van art. 29b lid 5 Wjz, nu daarin niet wordt vermeld dat de gedragswetenschapper instemt met de verklaring van BJZ maar de gedragswetenschapper zelf oordeelt dat de situatie als bedoeld in art. 29b lid 3 Wjz aan de orde is waardoor de controlefunctie van de verklaring verloren gaat, te meer nu de verklaring niet vermeldt dat kennis is genomen van het verzoekschrift van BJZ. Het middel kan worden toegegeven dat de formulering van de conclusie van [betrokkene 2] varieert op art. 29b lid 3 Wjz. De strekking ervan voldoet volgens het feitelijke oordeel van het hof echter aan art. 29b lid 5 Wjz. Het hof heeft dus door de formulering heen gekeken naar de strekking van de verklaring en geoordeeld dat sprake is van een verklaring als bedoeld in art. 29b lid 5 Wjz. Om die reden mist de klacht feitelijke grondslag. Ten overvloede: het feitelijke oordeel van het hof komt mij niet onbegrijpelijk voor.
De wet schrijft verder niet voor dat de verklaring van art. 29b lid 5 Wjz dient te vermelden dat de gedragswetenschapper kennis heeft genomen van het verzoekschrift dat BJZ aan de kinderrechter richt. Het middel gaat in zoverre uit van een onjuiste rechtsopvatting.
3.1
De tweede klacht van middel I ziet op rov. 4.9. Daarin verwerpt het hof het betoog dat [betrokkene 2] in haar instemmingsverklaring geen gebruik had mogen maken van de ondeugdelijke instemmingsverklaring van [betrokkene 1].
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G