Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2013-10-18
ECLI:NL:PHR:2013:1096
Civiel recht; Insolventierecht
2,356 tokens
Conclusie
[verzoekster]
verzoekster tot cassatie,
(hierna: [verzoekster])
Feiten
1.1 Bij vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 mei 2010 is [verzoekster] toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
1.2 Bij vonnis van 30 juni 2011 is het verzoek tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling afgewezen en is de schuldsaneringsregeling met een periode van zes maanden verlengd. De rechtbank heeft in die procedure de schuldsaneringsregeling verlengd, omdat [verzoekster] naast haar sollicitatieverplichting ook haar informatieverplichting niet naar behoren nakwam.
1.3 Op voordracht van de rechter-commissaris is de schuldsaneringsregeling beëindigd bij vonnis van (de rechtbank Den Haag van) 4 maart 2013. De rechtbank heeft overwogen dat [verzoekster] - ook na de verlenging met zes maanden wegens eerdere tekortkomingen - is tekortgeschoten in de informatie- en sollicitatieverplichting, alsmede dat zij nieuwe schulden en een achterstand in de boedelafdracht heeft laten ontstaan.
1.4 [verzoekster] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof Den Haag. Na de mondelinge behandeling op 17 september 2013, heeft het hof bij arrest van 24 september 2013 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
1.5 [verzoekster] is van dit arrest tijdig in cassatie gekomen.
2. Ontvankelijkheid
2.1 Het verzoekschrift bevat, na het citeren van de rov. 1-3 van het bestreden arrest onder ‘FEITEN’, twee middelen tot cassatie. Middel II bevat twee onderdelen.
2.2 Middel I, klaagt over deze passage van rov. 4 van het bestreden arrest:
“Het standpunt van [verzoekster] dat de bewindvoerder het initiatief had moeten nemen voor een medische keuring deelt het hof overigens niet, aangezien onbestreden is dat zijzelf bij brief van 15 april 2012 aan de bewindvoerder heeft medegedeeld dat zij weer aan het solliciteren was. Bovendien is de bewindvoerder geen maatschappelijk werker. De geconstateerde tekortkoming kan haar dan ook worden toegerekend.”
De klacht houdt in dat [verzoekster] er alles aan gedaan heeft om de bewindvoerder zelfstandig en op eigen initiatief goed te informeren - onder verwijzing naar het beroepschrift onder 18-31. Verder behelst de klacht dat de overweging van het hof dat de bewindvoerder geen maatschappelijk werker is, niet berust op een wettelijke bepaling. Onder verwijzing naar art. 215 Fw voert [verzoekster] aan dat gelet op de situatie waarin zij zich bevond als gevolg van een ernstige mishandeling uit januari 2012, het binnen de taakvervulling van de bewindvoerder lag om een arbeidsongeschiktheidskeuring door de GGD aan te vragen. Het hof heeft volgens de klacht miskend dat de taakvervulling van de bewindvoerder zich niet alleen richt op het verkrijgen van zoveel mogelijk activa voor de boedel, “maar ook op het verrichten van werkzaamheden om de schuldenaar in optimale positie te krijgen zoveel mogelijk middelen voor de boedel te verkrijgen, hetgeen impliceert, het in optima forma bijstaan van de saniet om voorwaarden te scheppen de schuldsaneringsregeling met goed gevolg te doorlopen.”
2.3 Het middel faalt. De klacht richt zich tegen een niet-dragend deel van rov. 4 en mist belang. Het hof stelt in rov. 4 voorop dat van sanieten mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de aan toelating tot de schuldsaneringsregeling verbonden verplichtingen en dat [verzoekster] deze verplichtingen niet naar behoren is nagekomen. Daartoe overweegt het hof vervolgens dat uit deze regeling de inspanningsverplichting voor de schuldenaar voortvloeit om tijdens de schuldsanering zoveel mogelijk inkomsten te verwerven waarmee schuldeisers kunnen worden voldaan. Sanieten zonder betaald werk hebben een sollicitatieplicht, tenzij de rechter-commissaris daarvoor een ontheffing heeft gegeven. Een dergelijke ontheffing is hier niet gegeven, zodat de sollicitatieverplichting op [verzoekster] onverkort van toepassing was. Het hof overweegt dat [verzoekster] stelt dat het haar niet kan worden toegerekend dat zij onvoldoende heeft gesolliciteerd, omdat zij op 29 januari 2012 is mishandeld en daarvan ernstige lichamelijke en psychische gevolgen heeft ondervonden. [verzoekster] miskent daarmee volgens het hof dat zij ook vóór deze mishandeling niet (voldoende) aan haar sollicitatieplicht heeft voldaan. Het hof stelt vast dat [verzoekster] er tijdens de verlenging van haar schuldsaneringsregeling nadrukkelijk op is gewezen dat zij aan haar sollicitatieplicht moest voldoen, dat dat blijkens vervolgverslagen niet is gebeurd en dat haar ernstig te verwijten valt, zeker na de verkregen verlenging. Het hof vervolgt dan in rov. 4 met:
“Ook indien rekening wordt gehouden met de gevolgen van de mishandeling in die zin dat het [verzoekster] niet kan worden verweten dat zij enige maanden na de mishandeling onvoldoende heeft gesolliciteerd, is het hof van oordeel dat [verzoekster] onvoldoende aan haar sollicitatieverplichting heeft voldaan, nu zij op 18 februari 2013 slechts 33 in plaats van 80 sollicitatiebewijzen heeft overgelegd. Het standpunt van [verzoekster] dat de bewindvoerder het initiatief had moeten nemen voor een medische keuring deelt het hof overigens niet, aangezien onbestreden is dat zijzelf bij brief van 15 april 2012 aan de bewindvoerder heeft medegedeeld dat zij weer aan het solliciteren was. Bovendien is een bewindvoerder geen maatschappelijk werker. De geconstateerde tekortkoming (sc. niet (voldoende) voldoen aan sollicitatieverplichting, A-G) kan haar dan ook worden toegerekend.”
Aldus heeft het hof heeft het niet naleven van de sollicitatieplicht door [verzoekster] gegrond op twee verschillende periodes, die beide zelfstandig het oordeel van het hof kunnen dragen dat aan [verzoekster] is toe te rekenen dat zij niet aan haar sollicitatieverplichting heeft voldaan en dat daarom de schuldsaneringsregeling dient te worden beëindigd: i) de periode na het verlengingsvonnis van de rechtbank van 30 juni 2011 tot aan de mishandeling op 29 januari 2012, en ii) de periode vanaf die mishandeling, waarbij het hof uitdrukkelijk rekening heeft gehouden met de gevolgen van die mishandeling, in die zin dat [verzoekster] niet wordt verweten dat zij enige maanden na de mishandeling onvoldoende heeft gesolliciteerd. Nu het middel niet opkomt tegen de gebreken uit periode i), faalt het al.
2.4 Daar komt bij dat het middel uit het oog verliest dat het hof overweegt dat de bewindvoerder geen initiatief tot medische keuring behoefde te nemen, omdat [verzoekster] zelf tweeënhalve maand na de mishandeling schriftelijk aan de bewindvoerder heeft meegedeeld dat zij weer aan het solliciteren was. Ook in zoverre faalt het middel.
2.5 Bovendien neemt het hof aan dat [verzoekster] wegens de mishandeling enige maanden onvoldoende heeft kunnen solliciteren en houdt het hof daar uitdrukkelijk rekening mee, maar oordeelt dat [verzoekster] ook dan onvoldoende aan haar sollicitatieverplichting heeft voldaan. Dat het hof het standpunt van [verzoekster], betrekking hebbende op periode ii), dat de bewindvoerder initiatief had moeten nemen voor een medische keuring, niet volgt is in dat verband een overweging ten overvloede (‘overigens’) die zijn beslissing - dat [verzoekster] ook in die periode niet aan haar sollicitatieverplichting heeft voldaan - niet draagt (waar het hof als in 2.4 aangegeven bovendien een niet in cassatie aangevallen dragende reden voor geeft: [verzoekster] zelf schrijft tweeënhalve maand later aan de bewindvoerder dat zij weer solliciteert). Datzelfde geldt voor zijn overweging dat de bewindvoerder geen maatschappelijk werker is. Het middel faalt ook op die gronden.
2.6 Middel II omvat twee onderdelen en richt zich tegen een andere passage uit rov. 4 van het bestreden arrest:
“Alle omstandigheden in aanmerking nemende, kan niet worden gezegd dat het gaat om een tekortkoming die vanwege de bijzondere aard of geringe betekenis ervan, buiten beschouwing kan worden gelaten.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-generaal
Zie het vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 maart 2013 (p. 1), alsmede het bestreden arrest van hof Den haag van 24 september 2013 (onder “Het geding” en rov. 4).
Vgl. rov. 1 van het bestreden arrest.
Het verzoekschrift tot cassatie is per fax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 1 oktober 2013, overeenkomstig de in art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van 8 dagen.
Indien de schuldenaar een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt of deze door zijn doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert, kan de rechtbank de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigen (art. 350 lid 1 jo. 350 lid 3 onder c Fw).
De invulling van de sollicitatieplicht in de Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen in art. 3.5 geldt als uitgangspunt (vgl. Engberts, T&C Insolventierecht 2012, art. 350, aant. 3).