Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2024-09-04
ECLI:NL:OGHACMB:2024:173
Bestuursrecht
Hoger beroep
1,398 tokens
Inleiding
AUA2024H00173
Datum uitspraak: 4 september 2024
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], verblijvend in Aruba,
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 13 mei 2024 in zaak nr. AUA202203107, in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Arbeid, Energie en Integratie (hierna: de minister)
Procesverloop
Bij beschikking van 11 april 2019 heeft de minister het verzoek van [appellant] om internationale bescherming (hierna: asielverzoek), afgewezen.
Bij beschikking van 30 juli 2022 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard (hierna: bestreden beschikking).
Bij uitspraak van 13 mei 2024 heeft het Gerecht het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beschikking vernietigd, bepaald dat de minister opnieuw moet beslissen en de minister veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van Afl. 3000,-.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Met toestemming van partijen is een behandeling ter zitting achterwege gelaten.
Overwegingen
Het Gerecht heeft de bestreden beschikking vernietigd omdat het bezwaarschrift niet in handen is gesteld van de bezwaaradviescommissie. Het Gerecht kan niet beoordelen of de rechtsgevolgen in stand gelaten kunnen worden omdat de minister de op de zaak betrekking hebbende stukken niet overgelegd heeft. Dat komt voor risico van de minister. Het Gerecht heeft vervolgens vastgesteld dat de behandeling van het bezwaar en het beroep ruim vijf jaar geduurd heeft. Wegens overschrijding van de redelijke termijn met ruim drie jaar heeft het Gerecht de minister veroordeeld tot een vergoeding van immateriële schade van Afl. 3.000,-.
In hoger beroep voert [appellant] aan dat het Gerecht de minister had moeten veroordelen tot een vergoeding van Afl. 3.500,-.
2.1.
Het Hof stelt vast dat [appellant] op 15 april 2019 bezwaar heeft gemaakt tegen de beschikking van 11 april 2019. Het Gerecht heeft op 13 mei 2024 uitspraak gedaan. De behandeling van het bezwaar en beroep heeft daarmee ongeveer vijf jaar en bijna een maand geduurd. De redelijke termijn is dus met drie jaar en 28 dagen overschreden. Voor de vatstelling van de hoogte van het bedrag aan vergoeding van immateriële schade gaat het Hof uit van een tarief van Afl. 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond (zie de uitspraak van het Hof van 18 januari 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:64). Dat betekent dat de overschrijding van drie jaar en 28 dagen naar boven moet worden afgerond naar drieënhalf jaar. Dat leidt tot een vergoeding van immateriële schade van Afl. 3.500,- in plaats van Afl. 3.000,-. Het betoog slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover het Gerecht de minister heeft veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van Afl. 3.000,-. De uitspraak moet voor het overige worden bevestigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal het Hof de minister veroordelen tot betaling van een bedrag van Afl. 3.500,-.
4. De minister moet de proceskosten van [appellant] in hoger beroep vergoeden tot een bedrag van Afl. 350,- (1 punt voor het indienen van een hogerberoepschrift; wegingsfactor 0,5). Er wordt een wegingsfactor van 0,5 toegepast omdat in hoger beroep alleen de overschrijding van de redelijke termijn aan de orde is.
Dictum
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
I. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 13 mei 2024 in zaak nr. AUA202203107, voor zover het Gerecht de minister van Arbeid, Energie en Integratie heeft veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van Afl. 3.000,-;
II. veroordeelt de minister van Arbeid, Energie en Integratie om aan [appellant] een vergoeding van immateriële schade van Afl. 3.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn te betalen;
III. veroordeelt de minister van Arbeid, Energie en Integratie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Afl. 350,-, geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand;
IV. gelast dat het Land Aruba aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht van Afl. 75,- vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier.
voorzitter
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2024.