Rechtspraak 2026-06-19
ECLI:NL:OGEAC:2026:137
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen: BUURTVERENIGING OUD JAN THIEL, [verzoeker 1], [verzoeker 2], [verzoeker 3], [verzoeker 4], allen gevestigd respectievelijk wonende in Curaçao, verzoekers, gemachtigde: mr. A.K.E. Henriquez, advocaat, tegen de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning, verweerder, gemachtigde: mr. E.A.M.J. van den Berg, met als derde-belanghebbende: GAW 67 Private Foundation, gevestigd in Curaçao, vergunninghouder. Partijen worden hierna geduid als verzoekers, de minister en de vergunninghouder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het verzoek om voorlopige voorziening gericht tegen de bouwvergunning voor het bouwen van een flatcomplex van vier wooneenheden aan de [adres] te Jan Thiel. 1.1 De minister heeft bij ministeriële beschikking van 20 oktober 2025 deze bouwvergunning verleend. 1.2 Verzoekers hebben daartegen bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben het Gerecht vervolgens bij verzoekschrift van 11 mei 2026 verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening de bouwvergunning te schorsen. 1.3 De minister heeft op 26 mei 2026 de op de bouwvergunning betrekking hebbende stukken in het geding gebracht en heeft op 9 juni 2026 een verweerschrift ingediend. 1.4 De vergunninghouder heeft op 9 juni 2026 een schriftelijke reactie op het verzoek ingediend. 1.5 Verzoekers hebben op 9 juni 2026 nog een foto overgelegd. 1.6 Het Gerecht heeft het verzoek op 10 juni 2026 op zitting behandeld. 1.6.1 Verzoeker [naam verzoeker 3] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De overige verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. 1.6.2 De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder zijn namens de minister verschenen mr. G.N. Hollander, mr. [naam medewerker 1] en mevrouw [naam medewerker 2]. 1.6.3 De vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar bestuurder [naam bestuurder]. Verder is namens de vergunninghouder verschenen de architect de heer [naam architect]. De beoordeling van het Gerecht 2.1 Het Gerecht wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. 2.2 Het Gerecht is van oordeel dat aan de bouwvergunning een aantal gebreken kleeft. De minister heeft de bouwhoogte van het gebouw niet conform zijn eigen beleid vastgesteld. De vraag is of de bouwhoogte hoger of lager is dan de volgens het Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curaçao (EOP)toegestane 8 meter. Als de bouwhoogte hoger is dan 8 meter, dan moet de minister een belangenafweging maken voor het gedeelte van het gebouw dat hoger is dan 8 meter. Verder heeft de minister ten onrechte niet aan het verkavelingsplan getoetst en kan het Gerecht niet vaststellen of is voldaan aan de in het verkavelingsplan gegeven minimale afstand tussen de weg en de gevelrooilijn. Deze gebreken kunnen echter in de bezwaarfase worden hersteld. Gelet daarop en op het gevorderde stadium waar de bouw van het bouwplan zich bevindt, ziet het Gerecht geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Ter voorlichting aan de vergunninghouder merkt het Gerecht op dat als de minister of de bodemrechter in een eventuele beroepsprocedure de bouwvergunning alsnog intrekt respectievelijk vernietigt, dat tot gevolg kan hebben dat het bouwwerk alsnog geheel of gedeeltelijk moet worden afgebroken. 2.3 Hierna legt het Gerecht dit oordeel uit. Wat is relevant om te weten in deze zaak? 3.1 Vergunninghouder heeft op 21 juli 2025 een bouwvergunning aangevraagd voor het bouwen van een flatcomplex van vier wooneenheden aan de [adres] te Jan Thiel. Vergunninghouder is eigenaar van het perceel. 3.2 De Buurtvereniging Oud Jan Thiel (de buurtvereniging) is opgericht op 17 december 2025. Uit artikel 2 van de oprichtingsakte blijkt dat de buurtvereniging onder andere ten doel heeft het behouden van het karakter en de woonfunctie van de wijk Oud Jan Thiel en het handhaven van de regel dat per perceel niet meer dan één woonhuis mag worden gebouwd. De overi Wat voeren verzoekers aan tegen de bouwvergunning en wat vindt het Gerecht? 9. Verzoekers voeren allereerst dat het bouwplan in strijd is met het verkavelingsplan Jan Thiel en in het bijzonder met het voorschrift dat per perceel maximaal één woonhuis is toegestaan. Ook aan de voorschriften uit het verkavelingsplan over de gevelrooilijn is niet voldaan. 10. Dit betoog slaagt voor zover het gaat om de gevelrooilijn. Het Gerecht motiveert dit als volgt. 10.1 Het Gerecht stelt allereerst vast dat het “Verkavelingsplan Jan Thiel (ged.) (A. Perret Gentil) nr. PA 63-32” is goedgekeurd bij besluit van het Bestuurscollege verzonden op 26 oktober 1963 in reactie op de brief van het Hoofd van de Dienst Openbare werken van 17 augustus 1963. Het Gerecht volgt de minister niet in zijn standpunt dat vóór de inwerkingtreding van de Eilandsverordening Ruimtelijke Ontwikkelingsplanning Curaçao (EROC) op 3 oktober 1983 het Bestuurscollege alleen bevoegd was tot goedkeuring van de weginrichting van een verkavelingsplan en niet tot goedkeuring van de daarin voorkomende bebouwingsvoorschriften. Het is immers vaste rechtspraak van het Hof dat verkavelingsplannen van vóór de totstandkoming van de EROC op grond van paragraaf 10 van de Bwv, samen met de voorschriften over de wegen en de bebouwing, werden goedgekeurd door het Bestuurscollege. Voor de vraag of een bouwaanvraag aan een verkavelingsplan moet worden getoetst is slechts van belang of er voor de bij de bouwaanvraag betrokken gronden een door het Bestuurscollege goedgekeurd verkavelingsplan is. Of dat goedgekeurde verkavelingsplan op grond van de Bwv of de EROC tot stand is gekomen, doet niet ter zake. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (het Hof) heeft deze lijn recentelijk nog bevestigd in de uitspraak van 10 juni 2026 (ECLI:NL:OGHACMB:2026:142). 10.2 Het Gerecht stelt verder vast dat het bouwperceel deel uitmaakt van het verkavelingsplan Jan Thiel. De minister had het bouwplan op grond van artikel 22, aanhef en onder 8, van de Bwv moeten toetsen aan het verkavelingsplan. Artikel 22, aanhef en onder 8, van de Bwv schrijft immers voor dat een bouwvergunning moet worden geweigerd als het bouwplan in strijd is met de bestemmingsvoorschriften van een ontwikkelingsplan, dan wel met de voorschriften behorende bij een goedgekeurd verkavelingsplan waarin de bij de aanvraag betrokken grond is begrepen. In de omstandigheid dat de minister ten onrechte niet heeft getoetst aan het verkavelingsplan, ziet het Gerecht echter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe is het volgende van belang. 10.3 Onder 2e van het verkavelingsplan staat – voor zover hier relevant – dat de gevelrooilijnen per perceel worden bepaald op een afstand van ten minste 7 meter, gemeten vanuit de kant van de wegstrook zoals deze uit de plantekening nr. PA 63-32 is af te leiden. Met partijen is tijdens de zitting de bij de vergunning behorende situatietekening besproken waarop op het perceel van vergunninghouder een rode lijn en een stippellijn zichtbaar is. De minister heeft onweersproken toegelicht dat de rode lijn de perceelsgrens is en dat de stippellijn de gevelrooilijn is. De afstand tussen de gevelrooilijn en de perceelsgrens is 5 meter. Hoewel de afstand tussen de gevelrooilijn en de kant van de wegstrook als bedoeld in het verkavelingsplan niet is aangegeven op de situatietekening, is het Gerecht van oordeel dat uit de situatietekening kan worden afgeleid dat die afstand ten minste 7 meter is. Daarbij betrekt het Gerecht de afstanden van 5 meter en 3 meter die wel ingetekend zijn op de situatietekening. Het Gerecht stelt op basis van die afstanden vast dat de afstand tussen de perceelsgrens en de kant van de wegstrook ten minste 2 meter is, waardoor de afstand van de kant van de wegstrook en de gevelrooilijn ten minste 7 meter is. Naar voorlopig oordeel van het Gerecht is dus op dit punt geen strijdigheid met het verkavelingsp Als verzoekers vinden dat er in afwijking van de bouwvergunning wordt gebouwd, dienen zij een handhavingsverzoek bij de minister in te dienen. Dat hebben zij overigens ook gedaan. In deze procedure ligt enkel de rechtmatigheid van de verleende bouwvergunning ter beoordeling voor aan het Gerecht en die gaat uit van twee bouwlagen. Beoordeeld dient dan ook te worden of het vergunde bouwplan hoger is dan 8 meter of niet. Het Gerecht stelt op grond van de bouwtekening “doorsnede a-a en b-b” vast dat de bouwhoogte 6,50 meter boven peil is. Wat het in de bouwtekening gehanteerde peil is, blijkt echter niet uit de bouwtekening. Artikel 2, aanhef en onder, van het EOP schrijft voor dat de bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf de gemiddelde hoogte van het terrein waarop het bouwwerk staat, na het bouwrijp maken daarvan, tot aan het hoogste punt van het bouwwerk. Het Gerecht is van oordeel dat uit de bouwtekeningen niet kan worden afgeleid wat de bouwhoogte van het bouwwerk is als wordt gemeten conform de wijze in artikel 2 van het EOP. Uit het voor de zitting door de minister overgelegde ROB-advies van 26 mei 2026 kan de conform het EOP gemeten bouwhoogte evenmin worden afgeleid. Daarin staat slechts dat de bouwhoogte 7 meter is. Een toelichting daarop wordt niet gegeven. 12.3 Het betoog van verzoekers dat het bouwplan hoger is dan 8 meter, kan dus kloppen. Als gezegd ziet het Gerecht geen aanleiding om vanwege dit mogelijke gebrek een voorlopige voorziening te treffen. Daarvoor is relevant dat er op grond van de bouwtekeningen aanknopingspunten zijn om te oordelen dat de in het EOP gestelde maximale bouwhoogte van 8 meter niet wordt overschreden. En al zou de bouwhoogte van 8 meter worden overschreden, dan moet de minister een afweging maken tussen het met de grotere bouwhoogte dan 8 meter te dienen belang en de mogelijke hinder of ontsiering voor de omgeving, welke door die grotere bouwhoogte dan 8 meter eventueel kan ontstaan. Dat staat in artikel 3, tweede lid en onder d, van het EOP. Deze afweging kan de minister maken in de bezwaarfase en daarmee kan dit gebrek dat aan de bouwvergunning kleeft worden hersteld. 12.4 Het Gerecht volgt verzoekers niet in hun betoog over hinder en de gestelde parkeer- en verkeersproblematiek. 12.4.1 De door verzoekers genoemde hinder als bedoeld in artikel 3, lid 2 en onder g1 en g2 van het EOP ziet op hinder als gevolg van ongewenste functies in woonbuurten. In dit geval heeft het bouwwerk een woonfunctie en dat past dus in een woonbuurt. Het EOP verbiedt niet dat woningen in een woonbuurt worden verhuurd aan vakantiegangers. 12.4.2 Verder schrijft de bouwvergunning voor dat op eigen terrein tenminste vier parkeerplaatsen inclusief manoeuvreerruimte worden aangelegd. Dit is in overeenstemming met de norm van artikel 3, tweede lid en onder h en 2 van het EOP. Tijdens de zitting heeft de vergunninghouder een situatieplan overgelegd waaruit blijkt dat er zeven parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd. 12.4.3 Het Gerecht volgt verzoekers verder niet in hun stelling dat de minister de bouwvergunning had moeten weigeren omdat het bouwproject bijdraagt aan het fileprobleem op de Caracasbaaiweg en de bereikbaarheid van de wijk Jan Thiel belemmert. Voor zover verzoekers zich beroepen op artikel 22, aanhef en onder 7, van de Bwv, gaat het daarbij om de gevolgen van het gebruik van het gebouw voor het verkeer en de bereikbaarheid van de woningen in de directe omgeving van het bouwproject. Het Gerecht volgt de minister allereerst in zijn toelichting dat het gebouw wordt gebruikt voor woningen die geen verkeersaantrekkend karakter hebben. Het bouwproject is verder niet direct gelegen aan de Caracasbaaiweg, maar ligt wel in de nabijheid daarvan. Het is aannemelijk dat het bouwproject zal leiden tot enige toename van het verkeer in de omgeving, dus ook op de Caracasbaaiweg. Het voert echter te ver om te stellen dat de bouwvergunning geweigerd had moeten worden door de relatief kleine bijdrage