Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2023-11-06
ECLI:NL:OGEAC:2023:274
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,260 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202300404
Vonnis van 6 november 2023
in de zaak van
BANCO DI CARIBE N.V.,
gevestigd in Curaçao, gemachtigde: mr. D.J.F. Elisa,
eiseres, hierna: ‘de Bank’,
tegen
1[GEDAAGDE 1],
wonend in Curaçao, procederend in persoon,
2. [GEDAAGDE 2],
wonend in Curaçao, procederend in persoon,
gedaagden.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift van 10 februari 2023,
het mondeling antwoord van [gedaagde 2] ter zitting van 30 maart 2023,
de conclusie van antwoord van [gedaagde 1];
de conclusie van repliek;
de conclusie van dupliek van [gedaagde 1].
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.
Feiten
Op 2 januari 2019 hebben partijen een ‘personal loan agreement’ gesloten, waarbij de Bank als kredietgever een lening van in hoofdsom NAf 23.222 heeft verstrekt. Als ‘borrower’ wordt vermeld [gedaagde 2] en/of (‘A/O’) [gedaagde 1]. De afgesproken looptijd is 36 maanden, met maandtermijnen van NAf 781,45 en een rente (APR) van 13,82% per jaar. Het totaal te betalen bedrag komt daarmee volgens de overeenkomst op ongeveer NAf 28.131. De maandtermijnen zullen volgens de overeenkomst worden betaald ‘by the employer through wage deduction(s)’. De overeenkomst bevat een bepaling over een boeterente van 18% per jaar over achterstallige termijnbedragen, ‘to be accrued on a daily basis’.
3De vordering
Volgens de Bank heeft zij per datum indiening van het verzoekschrift nog een bedrag van NAf 13.685,45 te vorderen. Ter verzekering van verhaal heeft zij ten laste van [gedaagde 1] conservatoir (loon)beslag gelegd. De Bank vordert in deze procedure betaling van genoemd bedrag, te vermeerderen met 20% incassokosten en met boeterente van 18% per jaar vanaf 11 september 2020, en vermeerderd met beslagkosten en proceskosten.
4Het verweer
4.1. [
gedaagde 2] heeft de vordering niet betwist. Hij heeft mondeling ter zitting uiteengezet dat hij na een detentie zijn baan kwijt raakte en zonder inkomen kwam te zitten. Zijn moeder, die tevens aanwezig was, lost nu voor hem af.
4.2. [
gedaagde 1] heeft de vordering wel betwist. Hij stelt dat sprake was van een borgstelling, waarbij [gedaagde 1] borg stond voor de verplichtingen van [gedaagde 2]. Volgens [gedaagde 1] wist de Bank (bij wie hij zelf bankiert) dat hij niet de middelen had om garant te staan en heeft de Bank geen rekening gehouden met het feit dat hij over niet meer dan 1/3 deel van zijn inkomen kon beschikken. Volgens [gedaagde 1] moet dit leiden tot vernietiging van de leningsovereenkomst wegens dwaling. Ook stelt [gedaagde 1] dat de moeder van [gedaagde 2] inmiddels betalingen aan de Bank heeft gedaan en zich garant heeft gesteld.
Beoordeling
5.1.
Gedaagden zijn samen als ‘borrower’ de geldleningsovereenkomst met de Bank aangegaan. Dat het geleende geld ter beschikking kwam van [gedaagde 2] en dat [gedaagde 1] meetekende als een vorm van garantstelling, is door de Bank niet betwist. Dat doet op zichzelf echter niet af aan het gegeven dat ook [gedaagde 1] zich als medeschuldenaar jegens de Bank heeft verbonden tot terugbetaling van de lening.
Zorgplicht en overkreditering?
5.2.
Het verwijt dat [gedaagde 1] aan de Bank maakt komt erop neer dat de Bank haar zorgplicht heeft verzaakt door [gedaagde 1] krediet te verstrekken terwijl dat gelet op zijn inkomsten en lasten onverantwoord was. Hetgeen [gedaagde 1] daartoe heeft aangevoerd acht het gerecht onvoldoende om [gedaagde 1] te ontheffen van de door hem op zich genomen verbintenis. [gedaagde 1] had en heeft blijkens de door hem overgelegde stukken een salaris van ongeveer NAf 4.500 netto per maand. Dat het gelet op zijn overige betalingsverplichtingen onverantwoord was – en dat de Bank dat had moeten weten – om [gedaagde 1] nieuwe kredietverplichtingen te laten aangaan, is door de Bank betwist en volgt niet zonder meer uit de stellingen en stukken van [gedaagde 1].
5.3.
Overigens heeft de Bank haar bereidheid uitgesproken een nieuwe betalingsregeling met [gedaagde 1] aan te gaan.
Hoofdsom toewijsbaar
5.4.
De gevorderde veroordeling van gedaagden tot betaling van NAf 13.685,45 zal dan ook worden toegewezen. Met de gedurende deze procedure (door de moeder van [gedaagde 2] of anderen) in mindering op de schuld aan de Bank betaalde bedragen zal bij de toewijzing rekening worden gehouden zoals hierna onder 6.2 omschreven.
Rente, boeterente, APR, woeker en artikel 3:40 BW
5.5.
Het gerecht begrijpt uit de stukken dat de Bank haar restvordering berekent op basis van het totale bedrag dat gedaagden onder de geldleningsovereenkomst verschuldigd waren, inclusief de rente (APR) van 13,82% per jaar over de gehele looptijd van 36 maanden (dus tot januari 2023). De Bank heeft daarnaast 18% boeterente in rekening gebracht over de achterstallige termijnen, in welke termijnen de rente (APR) van 13,82% was inbegrepen. Dat leidt het gerecht af uit de brief van de Bank aan [gedaagde 2] van 15 december 2022, waarin aan ‘but’ een bedrag van NAf 2.382,62 wordt genoemd. Nadere overzichten of specificaties van de vordering zijn niet overgelegd.
5.6.
Het gerecht zal slechts de ‘suma atrasá’ van NAf 11.147,45 toewijzen zoals genoemd in de brief van 15 februari 2022, zonder de boete. Hiertoe is redengevend dat de Bank onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat met haar wijze van berekening van rente en boeterente beneden de grens van 27% per jaar wordt gebleven. Rente, hoe ook genaamd, die - samen met alle andere met de lening gemoeid gaande kosten - uitgaat boven die grens acht het gerecht in consumentenkredieten als hier aan de orde in strijd met de goede zeden en daarmee nietig als bedoeld in artikel 3:40 lid 1 Burgerlijk Wetboek.
5.7.
De Bank vordert 18% boeterente over het door haar gevorderde bedrag van NAf 13.685,45 met ingang van 11 september 2020. In dat bedrag zat echter reeds ‘but’ tot en met december 2022. Ook op dit punt is de vordering van de Bank onvoldoende inzichtelijk.
5.8.
Op grond van het voorgaande zal de gevorderde (boete)rente van 18% worden toegewezen over de achterstand van NAf 11.147,45 vanaf 1 januari 2023.
Kosten
5.9.
Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij op de voet van artikel 60 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden veroordeeld in de proceskosten.
5.10.
Voor toewijzing van buitengerechtelijke kosten ziet het gerecht onvoldoende grond, nu niet is gebleken van verrichtingen die een dergelijke toewijzing rechtvaardigen. Dat ten aanzien van [gedaagde 1] incassopogingen zijn gedaan, is niet gebleken: de bij het verzoekschrift overgelegde brieven zijn blijkens de aanhef gericht aan [gedaagde 2], niet aan [gedaagde 1], en zijn naar het gerecht begrijpt niet (ook) naar [gedaagde 1] gestuurd.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.11.
Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dit houdt in dat de veroordeling tot betaling meteen ingaat en het vonnis ten uitvoer kan worden gelegd, ook indien een van partijen hoger beroep instelt bij het Hof.
Dictum
Het gerecht:
6.1.
veroordeelt gedaagden tot betaling aan de Bank van NAf 11.147,45, te vermeerderen met 18% rente per jaar vanaf 1 januari 2023 tot aan de dag van betaling;
6.2.
bepaalt dat de gedurende deze procedure (door de moeder van [gedaagde 2] of anderen) terzake deze vordering aan de Bank betaalde bedragen in mindering strekken op het onder 6.1 toegewezene;
6.3.
veroordeelt gedaagden tot betaling aan de Bank van NAf 750 aan griffierecht, NAf 773,28 aan oproepingskosten en NAf 1.078,93 aan beslagkosten;
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter, en in het openbaar uitgesproken.
Vgl. het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van 21 april 2020, met als vindplaats www.rechtspraak.nl, ECLI:NL:OGHACMB:2020:84