Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2022-05-18
ECLI:NL:OGEAA:2022:541
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,062 tokens
Inleiding
Vonnis van 18 mei 2022
Behorend bij A.R. nr. AUA202000961
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
de naamloze vennootschap Island Finance Aruba N.V.,
gevestigd te Aruba,
eiseres,
hierna: IFA,
gemachtigden: mr. M.E.D. Brown,
tegen:
[Naam gedaagde],
wonend te Aruba,
gedaagde,
hierna: [gedaagde],
gemachtigde: mr. D.G. Croes.
Procesverloop
1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:
- verzoekschrift met producties, ingekomen op 26 maart 2020,
- akte vermindering van eis met producties,
- conclusie van antwoord,
- conclusie van repliek,
- conclusie van duplek.
1.2.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.
Geschil
2.1.
IFA vordert na vermindering van haar eis -samengevat- dat het gerecht [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van Afl. 11.159,37 vermeerderd met 27% rente per jaar vanaf 28 februari 2019 tot een maximum van Afl. 4.422,96 en na het bereiken van dit maximum vermeerderd met de wettelijke rente en voorts vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.
2.2.
IFA legt daaraan ten grondslag dat [gedaagde] tekort komt in de nakoming van de geldleningsovereenkomst die zij op 22 september 2016 met IFA heeft gesloten. De vermindering van eis van IFA is ingegeven door het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van 21 april 2020 (ECLI:NL:OGHACMB:2020:84), waarin het onder meer heeft overwogen dat in het geval van kredietverlening aan consumenten met een vaste baan voor een looptijd van een jaar of langer waarbij geen of louter persoonlijke zekerheden (zoals borgtocht) zijn bedongen kan worden aangenomen dat een APR hoger dan 27% nietig is wegens strijd met de Arubaanse goede zeden en openbare orde.
2.3. [
Gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van de gevorderde hoofdsom en de gevorderde rente. Door persoonlijke tegenslagen, waaronder het verlies van haar werk als gevolg van de Covid pandemie was zij niet langer in staat haar betalingsverplichtingen jegens IFA volledig na te komen. Zij heeft zich wel steeds tot het uiterste ingespannen om IFA zoveel als mogelijk te voldoen. Zij voert verweer tegen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
2.4.
Bij de hiervoor vermelde uitspraak heeft het Gemeenschappelijk Hof bepaald dat (in een vergelijkbaar geval als in deze zaak) een rentepercentage van 27% per jaar toelaatbaar is. Daarvan zal het gerecht daarom uitgaan. IFA heeft haar vordering daarop aangepast en [gedaagde] heeft zich daar niet tegen verzet. Het gerecht acht de verminderde vordering van IFA daarom toewijsbaar. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen. Uit productie I bij repliek blijkt dat IFA in de loop der jaren veelvuldig telefonisch contact had met [gedaagde] over de betalingsachterstand. Zij heeft met [gedaagde] een betalingsregeling getroffen en nadat [gedaagde] die regeling niet nakwam sommatiebrieven aan [gedaagde] gestuurd.
2.5.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] de proceskosten van IFA moeten vergoeden.
DE UITSPRAAK
Het gerecht:
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan IFA van een bedrag van Afl. 11.159,37 vermeerderd met een rente van 27% per jaar vanaf 28 februari 2019 tot een maximum van Afl. 4.422,96 en na het bereiken van dit maximum vermeerderd met de wettelijke rente tot de dag van betaling;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de kant van IFA begroot op Afl. 2.960,--, waarvan Afl. 2000,-- (2 punten, tarief 4) aan salaris gemachtigde;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. van Voorthuizen, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 18 mei 2022 in aanwezigheid van de griffier.