Rechtspraak
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
2024-10-30
ECLI:NL:OGAACMB:2024:56
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,567 tokens
Inleiding
GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
Uitspraak
Op het verzoek om een beslissing bij voorraad in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te Bonaire,
verzoeker,
procederende in persoon,
tegen
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
verweerder,
hierna: de minister,
gemachtigde: mr. T. Breugom, advocaat.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het verzoek van 12 september 2024 om een beslissing bij voorraad tegen het voornemen van 28 augustus 2024 (hierna: de bestreden brief) tot plaatsing van verzoeker in de functie van Projectmanager ICT.
Verzoeker heeft op 25 september 2024 bezwaar gemaakt tegen de bestreden brief (BON202400456).
De minister heeft op het verzoek gereageerd met een contramemorie.
Het Gerecht heeft het verzoek op 4 oktober 2024 via een directe video- en geluidsverbinding met het Gerecht te Bonaire behandeld. De rechter en de griffier waren aanwezig in het Gerechtsgebouw in Curaçao. Verzoeker is verschenen bij het Gerecht te Bonaire en was vergezeld door [A], voorzitter van de plaatsingsadviescommissie in verband met het vaststellen van een nieuw Organisatie en Formatierapport. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde die ook bij het Gerecht te Bonaire aanwezig was en was vergezeld door [B] en [C], beiden werkzaam als jurist bij de Rijksdienst Caribisch Nederland.
Overwegingen
1. Het Gerecht beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een beslissing bij voorraad van verzoeker. Het Gerecht stelt voorop dat het oordeel in deze uitspraak een voorlopig karakter heeft en niet bindend is in de bodemprocedure. Het Gerecht komt tot de conclusie dat hij niet bevoegd is kennis te nemen van het verzoek en legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel komt.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
2.1
Verzoeker is als ambtenaar aangesteld in de functie van Projectleider ICT bij de Shared Services Organisatie Caribisch Nederland (hierna: SSO CN).
2.2
Verzoeker heeft op 21 september 2022 gesolliciteerd naar de functie van Senior Projectmanager ICT bij SSO CN. De minister heeft verzoeker niet geselecteerd voor die functie. Het daartegen door verzoeker ingesteld bezwaar is bij uitspraak van 9 februari 2024 (ECLI:NL:OGAACMB:2024:52) ongegrond verklaard. Verzoeker heeft daartegen hoger beroep ingesteld. De Raad van Beroep in Ambtenarenzaken heeft nog geen uitspraak gedaan in die procedure.
2.3
Verzoeker heeft in het kader van de plaatsingsprocedure in verband met de reorganisatie van SSO RCN belangstelling getoond voor de functie van Manager Financiën en Strategisch adviseur.
2.4
De minister heeft bij brief van 6 juni 2024 (hierna: het eerste voornemen) aan verzoeker meegedeeld dat hij naar aanleiding van het advies van de plaatsingscommissie voornemens is verzoeker met ingang van 1 juli 2024 te plaatsen in de functie Strategisch adviseur bij de afdeling staf. Verzoeker is daarbij bericht dat hij, indien hij het eens is met het voornemen, geen actie hoeft te ondernemen. Het voornemen zou in dat geval worden omgezet in een definitief besluit. Indien hij het niet eens zou zijn met het voorgenomen plaatsingsbesluit, dan zou hij zijn zienswijze bij de interne Bezwaar- en Adviescommissie kunnen indienen.
2.5
Verzoeker heeft in de periode van 24 juni 2024 tot 28 juli 2024 per e-mail gecorrespondeerd met zowel het afdelingshoofd van de SSO CN als de directeur van de Rijksdienst Caribisch Nederland over onder andere beëindiging van zijn lidmaatschap van de personeelsraad en het bij de aangeboden functie behorende salaris. Verzoeker heeft geen zienswijze ingediend bij de interne Bezwaar- en Adviescommissie.
3.1
De minister heeft verzoeker vervolgens bij de bestreden brief bericht dat hij het eerste voornemen intrekt en een nieuwe voornemen aan verzoeker kenbaar maakt. Het nieuwe voornemen ziet op benoeming in de functie van Projectmanager ICT, die net als de eerder aangeboden functie op schaal 12 is gewaardeerd. De minister heeft daaraan ten grondslag gelegd dat alles overziend en na weging van de adviezen van de plaatsingsadviescommissie, hij de functie van Strategisch adviseur niet passend vindt voor verzoeker. Daarnaast vindt hij de plaatsing in de functie van Projectmanager ICT een logische en natuurlijke opvolging van de reeds door verzoeker opgebouwde ervaring op het gebied van projectleiding. De minister heeft in de bestreden brief ook vermeld dat het voornemen wordt omgezet in een definitief besluit als verzoeker daar geen bezwaren tegen heeft. Indien hij het niet eens is met het plaatsingsbesluit, dan moet hij zijn zienswijze bij de interne Bezwaar- en Adviescommissie indienen. De minister heeft verder in de bestreden brief vermeld dat een definitief plaatsingsbesluit nog volgt en dat verzoeker daartegen rechtsmiddelen zal kunnen aanwenden.
3.2
Verzoeker heeft tegen de bestreden brief zijn zienswijze ingediend bij de interne Bezwaar- en Adviescommissie.
4. Verzoeker heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat het verzoek om een beslissing bij voorraad ziet op de bestreden brief. Hij wil met het verzoek bereiken dat de vacature voor de functie van Strategisch adviseur bij de afdeling staf niet wordt vervuld voordat alle door hem ingestelde lopende procedures bij het Gerecht en de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken zijn afgerond. Zo kan hij voorkomen dat hij (meer) financiële schade leidt.
Is het Gerecht bevoegd kennis te nemen van het verzoek?
5. Het Gerecht dient als eerste ambtshalve de vraag te beantwoorden of hij bevoegd is kennis te nemen van het verzoek om een beslissing bij voorraad. Het Gerecht beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
5.1
Uit het eerste lid van artikel 94 van de War 1951 BES volgt dat het Gerecht dat bevoegd is kennis te nemen van een bezwaarschrift gericht tegen beschikkingen, zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 3, van de War 1951 BES, op een verzoek om een beslissing bij voorraad kan beslissen.
5.2
Voor zover hier van belang bepaalt het eerste lid, van artikel 35, van de War 1951 BES, dat een bezwaarschrift kan worden ingediend bij de ambtenarenrechter tegen beschikkingen, handelingen of weigeringen om te beschikken of te handelen ten aanzien van een ambtenaar als zodanig. Naar vaste rechtspraak van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 december 2021 (ECLI:NL:ORBAACM:2021:78), dient onder een beschikking te worden verstaan een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan, gericht op rechtsgevolg.
5.3
De bestreden brief is volgens verzoeker een beschikking waarover het Gerecht bevoegd is om te oordelen omdat het volgens hem als een definitief besluit moet worden gezien. Dit omdat de minister in de brief van 6 juni 2024 heeft vermeld dat als verzoeker geen zienswijze indient hij definitief geplaatst zal worden in de functie van Strategisch adviseur bij de afdeling staf. Hij heeft geen zienswijze ingediend. De bestreden brief moet dan ook als het definitieve besluit gezien worden. Daar komt bij dat de plaatsingsprocedure zoals beschreven in het Organisatie en Formatierapport (O&F rapport) niet is gevolgd. Uit dat rapport blijkt immers niet dat een werknemer binnen een periode van twee maanden twee voornemensbesluiten kan ontvangen, aldus verzoeker.
5.4
De bestreden brief is, anders dan verzoeker betoogt, geen beschikking zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 35 van de War 1951 BES. Dit omdat het niet op rechtsgevolg is gericht. De bestreden brief houdt slechts de intrekking van het eerste voornemen in en het kenbaar maken van het voornemen om verzoeker in de functie van Strategisch adviseur bij de afdeling staf te plaatsen. Daarmee heeft de minister niets veranderd aan de rechtspositie van verzoeker. Verzoeker is immers nog steeds benoemd in de functie van Projectleider ICT. Een wijziging daarvan vindt pas plaats als verzoeker bij besluit wordt geplaatst in een andere functie. De bestreden brief is daarom geen beschikking zoals bedoeld in de War 1951 BES. Ook de omstandigheid dat het eerste voornemen niet is gevolgd door een plaatsingsbesluit maakt het voorgaande niet anders, aangezien met de bestreden brief slechts is beoogd een voornemen aan verzoeker kenbaar te maken. Het Gerecht is dus niet bevoegd kennis te nemen van het verzoek om een beslissing bij voorraad. Nu het Gerecht niet bevoegd is, komt hij ook niet toe aan de beoordeling van het betoog van verzoeker dat de beschreven plaatsingsprocedure niet is gevolgd.
Conclusie
6. Het Gerecht is, gezien hetgeen hij hiervoor heeft overwogen, niet bevoegd kennis te nemen van het verzoek om een beslissing bij voorraad. Dat betekent dat het Gerecht het verzoek niet kan behandelen en dus ook niet toekomt aan beoordeling van hetgeen verzoeker voor het overige heeft aangevoerd. Het staat verzoeker uiteraard vrij om, als hij bij besluit wordt geplaatst in een functie, daartegen rechtsmiddelen aan te wenden als hij het niet eens is met dat besluit.
7. Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
Het Gerecht in Ambtenarenzaken:
- verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om een beslissing bij voorraad.
Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2024, te Curaçao en in tegenwoordigheid van P.N.F. Pereira do Tanque, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen de beslissing op het verzoek om een beslissing bij voorraad staat geen voorziening open.