Rechtspraak
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
2024-02-28
ECLI:NL:OGAACMB:2024:48
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,605 tokens
Inleiding
GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO
Uitspraak
in de zaak van:
[Klager],
wonende in Curaçao,
klager,
procederende in persoon,
tegen
de minister van Bestuur, Planning en Dienstverlening,
de minister,
hierna: de minister,
gemachtigde: mr. J.G. Ricardo.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het bezwaar van klager gericht tegen de brief van de minister met datumstempel van 7 augustus 2023 (hierna: de bestreden brief) en de door klager gedane verzoeken om schadevergoeding in verband met operationele schade en overschrijding van de redelijke termijn.
1.1
Klager heeft op 1 november 2023 bezwaar gemaakt tegen de bestreden brief.
1.2
De minister heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om een contramemorie in te dienen.
1.3
Klager heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
1.4
Het bezwaar is op 7 februari 2024 ter zitting behandeld. Klager is in persoon verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
2. Het Gerecht beoordeelt in deze zaak de bestreden brief en komt tot het oordeel dat hij niet bevoegd is kennis te nemen van het bezwaar en ook niet van de in het kader van deze procedure door klager gedane verzoeken. Dit omdat de bestreden brief niet gericht is op rechtsgevolg en daarom geen beschikking is zoals bedoeld in de RAr.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
3.1
Het Gerecht heeft de Regering bij uitspraak van 28 oktober 2019 veroordeeld tot betaling van de proceskosten tot een bedrag van NAfl 350,- aan klager, een inmiddels gepensioneerde ambtenaar.
3.2
Klager heeft de minister bij brief van 31 maart 2022 verzocht om voornoemde proceskosten aan hem uit te betalen. Klager heeft dat verzoek bij brief van 13 juni 2022 aan de minister herhaald. Het Gerecht heeft zich bij uitspraak van 14 juli 2023, in de zaken met nummers CUR202301019 en CUR202301750, onbevoegd verklaard kennis te nemen van de door klager, tegen het uitblijven van beslissingen op zijn brieven, gemaakte bezwaren. Het Gerecht heeft daaraan kort gezegd ten grondslag gelegd dat reacties op de verzoeken van klager niet zouden kwalificeren als een beschikking of een handeling zoals bedoeld in de RAr, waardoor hij ook geen kennis kan nemen van het uitblijven van zulke reacties.
4. De minister heeft klager bij de bestreden brief, met verwijzing naar de verzoeken van klager van 31 maart 2022 en 13 juni 2022, bericht dat het bedrag van NAf 350,- op 12 juli 2023 naar zijn bankrekening is overgemaakt.
5. Klager is het – kort gezegd- niet eens met de bestreden brief omdat het ten eerste niet afkomstig is van het bevoegd gezag, namelijk de Regering van Curaçao. De bestreden brief is daarnaast ook zeer tardief en onvolmaakt, aldus klager. Hij heeft desgevraagd toegelicht dat hij tijdens de behandeling van de zaken met nummers CUR202301019 en CUR202301750 en ook daarna, bij brief, aan de Regering heeft verzocht om vergoedingen aan hem toe te kennen. Het gaat om een vergoeding in verband met de wettelijke rente, schadevergoeding vanwege operationele schade, schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn en een vergoeding voor de door hem gemaakte reis- en verletkosten.
Is het Gerecht bevoegd kennis te nemen van het bezwaar?
6. Het Gerecht dient als eerste ambtshalve te beoordelen of de bestreden brief een beschikking is zoals bedoeld in de RAr en of het Gerecht dus bevoegd is kennis te nemen daarvan.
6.1
De bestreden brief is volgens klager wel een beschikking dan wel handeling waartegen bezwaar kan worden gemaakt op grond van de RAr. Dit omdat het zijn rechtspositie raakt, aldus klager. Verder betaalt de Regering volgens klager in de praktijk niet zondermeer proceskosten uit. Je moet daar eerst een verzoek toe doen. Met de beslissing op dat verzoek kan je dan de salarisadministratie benaderen opdat de proceskosten worden vergoed. Ook om die reden dient de bestreden brief als beschikking te worden aangemerkt, aldus nog steeds klager.
6.2
Voor zover hier van belang bepaalt het eerste lid, van artikel 35, van de RAr, dat een bezwaarschrift kan worden ingediend bij de ambtenarenrechter tegen beschikkingen, handelingen of weigeringen om te beschikken of te handelen ten aanzien van een ambtenaar als zodanig. Naar vaste rechtspraak van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 december 2021 (ECLI:NL:ORBAACM:2021:78), dient onder een beschikking te worden verstaan een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan, gericht op rechtsgevolg.
6.3
De bestreden brief is naar oordeel van het Gerecht geen beschikking. Dit omdat de bestreden brief niet op rechtsgevolg is gericht. De minister heeft klager immers daarbij slechts bericht dat het bedrag van NAfl 350, - aan proceskosten aan hem is uitbetaald en naar welke bankrekening het bedrag is overgemaakt. Het uitbetalen van NAfl 350,- is een feitelijke handeling, waardoor geen rechten, plichten, een bevoegdheid of een status wordt gecreëerd of teniet gedaan. Deze handeling raakt de rechtspositie van klager als ambtenaar ook niet. De conclusie is dat het Gerecht niet bevoegd is kennis te nemen van het bezwaar van klager.
7.1
Klager heeft de minister en de Regering van Curaçao, zoals in overweging 5 is uiteengezet, ook verzocht om vergoedingen aan hem toe te kennen in verband met de wettelijke rente, schadevergoeding vanwege operationele schade, schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn en een vergoeding voor de door hem gemaakte reis- en verletkosten. Aangezien het Gerecht niet bevoegd is kennis te nemen van de bestreden brief komt hij ook niet toe aan beoordeling van het betoog van klager dat de bestreden brief onvolledig is omdat niet op de hiervoor genoemde verzoeken is beslist.
7.2
Van het uitblijven van een beslissing van de minister dan wel de Regering van Curaçao op deze verzoeken, waar het Gerecht kennis van kan nemen is overigens ook geen sprake. Deze verzoeken hangen allemaal nauw samen met het door klager aan de minister gedane verzoek om de proceskosten alsnog aan hem uit te betalen. Zelfs als de minister op de verzoeken om vergoedingen zou beslissen, zou het Gerecht niet bevoegd zijn om kennis te nemen daarvan. Het Gerecht is dus ook niet bevoegd om kennis te nemen van het uitblijven van een beslissing op het verzoek om vergoedingen.
Komt klager in aanmerking voor de door hem verzochte (schade-)vergoedingen?
8. Klager heeft het Gerecht verder in het kader van deze procedure verzocht om vergoedingen aan hem toe te kennen in verband met de wettelijke rente, schadevergoeding vanwege operationele schade, schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn en een vergoeding voor de door hem gemaakte reis- en verletkosten.
8.1
Nu het Gerecht niet bevoegd is kennis te nemen van het bezwaar kan hij ook niet kennis nemen van het verzoek om schadevergoeding vanwege operationele schade, het verzoek om een vergoeding in verband met de wettelijke rente en het verzoek om toekenning van een vergoeding voor reis- en verletkosten aan klager.
8.2
Ten aanzien van het verzoek van klager om aan hem een schadevergoeding toe te kennen in verband met het overschrijden van de redelijke termijn overweegt het Gerecht als volgt. Zoals volgt uit de uitspraak van de Raad van beroep in Ambtenarenzaken van 1 maart 2023 (ECLI:NL:ORBAACM:2023:27) ziet de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM in ambtenarenzaken slechts op de procedure bij het Gerecht en hoger beroep bij de Raad. Voor zowel de fase van bezwaar bij het Gerecht als voor de fase van hoger beroep bij de Raad wordt een behandelingsduur van twee jaar aangehouden. Klager heeft op 1 november 2023 bezwaar gemaakt bij het Gerecht. Het Gerecht doet heden uitspraak op het bezwaar. Dat betekent dat de totale procedure bij het Gerecht ruim 3 maanden heeft geduurd. Daarmee is de redelijke termijn van 2 jaar voor de behandeling van het bezwaar niet overschreden. Het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 6, eerste lid, van het EVRM wordt dan ook afgewezen.
Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat de bestreden brief geen beschikking is zoals bedoeld in de RAr en dat het Gerecht niet bevoegd is kennis te nemen daarvan. Het Gerecht is gelet daarop niet bevoegd kennis te nemen van de door klager in het kader van deze procedure gedane verzoeken om wettelijke rente, schadevergoeding vanwege operationele schade, en vergoeding voor de door hem gemaakte reis- en verletkosten. Van overschrijding van de redelijke termijn is geen sprake. Dat verzoek om schadevergoeding zal daarom worden afgewezen.
8. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
Het Gerecht in Ambtenarenzaken:
verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het bezwaar;
Wijst het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 6, eerste lid, van het EVRM af.
Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2024, te Curaçao en in tegenwoordigheid van P.N.F. Pereira do Tanque, griffier.
Tegen deze uitspraak staat voor beide partijen binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger of gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest, en in alle andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending van de uitspraak of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, hoger beroep open bij de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken. Zie titel IV hoofdstuk 1 van de RAr.