Rechtspraak
Hoge Raad
2023-02-24
ECLI:NL:HR:2023:295
Civiel recht
Prejudiciële beslissing
2,281 tokens
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 22/02224
Datum 24 februari 2023
PREJUDICIËLE BESLISSING
In de zaak van
Jeroen Jakob REIZIGER, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap DE BUURTZUSTER B.V.,
kantoorhoudende te Assen,
EISER in eerste aanleg,
hierna: de curator,
advocaat in de prejudiciële procedure: R.J. van Galen,
tegen
BROGEMA REAL ESTATE B.V.,
gevestigd te Alteveer,
GEDAAGDE in eerste aanleg,
hierna: BRE,
advocaat in de prejudiciële procedure: T.T. van Zanten.
1De prejudiciële procedure
Bij tussenvonnis in de zaak C/19/131556 / HA ZA 20-112 van 15 juni 2022 heeft de rechtbank Noord-Nederland op de voet van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.
Beide partijen hebben schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen als onder 3.10-3.10.5 in de conclusie vermeld.
2Uitgangspunten en feiten
2.1
Deze prejudiciële procedure gaat over de onderlinge bijdrageplicht (ook wel draagplicht) van hoofdelijke schuldenaren als bedoeld in art. 6:10 BW in een concernverhouding.
2.2
Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten.
(i) De Buurtzuster B.V. (hierna: De Buurtzuster) is in 2018 in staat van faillissement verklaard. De curator is daarbij als zodanig benoemd.
(ii) De Buurtzuster is opgericht in 2012 en haar werkzaamheden bestonden uit het verlenen van zorg aan (voornamelijk) ouderen. Aanvankelijk verleende De Buurtzuster alleen thuiszorg vanuit de vestiging Roden.
(iii) BRE is een zustervennootschap van De Buurtzuster. BRE is in 2016 opgericht om het mogelijk te maken zorg op locatie aan te bieden. Zij heeft met dat doel onroerend goed in [plaats 1] (hierna: [het pand]) gekocht. Rabobank heeft in verband met de aankoop een lening verstrekt van € 1.348.250,--. De Buurtzuster heeft zich naast BRE hoofdelijk verbonden tot terugbetaling van de lening en heeft ten behoeve van Rabobank een pandrecht gevestigd op haar huidige en toekomstige vorderingen.
(iv) BRE heeft een deel van [het pand] verhuurd aan bewoners aan wie De Buurtzuster zorg verleende. Voor deze zorg ontving De Buurtzuster vergoedingen van de zorgverzekeraar.
(v) In 2018 heeft BRE een pand in Gieten gekocht. Het was de bedoeling om ook dit pand te verhuren aan bewoners aan wie De Buurtzuster zorg zou verlenen. Rabobank heeft in verband met de aankoop een lening verstrekt van € 875.000,--. De Buurtzuster heeft zich naast BRE hoofdelijk verbonden tot terugbetaling van de lening.
(vi) Na het faillissement van De Buurtzuster is de curator in overleg met Rabobank overgegaan tot het te gelde maken van de activa en daarmee tot uitwinning van de zekerheden van Rabobank. Volgens de curator heeft Rabobank een bedrag van € 345.679,30 ontvangen. De Buurtzuster had op dat moment een rekening-courantschuld van € 148.147,80 aan Rabobank. Het meerdere, € 197.531,50, is door Rabobank aangewend voor het delgen van de schuld van BRE.
(vii) BRE heeft het pand in Gieten in 2018 gekocht voor € 900.000,-- en in 2020 verkocht voor € 950.000,--. Van de opbrengst is een bedrag van € 603.396,32 aangewend voor de aflossing van de schuld aan Rabobank. Een bedrag van € 269.528,43 is in depot gestort in afwachting van de uitkomst van deze procedure. BRE heeft [het pand] in 2016 gekocht voor € 1.287.500,-- en nadien verkocht voor € 1.350.000,--. De overwaarde is ten goede gekomen aan BRE.
2.3
In deze procedure vordert de curator onder meer veroordeling van BRE tot betaling van € 197.531,50. Deze vordering heeft betrekking op de hiervoor in 2.2 onder (vi) genoemde aflossing van de schuld aan Rabobank. De curator stelt zich op het standpunt dat De Buurtzuster meer aan Rabobank heeft afgelost dan het gedeelte van de schuld dat haar aangaat in haar onderlinge verhouding tot BRE, als bedoeld in art. 6:10 lid 2 BW.
2.4
De rechtbank heeft in haar eerste tussenvonnis onder meer overwogen dat beide partijen zich beroepen op het arrest Janssen q.q./JVS Beheer en dat in de literatuur en de rechtspraak verdeeldheid bestaat over de wijze waarop de rechtspraak van de Hoge Raad moet worden uitgelegd. De rechtbank heeft prejudiciële vragen geformuleerd en partijen in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten.
2.5
De rechtbank heeft in haar tweede tussenvonnis de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld:
1. Komt, in het geval dat een lening of krediet is verstrekt aan een vennootschap en een andere (zuster)vennootschap zich hoofdelijk heeft verbonden tot terugbetaling van de lening of het krediet, bij de bepaling van de onderlinge draagplicht en de in dat kader te beantwoorden vraag wie de schuld aangaat, betekenis toe aan het feit dat de andere (zuster)vennootschap direct of indirect profijt heeft gehad van de lening of het krediet?
2. Is (indirect) profijt een omstandigheid van belang voor de invulling van het antwoord op de vraag wie in de onderlinge verhouding van de vennootschappen, de lening of het krediet heeft gebruikt, of te wier beschikking de lening of het krediet is gekomen?
3. Moet het gebruik in het kader van de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten door de ene (zuster)vennootschap van het pand van de andere vennootschap aangemerkt worden als (indirect) profijt?
4. Kunnen de volgende omstandigheden van belang zijn voor het antwoord op de vraag of sprake is van (indirect) profijt zoals bedoeld in de voorgaande vragen:
- of voor het gebruik een (marktconforme) huur wordt betaald;
- of het verdienmodel van de vennootschap die eigenaar is van het pand gericht is op het winstgevend exploiteren van het pand en het verdienmodel van de zustervennootschap gericht is op het verlenen van zorg;
- of het pand (mede) met het oog op het gebruik door de zustervennootschap is aangeschaft;
- of de vennootschap die eigenaar is van het pand dit pand ook verhuurde of in gebruik gaf aan één of meerdere andere zorgverleners;
- of er sprake is van concern- of objectfinanciering.
5. Zijn er overigens nog aspecten die relevant zijn voor de beoordeling van de vraag wie de lening of het krediet heeft gebruikt, of te wier beschikking de lening of het krediet is gekomen?
3Beantwoording van de prejudiciële vragen
3.1
De prejudiciële vragen hebben betrekking op de onderlinge bijdrageplicht (ook wel draagplicht) van hoofdelijke schuldenaren.
Volgens art. 6:10 BW moet de hoofdelijke schuldenaar in de schuld en in de kosten bijdragen voor het gedeelte van de schuld dat hem aangaat in zijn onderlinge verhouding tot de andere hoofdelijke schuldenaren. Deze bepaling, die van regelend recht is, geeft geen nadere regels over de wijze waarop de onderlinge draagplicht van de hoofdelijke schuldenaren moet worden bepaald. Ter toelichting is in de wetsgeschiedenis opgemerkt:
“Hieromtrent toch zijn geen algemene regels te geven. De grootte van ieders bijdrageplicht zal in de eerste plaats afhangen van hetgeen zij uitdrukkelijk of stilzwijgend omtrent hun bijdrageplicht zijn overeengekomen en van een eventuele onderlinge rechtsverhouding der schuldenaren, op grond waarvan zij zich gezamenlijk hebben verbonden (…). Is de schuld om baat aangegaan, dan is voorts van belang – en dit vooral, wanneer er tussen de schuldenaren geen andere band bestaat, dan het feit dat zij hoofdelijke medeschuldenaren zijn – in hoeverre de tegenwaarde van hun schuld ieder van hen ten goede is gekomen.
Dictum
De Hoge Raad:
- beantwoordt de vragen op de hiervoor in 3.5 weergegeven wijze;
- begroot de kosten van deze procedure op de voet van art. 393 lid 10 Rv op € 1.800,-- aan de zijde van de curator en op € 1.800,-- aan de zijde van BRE.
Deze beslissing is gegeven door de president G. de Groot als voorzitter, de vicepresident M.V. Polak en de raadsheren F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 24 februari 2023.
Rechtbank Noord-Nederland 15 december 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:5737.
HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4206.
Rechtbank Noord-Nederland 15 juni 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:3499.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 108 (voetnoten weggelaten; Hoge Raad).
Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. Boek 3, 5 en 6), p. 1208.
HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4206, rov. 6.2.