Rechtspraak
Hoge Raad
2019-10-08
ECLI:NL:HR:2019:1534
Strafrecht
Cassatie
2,395 tokens
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 17/04222
Datum 8 oktober 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 14 augustus 2017, nummer 21/004911-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.M. Peeperkorn, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
Beoordeling
2.1
Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de verdachte niet binnen de daartoe gestelde wettelijke termijn het hoger beroep heeft ingesteld, zodat hij daarin niet‑ontvankelijk is. Het beroept zich mede op het ter terechtzitting van het Hof gevoerde verweer dat de verdachte - in strijd met art. 366, vierde lid, Sv - geen schriftelijke vertaling van de mededeling van het vonnis is verstrekt.
2.2.1
Het procesverloop blijkt uit de stukken genoemd in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 20 en 21. Daaruit blijkt in het bijzonder dat het hoger beroep is ingesteld op 12 september 2016 en dus niet binnen veertien dagen nadat aan de verdachte op 25 augustus 2016 de mededeling van de bij verstek gedane uitspraak van de Rechtbank van 14 april 2016 in persoon was betekend.
2.2.2
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 augustus 2017 heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Ontvankelijkheid appel
Cliënt is bij vonnis van 14 april 2016 bij verstek veroordeeld. De dagvaarding voor de terechtzitting was hem niet in persoon betekend (art. 408 lid 1 aanhef en onder a Sv). Ook heeft zich geen omstandigheid voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting cliënt tevoren bekend was (408 lid 1 aanhef en onder c Sv). Cliënt was dan ook niet gehouden om binnen 14 dagen na het vonnis hoger beroep in te stellen (art. 408 lid 1 Sv).
Ingevolge het tweede lid van art. 408 Sv moet - in een geval als het onderhavige - een verdachte hoger beroep instellen binnen 14 dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de uitspaak hem bekend was. De vraag is of de mededeling uitspraak die aan cliënt is uitgereikt op 25 augustus 2016 zo'n omstandigheid is. Bij een bevestigend antwoord zou dat betekenen dat cliënt, namens wie op 12 september 2016 - derhalve meer dan 14 dagen nadien - hoger beroep is ingesteld, niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen.
De verdediging meent dat de verstekmededeling in casu niet kan worden aangemerkt als een omstandigheid als bedoeld in art. 408, lid 2, Sv, gelet op het volgende:
De mededeling uitspraak, dan wel de korte inhoud daarvan, is bij het uitreiken daarvan niet - op schrift dan wel mondeling - voor cliënt vertaald en hij was destijds onvoldoende in staat om deze mededeling in het Nederlands te begrijpen. Cliënt heeft op dat moment überhaupt niet begrepen wat voor een document aan hem werd uitgereikt. Hij was in de veronderstelling dat het een document betrof in verband met zijn verblijfsstatus (hij dacht dat hem werd meegedeeld dat hij moest terugkeren naar zijn thuisland). Dat cliënt dat veronderstelde, blijkt ook uit het feit dat hij met dit document naar een vreemdelingenadvocaat is gegaan. Deze kon aan cliënt uitleggen wat de mededeling inhield, waarop vervolgens onmiddellijk - door tussenkomst van een strafrechtadvocaat - hoger beroep is ingesteld.
Nu niet op zodanige wijze in een voor cliënt begrijpelijke taal is gecommuniceerd dat de essentie van de zaak hem duidelijk is geworden, kan niet gezegd worden dat cliënt heeft moeten begrijpen dat hem mededelingen werden gedaan over het tegen hem gewezen strafvonnis.
De verdediging meent om die reden dat cliënt de termijnoverschrijding niet kan worden tegengeworpen. Verzocht wordt daarom cliënt ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep.”
2.2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 augustus 2017 houdt voorts het volgende in:
“De verdachte beheerst de Nederlandse taal niet of onvoldoende. (...)
De advocaat-generaal draagt de zaak voor en leest daarna zijn vordering voor, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in het hoger beroep. De vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
(...)
De verdachte en de raadsvrouw worden in de gelegenheid gesteld te reageren op het standpunt van de advocaat-generaal. De raadsvrouw voert het woord overeenkomstig haar pleitnota, waarvan een kopie achter dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud hier als herhaalt en ingelast dient te worden beschouwd.
(...)
Nadat de zitting kort is onderbroken voor beraad, deelt de voorzitter mede dat het onderzoek ter terechtzitting wordt gesloten en dat het hof onmiddellijk uitspraak zal doen.
Vervolgens deelt de voorzitter de uitspraak van het hof mede, luidende dat het hof constateert dat de mededeling uitspraak op 25 augustus 2016 aan verdachte in persoon is betekend en dat verdachte nadien veertien dagen de tijd had om hoger beroep in te stellen. Het hof is van oordeel dat er geen omstandigheden naar voren zijn gebracht waaruit blijkt dat verdachte niet in de gelegenheid zou zijn geweest om in de dagen na de betekening informatie in te winnen bij zijn advocaat of anderszins over de inhoud van dat stuk. Dit had echter wel op de weg van verdachte gelegen. Evenmin is gesteld noch gebleken dat er andere feiten of omstandigheden speelden die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat overschrijding van de beroepstermijn niet aan verdachte kan worden tegengeworpen. Gelet op het voorgaande is verdachte te laat met het instellen van hoger beroep en wordt verdachte derhalve niet-ontvankelijk verklaard.”
2.2.4
Het Hof heeft de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het bestreden arrest als volgt gemotiveerd:
“Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast. De inleidende dagvaarding is niet aan verdachte in persoon betekend. Verdachte is door de rechtbank bij verstek veroordeeld op 14 april 2016. Het vonnis waarvan beroep is op 25 augustus 2016 aan verdachte in persoon betekend. Zijn raadsman, mr. Beijen, heeft vervolgens namens verdachte op 12 september 2016 hoger beroep ingesteld.
Nadat de mededeling uitspraak aan verdachte in persoon was betekend, had verdachte een termijn van veertien dagen om hoger beroep in te stellen. Verdachte had in die periode contact met een raadsman die zijn belangen in een vreemdelingenzaak behartigde.
Verdachte heeft niet binnen die termijn hoger beroep ingesteld. Het hof overweegt dat niet is gebleken dat verdachte niet in de gelegenheid zou zijn geweest om in de dagen na de betekening van de mededeling uitspraak informatie in te winnen bij zijn advocaat of zich anderszins over de inhoud en de betekenis van de mededeling uitspraak te laten informeren.
Dit ligt echter wel op de weg van verdachte. Evenmin is gesteld noch gebleken dat er andere feiten of omstandigheden speelden die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat overschrijding van de beroepstermijn niet aan verdachte kan worden tegengeworpen. Verdachte wordt derhalve niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.”
2.3.1
Art. 366, vierde lid, Sv is ingevoerd bij de Wet van 28 februari 2013, Stb. 2013, 85, tot implementatie van richtlijn nr. 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PbEU L 280). Deze wet is in werking getreden op 1 oktober 2013 (Stb. 2013, 268).
2.3.2
Art. 366 Sv luidt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:
“1.
Dictum
De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak;
- wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2019.