Rechtspraak
Hoge Raad
2018-06-08
ECLI:NL:HR:2018:861
Bestuursrecht; Belastingrecht
Cassatie
2,375 tokens
Inleiding
8 juni 2018
nr. 17/00159
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. (thans: [X] B.V.) te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 december 2016, nrs. 15/00085 en 15/00086, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 13/7754 en AWB 13/7810) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan kolenbelasting over de tijdvakken maart 2013 en april 2013. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op de conclusies van de Advocaat-Generaal C.M. Ettema van 1 februari 2017 in de zaken met de nummers 15/05429 (ECLI:NL:PHR:2017:27) en 16/01382 (ECLI:NL:PHR:2017:28).
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door A.C. Breuer, advocaat te Amsterdam.
Beoordeling
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende is in Nederland onder meer actief op het gebied van productie van elektriciteit. Zij heeft voor die productie een kolengestookte centrale in gebruik. In deze centrale gebruikte zij in de maanden maart en april 2013 kolen uit onder meer Zuid-Afrika voor het opwekken van elektriciteit. Voor een deel zijn deze kolen aangevoerd via de havens van Rotterdam en Amsterdam en voor een deel zijn zij aangevoerd via de haven van Antwerpen en in het vrije verkeer gebracht.
2.1.2.
Tot 1 januari 2013 voorzag artikel 44, lid 2, van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: de Wet) in een vrijstelling van kolenbelasting voor de uitslag en de invoer van kolen die worden gebruikt als brandstof voor het opwekken van elektriciteit in een installatie met een elektrisch rendement van minimaal 30 percent (hierna: de vrijstelling). Belanghebbende paste de vrijstelling toe. Door de inwerkingtreding van de Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013, Stb. 2012, 321, is de vrijstelling per 1 januari 2013 vervallen.
2.1.3.
Belanghebbende is belastingplichtig voor de kolenbelasting. Zij heeft over de tijdvakken maart en april 2013 op aangifte bedragen aan kolenbelasting voldaan.
2.2.
Middel I richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de afschaffing van de vrijstelling met ingang van 1 januari 2013 niet in strijd is met artikel 14, lid 1, letter a, van Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit, PB 2003 L 283, blz. 51 (hierna: Richtlijn 2003/96).
Het middel faalt op de gronden die zijn vermeld in de onderdelen 2.3 tot en met 2.5 van het heden in de zaak met nummer 16/01382 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.
2.3.
Middel II richt zich tegen het oordeel van het Hof dat voor zover de door belanghebbende voldane kolenbelasting betrekking heeft op uit Zuid-Afrika afkomstige kolen, de heffing niet in strijd is met artikel 21 van de Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Zuid-Afrika, anderzijds (PB 1999 L 311, blz. 3, en Trb. 2000, 45; hierna: de Overeenkomst met Zuid-Afrika) of – voor zover die kolen zijn aangevoerd via de haven van Antwerpen - met artikel 110, tweede alinea, VWEU.
2.4.1.
Artikel 21, lid 1, van de Overeenkomst met Zuid-Afrika verbiedt alle binnenlandse maatregelen of praktijken van fiscale aard die, rechtstreeks of onrechtstreeks, discrimineren tussen de producten van de ene partij en de producten van oorsprong uit het grondgebied van de andere partij. Op grond van artikel 110, tweede alinea, VWEU heffen de lidstaten op de producten van de overige lidstaten, daaronder begrepen producten van oorsprong uit derde landen, die zich in de lidstaten in het vrije verkeer bevinden, geen zodanige binnenlandse belastingen dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd.
2.4.2.
De enkele omstandigheid dat uit een andere lidstaat afkomstige producten zwaarder worden belast dan binnenlandse producten die voor hetzelfde doel worden gebruikt, is onvoldoende om aan te nemen dat een belastingregeling een discriminerende of beschermende werking heeft als bedoeld in artikel 110 VWEU. Om te kunnen oordelen dat de onderhavige heffing van kolenbelasting een discriminerende of beschermende werking heeft, moet worden vastgesteld dat die belasting de verbruikers kan afhouden van de aankoop van uit een andere lidstaat afkomstige kolen ten gunste van in Nederland geproduceerd aardgas (vgl. HvJ 5 april 1990, Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Helleense Republiek, C‑132/88, ECLI:EU:C:1990:165, punten 18 en 19).
2.4.3.
Het Hof heeft – in navolging van de Rechtbank - geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat uit het buitenland afkomstige kolen en in Nederland geproduceerd aardgas beide energiedragers zijn die worden gebruikt voor de opwekking van elektriciteit, onvoldoende is voor het oordeel dat sprake is van met artikel 110, tweede alinea, VWEU strijdige zijdelingse bescherming van Nederlands aardgas. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen de in cassatie niet bestreden omstandigheid dat in Nederlandse gascentrales ook buitenlands aardgas wordt verbruikt.
Met dit oordeel heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een begunstiging van in Nederland geproduceerd aardgas in die zin dat de heffing van kolenbelasting de verbruikers afhoudt van de aankoop van uit een andere lidstaat afkomstige kolen ten gunste van in Nederland geproduceerd aardgas. Dit oordeel geeft, gelet op het hiervoor in 2.4.2 overwogene, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Voor zover middel II anders betoogt, faalt het derhalve.
Het in de voorgaande alinea’s bedoelde oordeel van het Hof is zelfstandig dragend voor het oordeel van het Hof dat geen sprake is van schending van artikel 110, tweede alinea, VWEU. Het middel kan daarom bij gebrek aan belang evenmin slagen voor zover het opkomt tegen het oordeel dat de met de heffing van kolenbelasting nagestreefde milieubeleidsdoeleinden een eventuele schending van artikel 110 VWEU rechtvaardigen.
2.4.4.
De hiervoor in 2.4.3, eerste alinea, weergegeven oordelen van het Hof zien mede op kolen uit Zuid-Afrika. In die, tevergeefs bestreden, oordelen ligt besloten dat geen sprake is van een door artikel 21 van de Overeenkomst met Zuid-Afrika verboden discriminatie tussen de producten van de ene partij (in Nederland geproduceerd aardgas) en de producten van oorsprong uit het grondgebied van de andere partij (kolen uit Zuid-Afrika). Middel II faalt daarom ook voor het overige.
2.5.
Middel III richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de afschaffing van de vrijstelling niet in strijd is met het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel en het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel
2.6.1.
Het Hof heeft aan dit oordeel ten grondslag gelegd dat de afschaffing van de vrijstelling niet onvoorzienbaar was, aangezien de van belang zijnde rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn en de wetswijziging waarbij de vrijstelling is afgeschaft, het gebruikelijke parlementaire traject heeft doorlopen. De afschaffing van de vrijstelling is in overeenstemming met Richtlijn 2003/96 en feiten en omstandigheden waaruit moet worden geconcludeerd dat belanghebbende niet rekening hoefde te houden met die afschaffing uit milieubeleidsoverwegingen, zijn volgens het Hof niet gebleken. Van de zijde van de regering zijn geen toezeggingen gedaan omtrent het handhaven van de vrijstelling, zodat belanghebbende bij haar in 2009 genomen beslissing om te investeren in een nieuw te bouwen kolencentrale ook niet daarvan mocht uitgaan. Dat zij door het vervallen van de vrijstelling een commercieel nadeel lijdt, moet in dit geval voor haar rekening blijven, aldus nog steeds het Hof. Tot slot verplicht naar ’s Hofs oordeel het bepaalde in onderdeel 30 van de considerans van Richtlijn 2003/96 niet tot het opnemen van overgangsrecht bij de afschaffing van de vrijstelling.
2.6.2.
Het middel betoogt dat de afschaffing van de vrijstelling onvoorzienbaar was vanwege het tussen 2007 en 2009 door de overheid gevoerde energiebeleid en door de overheid gedane toezeggingen. Om die reden had de wetgever, of het Hof, moeten voorzien in een overgangsregeling.
Dictum
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2018.