Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-03-25
ECLI:NL:GHSHE:2026:814
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
12,151 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:814 text/xml public 2026-05-07T10:26:55 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-03-25 24/392 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:618, Bekrachtiging/bevestiging Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2026/826 Douanerechtspraak 2026/56 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:814 text/html public 2026-04-21T12:06:28 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:814 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 25-03-2026 / 24/392 Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag accijns opgelegd in verband met het voorhanden hebben van een accijnsgoed (waterpijptabak) buiten een accijnsschorsingsregeling. Het hof komt tot het oordeel dat belanghebbende de waterpijptabak voorhanden heeft gehad, danwel dat hij betrokken was bij het voorhanden hebben van het accijnsgoed. De waterpijptabak is namelijk aangetroffen in een loods waarvan belanghebbende huurder en gebruiker was en getuigen hebben verklaard dat hij aanwezig was bij het lossen van containers met daarin de waterpijptabak. Daarmee is komen vast te staan dat belanghebbende, als gebruiker, toegang had tot de loods en over de in de loods aangetroffen waterpijptabak heeft beschikt, hetgeen betekent dat hij de waterpijptabak voorhanden heeft gehad danwel dat hij betrokken is geweest bij het voorhanden hebben van de waterpijptabak. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/392 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 5 februari 2024, nummer BRE 22/4451, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Douane, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag in de accijns met dagtekening 7 februari 2019 opgelegd ter grootte van € 1.000.163,70. Gelijktijdig heeft de inspecteur belanghebbende € 5.667 belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende is niet verschenen. De griffier heeft belanghebbende op 17 december 2025 met een bericht uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Dit bericht is op die dag in Mijn Rechtspraak geplaatst, en tevens is op die dag hiervan een notificatie aan belanghebbende, op het door hem verstrekte e-mailadres, gezonden. Tot de gedingstukken behoren schermprinten van de statusinformatie van het verzendbewijs die het hof bij deze uitspraak zal voegen. 1.6. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende dreef in 2018 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak onder de handelsnaam ‘ [eenmanszaak] ’. 2.2. Belanghebbende is met ingang van 17 juli 2018 de huurder van de loods aan de [adres 1] te [woonplaats] (de loods). 2.3. Op 14 november 2018 is bij een doorzoeking door de Belastingdienst/Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) in de loods 9.378 kilogram onveraccijnsde waterpijptabak van het merk Al Fakher aangetroffen. De bevindingen van de FIOD zijn vastgelegd in een proces-verbaal met nummer [nummer] ( [kenmerk] ). 2.3.1. Belanghebbendes eigen verklaringen , zoals opgenomen in het [kenmerk] ( [A] ) luiden, voor zover van belang, als volgt: “Vraag verbalisanten: Waarvoor gebruik je de loods aan de [adres 1] ? Antwoord gehoorde: Daar sloeg ik af en toe dadels op. Vraag verbalisanten: Zijn er andere mensen die gebruik maken van die loods [adres 1] . Antwoord gehoorde: De eigenaar van de loods heeft een sleutel. Ik ben de enige gebruiker van die loods, ik ben de enige die en sleutel heb van die loods. (…) Vraag verbalisanten: Dus alles wat in die loods staat, behalve die auto, is van jou? Antwoord gehoorde: Ja. Alles wat er staat is van mij. (…) Vraag verbalisanten: Wat kan jij vertellen over de vijfde container die jij hebt laten komen? Antwoord gehoorde: De inhoud van deze container staat nog in de loods, de loods aan de [adres 1] . Alle dozen die nu in deze loods staan, zijn afkomstig uit de vijfde container. Ik heb hier nog geen bestemming voor. (…) Vraag verbalisanten: Wat heb je gedaan toen je na ontvangst van de vijfde container merkte dat er iets in zat wat jij niet besteld had? Antwoord gehoorde: Ik heb deze container gelost. Toen ik de container open deed, zag ik al dat het andere dozen waren dan de leveringen daarvoor. Toen ik halverwege met lossen was, heb ik een doos geopend. Toen kwam ik erachter dat er niet in zat wat ik had besteld. Ik heb alles op pallets gezet. Ik wilde mijn neef gaan bellen, maar hij nam niet op. Ik heb het zo maar gelaten want ik durfde er niets mee te doen.” 2.3.2. Getuige [getuige 1] heeft, voor zover van belang, blijkens het [kenmerk] als volgt verklaard: “Vraag verbalisanten: Wat kunt u vertellen over uzelf en uw bedrijf? Antwoord gehoorde: Ons bedrijf is een verhuisbedrijf en transportbedrijf. (…) Vraag verbalisanten: Wat kunt u vertellen over het lossen van de tweede container? Antwoord gehoorde: Dit is precies hetzelfde verhaal als hiervoor met de eerste container. Wij hebben twee maal een container gelost op de [adres 2] en daarna op het andere adres aan de [adres 1] waar vorige week de inval was. [naam 1] was er niet alle keren bij, ik weet niet precies bij welke container hij wel en niet aanwezig was. De inhoud van de container bestond iedere keer uit dezelfde bruine dozen. Ik weet natuurlijk niet wat er in al die dozen gezeten heeft. Ik weet wel dat er in de voorlaatste zending ook al tabak gezeten heeft. Dit weet ik omdat er toen een bruine doos openscheurde. Ik zag dat er in de bruine doos een langwerpige doos zat. Die doos zag er anders uit dan de dozen met dadels die ik eerder gezien had. Ik vroeg [belanghebbende] wat het was. Hij vertelde mij dat het waterpijptabak was en dat er verschillende smaken in zaten. Hij heeft er verder niets over verteld en ik heb niets gevraagd. (…) Vraag verbalisanten: Wie waren er woensdag 14 november aanwezig bij de loods waar u ging lossen? Antwoord gehoorde: Ik was daar en mijn personeelsleden, de heer [personeelslid 1] en de heer [personeelslid 2] . [belanghebbende] was ook aanwezig en was zo ineens weg. Ik dacht dat hij pallets ging halen, maar hij kwam niet meer terug. (…) Vraag verbalisanten: Heeft u ooit andere mensen bij de loods gezien? Antwoord gehoorde: Nee, de enige die ik gezien heb, zijn [belanghebbende] en [naam 1] . Ik denk dat de eigenaar van de loods daar meer over kan vertellen. Hij zal dit wel gezien hebben. Vraag verbalisanten: Wat kunt u vertellen over de facturatie en betaling door [belanghebbende] ? Antwoord gehoorde: [belanghebbende] heeft mij alle keren contant betaald. Ik heb dit in mijn kasboek verwerkt. [belanghebbende] zei dat hij mij nog zou laten weten op wiens naam ik de factuur op moest maken. Hij heeft dit tot op heden nog niet laten weten. Hij betaalde 355 euro per keer, dit was voor twee uur. Wanneer wij langer nodig hadden, moest hij 85 euro per half uur bijbetalen. Vraag verbalisanten: Wie heeft u het geld overhandigd? Antwoord gehoorde: Ik heb iedere keer geld van [belanghebbende] gekregen.” 2.3.3. Getuige [getuige 2] heeft, voor zover van belang, blijkens het [kenmerk] als volgt verklaard: “Vraag verbalisanten: Aan wie heeft u de afgelopen periode de loods verhuurd? Antwoord gehoorde: Ik had de loods voor verhuur aangeboden bij makelaar [makelaar] . [makelaar] kwam samen met [belanghebbende] de loods bekijken. Volgens mij was dit 17 juli 2018.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:814 text/xml public 2026-05-07T10:26:55 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-03-25 24/392 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:618, Bekrachtiging/bevestiging Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2026/826 Douanerechtspraak 2026/56 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:814 text/html public 2026-04-21T12:06:28 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:814 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 25-03-2026 / 24/392 Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag accijns opgelegd in verband met het voorhanden hebben van een accijnsgoed (waterpijptabak) buiten een accijnsschorsingsregeling. Het hof komt tot het oordeel dat belanghebbende de waterpijptabak voorhanden heeft gehad, danwel dat hij betrokken was bij het voorhanden hebben van het accijnsgoed. De waterpijptabak is namelijk aangetroffen in een loods waarvan belanghebbende huurder en gebruiker was en getuigen hebben verklaard dat hij aanwezig was bij het lossen van containers met daarin de waterpijptabak. Daarmee is komen vast te staan dat belanghebbende, als gebruiker, toegang had tot de loods en over de in de loods aangetroffen waterpijptabak heeft beschikt, hetgeen betekent dat hij de waterpijptabak voorhanden heeft gehad danwel dat hij betrokken is geweest bij het voorhanden hebben van de waterpijptabak. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/392 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 5 februari 2024, nummer BRE 22/4451, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Douane, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag in de accijns met dagtekening 7 februari 2019 opgelegd ter grootte van € 1.000.163,70. Gelijktijdig heeft de inspecteur belanghebbende € 5.667 belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende is niet verschenen. De griffier heeft belanghebbende op 17 december 2025 met een bericht uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Dit bericht is op die dag in Mijn Rechtspraak geplaatst, en tevens is op die dag hiervan een notificatie aan belanghebbende, op het door hem verstrekte e-mailadres, gezonden. Tot de gedingstukken behoren schermprinten van de statusinformatie van het verzendbewijs die het hof bij deze uitspraak zal voegen. 1.6. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende dreef in 2018 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak onder de handelsnaam ‘ [eenmanszaak] ’. 2.2. Belanghebbende is met ingang van 17 juli 2018 de huurder van de loods aan de [adres 1] te [woonplaats] (de loods). 2.3. Op 14 november 2018 is bij een doorzoeking door de Belastingdienst/Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) in de loods 9.378 kilogram onveraccijnsde waterpijptabak van het merk Al Fakher aangetroffen. De bevindingen van de FIOD zijn vastgelegd in een proces-verbaal met nummer [nummer] ( [kenmerk] ). 2.3.1. Belanghebbendes eigen verklaringen , zoals opgenomen in het [kenmerk] ( [A] ) luiden, voor zover van belang, als volgt: “Vraag verbalisanten: Waarvoor gebruik je de loods aan de [adres 1] ? Antwoord gehoorde: Daar sloeg ik af en toe dadels op. Vraag verbalisanten: Zijn er andere mensen die gebruik maken van die loods [adres 1] . Antwoord gehoorde: De eigenaar van de loods heeft een sleutel. Ik ben de enige gebruiker van die loods, ik ben de enige die en sleutel heb van die loods. (…) Vraag verbalisanten: Dus alles wat in die loods staat, behalve die auto, is van jou? Antwoord gehoorde: Ja. Alles wat er staat is van mij. (…) Vraag verbalisanten: Wat kan jij vertellen over de vijfde container die jij hebt laten komen? Antwoord gehoorde: De inhoud van deze container staat nog in de loods, de loods aan de [adres 1] . Alle dozen die nu in deze loods staan, zijn afkomstig uit de vijfde container. Ik heb hier nog geen bestemming voor. (…) Vraag verbalisanten: Wat heb je gedaan toen je na ontvangst van de vijfde container merkte dat er iets in zat wat jij niet besteld had? Antwoord gehoorde: Ik heb deze container gelost. Toen ik de container open deed, zag ik al dat het andere dozen waren dan de leveringen daarvoor. Toen ik halverwege met lossen was, heb ik een doos geopend. Toen kwam ik erachter dat er niet in zat wat ik had besteld. Ik heb alles op pallets gezet. Ik wilde mijn neef gaan bellen, maar hij nam niet op. Ik heb het zo maar gelaten want ik durfde er niets mee te doen.” 2.3.2. Getuige [getuige 1] heeft, voor zover van belang, blijkens het [kenmerk] als volgt verklaard: “Vraag verbalisanten: Wat kunt u vertellen over uzelf en uw bedrijf? Antwoord gehoorde: Ons bedrijf is een verhuisbedrijf en transportbedrijf. (…) Vraag verbalisanten: Wat kunt u vertellen over het lossen van de tweede container? Antwoord gehoorde: Dit is precies hetzelfde verhaal als hiervoor met de eerste container. Wij hebben twee maal een container gelost op de [adres 2] en daarna op het andere adres aan de [adres 1] waar vorige week de inval was. [naam 1] was er niet alle keren bij, ik weet niet precies bij welke container hij wel en niet aanwezig was. De inhoud van de container bestond iedere keer uit dezelfde bruine dozen. Ik weet natuurlijk niet wat er in al die dozen gezeten heeft. Ik weet wel dat er in de voorlaatste zending ook al tabak gezeten heeft. Dit weet ik omdat er toen een bruine doos openscheurde. Ik zag dat er in de bruine doos een langwerpige doos zat. Die doos zag er anders uit dan de dozen met dadels die ik eerder gezien had. Ik vroeg [belanghebbende] wat het was. Hij vertelde mij dat het waterpijptabak was en dat er verschillende smaken in zaten. Hij heeft er verder niets over verteld en ik heb niets gevraagd. (…) Vraag verbalisanten: Wie waren er woensdag 14 november aanwezig bij de loods waar u ging lossen? Antwoord gehoorde: Ik was daar en mijn personeelsleden, de heer [personeelslid 1] en de heer [personeelslid 2] . [belanghebbende] was ook aanwezig en was zo ineens weg. Ik dacht dat hij pallets ging halen, maar hij kwam niet meer terug. (…) Vraag verbalisanten: Heeft u ooit andere mensen bij de loods gezien? Antwoord gehoorde: Nee, de enige die ik gezien heb, zijn [belanghebbende] en [naam 1] . Ik denk dat de eigenaar van de loods daar meer over kan vertellen. Hij zal dit wel gezien hebben. Vraag verbalisanten: Wat kunt u vertellen over de facturatie en betaling door [belanghebbende] ? Antwoord gehoorde: [belanghebbende] heeft mij alle keren contant betaald. Ik heb dit in mijn kasboek verwerkt. [belanghebbende] zei dat hij mij nog zou laten weten op wiens naam ik de factuur op moest maken. Hij heeft dit tot op heden nog niet laten weten. Hij betaalde 355 euro per keer, dit was voor twee uur. Wanneer wij langer nodig hadden, moest hij 85 euro per half uur bijbetalen. Vraag verbalisanten: Wie heeft u het geld overhandigd? Antwoord gehoorde: Ik heb iedere keer geld van [belanghebbende] gekregen.” 2.3.3. Getuige [getuige 2] heeft, voor zover van belang, blijkens het [kenmerk] als volgt verklaard: “Vraag verbalisanten: Aan wie heeft u de afgelopen periode de loods verhuurd? Antwoord gehoorde: Ik had de loods voor verhuur aangeboden bij makelaar [makelaar] . [makelaar] kwam samen met [belanghebbende] de loods bekijken. Volgens mij was dit 17 juli 2018.
Volledig
Een uur nadat [belanghebbende] hier met de makelaar vertrokken was, belde hij mij op. Hij zei dat hij een vracht binnen zou krijgen en vroeg mij of die bij mij in de loods gelost kon worden. Even later belde hij op dat het toch niet nodig was, omdat de vracht pas tien dagen later binnen zou komen. Weer even later belde hij dat hij toch wel met die vracht wou komen. Ik zei dat het goed was. Er kwam een vrachtwagen met een container hier achteruit het pad op rijden. Ik was achter bezig. [belanghebbende] was aanwezig en ook [naam 1] was erbij. Er was ook nog een derde persoon, hij heet [naam 2] . Die [naam 2] sprak alleen Engels en bleef op de achtergond. Hij had zich wel voorgesteld als [naam 2] . [naam 1] heeft zich als [naam 1] voorgesteld. Achternamen werden niet genoemd. Ik ben de achternaam van [naam 1] te weten gekomen via [makelaar] . Toen de container hier stond, kwamen er inenen vijf personen aangelopen. Dit was de losploeg. De deur van de container werd opgengemaakt met een knipschaar. Ik zag gele dozen met Arabische tekens. [belanghebbende] had verteld dat hij in dadels, rozijnen en aanverwante artikelen deed. Dit staat ook in het huurcontract. [belanghebbende] vroeg mij of hij mijn heftruck mocht gebruiken. Ik zei dat ik dan zelf zou rijden. Ik zette met de heftruck een lege pallet op hoogte voor de container. De mensen van de losploeg stapelden de dozen op de lege pallet. Ik reed de pallet vervolgens in de loods. [belanghebbende] en [naam 1] liepen met mij mee en zeiden waar ik de pallet neer moest zetten. De pallets moesten van elkaar af staan, zodat zij daar nog wel omheen konden lopen. (…) Vraag verbalisanten: Wij laten u een tweetal foto’s zien, DOC-020 en 037, van een doos en van dozen op pallets die ook in de loods zijn aangetroffen. Zijn dit de dozen die u in de eerste cotainer gezien heeft? Antwoord gehoorde: Ja, deze dozen heb ik gezien. De dozen stonden in de container op de zijkant van de doos opgestapeld. Ik denk dat deze dozen op de zijkant gestapeld waren omdat deze dan minder ruimte in namen dan wanneer zij plat liggen. Ik denk dat er drie rijen van die gele dozen in de container stonden. Achter deze gele dozen stonden grote bruine dozen. Op die bruine dozen stonden tekens. Deze dozen werden door de losploeg ook op de pallets gezet die ik met de heftruck naar binnen reed. Tijdens het lossen werd niet geselecteerd op tekens, daarvoor ging het veel te vlug. Misschien dat deze dozen al geselecteerd in de container stonden, want ik heb later in de loods gezien dat de stapel dozen op een pallet per pallet hetzelfde teken hadden. De volle pallets moest ik op aanwijzen van [belanghebbende] en [naam 1] langs de muren van de loods zetten, er moest ruim een meter ruimte tussen de pallets zijn. Ik heb tijdens het lossen niet gezien wat de inhoud van de bruine dozen was. (…) Omdat ik het niet vertrouwde ben ik naar de makelaar gegaan. [persoon] , werkzaam bij [makelaar] , is met mij meegekomen en wij hebben samen in de loods gekeken. Er was een bruine doos open. Volgens mij zaten er in de bruine doos vier groene dozen, twee naast elkaar en twee op elkaar. De makelaar heeft de dozen bekeken en zei mij dat hij het spul kende. Hij zei dat het waterpijptabak was en dat dat legaal is. (…) Vraag verbalisanten: Wie kwamen bij de loods met betrekking tot de containers die hier gelost werden? Antwoord gehoorde: [belanghebbende] kwam nooit, alleen als er een wagen gelost moet worden. Hij is iedere keer bij het lossen geweest. Het ophalen gebeurde in het begin door [naam 2] . Dit heeft ongeveer een maand geduurd. (…) Vraag verbalisanten: Hoe ging [naam 1] de loods binnen? Antwoord gehoorde: Ik heb één sleutel afgegeven aan [belanghebbende] . [naam 2] en [naam 1] kwamen hier met een sleutel binnen. Ik weet niet of zij de sleutel van [belanghebbende] gekregen hadden of dat zij een sleutel bij hadden laten maken.” 2.4. De Douane had ten tijde van de doorzoeking ter zake van de loods geen vergunning ‘Accijnsgoederenplaats’ verleend voor het opslaan van onveraccijnsde waterpijptabak. 2.5. Uit onderzoek bij [B.V.] is geconstateerd dat belanghebbende middels zijn eenmanszaak acht containers heeft ingevoerd die volgens de vervoersdocumenten dadels zouden bevatten. 2.6. De inspecteur heeft toestemming gekregen van de Officier van Justitie om de onderzoeksgegevens te gebruiken voor fiscale doeleinden. 2.7. De inspecteur heeft bij aangetekende brief belanghebbende laten weten dat hij voornemens is de naheffingsaanslag op te leggen. Deze brief heeft de inspecteur retour ontvangen. 2.8. Op 24 december 2018 heeft de inspecteur nogmaals per aangetekende brief aan belanghebbende laten weten dat hij voornemens is een naheffingsaanslag op te leggen. Deze brief is verzonden naar het woonadres van belanghebbende en bevat de redenen voor het opleggen van de naheffingsaanslag. 2.9. Met dagtekening 24 januari 2019 mailt belanghebbendes advocaat aan de inspecteur dat belanghebbende hem heeft gevraagd een reactie te geven op de brief van de inspecteur van 24 december 2018. Hij schrijft dat zijn client het niet eens is met de aangekondigde naheffingsaanslag, dat hij graag een bezwaarschrift wenst in te dienen en dat er vooralsnog geen opmerkingen te maken zijn aangezien het FIOD-onderzoek nog niet is afgerond. 2.10. Met dagtekening 7 februari 2019 is aan belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd. 2.11. Het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar inzake voormelde naheffingsaanslag is door de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende de waterpijptabak voorhanden heeft gehad en dat de naheffingsaanslag terecht aan hem is opgelegd. Tegen dit oordeel is belanghebbende in hoger beroep gekomen. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de naheffingsaanslag en de in rekening gebrachte belastingrente. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Vooraf 4.0. Zoals volgt uit de onder 1.5 vermelde stukken is de uitnodiging op 17 december 2025 uitgereikt. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Ten aanzien van het geschil 4.1. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag opgelegd, omdat volgens hem het belastbaar feit ‘uitslag tot verbruik’ heeft plaatsgevonden en belanghebbende de belastingplichtige is. 4.2. Onder de naam accijns wordt belasting geheven van onder andere tabaksproducten . Die belasting wordt verschuldigd ter zake van “de uitslag tot verbruik” van onder andere tabaksproducten. 4.3. Onder ‘uitslag tot verbruik’ wordt verstaan: het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving. De accijns wordt geheven van de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft of enig andere persoon die bij het voorhanden hebben door een ander ervan betrokken is. 4.4. De Wet op de accijns is een implementatie van de Richtlijn 2008/118/EG. Dit houdt in dat het begrip ‘voorhanden hebben’ een Unierechtelijk begrip is, dat Unierechtelijk moet worden uitgelegd. Ook het begrip ‘betrokken zijn bij het voorhanden hebben door een ander’ van onveraccijnsde acccijnsgoederen is een Unierechtelijk begrip, dat Unierechtelijk moet worden uitgelegd. 4.5. Uit de wetsgeschiedenis bij de implementatie van de Richtlijn 2008/118/EG per 1 april 2010 blijkt het volgende: ‘Het enkele voorhanden hebben van deze accijnsgoederen wordt door de Accijnsrichtlijn 2008 dus aangemerkt als een zelfstandig belastbaar feit. Het huidige artikel 2f van de wet voorziet voor deze situatie in een belastbaar feit. De toepassing van deze bepaling in de praktijk is zeer sterk ingeperkt door de jurisprudentie van de Hoge Raad (…).
Volledig
Een uur nadat [belanghebbende] hier met de makelaar vertrokken was, belde hij mij op. Hij zei dat hij een vracht binnen zou krijgen en vroeg mij of die bij mij in de loods gelost kon worden. Even later belde hij op dat het toch niet nodig was, omdat de vracht pas tien dagen later binnen zou komen. Weer even later belde hij dat hij toch wel met die vracht wou komen. Ik zei dat het goed was. Er kwam een vrachtwagen met een container hier achteruit het pad op rijden. Ik was achter bezig. [belanghebbende] was aanwezig en ook [naam 1] was erbij. Er was ook nog een derde persoon, hij heet [naam 2] . Die [naam 2] sprak alleen Engels en bleef op de achtergond. Hij had zich wel voorgesteld als [naam 2] . [naam 1] heeft zich als [naam 1] voorgesteld. Achternamen werden niet genoemd. Ik ben de achternaam van [naam 1] te weten gekomen via [makelaar] . Toen de container hier stond, kwamen er inenen vijf personen aangelopen. Dit was de losploeg. De deur van de container werd opgengemaakt met een knipschaar. Ik zag gele dozen met Arabische tekens. [belanghebbende] had verteld dat hij in dadels, rozijnen en aanverwante artikelen deed. Dit staat ook in het huurcontract. [belanghebbende] vroeg mij of hij mijn heftruck mocht gebruiken. Ik zei dat ik dan zelf zou rijden. Ik zette met de heftruck een lege pallet op hoogte voor de container. De mensen van de losploeg stapelden de dozen op de lege pallet. Ik reed de pallet vervolgens in de loods. [belanghebbende] en [naam 1] liepen met mij mee en zeiden waar ik de pallet neer moest zetten. De pallets moesten van elkaar af staan, zodat zij daar nog wel omheen konden lopen. (…) Vraag verbalisanten: Wij laten u een tweetal foto’s zien, DOC-020 en 037, van een doos en van dozen op pallets die ook in de loods zijn aangetroffen. Zijn dit de dozen die u in de eerste cotainer gezien heeft? Antwoord gehoorde: Ja, deze dozen heb ik gezien. De dozen stonden in de container op de zijkant van de doos opgestapeld. Ik denk dat deze dozen op de zijkant gestapeld waren omdat deze dan minder ruimte in namen dan wanneer zij plat liggen. Ik denk dat er drie rijen van die gele dozen in de container stonden. Achter deze gele dozen stonden grote bruine dozen. Op die bruine dozen stonden tekens. Deze dozen werden door de losploeg ook op de pallets gezet die ik met de heftruck naar binnen reed. Tijdens het lossen werd niet geselecteerd op tekens, daarvoor ging het veel te vlug. Misschien dat deze dozen al geselecteerd in de container stonden, want ik heb later in de loods gezien dat de stapel dozen op een pallet per pallet hetzelfde teken hadden. De volle pallets moest ik op aanwijzen van [belanghebbende] en [naam 1] langs de muren van de loods zetten, er moest ruim een meter ruimte tussen de pallets zijn. Ik heb tijdens het lossen niet gezien wat de inhoud van de bruine dozen was. (…) Omdat ik het niet vertrouwde ben ik naar de makelaar gegaan. [persoon] , werkzaam bij [makelaar] , is met mij meegekomen en wij hebben samen in de loods gekeken. Er was een bruine doos open. Volgens mij zaten er in de bruine doos vier groene dozen, twee naast elkaar en twee op elkaar. De makelaar heeft de dozen bekeken en zei mij dat hij het spul kende. Hij zei dat het waterpijptabak was en dat dat legaal is. (…) Vraag verbalisanten: Wie kwamen bij de loods met betrekking tot de containers die hier gelost werden? Antwoord gehoorde: [belanghebbende] kwam nooit, alleen als er een wagen gelost moet worden. Hij is iedere keer bij het lossen geweest. Het ophalen gebeurde in het begin door [naam 2] . Dit heeft ongeveer een maand geduurd. (…) Vraag verbalisanten: Hoe ging [naam 1] de loods binnen? Antwoord gehoorde: Ik heb één sleutel afgegeven aan [belanghebbende] . [naam 2] en [naam 1] kwamen hier met een sleutel binnen. Ik weet niet of zij de sleutel van [belanghebbende] gekregen hadden of dat zij een sleutel bij hadden laten maken.” 2.4. De Douane had ten tijde van de doorzoeking ter zake van de loods geen vergunning ‘Accijnsgoederenplaats’ verleend voor het opslaan van onveraccijnsde waterpijptabak. 2.5. Uit onderzoek bij [B.V.] is geconstateerd dat belanghebbende middels zijn eenmanszaak acht containers heeft ingevoerd die volgens de vervoersdocumenten dadels zouden bevatten. 2.6. De inspecteur heeft toestemming gekregen van de Officier van Justitie om de onderzoeksgegevens te gebruiken voor fiscale doeleinden. 2.7. De inspecteur heeft bij aangetekende brief belanghebbende laten weten dat hij voornemens is de naheffingsaanslag op te leggen. Deze brief heeft de inspecteur retour ontvangen. 2.8. Op 24 december 2018 heeft de inspecteur nogmaals per aangetekende brief aan belanghebbende laten weten dat hij voornemens is een naheffingsaanslag op te leggen. Deze brief is verzonden naar het woonadres van belanghebbende en bevat de redenen voor het opleggen van de naheffingsaanslag. 2.9. Met dagtekening 24 januari 2019 mailt belanghebbendes advocaat aan de inspecteur dat belanghebbende hem heeft gevraagd een reactie te geven op de brief van de inspecteur van 24 december 2018. Hij schrijft dat zijn client het niet eens is met de aangekondigde naheffingsaanslag, dat hij graag een bezwaarschrift wenst in te dienen en dat er vooralsnog geen opmerkingen te maken zijn aangezien het FIOD-onderzoek nog niet is afgerond. 2.10. Met dagtekening 7 februari 2019 is aan belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd. 2.11. Het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar inzake voormelde naheffingsaanslag is door de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende de waterpijptabak voorhanden heeft gehad en dat de naheffingsaanslag terecht aan hem is opgelegd. Tegen dit oordeel is belanghebbende in hoger beroep gekomen. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de naheffingsaanslag en de in rekening gebrachte belastingrente. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Vooraf 4.0. Zoals volgt uit de onder 1.5 vermelde stukken is de uitnodiging op 17 december 2025 uitgereikt. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Ten aanzien van het geschil 4.1. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag opgelegd, omdat volgens hem het belastbaar feit ‘uitslag tot verbruik’ heeft plaatsgevonden en belanghebbende de belastingplichtige is. 4.2. Onder de naam accijns wordt belasting geheven van onder andere tabaksproducten . Die belasting wordt verschuldigd ter zake van “de uitslag tot verbruik” van onder andere tabaksproducten. 4.3. Onder ‘uitslag tot verbruik’ wordt verstaan: het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving. De accijns wordt geheven van de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft of enig andere persoon die bij het voorhanden hebben door een ander ervan betrokken is. 4.4. De Wet op de accijns is een implementatie van de Richtlijn 2008/118/EG. Dit houdt in dat het begrip ‘voorhanden hebben’ een Unierechtelijk begrip is, dat Unierechtelijk moet worden uitgelegd. Ook het begrip ‘betrokken zijn bij het voorhanden hebben door een ander’ van onveraccijnsde acccijnsgoederen is een Unierechtelijk begrip, dat Unierechtelijk moet worden uitgelegd. 4.5. Uit de wetsgeschiedenis bij de implementatie van de Richtlijn 2008/118/EG per 1 april 2010 blijkt het volgende: ‘Het enkele voorhanden hebben van deze accijnsgoederen wordt door de Accijnsrichtlijn 2008 dus aangemerkt als een zelfstandig belastbaar feit. Het huidige artikel 2f van de wet voorziet voor deze situatie in een belastbaar feit. De toepassing van deze bepaling in de praktijk is zeer sterk ingeperkt door de jurisprudentie van de Hoge Raad (…).
Volledig
De in de jurisprudentie van de Hoge Raad ontwikkelde voorwaarden voor toepassing van artikel 2f, zoals de feitelijke beschikkingsmacht en het wetenschapsvereiste, zijn voor de toepassing van het nieuwe artikel 2, eerste lid, onderdeel b, niet meer van belang. Ter zake van het in deze bepaling bedoelde «voorhanden hebben» wijst de Accijnsrichtlijn 2008 (artikel 8, eerste lid, onderdeel b) als belastingplichtige aan «de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft of enig ander persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is». Dit betekent dat ook een persoon, die niet de feitelijke beschikkingsmacht over de accijnsgoederen heeft, maar wel betrokken is bij het voorhanden hebben van die goederen, als belastingplichtige kan worden aangemerkt. De Accijnsrichtlijn 2008 vereist voorts niet dat degene die accijnsgoederen voorhanden heeft wetenschap droeg of redelijkerwijs had moeten dragen van het feit dat de goederen niet conform de wettelijke bepalingen in de heffing zijn betrokken (wetenschapsvereiste).’ 4.6. Het begrip ‘de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft’ als bedoeld in artikel 8, lid 1, letter b, van Richtlijn 2008/118/EG ziet in het gewone spraakgebruik op een persoon die deze goederen fysiek tot zijn beschikking heeft. Volgens Unierecht is niet relevant of de desbetreffende persoon een recht of enig belang kan doen gelden met betrekking tot die goederen. Sinds de inwerkingtreding van Richtlijn 2008/118/EG per 1 april 2010 is - anders dan voorheen - volgens Unierecht evenmin relevant of deze persoon weet of redelijkerwijs had behoren te weten dat voor die goederen accijns wordt verschuldigd (er geldt geen wetenschapsvereiste). Uit de omstandigheid dat behalve de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft, iedere andere persoon die is betrokken bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen door een ander, in artikel 8, lid 1, letter b, van Richtlijn 2008/118/EG is aangewezen als schuldenaar, moet worden afgeleid dat de richtlijngever een ruime kring van personen heeft aangewezen als schuldenaar van de accijnsschuld. 4.7. Belanghebbende stelt dat hij niet de persoon is die de onveraccijnsde waterpijptabak voorhanden heeft gehad, noch bij het voorhanden hebben door een ander ervan betrokken is geweest. Hij stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij gebruiker was van de loods; hij was enkel de huurder van de loods en maakte daarvan geen gebruik. Hij beschikte niet over de sleutel van de loods en maakte daar dan ook geen gebruik van. Daarnaast stelt hij dat de waterpijptabak niet aan hem toebehoorde en dat hij niet de feitelijke beschikkingsmacht daarover had. 4.8. De inspecteur stelt - primair - daar tegenover, onder verwijzing naar het tot het dossier behorende [kenmerk] , dat belanghebbende de waterpijptabak voorhanden heeft gehad omdat hij de gebruiker van de loods was waarin de waterpijptabak is aangetroffen, hij de beschikking had over de sleutel van de loods en daartoe ook toegang had. Subsidiair stelt de inspecteur voor het geval het hof zou oordelen dat belanghebbende de waterpijptabak niet voorhanden heeft gehad dat hij betrokken is geweest bij het voorhanden hebben van de waterpijptabak. 4.9. Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de waterpijptabak die in de naheffingsaanslag is betrokken, is aangetroffen in de loods waarvan belanghebbende de huurder en gebruiker was. Dat hij de gebruiker van de loods was, blijkt uit hetgeen belanghebbende zelf daarover heeft verklaard, namelijk dat hij de enige gebruiker van die loods was en dat hij de enige was die een sleutel van de loods had. Tevens blijkt uit zijn eigen verklaring dat hetgeen in de loods aanwezig was, van belanghebbende was, behoudens de auto van de verhuurder van de loods (2.3.1). Het hof verwerpt de stelling van belanghebbende in hoger beroep dat hij niet over de sleutel van de loods beschikte, omdat hij eerder tijdens zijn verhoor heeft verklaard dat hij daarover wél heeft beschikt. Getuige [getuige 2] bevestigt dit, (2.3.3) die heeft verklaard dat hij één sleutel aan belanghebbende heeft overhandigd. Ook bevestigen de getuigen [getuige 1] (2.3.2) en [getuige 2] (2.3.3) dat belanghebbende in de loods aanwezig was, ook bij het lossen van de containers met daarin de waterpijptabak en heeft belanghebbende zelf verklaard de vijfde container te hebben gelost (2.3.1). Daarmee is komen vast te staan dat belanghebbende, als gebruiker, toegang had tot de loods en over de in de loods aangetroffen waterpijptabak heeft beschikt, hetgeen betekent dat hij de waterpijptabak, in de hiervoor bedoelde zin, voorhanden heeft gehad. Voor het geval een ander de waterpijptabak voorhanden heeft gehad is belanghebbende minstens - op grond van het voorgaande - betrokken geweest bij het voorhanden hebben van de onderwerpelijke waterpijptabak. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is niet van belang wie de eigenaar van de waterpijptabak was, noch of belanghebbende wist of redelijkerwijs had behoren te weten dat dit accijnsgoederen betroffen en dat daarover accijns was verschuldigd (4.6). 4.10. In bezwaar heeft belanghebbende gesteld “dat de tabak onverhoeds en ongewild in zijn loods terecht is gekomen en derhalve onverwacht kennis heeft gekregen van de aanwezigheid van de waterpijptabak, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kon nemen.” Hieruit leidt de inspecteur terecht af dat hij de zendingen dadels, waar tussen de waterpijptabak is aangetroffen, als gebruiker van de loods ook in ontvangst heeft genomen. 4.11. Aangezien belanghebbende tegen het bedrag van de belastingrente geen afzonderlijke grieven heeft ingebracht, bestaat er geen aanleiding deze te verlagen. Tussenconclusie 4.12. Het gelijk is aan de zijde van de inspecteur. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond. Ten aanzien van het griffierecht 4.13. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.14. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. 5 Beslissing Het hof: - verklaart het hoger beroep ongegrond; - bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door A.J. Kromhout, voorzitter, J.M. van der Vegt en B.J. Rubbens in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden. De griffier, De raadsheer, M.M. Stassen-Kanters A.J. Kromhout Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
Volledig
De in de jurisprudentie van de Hoge Raad ontwikkelde voorwaarden voor toepassing van artikel 2f, zoals de feitelijke beschikkingsmacht en het wetenschapsvereiste, zijn voor de toepassing van het nieuwe artikel 2, eerste lid, onderdeel b, niet meer van belang. Ter zake van het in deze bepaling bedoelde «voorhanden hebben» wijst de Accijnsrichtlijn 2008 (artikel 8, eerste lid, onderdeel b) als belastingplichtige aan «de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft of enig ander persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is». Dit betekent dat ook een persoon, die niet de feitelijke beschikkingsmacht over de accijnsgoederen heeft, maar wel betrokken is bij het voorhanden hebben van die goederen, als belastingplichtige kan worden aangemerkt. De Accijnsrichtlijn 2008 vereist voorts niet dat degene die accijnsgoederen voorhanden heeft wetenschap droeg of redelijkerwijs had moeten dragen van het feit dat de goederen niet conform de wettelijke bepalingen in de heffing zijn betrokken (wetenschapsvereiste).’ 4.6. Het begrip ‘de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft’ als bedoeld in artikel 8, lid 1, letter b, van Richtlijn 2008/118/EG ziet in het gewone spraakgebruik op een persoon die deze goederen fysiek tot zijn beschikking heeft. Volgens Unierecht is niet relevant of de desbetreffende persoon een recht of enig belang kan doen gelden met betrekking tot die goederen. Sinds de inwerkingtreding van Richtlijn 2008/118/EG per 1 april 2010 is - anders dan voorheen - volgens Unierecht evenmin relevant of deze persoon weet of redelijkerwijs had behoren te weten dat voor die goederen accijns wordt verschuldigd (er geldt geen wetenschapsvereiste). Uit de omstandigheid dat behalve de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft, iedere andere persoon die is betrokken bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen door een ander, in artikel 8, lid 1, letter b, van Richtlijn 2008/118/EG is aangewezen als schuldenaar, moet worden afgeleid dat de richtlijngever een ruime kring van personen heeft aangewezen als schuldenaar van de accijnsschuld. 4.7. Belanghebbende stelt dat hij niet de persoon is die de onveraccijnsde waterpijptabak voorhanden heeft gehad, noch bij het voorhanden hebben door een ander ervan betrokken is geweest. Hij stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij gebruiker was van de loods; hij was enkel de huurder van de loods en maakte daarvan geen gebruik. Hij beschikte niet over de sleutel van de loods en maakte daar dan ook geen gebruik van. Daarnaast stelt hij dat de waterpijptabak niet aan hem toebehoorde en dat hij niet de feitelijke beschikkingsmacht daarover had. 4.8. De inspecteur stelt - primair - daar tegenover, onder verwijzing naar het tot het dossier behorende [kenmerk] , dat belanghebbende de waterpijptabak voorhanden heeft gehad omdat hij de gebruiker van de loods was waarin de waterpijptabak is aangetroffen, hij de beschikking had over de sleutel van de loods en daartoe ook toegang had. Subsidiair stelt de inspecteur voor het geval het hof zou oordelen dat belanghebbende de waterpijptabak niet voorhanden heeft gehad dat hij betrokken is geweest bij het voorhanden hebben van de waterpijptabak. 4.9. Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de waterpijptabak die in de naheffingsaanslag is betrokken, is aangetroffen in de loods waarvan belanghebbende de huurder en gebruiker was. Dat hij de gebruiker van de loods was, blijkt uit hetgeen belanghebbende zelf daarover heeft verklaard, namelijk dat hij de enige gebruiker van die loods was en dat hij de enige was die een sleutel van de loods had. Tevens blijkt uit zijn eigen verklaring dat hetgeen in de loods aanwezig was, van belanghebbende was, behoudens de auto van de verhuurder van de loods (2.3.1). Het hof verwerpt de stelling van belanghebbende in hoger beroep dat hij niet over de sleutel van de loods beschikte, omdat hij eerder tijdens zijn verhoor heeft verklaard dat hij daarover wél heeft beschikt. Getuige [getuige 2] bevestigt dit, (2.3.3) die heeft verklaard dat hij één sleutel aan belanghebbende heeft overhandigd. Ook bevestigen de getuigen [getuige 1] (2.3.2) en [getuige 2] (2.3.3) dat belanghebbende in de loods aanwezig was, ook bij het lossen van de containers met daarin de waterpijptabak en heeft belanghebbende zelf verklaard de vijfde container te hebben gelost (2.3.1). Daarmee is komen vast te staan dat belanghebbende, als gebruiker, toegang had tot de loods en over de in de loods aangetroffen waterpijptabak heeft beschikt, hetgeen betekent dat hij de waterpijptabak, in de hiervoor bedoelde zin, voorhanden heeft gehad. Voor het geval een ander de waterpijptabak voorhanden heeft gehad is belanghebbende minstens - op grond van het voorgaande - betrokken geweest bij het voorhanden hebben van de onderwerpelijke waterpijptabak. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is niet van belang wie de eigenaar van de waterpijptabak was, noch of belanghebbende wist of redelijkerwijs had behoren te weten dat dit accijnsgoederen betroffen en dat daarover accijns was verschuldigd (4.6). 4.10. In bezwaar heeft belanghebbende gesteld “dat de tabak onverhoeds en ongewild in zijn loods terecht is gekomen en derhalve onverwacht kennis heeft gekregen van de aanwezigheid van de waterpijptabak, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kon nemen.” Hieruit leidt de inspecteur terecht af dat hij de zendingen dadels, waar tussen de waterpijptabak is aangetroffen, als gebruiker van de loods ook in ontvangst heeft genomen. 4.11. Aangezien belanghebbende tegen het bedrag van de belastingrente geen afzonderlijke grieven heeft ingebracht, bestaat er geen aanleiding deze te verlagen. Tussenconclusie 4.12. Het gelijk is aan de zijde van de inspecteur. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond. Ten aanzien van het griffierecht 4.13. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.14. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. 5 Beslissing Het hof: - verklaart het hoger beroep ongegrond; - bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door A.J. Kromhout, voorzitter, J.M. van der Vegt en B.J. Rubbens in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden. De griffier, De raadsheer, M.M. Stassen-Kanters A.J. Kromhout Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.