Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-01
ECLI:NL:GHSHE:2025:911
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
10,326 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.332.009/01
arrest van 1 april 2025
in de zaak van
1 [appellant sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [appellant sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna aan te duiden als [appellanten] ,
advocaat: mr. M.M.M. Rooijen te Weert,
tegen
1Maatschap Bouwbedrijf [YY] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
3. [geïntimeerde sub 3] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna aan te duiden als [geïntimeerden] ,
advocaat: mr. V.W.J.H. Kobossen te Nijmegen,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 7 november 2023 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/03/297829 / HA ZA 21-547 gewezen vonnis van 21 december 2022.
5Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenarrest van 7 november 2023 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
het proces-verbaal van mondelinge behandeling na aanbrengen van 18 januari 2024;
de memorie van grieven, met producties 1 tot en met 20;
de memorie van antwoord;
de mondeling behandeling van 4 februari 2025, waarbij partij [appellant sub 1] spreeknotities heeft overgelegd.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
6De beoordeling
Geschil
6.1.
[appellanten] en [geïntimeerden] hebben in opdracht van de eigenaar van een woning bouwwerkzaamheden verricht aan die woning. [geïntimeerden] heeft onder andere een betonvloer (buiten rondom de woning) gestort en [appellanten] heeft onder meer die vloer van tegels voorzien. De eigenaar van de woning heeft hen aangesproken tot vergoeding van schade toen zich verschillende gebreken aan de vloer openbaarden. [appellanten] heeft in die procedure vervolgens [geïntimeerden] in vrijwaring opgeroepen. De rechtbank heeft in de hoofdzaak geoordeeld dat de schade een gevolg is van een ontwerpfout van [appellanten] , zodat deze het deel van de schade waarvoor [appellanten] was aangesproken aan de eigenaar dient te vergoeden. De vordering ten aanzien van [geïntimeerden] is afgewezen. Ook de vordering in vrijwaring is afgewezen.
Geen van de partijen in de hoofdzaak heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. Het geschil dat nu aan het hof voorligt betreft uitsluitend de procedure tussen [appellanten] en [geïntimeerden] in de vrijwaring. Het hof komt net als de rechtbank tot het oordeel dat de vordering van [appellanten] in de vrijwaring niet kan worden toegewezen. Het hof licht dat oordeel hierna toe.
Feiten
6.2.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
6.2.1.
[persoon A] (hierna: [persoon A] ) is eigenaar van een woning in [plaats A] en heeft in die hoedanigheid medio 2017 opdracht gegeven tot de realisatie van een uitbouw bij de bestaande woning. Hiervoor heeft hij meerdere aannemers zelfstandig ingeschakeld, waaronder [appellanten] en [geïntimeerden] . Zowel tussen [appellanten] en [persoon A] enerzijds als [geïntimeerden] en [persoon A] anderzijds is een mondelinge overeenkomst tot stand gekomen. De werkzaamheden zijn op regiebasis uitgevoerd.
6.2.2.
Aan [appellanten] is de opdracht verleend om het tegelwerk in en rondom de woning te realiseren. [appellanten] vormde destijds de v.o.f. “ [XX] Tegelwerken”, welke is opgeheven per 31 december 2018.
6.2.3.
[geïntimeerden] heeft een groot deel van de ruwbouw voor de verbouwing verzorgd en heeft – onder meer – de betonvloer gestort buiten de woning waarop het door [appellanten] uitgevoerde tegelwerk is aangebracht.
6.2.4.
Na de uitvoering van de werkzaamheden doet zich in 2017 een aantal gebreken voor ten aanzien van het werk dat door [appellanten] is uitgevoerd. [appellanten] heeft naar aanleiding daarvan in samenspraak met [persoon A] een IACT-deskundige ingeschakeld. Deze deskundige heeft op 26 oktober 2017 een inspectie verricht en in november 2017 gerapporteerd. Door [appellanten] is verweer gevoerd tegen die rapportage, waarna op initiatief van [appellanten] dezelfde deskundige voor een vervolgopdracht is benaderd. Door de deskundige is op 19 juli 2018 een vervolginspectie verricht en op 17 september 2018 gerapporteerd. Hierop heeft [appellanten] met een door hemzelf opgestelde tegenrapportage gereageerd.
6.2.5.
Vervolgens heeft [persoon A] bij brieven van 20 juni 2019 [appellanten] in gebreke gesteld en aansprakelijk gesteld voor alle schade. Tevens heeft [persoon A] in die brieven voorgesteld om [bedrijf A] in te schakelen als gezamenlijke onafhankelijk deskundige. [appellanten] heeft hiermee ingestemd. Op 25 september 2019 heeft een onderzoek op locatie plaatsgevonden door een deskundige van [bedrijf A] , welk geresulteerd heeft in een rapportage van 14 april 2020. Op basis daarvan heeft een nader onderzoek plaatsgevonden op 8 oktober 2020 door twee deskundigen van [bedrijf A] , welk onderzoek geresulteerd heeft in een rapportage van 8 februari 2021. Na het eerste rapport is ook [geïntimeerden] betrokken bij het deskundigenonderzoek.
6.2.6.
In de rapportage van 14 april 2020 is – voor zover van belang – onder meer het volgende opgenomen:
“In opdracht van Van Dijk c.s. Advocaten heeft [bedrijf A] onderzoek gedaan naar gebreken in het tegelwerk (...) op de vloeren in de woning als ook op het terras rondom de woning. (...) [bedrijf A] is gevraagd antwoord te geven op een aantal vragen. Deze richten zich voor een belangrijk deel op de hechting en de scheuren in de tegels.
(...)
5. BEANTWOORDING VRAGEN (...)
15) Zo er sprake is van een gebrek, op welke wijze dient dit gebrek hersteld te worden?
Uitgangspunt van een ontwerp moet zijn dan vocht van buiten wordt gekeerd door een goede bouwkundige constructie. Het daarbij vertrouwen op waterdicht tegelwerk is een onjuist ontwerp uitgangspunt naar het oordeel van de deskundige. Immers waterdichtheid van sec de tegelvloer kan nooit worden gegarandeerd.
Hoe de constructie exact is gemaakt valt buiten het kader c.q. de omvang van dit deskundigen onderzoek. In ieder geval moeten de buitenzijde en binnenzijde damp- en waterdicht van elkaar worden gescheiden, zodat geen vocht kan doortrekken dat eventueel in de buitenvloer terecht komt.
(...)
Verder wordt opgemerkt:
a. a) Voldoende afschot ontbreekt in de tegelvloer en zeer waarschijnlijk ook de onderliggende betonvloer. Daarbij speelt een rol dat gesteld wordt door [XX] dat de betonvloer onvoldoende ruimte bood een goed afschot te maken. Ontbreken van afschot zorgt voor een langere waterbelasting en het accumuleren van water. Dit wordt als niet deugdelijk aangemerkt. Daarbij geldt overigens dat ook de ondergrond (betonvloer) afschot moet hebben. Doorgaans meer dan het gewenste afschot in een tegelvloer. Dat is hier niet gerealiseerd (ondeugdelijk). De constructievloer is geen werkzaamheid van [XX] .
(...)
c) Het uitgangspunt dat een tegelvloer zelf de waterkerende laag vormt mag natuurlijk maar is in de praktijk feitelijk niet duurzaam mogelijk. Een bouwkundig ontwerp dat uitgaat van een tegelvloer als waterdichting is als niet deugdelijk aan te merken. De waterdichtheid zal nimmer blijvend gegarandeerd kunnen worden. Dit betekent dat of direct onder de tegel een waterdichte laag moet zitten dan wel ingedrongen water moet kunnen ontwijken. De lijmlaag zoals hier toegepast remt wel water maar voorkomt niet dat de lijm en mortel enigszins vochtig kan worden.
(...)
6. REACTIES OP CONCEPTRAPPORT (...)
6.2
VAN DIJK ADVOCATEN (…)
De deskundige ziet hierin de bevestiging van zijn conclusie dat de tegelvloer niet als waterdicht is aan te merken en dat dit uitgangspunt bij een buitenvloer in beginsel ook onjuist is. Bij het vervangen van de tegelvloer kan tevens naar een goede duurzaam waterdichte constructie worden toegewerkt, waarbij de waterkering op de betonvloer moet komen en waterdicht moet aansluiten op het inpandig deel.
6.3
[XX] TEGELWERKEN (…)
Van de zijde van [XX] tegelwerken is een uitgebreide reactie ontvangen op het concept. Deze reactie bevat deels informatie van algemene aard, opmerkingen in het algemeen en meer specifieke opmerkingen met verwijzing naar het rapport. Deze zijn grotendeels samen te vatten als een onderschrijving van wat er in het rapport staat en/of in het dossier is terug te lezen. Gelet op de omvang is deze niet in zijn geheel overgenomen in het rapport, zoals de deskundige gebruikelijk doet. De deskundige gaat ervan uit dat partijen over de reactie beschikken. De deskundige beperkt zich dan ook tot opmerkingen c.q. een toelichting op punten die hij relevant acht c.q. waar inhoudelijk wordt afgeweken van de strekking van het deskundigenbericht. Het overige neemt de deskundige ter kennisgeving aan.
(…)
6.4
GEVOLGEN VOOR CONCLUSIES
(…)
Op basis van de ontvangen commentaren van de raadlieden en de reactie respectievelijk afweging door de deskundige ziet deze geen aanleiding de beantwoording van de vragen te wijzigen.”
6.2.7.
In de rapportage van 8 februari 2021 staat – voor zover van belang – onder meer het volgende:
“In opdracht van Van Dijk c.s. Advocaten heeft [bedrijf A] onderzoek gedaan naar de buitenvloeren van de woning (...) Het betreft tegelwerk op het terras c.q. langs de woning. [bedrijf A] is gevraagd antwoord te geven op een aantal vragen. Deze richten zich voornamelijk op de vloeropbouw in de tegels en bekende vochtproblematiek.
(...)
Op hoofdlijnen geldt dat de gerede tegelvloer de enige/primaire afdichting met onderliggende lagen vormt. Er is geen onderliggende, waterkerende voorziening aanwezig. Wel is kimband langs de puien van de nieuwbouw en ter plaatse van opstaande randen aangebracht.
Geschil
6.4.1.
[appellanten] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. Kort gezegd betoogt [appellanten] dat de rechtbank verkeerde conclusies trekt uit het rapport van [bedrijf A] (grief 1) en ten onrechte heeft geconcludeerd dat het feit dat de vloer niet waterdicht is geheel een gevolg is van een ontwerpfout van [appellanten] (grief 2), zodat de vordering ten onrechte is afgewezen (grief 3). [appellanten] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen. [appellanten] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof zijn vordering gepreciseerd in die zin dat gezien de in de hoofdzaak na het vonnis getroffen regeling slechts betaling van het schikkingsbedrag van € 43.594,45 – en dus toewijzing van het mindere – wordt verlangd.
6.4.2.
[geïntimeerden] heeft de grieven bestreden en heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellanten] in hoger beroep, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten. [geïntimeerden] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de nadere precisering van de vordering zoals hiervoor is vermeld.
De omvang van het geding I: het vonnis waarvan beroep
6.5.1.
[appellanten] heeft in de dagvaarding in het hoger beroep het zaaknummer genoemd van de hoofdzaak (C/03/293672 / HA ZA 21-330), doch heeft daarbij uitdrukkelijk aangegeven dat het om de vrijwaringsprocedure gaat. Ook in de memorie van grieven vordert [appellanten] uitdrukkelijk alleen vernietiging van het eindvonnis in de vrijwaring. De grieven richten zich tegen dat vonnis en ook alleen dat procesdossier is overgelegd. Het hof heeft de benoeming van het zaaknummer van de hoofdzaak in de dagvaarding in hoger beroep daarom aangemerkt als een verschrijving.
6.5.2.
Voornoemd vonnis in de hoofdzaak heeft kracht van gewijsde.
De omvang van het geding II: de grieven
6.6.1.
[appellanten] heeft voorafgaand aan de drie genummerde grieven een achttal punten benoemd en toegelicht waaruit blijkt dat sprake is van foute keuzes van [persoon A] – al dan niet op foutief advies van [geïntimeerden] – of fouten in het werk van [geïntimeerden] die ervoor hebben gezorgd dat [appellanten] de waterdichtheid van de vloer niet langer heeft kunnen garanderen. Deze punten wenst [appellanten] in een deskundigenonderzoek aan de orde te laten komen. Uit de rapporten van [bedrijf A] blijkt dat ook [geïntimeerden] fouten heeft gemaakt in het werk en tevens dat [geïntimeerden] aansprakelijk is voor een deel van de schade, aldus [appellanten] .
6.6.2.
[geïntimeerden] heeft aangevoerd dat in de beschouwingen die [appellanten] geeft onder de randnummers 1 tot en met 77, geen grieven kunnen worden gelezen. In een groot deel van de daar gemaakte opmerkingen kan [geïntimeerden] zich niet vinden maar [geïntimeerden] acht het niet zinvol en niet proceseconomisch om daar uitgebreid op in te gaan. Wel bestrijdt [geïntimeerden] expliciet de juistheid van alle opmerkingen van [appellanten] waarmee hij “de zwarte Piet” tracht door te schuiven naar [geïntimeerden] en zich aan zijn eigen verantwoordelijkheid onttrekt.
6.6.3.
Het hof stelt voorop dat als grieven worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd. De voor vernietiging aangevoerde gronden behoeven door de appellant niet uitdrukkelijk te worden aangeduid als (al dan niet genummerde) grief. Die gronden moeten wel behoorlijk naar voren zijn gebracht in het geding, zodat zij voldoende kenbaar zijn voor de rechter en voor de wederpartij, welke laatste immers moet kunnen weten waartegen zij zich in de procedure in hoger beroep heeft te verweren. Bij de uitleg van de memorie van grieven kan mede een rol spelen de wijze waarop de geïntimeerde in hoger beroep de inhoud van dat stuk, blijkens zijn reactie daarop, heeft begrepen (vgl. HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:970).
6.6.4.
Naar het oordeel van het hof gaat het hier niet om een afzonderlijke grief of grieven, maar om een feitelijke onderbouwing van de grieven 1 en 2. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellanten] ook toegelicht dat de benoemde punten een verklaring zijn voor de gebreken die er zijn en dat daaruit blijkt dat het verwijt dat [appellanten] gemaakt wordt, onterecht is. Het schadebeeld wordt in ieder geval niet veroorzaakt door wat de andere partij aanneemt, aldus [appellanten] . Het hof is van oordeel dat de gronden behoorlijk naar voren zijn gebracht en zal het gestelde derhalve betrekken bij de beoordeling van de grieven 1 en 2.
Beoordeling
6.5.1.
Het hof zal de grieven 1 en 2 gezamenlijk behandelen. Door middel van deze grieven betoogt [appellanten] dat de overwegingen van de rechtbank onder rov. 5.8 en 5.16 onjuist zijn. Die overwegingen maken door middel van de verwijzing daarnaar onder rov. 5.19 en 5.20 onderdeel uit van het vonnis in de vrijwaring. Nu de vordering in de vrijwaring onder verwijzing naar deze overwegingen wordt afgewezen, kan dat oordeel volgens [appellanten] niet in stand blijven.
6.5.2.
Rov. 5.8. van het vonnis in de hoofdzaak luidt als volgt:
“Partijen verschillen van mening over de toezegging/garantie die [XX] zou hebben gegeven aan [persoon A] , zijnde dat hij ervoor ging zorgen dat de aan te leggen tegelvloer waterdicht zou zijn. De rechtbank overweegt dat, wat er ook zij van die garantie, uit de deskundigenrapportages blijkt dat de tegelvloer nooit waterdicht zou zijn geworden, omdat de gebruikte methode, waarbij de tegelvloer als enige en duurzame waterkerende voorziening functioneert, niet geëigend is. Er is derhalve sprake van een onjuiste bouwkundige constructie. Nu volgens vaste rechtspraak de aannemer ervoor moet zorgen dat zijn werk aan de eisen van goed en deugdelijk werk voldoen, is er sprake van een tekortkoming in de nakoming door [XX] . Dat er sprake zou zijn van een niet goed gelegd afschot door [geïntimeerde sub 2] , doet naar het oordeel van de rechtbank in beginsel niet ter zake. Immers, de deskundige stelt vast dat er sprake is van een ontwerpfout. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de tegelvloer nooit waterdicht zou zijn geweest, ook al was de onderliggende betonvloer door [geïntimeerde sub 2] wel op afschot gelegd. En het is [XX] in deze die [persoon A] heeft verzekerd dat hij een tegelvloer kon leggen die waterdicht is. Dat is door [XX] weliswaar bij conclusie van antwoord betwist, maar dermate onduidelijk en wisselvallig gemotiveerd – er zou in eerste instantie inderdaad sprake zijn van een dergelijke garantie, maar door bepaalde acties van [geïntimeerde sub 2] en een inmiddels failliete stukadoor, die niet in het geschil en ook niet in de vrijwaring is betrokken, zou [XX] die garanties op enig moment tegenover [persoon A] hebben ingetrokken en zou hij er in feite zelfs voor hebben gewaarschuwd dat er lekkages en andere wateroverlast zou ontstaan – en dermate onduidelijk herhaald op de mondelinge behandeling, dat de rechtbank hieraan voorbij gaat. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat [XX] telkens de conclusies van de rapporten van alle deskundigen, die hij nota bene zelf heeft ingeschakeld danwel met de inschakeling waarmee hij akkoord is gegaan, heeft betwist voor zover die conclusies hem niet welgevallig waren. De rechtbank verwijst naar de stelling van [XX] in de conclusie van antwoord waarbij hij zich wel beroept op het oordeel van [bedrijf A] dat het tegelwerk (an sich) goed gelegd is, maar het oordeel dat er sprake is van een constructiefout dan weer niet onderschrijft. De rechtbank heeft geen reden om aan het oordeel of de onafhankelijkheid van de deskundige [bedrijf A] te twijfelen. Derhalve is [XX] aansprakelijk voor de uit de constructiefout voortvloeiende schade.”
6.5.3.
In rov. 5.16 van het vonnis in de hoofdzaak is neergelegd:
“De rechtbank ziet overigens ook geen reden om [geïntimeerde sub 2] deels aansprakelijk te houden voor de door [persoon A] geleden schade, nu [geïntimeerde sub 2] niet aan [persoon A] heeft toegezegd dat de constructie waterdicht zou zijn en dit de dragende stelling is van de vordering van [persoon A] . Deze toezegging heeft alleen [XX] gedaan. Of [geïntimeerde sub 2] nu wel of niet de aanwijzingen van [XX] heeft opgevolgd, doet niet terzake, nu naar het oordeel van de rechtbank uit het rapport van de deskundige volgt dat ook bij een juist aangelegd afschot, er geen sprake kon zijn van een duurzame waterkerende voorziening.”
6.5.4.
Volgens [appellanten] zijn deze oordelen onjuist omdat 1) sprake is van een groot aantal andere gebreken of fouten in het werk van [geïntimeerden] met als gevolg dat [appellanten] nooit een waterdichte vloer kon leveren en de waterdichtheid van de vloer dus niet meer kon garanderen, en 2) de deskundige [geïntimeerden] wel degelijk aansprakelijk heeft gehouden voor een deel van de door [persoon A] geleden schade.
6.5.5.
Het hof overweegt als volgt.
[persoon A] heeft het initiatief genomen om een werk tot stand te doen brengen, heeft het werk in enkele onderdelen uitgesplitst en heeft de uitvoering daarvan als afzonderlijke werken aan verschillende aannemers opgedragen. Daarmee is sprake van nevenaanneming. [appellanten] en [geïntimeerden] hebben, juridisch van elkaar onafhankelijk, ieder een deel van het werk tot stand gebracht. Hoewel hierbij tussen de nevenaannemers onderling in beginsel geen directe contractuele rechtsverhouding bestaat, kunnen hun onderscheiden werkzaamheden wel nauw met elkaar samenhangen. Uit deze feitelijke betrokkenheid op elkaars werk kunnen voor de nevenaannemers zorgplichten voortvloeien die zij tegenover elkaar in acht hebben te nemen. Niet nakoming daarvan kan een onrechtmatige daad opleveren jegens de nevenaannemer die daarvan schade ondervindt (vgl. onder meer HR 29 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2660). Uit dit arrest blijkt dat sprake kan zijn van een feitelijke samenwerking, die er onder meer door wordt gekenmerkt dat een aannemer [in dit geval [appellanten] ] zijn werkzaamheden slechts kon verrichten indien de met het oog daarop door de nevenaannemer [in dit geval [geïntimeerden] ] aan te brengen bouwkundige aanpassingen aan bepaalde haar bekende eisen voldeden. Een zodanige feitelijke samenwerking zal in beginsel meebrengen dat de nevenaannemer [ [geïntimeerden] ] niet alleen jegens haar contractuele wederpartij [ [persoon A] ] maar ook op grond van hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt jegens de andere nevenaannemer [ [appellanten] ] gehouden is de werkzaamheden deugdelijk uit te voeren. Daaruit vloeit voort dat zij in geval van niet-nakoming van deze verplichting de door [appellanten] dientengevolge geleden schade dient te vergoeden.
6.5.6.
Met toepassing van deze maatstaf komt het hof tot het volgende oordeel.
Aan wie is te verwijten dat [appellanten] geen waterdichte vloer heeft kunnen garanderen?
6.5.7.
In hoger beroep heeft [appellanten] uitdrukkelijk erkend dat hij de waterdichtheid van de tegelvloer heeft gegarandeerd. Zijn stellingen komen er in de kern op neer dat hij die waterdichtheid niet meer kon garanderen als gevolg van door [geïntimeerden] bij het realiseren van de betonnen ondervloer gemaakte fouten. Deze constructieve fouten, het achttal punten zoals toegelicht in de memorie van grieven onder randnummers 18 tot en met 72, hebben de door [persoon A] geconstateerde gebreken veroorzaakt, aldus [appellanten] .
6.5.8.
Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank zoals weergegeven in rov. 5.8 en 5.16 van het vonnis in de hoofdzaak en voegt daar nog het volgende aan toe. [bedrijf A] heeft als oorzaak van de problemen benoemd dat de gebruikte methode van het leggen van de betreffende tegel-/buitenvloer niet geëigend is, omdat er vanuit is gegaan dat de tegelvloer als enige en duurzaam waterkerende voorziening functioneert. Er dient een voorziening – een drainerende laag – te zijn om water dat in de vloer trekt af te voeren, en die ontbreekt. De oorzaak van de problemen is zodoende gelegen in de bouwkundige constructie die onjuist is ontworpen. Daaruit volgt niet dat, zoals [appellanten] stelt, de deskundige van oordeel is dat de vloeropbouw door [appellanten] op zich goed is uitgevoerd, maar dat de door [geïntimeerden] uitgevoerde bouwkundige constructie niet deugt.
Conclusie
6.6.1.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de grieven 1 en 2 niet slagen. Grief 3 heeft geen zelfstandige betekenis. De grief borduurt voort op de voorafgaande grieven en is gericht tegen de beslissing in het vonnis. Nu die grieven niet kunnen slagen, faalt ook grief 3. Het vonnis waarvan beroep, voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen, zal worden bekrachtigd.
6.6.2.
Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] zullen vastgesteld worden op:
Griffierechten € 2.135,00
Salaris advocaat € 4.426,00 (2 punt(en) x tarief IV)
Nakosten € 178,00 + (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 6.739,00
Bij een veroordeling van twee of meer partijen tot betaling van de proceskosten, geldt als uitgangspunt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden tot nakoming van die veroordeling. Daartoe is niet vereist dat de in het gelijk gestelde partij heeft gevorderd of verzocht dat de veroordeling van de wederpartijen in de proceskosten hoofdelijk zal worden toegewezen. De rechter kan in de omstandigheden van het geval aanleiding zien om anders te bepalen, bijvoorbeeld als de in de kosten te veroordelen partijen niet bij dezelfde advocaat of gemachtigde zijn verschenen en geen gelijkluidend verweer hebben gevoerd. Daarvan is geen sprake.
7De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Limburg van 21 december 2022 waarvan beroep voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep van € 6.739,00, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [appellanten] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellanten] € 92,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.J.M. van Lanen, M. van der Schoor en C.B.M. Scholten van Aschat en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 april 2025.
griffier rolraadsheer
Feiten
Er is regelmatig sprake van gebreken aan de (primaire) afdichting van kit-/ en tegelvoegen, waardoor de gerede tegelvloer niet (meer) waterdicht is.
(…) Resumerend geldt dat:
1) De gebruikte methode van het leggen van de betreffende tegel-/buitenvloer niet geëigend is. Er is vanuit gegaan dat de tegelvloer als enige en duurzaam waterkerende voorziening functioneert. (…)
2) Is de vloeropbouw naar behoren uitgevoerd? De oorzaak van de problemen is gelegen in de bouwkundige constructie die onjuist is ontworpen.
(...)
4. ANALYSE
Bij de buitenvloeren/terrassen is de eindafwerking de primaire c.q. enige waterkering, wat betekent dat deze volledig in tact dient te blijven. Als gevolg van (thermische) werking, veroudering en/of uitvoeringsfouten dan wel beperkingen in de uitvoeringsmogelijkheden is het optreden van onvolkomenheden onvermijdelijk. Er is dan ook vastgesteld dat:
> Kitvoegen zijn onthecht, gescheurd en/of onvolledig zijn aangebracht.
> Tegelvoegen zijn gescheurd en lokaal zijn uitgedrukt.
> Tegels regelmatig zijn onthecht en gescheurd.
Uit de bevindingen volgt dat kimband is toegepast ter plaatse van de overgangen tussen buiten en binnen en aan de buitenzijde van het overstek aan de voorzijde. Waterkerende voorzieningen onder het tegelwerk zijn echter niet aanwezig, waardoor vocht in de cementgebonden dekvloer terecht kan komen en zich daar kan verplaatsen. Desondanks zijn (huidige/aanhoudende) lekkages binnen niet bekend.
5. BEANTWOORDING VRAGEN
(…)
1) Is de gebruikte methode van het leggen een buitenvloer geëigend? (…)
Er is naar het oordeel van de deskundige dus een onjuist uitgangspunt aangehouden dat de tegelvloer de waterdichtheid kan en moet borgen in deze specifieke situatie. Dit is bij dit groot formaat tegels en de donkere tint nooit te garanderen. Dit betekent dat er een voorziening moet zijn om water dat in de vloer trekt af te voeren, zodat geen gevaar voor bijvoorbeeld opvriezen ontstaat, zie ook antwoord vraag 2. (…)
2) Is de vloeropbouw naar behoren uitgevoerd? (…)
De tegelzetter heeft het moeten doen met de beschikbare hoogte en uitgegaan is van een hechtende vloer (nodig vanwege de dunne tegel). Er is dan onvoldoende ruimte om een drainerende laag aan te brengen, laat staan onder afschot, zoals gebruikelijk te doen bij een buitenvloer op een dichte ondergrond. Om dit te kunnen realiseren zou ook in de betonvloer al afschot aanwezig moeten zijn (20 mm/m), zeker bij het terras aan de achterzijde, en had ook meer inbouwhoogte voor het tegelpakket beschikbaar moeten zijn voor de drainerende laag. De oorzaak van de problemen is dus gelegen in de bouwkundige constructie die onjuist is ontworpen. (…)
Overige opmerkingen deskundige:
Beoordeeld wordt dat de opbouw van de tegelvloer(en) buiten zodanig is, dat niet kan worden volstaan met lokaal herstel c.q. lokale aanpassingen. Hierbij dient ten minste te worden gekozen voor een onderliggende, waterkerende voorziening dan wel een andere c.q. niet-hechtende wijze van afwerken.
(...)
6. REACTIES OP CONCEPTRAPPORT (…)
6.2.
VAN DIJK ADVOCATEN (…)
5)
Pagina 10
Op pagina 10 heb ik een drietal opmerkingen. Allereerst merk ik bij onderdeel 2.2 sub b op, dat een afschot In een betonnen vloer vrijwel nooit gedaan wordt. Het afschot wordt namelijk door de afsmeervloer gerealiseerd.
De deskundige heeft kennis genomen van uw opmerking. Uw opmerking impliceert dat er dan wel voldoende ruimte moet zijn om een deugdelijk afschot te realiseren met een afschotlaag. Dit was niet het geval bij het terras aan de achterzijde. Bij de terrasgedeelten met isolatie was dit wel mogelijk geweest. En bovendien. En ook dan zou er afschot moeten zijn in de betonvloer, want een afsmeervloer is niet waterdicht. Of op de dekvloer had een elastische, waterdichte laag aangebracht kunnen worden, combinatie met een drainerende mat onder de tegels onder afschot, maar dit is niet als zodanig uitgevoerd.”
6.2.8.
[bedrijf A] heeft op basis van het hiervoor onder rov. 6.2.7 genoemde rapport een kostenraming opgesteld. De kosten van herstel worden begroot op een bedrag van in totaal € 111.151,00 inclusief btw.
6.2.9.
[persoon A] heeft [appellanten] en [geïntimeerden] gedagvaard en gevorderd dat [appellanten] wordt veroordeeld tot betaling van € 64.428,05 in hoofdsom en dat [geïntimeerden] wordt veroordeeld tot betaling van € 22.192,32 in hoofdsom. [appellanten] heeft [geïntimeerden] in vrijwaring opgeroepen.
6.2.10.
Bij vonnis in de hoofdzaak in zaaknummer C/03/293672 / HA ZA 21-330 van 21 december 2022 heeft de rechtbank Limburg [appellanten] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 64.428,05, vermeerderd met rente en kosten. De vordering jegens [geïntimeerden] is afgewezen. Van dit vonnis is geen hoger beroep in gesteld.
6.2.11.
[appellanten] en [persoon A] hebben na het vonnis een vaststellingsovereenkomst gesloten. [appellanten] heeft uit hoofde daarvan een bedrag van € 43.594,45 aan [persoon A] betaald.
De vorderingen van [appellanten] en de beslissingen van de rechtbank
6.3.1.
In de onderhavige procedure heeft [appellanten] in eerste aanleg – samengevat – gevorderd dat [geïntimeerden] wordt veroordeeld om aan [appellanten] te betalen al hetgeen waartoe [appellanten] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van de vrijwaring.
6.3.2.
Aan deze vordering heeft [appellanten] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [appellanten] en [geïntimeerden] zijn feitelijk nevenaannemers geweest. [appellanten] was afhankelijk van het constructieve (voor)werk van [geïntimeerden] , in die zin dat [appellanten] zijn werkzaamheden slechts kon verrichten indien de door [geïntimeerden] te verrichten (constructieve) werkzaamheden deugdelijk waren uitgevoerd. [appellanten] en [geïntimeerden] zijn een feitelijke samenwerking aangegaan en hebben de realisering van het werk in onderling overleg bepaald. Dit betekent dat [geïntimeerden] niet alleen jegens [persoon A] , maar ook op grond van hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt jegens [appellanten] gehouden is de werkzaamheden deugdelijk uit te voeren, waaruit voortvloeit dat zij in geval van niet-nakoming van deze verplichting de door [appellanten] dientengevolge geleden schade dient te vergoeden. De door [geïntimeerden] uitgevoerde (constructieve) werkzaamheden vertonen een veelheid van fouten, waardoor enkele gebreken zijn ontstaan aan de tegelvloer zoals gelegd door [appellanten] . [geïntimeerden] heeft zodoende een onrechtmatige daad gepleegd jegens [appellanten] en is gehouden de schade van [appellanten] te vergoeden. [appellanten] stelt dat 100% van de schade van [persoon A] is veroorzaakt door [geïntimeerden] en dus aan [geïntimeerden] kan worden toegerekend.
Beoordeling
De tegelvloer als enige en duurzaam waterkerende voorziening is nu juist niet deugdelijk. En ook voor de opbouw van de vloer is [appellanten] verantwoordelijk. [appellanten] heeft in hoger beroep immers toegelicht dat hij de garantie op waterdichtheid heeft verstrekt met de kanttekening dat dan de voorbereidende werkzaamheden door [geïntimeerden] in overleg en op de wijze zoals [appellanten] voor ogen stond zouden moeten worden uitgevoerd. Dat is niet gebeurd, onder meer niet doordat de vloer te hoog en niet op afschot is gestort. Die toelichting past bij de stelling van [geïntimeerden] dat de betonnen ondervloer op aanwijzing van [appellanten] is gestort, zodat [appellanten] dat onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken en het hof daar verder ook van uit zal gaan. Zou het al zo zijn dat [geïntimeerden] daarvan is afgeweken en dat [geïntimeerden] daarvan een verwijt kan worden gemaakt, zoals [appellanten] stelt en [geïntimeerden] betwist, dan nog geldt dat [appellanten] daar al voordat hij aan zijn werkzaamheden begon van op de hoogte was. [geïntimeerden] heeft aangevoerd dat [appellanten] het eens was met de uitvoering van de vloer, ook voor wat betreft het afschot, en dat hij de aldus gelegde vloer geschikt achtte voor zijn specialistische vervolgwerkzaamheden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellanten] erkend dat hij voordat hij aan het werk ging de betonvloer heeft beoordeeld en toen al had geconstateerd dat de vloer in zijn visie niet juist was gestort. Vervolgens is hij toch aan de slag gegaan met het aanbrengen van de tegelvloer. In die omstandigheden kan in het licht van de hiervoor onder rov. 6.5.5. weergegeven maatstaf niet worden geoordeeld dat [geïntimeerden] maatschappelijk onzorgvuldig heeft gehandeld jegens [appellanten] . Zelfs al zou [appellanten] jegens zijn opdrachtgever [persoon A] hebben aangegeven dat hij in die omstandigheden de waterdichtheid niet kon garanderen, hetgeen onvoldoende is gebleken, door desalniettemin aan het werk te gaan op de door [geïntimeerden] gerealiseerde vloer in de wetenschap dat die niet overeenkomstig zijn aanwijzingen was gestort, kan het feit dat hij zijn garantie jegens [persoon A] niet heeft kunnen nakomen, én daarvoor in rechte aansprakelijk is gehouden, niet op [geïntimeerden] worden afgewenteld. Als er al een afwijking door [geïntimeerden] was gemaakt, dan is die door [appellanten] aanvaard. Kennelijk was de wijze waarop de vloer was gestort niet dusdanig dat [appellanten] zijn werkzaamheden niet kon verrichten. Het had anders immers op de weg van [appellanten] gelegen om in dat geval ófwel aanpassing van de vloer te verlangen, ófwel te weigeren de werkzaamheden verder uit te voeren. Dat [appellanten] zich door [geïntimeerden] en/of [persoon A] min of meer gedwongen heeft gevoeld, hetgeen door [geïntimeerden] wordt betwist, de tegelvloer aan te brengen op een zijns inziens gebrekkige vloer, doet niet af aan de eigen verantwoordelijkheid voor de door [appellanten] gemaakte keuze. Daarbij komt dat [appellanten] ook in hoger beroep niet goed heeft uitgelegd welke voorzieningen hij had kunnen aanbrengen als de vloer wel op de door hem voorgestane wijze zou zijn gestort. De deskundige spreekt over een drainerende laag, doch [appellanten] heeft alleen toegelicht dat hij de waterdichtheid zou garanderen door driedubbel te kitten en kimbanden aan te leggen. En dat is door de deskundige nu juist als onvoldoende aangemerkt.
Heeft [geïntimeerden] ook een aandeel in de problemen?
6.5.9.
Voor wat betreft de overige – naast het afschot (punt 6) en de hoogte van de vloer (punt 8) – door [appellanten] genoemde gebreken in het werk van [geïntimeerden] overweegt het hof dat [appellanten] al eerder in de procedure op deze punten heeft gewezen. Ook de deskundige van [bedrijf A] heeft kennis genomen van een uitvoerige door [appellanten] opgestelde reactie – waarover het hof niet beschikt – waarin deze gebreken, zoals tijdens de mondelinge behandeling is toegelicht, staan benoemd en heeft daarin geen aanleiding gezien om zijn conclusies aan te passen ten aanzien van de oorzaak van de geconstateerde gebreken, te weten een ontwerpfout in de opbouw van de constructie. [appellanten] volstaat in hoger beroep met een herhaalde opsomming van zijn stellingen zonder die nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door middel van een oordeel van een deskundige. Dat had in het licht van het tussen partijen gevoerde debat, het oordeel van de rechtbank, gelet op de conclusies van de door [persoon A] en [appellanten] in overleg aangezochte deskundige van [bedrijf A] en gezien het stadium van de procedure wel op zijn weg gelegen. De veronderstelling van [appellanten] tijdens de mondelinge behandeling dat uit het feit dat het terras intussen in zijn geheel door [persoon A] is verwijderd volgt dat de door [geïntimeerden] aangebrachte constructie kennelijk ondeugdelijk is, is daartoe niet voldoende. Daarmee heeft [appellanten] niet aan zijn stelplicht voldaan. Het hof ziet om die reden ook geen aanleiding om een deskundige te benoemen.
6.5.10.
Ook in de stelling dat uit het rapport van [bedrijf A] volgt dat [geïntimeerden] ook een rol heeft in deze kwestie heeft en aansprakelijk is voor het ondeugdelijk afgeleverde werk, volgt het hof [appellanten] niet. De stelling berust op een verkeerde lezing van het rapport. De deskundige heeft slechts oorzaken van de geconstateerde problemen aangewezen en heeft niet aangegeven wie daarvoor verantwoordelijk is. Dat [persoon A] in zijn vorderingen zelf een onderscheid heeft gemaakt tussen beide aannemers en een deel van de schade op [appellanten] heeft verhaald, en heeft getracht een ander deel op [geïntimeerden] te verhalen, maakt dat niet anders. Dat onderscheid is door de deskundige niet gemaakt. Uit het hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen volgt al dat [appellanten] zelf verantwoordelijk en aansprakelijk is.
6.5.11.
Uit het voorgaande volgt dat voor bewijslevering – door getuigen en/of een deskundige – geen plaats is. [appellanten] heeft geen feiten gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden, zodat haar bewijsaanbod in de memorie van grieven en de spreekaantekeningen ten behoeve van de mondelinge behandeling als niet ter zake dienend wordt gepasseerd.