Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-07-01
ECLI:NL:GHSHE:2025:1845
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep kort geding
7,067 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.341.434/01
arrest van 1 juli 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] (Limburg),
appellant,
verweerder in het incident,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. P.J.L. Tacx te Someren,
tegen
[geïntimeerde] , in hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van [erflaatster] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
eiseres in het incident,
hierna aan te duiden als de vereffenaar,
advocaat: mr. J.B. Gubbels te Roermond,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarresten van 6 augustus 2024 en van 18 maart 2025 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/03/321523 / KG ZA 23-309 gewezen vonnis van 26 april 2024.
8Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenarrest van 6 augustus 2024 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 oktober 2024;
de memorie van grieven, met producties 8 tot en met 11;
de memorie van antwoord, tevens incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad ex artikel 234 Rv, met productie 16;
de memorie van antwoord in het incident, met productie 12;
de akte tot uitlaten van [appellant] ;
de antwoordakte van de vereffenaar;
het arrest in het incident van 18 maart 2025.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
de kern van de zaak
9.1.
Deze zaak gaat over vereffening van de nalatenschap van de moeder van [appellant] . Meer in het bijzonder gaat het om de verkoop van de woning van erflaatster waarin [appellant] woont. In de nalatenschap is een vereffenaar benoemd. Zij wenst de woning te verkopen om de schulden van de nalatenschap te voldoen. Daarvoor is nodig dat [appellant] , die volgens de vereffenaar zonder recht of titel in de woning verblijft, de woning verlaat. [appellant] werkt daar niet (zonder meer) aan mee. Om die reden heeft de vereffenaar in kort geding onder meer ontruiming van de woning gevorderd. De voorzieningenrechter heeft die vordering toegewezen, naar het oordeel van het hof terecht. Dat oordeel wordt hierna verder toegelicht.
Feiten
9.2.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
9.2.1.
Op 16 mei 2017 is overleden [erflaatster] (hierna aan te duiden als erflaatster). Erflaatster was gehuwd met [erflater] tot aan diens overlijden op 12 september 2002 (hierna aan te duiden als erflater). Uit het huwelijk zijn in totaal vijf kinderen geboren, waaronder [appellant] . Eén kind is vooroverleden.
9.2.2.
Erflater heeft bij uiterste wilsbeschikking van 21 oktober 1986 de ouderlijke boedelverdeling van toepassing verklaard op grond waarvan erflaatster als langstlevende al het vermogen in de nalatenschap toebedeeld heeft gekregen. De kinderen hebben wegens onderbedeling een vordering op haar verkregen ter grootte van hun erfdeel. Volgens de aangifte recht van successie is het erfdeel per erfgenaam € 37.521,00.
9.2.3.
Erflaatster heeft ook bij uiterste wilsbeschikking van 21 oktober 1986 over haar nalatenschap beschikt en haar kinderen voor gelijke delen tot erfgenaam benoemd.
9.2.4.
[appellant] heeft de nalatenschap zuiver aanvaard. De overige erfgenamen hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard.
9.2.5.
Bij beschikking van 4 november 2020 is de vereffenaar benoemd tot vereffenaar.
9.2.6.
Tot de nalatenschap van erflaatster behoort de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [postcode] [plaats] (hierna: de woning). Erflaatster woonde tot aan haar overlijden in de woning samen met [appellant] . [appellant] woont thans nog in de woning.
9.2.7.
De vereffenaar heeft de woning laten taxeren door taxateur [persoon A] . De woning is per 23 mei 2022 getaxeerd op een marktwaarde van € 233.000,00.
9.2.8.
Medio 2022 heeft de vereffenaar aan [appellant] gevraagd of hij interesse had de woning al dan niet aan te kopen. Bij brief van 15 september 2022 heeft [appellant] de vereffenaar laten weten dat hij akkoord gaat “met de aanvaarding van de woning”, op de door hem in de brief genoemde voorwaarde. Hij wijst erop dat er een oplossing moet komen voor de dieren en dat er nog diverse financiële zaken afgewikkeld moeten worden, zoals facturen voor de zorg die erflaatster heeft genoten en de verzorging van de dieren. [appellant] deelt de vereffenaar verder mee dat er eerst juridisch advies ingewonnen zal moeten worden over de facturen, voordat hij deze aan de vereffenaar kan sturen.
9.2.9.
De vereffenaar heeft [appellant] en de erfgenamen op 30 december 2022 laten weten dat zij verder wil gaan met de vereffening en de woning ‘verkoop klaar’ wil maken. Aan [appellant] is gevraagd de woning uiterlijk 1 februari 2023 te verlaten. Deze brief is aan [appellant] gemaild. Omdat [appellant] niet reageerde, heeft de vereffenaar hem bij brief (ook per e-mail verzonden) van 16 februari 2023 nogmaals gevraagd om een reactie. Bij aangetekend schrijven van 7 maart 2023 heeft de vereffenaar de brieven nogmaals aan [appellant] verzonden. Een reactie van [appellant] op de inhoud van deze brieven is uitgebleven.
9.2.10.
Bij e-mail van 25 mei 2023 heeft de vereffenaar [appellant] en de andere erfgenamen van erflaatster onder meer het volgende medegedeeld:
“Gezien het feit dat er onvoldoende saldo op de bankrekening staat om de schuldeisers/ erfgenamen te kunnen voldoen, ben ik genoodzaakt de onroerende zaak te verkopen. Hierover heb ik jullie reeds eerder bericht.
(…)
Daar ik tot verkoop van de onroerende zaak wens over te gaan, dien ik jullie te wijzen op
het feit dat, mocht er bezwaar bestaan bij een van de erfgenamen of bij een schuldeiser
die de onroerende zaak te vorderen heeft, dan kan deze erfgenaam of schuldeiser mijn
Dictum
9.2.11.
[appellant] heeft niet voldaan aan het verzoek van de vereffenaar om de woning te verlaten.
9.2.12.
Ten tijde van het overlijden was er een banksaldo van € 44.543,03 aanwezig op de bankrekening van erflaatster. Dat saldo is afgenomen vanwege lopende kosten. Ten tijde van de dagvaarding in eerste aanleg bedroeg het saldo volgens de opgave van de vereffenaar ongeveer € 30.000,00.
de vorderingen van de vereffenaar en de beslissingen van de voorzieningenrechter
9.3.1.
In de onderhavige procedure heeft de vereffenaar in eerste aanleg - samengevat - gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis:
1. [appellant] veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis de woning te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden, de woning en de sleutels ter vrije en algehele beschikking van de vereffenaar te stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag(deel) dat hij hiermee in gebreke blijft;
2. [appellant] veroordeelt om zich binnen twee weken na het verlaten en ontruimen van de woning uit te schrijven uit de Basisregistratie Personen van de gemeente Bergen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag(deel) dat hij hiermee in gebreke blijft;
3. [appellant] veroordeelt, voor het geval [appellant] niet vrijwillig tot ontruiming overgaat en de vereffenaar de ontruiming ex artikel 556 Rv door een gerechtsdeurwaarder moet laten uitvoeren, om aan de vereffenaar te betalen de kosten die hiermee gemoeid zijn en uit het proces-verbaal van de ontruiming zullen blijken;
4. [appellant] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten ad € 173,00, te vermeerderen indien deze niet binnen 7 dagen na aanschrijving aan het vonnis zijn voldaan en er betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met € 90,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak.
9.3.2.
Op hetgeen de vereffenaar aan deze vorderingen ten grondslag heeft gelegd en de daartegen door [appellant] gevoerde verweren zal het hof, voor zover in hoger beroep van belang, hierna ingaan.
9.3.3.
In het vonnis in kort geding van 26 april 2024 heeft de voorzieningenrechter - voor zover in hoger beroep relevant - aangenomen dat de vereffenaar spoedeisend belang heeft bij haar vordering. De vereffenaar heeft volgens de voorzieningenrechter voldoende aangetoond dat het noodzakelijk is de woning te gelde te maken om de schulden van de nalatenschap te voldoen. De taakuitoefening door de vereffenaar wordt door [appellant] op onrechtmatige wijze belemmerd omdat hij weigert de woning te ontruimen terwijl hij daarvoor geen goede gronden of zwaarwegende redenen heeft. Volgens de voorzieningenrechter verblijft hij niet met recht of geldige titel in de woning en heeft [appellant] voldoende gelegenheid gehad om tijdig andere woonruimte te zoeken. Op die gronden is de vordering tot ontruiming op straffe van een dwangsom toegewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. De rechtbank heeft de vorderingen hiervoor genoemd in r.o. 9.3.1. onder 2. en 3. afgewezen.
Geschil
9.4.1.
[appellant] heeft in zijn inleiding op de grieven aangevoerd dat hij het hof verzoekt de inhoud van zijn processtukken uit de eerste aanleg als herhaald en ingelast te beschouwen en dat hij het geschil in volle omvang aan het hof wenst voor te leggen. Het hof kan niet zonder meer aan dat verzoek gehoor geven. Uit de memorie van grieven moet voldoende kenbaar zijn (zowel voor het hof als voor de vereffenaar) tegen welke beslissingen en oordelen van de voorzieningenrechter het hoger beroep is gericht, wat daarvoor de redenen zijn en wat [appellant] bedoelt aan te voeren. Die gronden moeten behoorlijk naar voren zijn gebracht (vgl. HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:970).
9.4.2.
[appellant] heeft in hoger beroep elf genummerde grieven aangevoerd. Hij voert - kort samengevat - aan dat het spoedeisend belang ontbreekt (grief I). Voorts heeft hij grieven gericht tegen de oordelen van de voorzieningenrechter die zien op de bevoegdheid van de vereffenaar om de woning te gelde te maken (grieven II en III) en tegen de conclusie dat [appellant] onrechtmatig handelt door te weigeren de woning te ontruimen om de reden dat hij zonder recht of titel in de woning verblijft (grieven IV tot en met VII en IX). Met grief VIII richt [appellant] zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat hij voldoende gelegenheid heeft gehad om elders woonruimte te zoeken. Tot slot heeft [appellant] een grief gericht tegen de opgelegde dwangsom (grief X). Grief XI betreft een veeggrief.
[appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis van 26 april 2024 en tot het alsnog niet-ontvankelijk verklaren van de vereffenaar in haar vorderingen, althans tot het ontzeggen aan haar van deze vorderingen dan wel het integraal afwijzen daarvan, met veroordeling van de vereffenaar in de kosten van beide instanties.
9.4.3.
De vereffenaar weerspreekt de grieven. De vereffenaar concludeert tot het afwijzen van de grieven van [appellant] en het bekrachtigen van het vonnis waarvan beroep, met daarbij de in het incident verzochte uitvoerbaarheid bij voorraad, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep.
9.4.4.
In zijn ‘akte tot uitlaten’ stelt [appellant] voor het eerst in de hoofdzaak dat bij de belangenafweging rekening moet worden gehouden met het uit artikel 8 EVRM voortvloeiende woonrecht, het belang van de dieren en zijn plicht tot verzorging daarvan alsmede het feit dat de bodemprocedure bij de rechtbank Limburg - die ziet op diverse door [appellant] ingestelde vorderingen op de nalatenschap - nog zijn beslag moet krijgen. Verder beroept hij zich voor het eerst op misbruik van recht (artikel 3:13 BW).
9.4.5.
Het hof beschouwt dit als nieuwe grieven tegen het bestreden vonnis. De in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan in de memorie van grieven, dan wel (in geval van incidenteel hoger beroep) in de memorie van antwoord worden aangevoerd. Op deze in beginsel strakke regel kan echter een uitzondering worden aanvaard als de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat deze alsnog in de rechtsstrijd in hoger beroep worden betrokken. Nu de vereffenaar in de antwoordakte inhoudelijk verweer heeft gevoerd, gaat het hof ervan uit dat deze uitzondering zich voordoet. Dit betekent dat het hof deze belangen zal meewegen in de beoordeling.
9.4.6.
In het tussenarrest van 18 maart 2025, gewezen in het door de vereffenaar opgeworpen incident ex artikel 234 Rv, heeft het hof het tussen partijen gewezen vonnis van 26 april 2024 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
spoedeisend belang
9.5.1.
In hoger beroep is niet beslissend of in eerste aanleg al dan niet terecht een spoedeisend belang is aangenomen. Bij de beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, dient, mede te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft (vgl. HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437). De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. De omstandigheid dat de eisende partij lang heeft stilgezeten, kan bij die afweging een rol spelen, en de omstandigheid dat een rechtsvraag in geschil is waarop het antwoord niet evident is, kan leiden tot behoedzaamheid bij de toewijzing van de gevraagde voorziening, maar deze omstandigheden kunnen noch ieder voor zich noch in onderlinge samenhang het oordeel rechtvaardigen dat de eisende partij geen spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening (meer) heeft
(vgl. HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4553).
9.5.2.
De vordering van de vereffenaar tot ontruiming strekt ertoe de vereffening van de in 2017 opengevallen nalatenschap binnen afzienbare tijd af te ronden om vervolgens daarna de nalatenschap te kunnen verdelen. Daarvoor is noodzakelijk dat de woning te gelde wordt gemaakt. Dat er thans onvoldoende liquide middelen voorhanden zijn om de schuldeisers te voldoen, is niet in geschil. Erflaatster is al in 2017 overleden. De afwikkeling van haar nalatenschap gaat niet in goed overleg, reden waarom op verzoek van een van de erfgenamen in 2020 de vereffenaar als zodanig is benoemd. Het hof maakt uit de stellingen van partijen en de stukken op dat de vereffenaar al sinds medio 2022 met [appellant] in gesprek is over een mogelijke overname van de woning, tot op heden zonder resultaat. Al die tijd kan de vereffenaar haar werkzaamheden niet afronden en is sprake van een niet afgewikkelde nalatenschap. Van de vereffenaar noch van de overige erfgenamen kan dit nog langer gevergd worden. Hiermee is sprake van een spoedeisend belang dat rechtvaardigt dat vervolgens wordt beoordeeld of de in eerste aanleg gegeven voorziening, gelet op de belangen over en weer, nog steeds in stand moet blijven. Het aanbod van [appellant] om de woning over te nemen leidt niet tot een ander oordeel, omdat de voorwaarden die [appellant] hieraan stelt nu juist onderwerp van geschil zijn. Het aanbod van [appellant] om het bedrag ter hoogte van de erfdelen in depot te storten leidt evenmin tot een ander oordeel, omdat met dit aanbod de opeisbare vorderingen van de overige erfgenamen niet zijn voldaan.
9.5.3.
Bij dit alles komt dat door toewijzing van de gevraagde voorziening verdere vertraging en een daarmee gepaard gaande toename van de kosten van de vereffening kunnen worden vermeden. Van de vereffenaar kan gezien het voorgaande en gelet op de aard van het gevorderde niet worden verwacht dat zij de uitkomst van de bodemprocedure afwacht.
9.5.4.
Grief I treft geen doel.
de bevoegdheid van de vereffenaar om de woning te gelde te maken
9.6.1.
De nalatenschap van erflaatster is door meer erfgenamen onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard, zodat deze op grond van artikel 4:202 lid 1 sub a BW moet worden vereffend volgens de voorschriften van afdeling 4.6.3 BW. Volgens [appellant] is “een ruimschootsverklaring op z’n plaats” zodat geen vereffening meer plaats vindt maar juist verdeling, maar daarmee miskent hij dat er geen executeur is, zodat de in de tweede volzin van artikel 4:202 lid 1 sub a BW bedoelde situatie zich al daarom niet voordoet.
Conclusie
9.10.1.
Grief XI betreft een veeggrief en heeft geen zelfstandige betekenis. Uit het voorgaande volgt dat de grieven falen en het hoger beroep niet slaagt.
9.10.2.
Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep in de hoofdzaak en in het incident veroordelen.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de vereffenaar zullen vastgesteld worden op:
Griffierechten € 349,-
Salaris advocaat € 3.642,- (3 punt(en) x tarief II)
Nakosten € 178,- + (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.169,-
10De uitspraak
Het hof:
in de hoofdzaak
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg van 26 april 2024 waarvan beroep;
in de hoofdzaak en het incident
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep van de vereffenaar van
€ 4.169,-, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [appellant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellant] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart bovenstaande veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.J.M. van Lanen, S.M.J. Korthuis-Becks en C.M.J. Peters en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 juli 2025.
griffier rolraadsheer
Geschil
Een ontheffing van de verplichting tot vereffening (artikel 4:202 lid 2 BW) doet zich niet voor.
9.6.2.
De vereffenaar heeft tot taak de schulden van de nalatenschap te voldoen (vgl. HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3643). De verplichting tot vereffening van de nalatenschap in geval van beneficiaire aanvaarding strekt tot bescherming van de schuldeisers van de nalatenschap. Daarbij is van belang dat schuldeisers van de nalatenschap hun vorderingen in geval van beneficiaire aanvaarding in beginsel slechts op de goederen der nalatenschap kunnen verhalen (artikel 4:184 lid 1 BW), tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden waarin verhaal op het vermogen van een erfgenaam mogelijk is (bijv. artikel 4:184 leden 2 en 3 BW, en artikel 4:220 lid 2 BW). Uitgangspunt is dat de erfgenamen de vereffening van een beneficiair aanvaarde nalatenschap behoren te voltooien alvorens de nalatenschap te verdelen, teneinde te waarborgen dat de vorderingen van de schuldeisers van de nalatenschap zoveel mogelijk daadwerkelijk uit de nalatenschap worden voldaan (vgl. HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:939). De vorderingen van de erfgenamen ter hoogte van hun erfdeel uit hoofde van de nalatenschap van vader vallen hier ook onder. De vereffening is nog niet voltooid, zodat er in beginsel dus ook nog geen verdeling kan plaats vinden. In deze procedure ligt ook geen vordering tot verdeling voor, zodat het hof niet hoeft te beoordelen of de in laatstgenoemd arrest bedoelde situatie om een uitzondering op dat uitgangspunt aan te nemen, zich voordoet. Alle stellingen van [appellant] die zien op de verdeling van de nalatenschap, behoeven al daarom geen verdere bespreking. Dat geldt ook voor de verwijzing naar artikel 3:174 BW, nog daargelaten dat een daartoe strekkende vordering van [appellant] ontbreekt en dat artitkel 3:174 BW op grond van artikel 4:222 BW tijdens de vereffening in beginsel niet van toepassing is.
9.6.3.
In artikel 4:215 lid 1 BW is neergelegd dat de vereffenaar de goederen der nalatenschap te gelde maakt, voor zover dit voor de voldoening van de schulden van de nalatenschap nodig is. Omdat er onvoldoende liquide middelen voorhanden zijn, doet die situatie zich voor. De vereffenaar heeft de erfgenamen ex artikel 4:215 lid 2 BW in de gelegenheid gesteld de beslissing van de kantonrechter in te roepen omtrent de keuze om de woning te gelde te maken (zie hiervoor in rov. 9.2.10), hetgeen niet is gebeurd. De vereffenaar is op grond van het voorgaande bevoegd te woning te gelde te maken. Van een onjuiste uitleg van artikel 4:215 BW door de voorzieningenrechter is, anders dan [appellant] stelt, geen sprake. Van misbruik van recht evenmin.
9.6.4.
Grieven II en III slagen niet.
het onrechtmatig handelen door [appellant]
9.7.1.
[appellant] heeft in dit verband aangevoerd dat hij niet zonder recht of geldige titel in de woning verblijft. Het hof volgt hem daarin niet en overweegt daartoe als volgt.
9.7.2.
Niet in geschil is dat er geen sprake is van een huurovereenkomst. Het hof kan evenmin vaststellen dat er een ander contractueel gebruiksrecht tot stand is gekomen. [appellant] stelt wel dat moeder hem een gebruiksrecht heeft verstrekt, maar hij onderbouwt dat niet. Een gespecificeerd bewijsaanbod ontbreekt bovendien, nog daargelaten dat een procedure in kort geding als de onderhavige zich in beginsel niet leent voor bewijslevering. Als erflaatster hem al toestemming zou hebben gegeven om tijdens haar leven in de woning te verblijven, hetgeen door de vereffenaar wordt weersproken, dan betekent dat nog niet sprake is van een na haar overlijden voortdurend exclusief recht van gebruik van de woning dat aan de mede-deelgenoten kan worden tegengeworpen.
9.7.3.
[appellant] is deelgenoot in de nalatenschap van erflaatster, samen met zijn zussen. Dat hij uit hoofde van de erfopvolging het mede-bezit verkrijgt van de woning, geeft hem op zichzelf niet een geldige titel op verblijf in die woning die thans in de weg staat aan de door de vereffenaar beoogde tegeldemaking van de woning. Om welke reden dat in deze situatie wel het geval zou zijn, is niet toegelicht. Ook de stelling dat [appellant] de woning beheert, leidt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet tot de conclusie dat daaruit een geldig(e) verblijfsrecht of -titel volgt die daaraan in de weg staat. Toestemming van de vereffenaar of de overige deelgenoten ontbreekt. Als het al zo is dat de dieren tot de nalatenschap behoren en [appellant] op grond van zaakwaarneming de zorg voor die dieren zou verrichten, dan verschaft ook die omstandigheid hem op zichzelf geen geldige titel om in de woning te verblijven. Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen sprake is van een met het recht van de overige deelgenoten overeenstemmend gebruik (artikel 3:169 BW), nu dit in de weg staat aan een vereffening van de nalatenschap en voorkomt dat de nalatenschap kan worden verdeeld.
9.7.4.
Dat de woning voor [appellant] een bijzondere waarde heeft en dat hij de woning graag zou willen verkrijgen, doet aan de onrechtmatigheid van zijn weigering de woning te ontruimen, niet af. Er is geen overeenstemming bereikt omtrent die overname en daarvan kan aan de vereffenaar geen verwijt worden gemaakt. Over die overname is immers geen overeenstemming bereikt omdat [appellant] daaraan voorwaarden verbindt waarmee de vereffenaar niet kan instemmen. Zo houdt [appellant] vast aan de taxatiewaarde van de woning uit 2022 die vanwege de verstreken tijd niet meer actueel is en wenst hij te verrekenen met aanzienlijke tegenvorderingen op de nalatenschap, welke door de vereffenaar vrijwel geheel worden betwist. [appellant] heeft deze vorderingen in deze procedure niet onderbouwd met stukken op grond waarvan deze voldoende aannemelijk zijn. Dat de vereffenaar niet meewerkt aan een overname van de woning door [appellant] acht het hof niet onredelijk. De vereffenaar kan en mag daarom overgaan tot het te gelde maken van de woning. Verdeling is niet aan de orde. Niet is toegelicht om welke reden de stelling dat aan [appellant] bij de verdere afwikkeling van de nalatenschap ruime verrekeningsbevoegdheden zouden toekomen een rol van betekenis speelt met betrekking tot de vraag die in deze procedure voorligt, namelijk of [appellant] onrechtmatig handelt met zijn weigering de woning te verlaten. Het hof ziet ook niet in hoe dat het geval zou kunnen zijn.
9.7.5.
Uit het voorgaande volgt dat het hof het oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellant] zonder geldig recht of geldige titel in de woning verblijft, onderschrijft. [appellant] heeft geen kenbare grief gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het aldus zonder goede gronden of zwaarwegende redenen weigeren de te gelde te maken woning te ontruimen, kwalificeert als onrechtmatig handelen jegens de vereffenaar, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.
9.7.6.
De grieven IV tot en met VII en IX slagen niet.
de belangenafweging
9.8.1.
Het hof onderschrijft het oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellant] voldoende gelegenheid heeft gehad om tijdig andere woonruimte te zoeken. Aannemelijk is dat [appellant] in ieder geval sinds 8 maart 2023 op de hoogte is van het voornemen van de vereffenaar om de woning te gelde te maken. De vereffenaar heeft de eerder per e-mail verzonden brieven van 30 december 2022 en 16 februari 2023 op 7 maart 2023 aangetekend aan [appellant] verzonden en dat poststuk is blijkens het ontvangstbewijs (productie 12 bij de inleidende dagvaarding) ook op zijn adres bezorgd.