Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-25
ECLI:NL:GHSHE:2025:826
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Hoger beroep
2,146 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.341.571/01
arrest van 25 maart 2025
gewezen in het incident tot vrijwaring in de zaak van
1
[appellant],
2. [appellante],
beiden wonende te [woonplaats],
appellanten in principaal hoger beroep
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
verweerders in het incident,
hierna: de ouders,
advocaat: mr. H.C.M. Schaeken te Eersel,
tegen
1
[geïntimeerde 1],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
verweerder in het incident,
hierna: [geïntimeerde 1],
advocaat: mr M. Burgers te Eindhoven,
2. [geïntimeerde 2],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
eiseres in het incident,
hierna: [geïntimeerde 2],
advocaat: mr. E.P.E. van Ekelen te Eindhoven,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 9 juli 2014 in het hoger beroep van het onder zaaknummer 382105 HA ZA 22-289 gewezen vonnis van 31 januari 2024, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen de ouders als eisers en [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] als gedaagden.
5Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 9 juli 2024 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 21 augustus 2024;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord van [geïntimeerde 1];
- de memorie van antwoord tevens incidenteel appel en incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring, met producties, van [geïntimeerde 2];
- de akte in het incident tot vrijwaring (conclusie van antwoord in het incident) van de ouders;
- de conclusie naar aanleiding van incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring van [geïntimeerde 1];
- de memorie van antwoord in incidenteel appel van [geïntimeerde 1];
- de memorie van antwoord in incidenteel appel van de ouders.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
In het incident
3.1.1.
In eerste aanleg hebben de ouders [geïntimeerde 2] (hun dochter) en [geïntimeerde 1] (de voormalige echtgenoot van [geïntimeerde 2]) gedagvaard en gevorderd (verkort weergegeven):
voor recht te verklaren dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten inhoudende dat de ouders op het perceel van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] een woning mochten realiseren en die woning de rest van hun leven zonder vergoeding mochten gebruiken en bewonen;
voor recht te verklaren dat [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] tekort zijn geschoten in de nakoming van die overeenkomst en daarom schadeplichtig zijn, alsmede hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] tot vergoeding van de schade, op te maken bij staat;
althans (subsidiair) voor recht te verklaren dat het [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] niet vrij stond om zich uit de onderhandelingen terug te trekken zonder een schadevergoeding aan de ouders aan te bieden en [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van die schade, op te maken bij staat.
3.1.2.
Bij vonnis in het incident van 28 september 2022 heeft de rechtbank het [geïntimeerde 2] toegestaan om [geïntimeerde 1] in vrijwaring op te roepen. [geïntimeerde 2] heeft in de vrijwaringsprocedure (zaaknummer 386565 HA ZA 22-560) gevorderd om [geïntimeerde 1] te veroordelen tot datgene waartoe [geïntimeerde 2] in de hoofdzaak jegens de ouders mocht worden veroordeeld.
3.1.3.
Bij het eindvonnis heeft de rechtbank de vorderingen in de hoofdzaak afgewezen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat partijen geen overeenkomst hebben gesloten, noch dat partijen in een zodanig ver gevorderd stadium van de onderhandelingen waren dat het afbreken ervan onrechtmatig was.
Ook de vorderingen in vrijwaring heeft de rechtbank afgewezen, daartoe overwegende dat de vorderingen in de hoofdzaak niet toewijsbaar zijn gebleken.
3.2.
[geïntimeerde 2] vordert in het incident (zoals zij ook in eerste aanleg heeft gedaan) om haar toe te staan [geïntimeerde 1] in vrijwaring te mogen oproepen. [geïntimeerde 2] heeft ter onderbouwing van die vordering aangevoerd dat zij zich volledig bereid heeft verklaard om de tussen enerzijds de ouders en anderzijds [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] gesloten overeenkomst na te komen, maar dat [geïntimeerde 1] die overeenkomst betwist en daaraan niet mee wil werken. Indien in hoger beroep wordt geoordeeld dat [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] wel aansprakelijk zijn voor de schade die de ouders hebben geleden, dan dient die schade in de onderlinge verhouding tussen [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] 100% voor rekening van [geïntimeerde 1] te komen. [geïntimeerde 1] dient [geïntimeerde 2] daarom te vrijwaren, aldus [geïntimeerde 2].
3.3.
De ouders refereren zich ten aanzien van de vordering in het incident aan het oordeel van het hof.
[geïntimeerde 1] (in hoedanigheid van geïntimeerde in de hoofdzaak en verweerder in het incident) concludeert tot afwijzing van de vordering in het incident. Volgens [geïntimeerde 1] zijn de hoofdzaak en de vrijwaringszaak twee afzonderlijke procedures en had [geïntimeerde 2] hoger beroep moeten instellen tegen het vonnis in de vrijwaring, wat zij niet heeft gedaan. [geïntimeerde 2] kan de vordering tot vrijwaring niet nu in hoger beroep instellen, aldus [geïntimeerde 1].
3.4.
Hoger beroep tegen een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een vordering tot vrijwaring in eerste aanleg wegens de afwijzing van de vordering in de hoofdzaak, staat open tot het moment dat in de hoofdzaak in hoger beroep de memorie van antwoord wordt genomen (artikel 339 lid 5 Rv). Gelet op de in de vrijwaringsprocedure door de rechtbank gegeven afwijzingsgrond is het hof van oordeel dat [geïntimeerde 2] bij tijdig betekende appeldagvaarding in hoger beroep had moeten komen van het vonnis in de vrijwaringszaak. Zij heeft dat niet gedaan. Gezien het gesloten stelsel van rechtsmiddelen is het niet mogelijk om in de onderhavige hoofdzaak een incidentele vordering in te stellen om [geïntimeerde 1] als het ware opnieuw ('voor het eerst') in vrijwaring op te roepen (zie HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007: BB7189 en HR 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT7496).
3.5.
Het voorgaande betekent dat de vordering in het incident moet worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde 2] worden veroordeeld in de kosten van het incident aan de zijde van de ouders en [geïntimeerde 1]. De kosten aan de zijde van de ouders worden begroot op nihil. De kosten aan de zijde van [geïntimeerde 1] worden begroot op één punt van het liquidatietarief.
In de hoofdzaak
3.6.
De zaak is verwezen naar de rol voor van vandaag voor fourneren.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
Het hof:
in het incident:
wijst de vordering af;
veroordeelt [geïntimeerde 2] in de proceskosten van het incident, welke kosten aan de zijde van de ouders worden begroot op nihil en aan de zijde van [geïntimeerde 1] op € 1.214,- aan salaris advocaat;
in de hoofdzaak:
verstaat dat de zaak naar de rol van vandaag is verwezen voor fourneren;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 maart 2025.
griffier rolraadsheer