Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-03-19
ECLI:NL:RBMNE:2025:3821
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
10,416 tokens
Inleiding
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/577449 / HA ZA 24-333
Vonnis van 19 maart 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. N. Molenaar en mr. J.R. Gal,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.W.A. Meesters en mr. I.M. Harms.
Procesverloop
1.1.
De rechtbank beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 65;
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 t/m 13;
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 66 t/m 72;
- de akte van 24 januari 2025 met eiswijziging en met aanvullende producties 14 t/m 20 van [gedaagde] ;
- de akte van 24 januari 2025 met aanvullende producties 73 t/m 75 van [eiseres] ;
- de akte van 30 januari 2025 met aanvullende producties 76 en 77 van [eiseres] ;
- de akte van 3 februari 2025 met eiswijziging van [gedaagde] .
1.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 4 februari 2025. Partijen hebben hun standpunten mede aan de hand van spreekaantekeningen verder toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er besproken is.
1.3.
Daarnaast is tijdens de mondelinge behandeling besproken dat de twee oorspronkelijke eisers in conventie [onderneming 1] B.V. (hierna: [onderneming 1] ) en [onderneming 2] B.V. (hierna: [onderneming 2] ) op 1 januari 2025 zijn gefuseerd met [eiseres] . De procedure wordt daarom door [eiseres] voortgezet als verkrijgende rechtspersoon en rechtsopvolger onder algemene titel, zoals aangekondigd bij akte van 30 januari 2025. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] verduidelijkt dat haar standpunten niet veranderen naar aanleiding van deze fusie. Onder voorwaarde van deze toezegging heeft [gedaagde] haar vordering over de consequenties van die fusie, die zij bij akte van eiswijziging op 3 februari 2025 heeft ingediend, niet gehandhaafd. Omwille van de leesbaarheid worden in dit vonnis voor wat betreft de beoordeling [onderneming 1] en [onderneming 2] – waar nodig – nog als twee separate partijen aangeduid.
1.4.
De behandeling van de zaak is aan het eind van de zitting aangehouden, om partijen in de gelegenheid te stellen om een schikking te bereiken. Partijen hebben de rechtbank laten weten dat dit niet is gelukt. Daarna is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.
2De kern van de zaak
2.1.
[gedaagde] heeft in opdracht van [onderneming 1] zonnepanelen geplaatst op daken van loodsen. Volgens [onderneming 1] heeft [gedaagde] dit niet goed gedaan waardoor zij en haar opdrachtgever [onderneming 2] schade hebben geleden. In deze procedure vordert [eiseres] een vergoeding van die schade (in totaal € 789.701,59). [gedaagde] heeft een tegenvordering ingediend, omdat volgens haar [eiseres] nog een aantal facturen moet betalen.
2.2.
De rechtbank wijst de vorderingen van [eiseres] in conventie toe tot het tussen partijen overeengekomen maximum van € 113.475,00. De vorderingen van [gedaagde] in reconventie worden afgewezen. De rechter zal hierna uitleggen hoe en waarom zij tot dit oordeel is gekomen.
3Waar gaat het over?
3.1.
[onderneming 2] is een ontwikkelaar van zonnestroomprojecten. [onderneming 2] heeft met de heer [A] een huurovereenkomst gesloten. [A] is de eigenaar van drie loodsen en op grond van deze huurovereenkomst mocht [onderneming 2] de daken van deze loodsen gebruiken voor het plaatsen van ruim 1200 zonnepanelen (hierna: het PV-systeem). [onderneming 2] heeft vervolgens met [onderneming 1] een overeenkomst gesloten op grond waarvan [onderneming 1] het PV-systeem zou leveren en plaatsen op de daken van [A] . [onderneming 1] heeft op haar beurt de levering en plaatsing van het PV-systeem uitbesteed aan [gedaagde] . [onderneming 1] en [gedaagde] hebben de afspraken daarover op 13 april 2021 vastgelegd in een overeenkomst (hierna: de EPC-overeenkomst).
3.2.
Bij het plaatsen van het PV-systeem door een onderaannemer van [gedaagde] zijn problemen ontstaan. Volgens [onderneming 1] is het PV-systeem onder andere niet goed gemonteerd en waren de daken daardoor dusdanig beschadigd dat deze vervangen moesten worden. Hoewel [gedaagde] erkent dat er in de uitvoering van de werkzaamheden dingen mis zijn gegaan, hebben partijen nog lang getwist over de vraag wie welke beschadigingen precies moest herstellen, welke herstelmaatregelen er nodig waren en voor wiens rekening dit zou komen. Uiteindelijk heeft [onderneming 1] de daken zelf hersteld.
3.3.
[eiseres] vordert een schadevergoeding van [gedaagde] . In de eerste plaats vordert [eiseres] op grond van artikel 16 van de EPC-overeenkomst een gefixeerde vergoeding van de door haar geleden schade doordat het PV-systeem niet – zoals afgesproken – op 1 maart 2021 door [gedaagde] is opgeleverd. [eiseres] begroot deze schade aan de hand van artikel 16.2 van de EPC-overeenkomst op € 197.673,45. Daarnaast vordert [eiseres] een vergoeding van de herstelkosten van de daken (€ 382.244,52) en een vergoeding van de schade van [A] die [onderneming 1] heeft vergoed (€ 17.561,75). Tot slot vordert [eiseres] een vergoeding van de schade (€ 192.221,87) die [onderneming 2] heeft geleden doordat [onderneming 2] het PV-systeem pas op 20 juli 2023 feitelijk in gebruik heeft kunnen nemen. Volgens [eiseres] levert de wanprestatie van [gedaagde] namelijk een onrechtmatige daad op tegenover [onderneming 2] .
3.4.
[gedaagde] heeft een tegenvordering ingediend, omdat volgens haar [eiseres] nog een aantal facturen moet betalen voor andere projecten.
Beoordeling
in conventie
[gedaagde] moet € 113.475,00 aan [eiseres] betalen
4.1.
Op grond van artikel 16.1 van de EPC-overeenkomst moet [gedaagde] de vertragingsschade van [onderneming 1] vergoeden als de oplevering van het PV-systeem na de overeengekomen datum (1 maart 2021) met meer dan 30 werkdagen is vertraagd en de reden daartoe overduidelijk in de beïnvloedingsfeer van [gedaagde] valt.
4.2.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de oplevering inderdaad met meer dan 30 werkdagen is vertraagd. Tussen partijen staat wel ter discussie of de vertraging overduidelijk in de beïnvloedingsfeer van [gedaagde] valt.
4.3.
De rechter is van oordeel dat de vertraging wel overduidelijk in de beïnvloedingssfeer van [gedaagde] valt. Het klopt dat partijen er lange tijd samen niet uit kwamen hoe het herstel moest worden aangepakt. Maar partijen hadden na maandenlang onderhandelen op 25 april 2022 eindelijk een concrete afspraak gemaakt over het verwijderen van de zonnepanelen van de daken door [gedaagde] met behulp van een kraan. Toen was [gedaagde] aan zet. Maar [gedaagde] heeft aan deze afspraak – onterecht – geen uitvoering gegeven. De werkzaamheden zijn niet doorgegaan omdat er op het laatste moment onduidelijkheid ontstond over wie de kosten van de kraan zou betalen. (De onderaannemer van) [gedaagde] heeft toen op de dag voordat de werkzaamheden zouden starten geweigerd om aan de slag te gaan. Dit meningsverschil over deze kosten had naar het oordeel van de rechter geen reden voor [gedaagde] mogen zijn om de afspraak helemaal niet meer na te komen. [gedaagde] had namelijk de werkzaamheden ondanks dat kunnen uitvoeren en daarna alsnog het punt van de kosten kunnen afstemmen met [onderneming 1] . Dat [gedaagde] dat niet heeft gedaan, lag (overduidelijk) in haar beïnvloedingssfeer.
4.4.
[gedaagde] is daarom vertragingsschade op grond van artikel 16.1 van de EPC-overeenkomst aan [eiseres] verschuldigd.
4.5.
Artikel 16.2 fixeert vervolgens de schade voor iedere dag vertraging op 0,1% van de prijs zoals vermeld in artikel 6.1 (€ 226.950,00). Omdat het PV-systeem pas op 20 juli 2023 feitelijk in gebruik is genomen door [onderneming 2] , komt dit volgens [eiseres] neer op een bedrag van (€ 226.950,00 x 0,1% x 871 dagen = ) € 197.673,45 dat [gedaagde] op grond van artikel 16 aan haar moet betalen.
4.6.
[gedaagde] hoeft niet dit hele bedrag aan [eiseres] te betalen. [gedaagde] beroept zich namelijk terecht op de in artikel 17.3 opgenomen beperking van haar aansprakelijkheid, gelet op de duidelijke verwijzing hiernaar in artikel 16.2:
“Met inachtneming van Artikel 17.3 zal de schade voor iedere dag vertraging gelijk zijn aan 0,1% van de Prijs exclusief BTW.”
4.7.
Artikel 17.3 bepaalt dat de aansprakelijkheid van [gedaagde] beperkt is tot een bedrag gelijk aan 50% van de totale som die [onderneming 1] uit hoofde van de EPC-overeenkomst aan [gedaagde] betaalt. Aangezien de prijs voor het PV-systeem op grond van artikel 6.1 € 226.950,00 bedraagt, betekent dit dat de verplichting van [gedaagde] tot betaling van een schadevergoeding in beginsel niet meer dan € 113.475,00 kan bedragen.
4.8.
Dit wordt niet betwist door [eiseres] , maar zij beroept zich wel op de in artikel 17.4 opgenomen uitzondering op deze beperking. Artikel 17.4 bepaalt dat de uitsluiting en beperking van aansprakelijkheid niet geldt als er sprake is van grove nalatigheid of bedrog. Volgens [eiseres] is er sprake van grove nalatigheid, omdat [gedaagde] de installatiewerkzaamheden niet goed heeft uitgevoerd en vervolgens weigerde om die schade tijdig te herstellen.
4.9.
De rechter is van oordeel dat er geen sprake is van grove nalatigheid. Als de door [eiseres] gestelde tekortkomingen al komen vast te staan, zijn die niet zo zwaarwegend dat hieraan een kwalificatie van grove nalatigheid kan worden verbonden. Bij grove nalatigheid moet het gaan om een aan opzet grenzende mate van schuld en hiervan is geen sprake. Dergelijke feiten en omstandigheden zijn niet gesteld door [eiseres] . Bovendien blijkt nergens uit dat [gedaagde] bewust het herstel zou hebben gefrustreerd met het enige doel om te traineren, zoals [eiseres] suggereert.
4.10.
De gevorderde vertragingsschade zal daarom tot het aansprakelijkheidslimiet van € 113.475,00 worden toegewezen.
4.11.
Daarmee is het aansprakelijkheidslimiet van [gedaagde] zoals overeengekomen in artikel 17.3 bereikt. [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat de herstelkosten niet onder die aansprakelijkheidslimiet vallen, omdat een beroep wordt gedaan op garantieverplichtingen. Dat argument gaat niet op, omdat er nog niet was opgeleverd. De aansprakelijkheidslimiet geldt dus ook voor de overige schadeposten. Omdat de limiet al is bereikt hoeven de overige schadeposten van [eiseres] niet meer te worden beoordeeld en wordt de vordering tot schadevergoeding voor zover die de limiet overstijgt afgewezen.
[gedaagde] heeft niet onrechtmatig gehandeld tegenover [onderneming 2]
4.12.
De rechter is van oordeel dat [gedaagde] niet onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [onderneming 2] . Als de door [eiseres] gestelde tekortkomingen al komen vast te staan, leveren die tekortkomingen – in tegenstelling tot wat [eiseres] stelt – op zichzelf namelijk nog geen onrechtmatige daad tegenover [onderneming 2] op (zie het arrest van de Hoge Raad van 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT7496). Er moeten bijzondere omstandigheden worden gesteld die het oordeel rechtvaardigen dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [onderneming 2] en [eiseres] heeft dergelijke omstandigheden niet gesteld. Dat er tekortkomingen waren in de nakoming van de EPC-overeenkomst en dat dit gevolgen heeft gehad voor [onderneming 2] is daarvoor niet voldoende. Dit betekent dat de vordering van [eiseres] tot betaling van € 192.221,87 ook wordt afgewezen.
[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen
4.13.
[gedaagde] hoeft de gevorderde wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over het aan [eiseres] verschuldigde bedrag niet te betalen, omdat de wettelijke handelsrente uitsluitend betrekking heeft op verplichtingen tot betaling uit handelsovereenkomsten. Een verplichting tot vergoeding van een (gefixeerde) schade kan daartoe niet worden gerekend. In plaats daarvan zal de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding (20 juni 2024).
Proceskosten
4.14.
[eiseres] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
Dictum
De rechtbank
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 113.475,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 20 juni 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 13.799,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.6.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
5.7.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 7.182,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door M. van der Knijff en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2025.
EM 5792
Inleiding
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/577449 / HA ZA 24-333
Vonnis van 19 maart 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. N. Molenaar en mr. J.R. Gal,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.W.A. Meesters en mr. I.M. Harms.
Procesverloop
1.1.
De rechtbank beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 65;
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 t/m 13;
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 66 t/m 72;
- de akte van 24 januari 2025 met eiswijziging en met aanvullende producties 14 t/m 20 van [gedaagde] ;
- de akte van 24 januari 2025 met aanvullende producties 73 t/m 75 van [eiseres] ;
- de akte van 30 januari 2025 met aanvullende producties 76 en 77 van [eiseres] ;
- de akte van 3 februari 2025 met eiswijziging van [gedaagde] .
1.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 4 februari 2025. Partijen hebben hun standpunten mede aan de hand van spreekaantekeningen verder toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er besproken is.
1.3.
Daarnaast is tijdens de mondelinge behandeling besproken dat de twee oorspronkelijke eisers in conventie [onderneming 1] B.V. (hierna: [onderneming 1] ) en [onderneming 2] B.V. (hierna: [onderneming 2] ) op 1 januari 2025 zijn gefuseerd met [eiseres] . De procedure wordt daarom door [eiseres] voortgezet als verkrijgende rechtspersoon en rechtsopvolger onder algemene titel, zoals aangekondigd bij akte van 30 januari 2025. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] verduidelijkt dat haar standpunten niet veranderen naar aanleiding van deze fusie. Onder voorwaarde van deze toezegging heeft [gedaagde] haar vordering over de consequenties van die fusie, die zij bij akte van eiswijziging op 3 februari 2025 heeft ingediend, niet gehandhaafd. Omwille van de leesbaarheid worden in dit vonnis voor wat betreft de beoordeling [onderneming 1] en [onderneming 2] – waar nodig – nog als twee separate partijen aangeduid.
1.4.
De behandeling van de zaak is aan het eind van de zitting aangehouden, om partijen in de gelegenheid te stellen om een schikking te bereiken. Partijen hebben de rechtbank laten weten dat dit niet is gelukt. Daarna is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.
2De kern van de zaak
2.1.
[gedaagde] heeft in opdracht van [onderneming 1] zonnepanelen geplaatst op daken van loodsen. Volgens [onderneming 1] heeft [gedaagde] dit niet goed gedaan waardoor zij en haar opdrachtgever [onderneming 2] schade hebben geleden. In deze procedure vordert [eiseres] een vergoeding van die schade (in totaal € 789.701,59). [gedaagde] heeft een tegenvordering ingediend, omdat volgens haar [eiseres] nog een aantal facturen moet betalen.
2.2.
De rechtbank wijst de vorderingen van [eiseres] in conventie toe tot het tussen partijen overeengekomen maximum van € 113.475,00. De vorderingen van [gedaagde] in reconventie worden afgewezen. De rechter zal hierna uitleggen hoe en waarom zij tot dit oordeel is gekomen.
3Waar gaat het over?
3.1.
[onderneming 2] is een ontwikkelaar van zonnestroomprojecten. [onderneming 2] heeft met de heer [A] een huurovereenkomst gesloten. [A] is de eigenaar van drie loodsen en op grond van deze huurovereenkomst mocht [onderneming 2] de daken van deze loodsen gebruiken voor het plaatsen van ruim 1200 zonnepanelen (hierna: het PV-systeem). [onderneming 2] heeft vervolgens met [onderneming 1] een overeenkomst gesloten op grond waarvan [onderneming 1] het PV-systeem zou leveren en plaatsen op de daken van [A] . [onderneming 1] heeft op haar beurt de levering en plaatsing van het PV-systeem uitbesteed aan [gedaagde] . [onderneming 1] en [gedaagde] hebben de afspraken daarover op 13 april 2021 vastgelegd in een overeenkomst (hierna: de EPC-overeenkomst).
3.2.
Bij het plaatsen van het PV-systeem door een onderaannemer van [gedaagde] zijn problemen ontstaan. Volgens [onderneming 1] is het PV-systeem onder andere niet goed gemonteerd en waren de daken daardoor dusdanig beschadigd dat deze vervangen moesten worden. Hoewel [gedaagde] erkent dat er in de uitvoering van de werkzaamheden dingen mis zijn gegaan, hebben partijen nog lang getwist over de vraag wie welke beschadigingen precies moest herstellen, welke herstelmaatregelen er nodig waren en voor wiens rekening dit zou komen. Uiteindelijk heeft [onderneming 1] de daken zelf hersteld.
3.3.
[eiseres] vordert een schadevergoeding van [gedaagde] . In de eerste plaats vordert [eiseres] op grond van artikel 16 van de EPC-overeenkomst een gefixeerde vergoeding van de door haar geleden schade doordat het PV-systeem niet – zoals afgesproken – op 1 maart 2021 door [gedaagde] is opgeleverd. [eiseres] begroot deze schade aan de hand van artikel 16.2 van de EPC-overeenkomst op € 197.673,45. Daarnaast vordert [eiseres] een vergoeding van de herstelkosten van de daken (€ 382.244,52) en een vergoeding van de schade van [A] die [onderneming 1] heeft vergoed (€ 17.561,75). Tot slot vordert [eiseres] een vergoeding van de schade (€ 192.221,87) die [onderneming 2] heeft geleden doordat [onderneming 2] het PV-systeem pas op 20 juli 2023 feitelijk in gebruik heeft kunnen nemen. Volgens [eiseres] levert de wanprestatie van [gedaagde] namelijk een onrechtmatige daad op tegenover [onderneming 2] .
3.4.
[gedaagde] heeft een tegenvordering ingediend, omdat volgens haar [eiseres] nog een aantal facturen moet betalen voor andere projecten.
Beoordeling
in conventie
[gedaagde] moet € 113.475,00 aan [eiseres] betalen
4.1.
Op grond van artikel 16.1 van de EPC-overeenkomst moet [gedaagde] de vertragingsschade van [onderneming 1] vergoeden als de oplevering van het PV-systeem na de overeengekomen datum (1 maart 2021) met meer dan 30 werkdagen is vertraagd en de reden daartoe overduidelijk in de beïnvloedingsfeer van [gedaagde] valt.
4.2.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de oplevering inderdaad met meer dan 30 werkdagen is vertraagd. Tussen partijen staat wel ter discussie of de vertraging overduidelijk in de beïnvloedingsfeer van [gedaagde] valt.
4.3.
De rechter is van oordeel dat de vertraging wel overduidelijk in de beïnvloedingssfeer van [gedaagde] valt. Het klopt dat partijen er lange tijd samen niet uit kwamen hoe het herstel moest worden aangepakt. Maar partijen hadden na maandenlang onderhandelen op 25 april 2022 eindelijk een concrete afspraak gemaakt over het verwijderen van de zonnepanelen van de daken door [gedaagde] met behulp van een kraan. Toen was [gedaagde] aan zet. Maar [gedaagde] heeft aan deze afspraak – onterecht – geen uitvoering gegeven. De werkzaamheden zijn niet doorgegaan omdat er op het laatste moment onduidelijkheid ontstond over wie de kosten van de kraan zou betalen. (De onderaannemer van) [gedaagde] heeft toen op de dag voordat de werkzaamheden zouden starten geweigerd om aan de slag te gaan. Dit meningsverschil over deze kosten had naar het oordeel van de rechter geen reden voor [gedaagde] mogen zijn om de afspraak helemaal niet meer na te komen. [gedaagde] had namelijk de werkzaamheden ondanks dat kunnen uitvoeren en daarna alsnog het punt van de kosten kunnen afstemmen met [onderneming 1] . Dat [gedaagde] dat niet heeft gedaan, lag (overduidelijk) in haar beïnvloedingssfeer.
4.4.
[gedaagde] is daarom vertragingsschade op grond van artikel 16.1 van de EPC-overeenkomst aan [eiseres] verschuldigd.
4.5.
Artikel 16.2 fixeert vervolgens de schade voor iedere dag vertraging op 0,1% van de prijs zoals vermeld in artikel 6.1 (€ 226.950,00). Omdat het PV-systeem pas op 20 juli 2023 feitelijk in gebruik is genomen door [onderneming 2] , komt dit volgens [eiseres] neer op een bedrag van (€ 226.950,00 x 0,1% x 871 dagen = ) € 197.673,45 dat [gedaagde] op grond van artikel 16 aan haar moet betalen.
4.6.
[gedaagde] hoeft niet dit hele bedrag aan [eiseres] te betalen. [gedaagde] beroept zich namelijk terecht op de in artikel 17.3 opgenomen beperking van haar aansprakelijkheid, gelet op de duidelijke verwijzing hiernaar in artikel 16.2:
“Met inachtneming van Artikel 17.3 zal de schade voor iedere dag vertraging gelijk zijn aan 0,1% van de Prijs exclusief BTW.”
4.7.
Artikel 17.3 bepaalt dat de aansprakelijkheid van [gedaagde] beperkt is tot een bedrag gelijk aan 50% van de totale som die [onderneming 1] uit hoofde van de EPC-overeenkomst aan [gedaagde] betaalt. Aangezien de prijs voor het PV-systeem op grond van artikel 6.1 € 226.950,00 bedraagt, betekent dit dat de verplichting van [gedaagde] tot betaling van een schadevergoeding in beginsel niet meer dan € 113.475,00 kan bedragen.
4.8.
Dit wordt niet betwist door [eiseres] , maar zij beroept zich wel op de in artikel 17.4 opgenomen uitzondering op deze beperking. Artikel 17.4 bepaalt dat de uitsluiting en beperking van aansprakelijkheid niet geldt als er sprake is van grove nalatigheid of bedrog. Volgens [eiseres] is er sprake van grove nalatigheid, omdat [gedaagde] de installatiewerkzaamheden niet goed heeft uitgevoerd en vervolgens weigerde om die schade tijdig te herstellen.
4.9.
De rechter is van oordeel dat er geen sprake is van grove nalatigheid. Als de door [eiseres] gestelde tekortkomingen al komen vast te staan, zijn die niet zo zwaarwegend dat hieraan een kwalificatie van grove nalatigheid kan worden verbonden. Bij grove nalatigheid moet het gaan om een aan opzet grenzende mate van schuld en hiervan is geen sprake. Dergelijke feiten en omstandigheden zijn niet gesteld door [eiseres] . Bovendien blijkt nergens uit dat [gedaagde] bewust het herstel zou hebben gefrustreerd met het enige doel om te traineren, zoals [eiseres] suggereert.
4.10.
De gevorderde vertragingsschade zal daarom tot het aansprakelijkheidslimiet van € 113.475,00 worden toegewezen.
4.11.
Daarmee is het aansprakelijkheidslimiet van [gedaagde] zoals overeengekomen in artikel 17.3 bereikt. [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat de herstelkosten niet onder die aansprakelijkheidslimiet vallen, omdat een beroep wordt gedaan op garantieverplichtingen. Dat argument gaat niet op, omdat er nog niet was opgeleverd. De aansprakelijkheidslimiet geldt dus ook voor de overige schadeposten. Omdat de limiet al is bereikt hoeven de overige schadeposten van [eiseres] niet meer te worden beoordeeld en wordt de vordering tot schadevergoeding voor zover die de limiet overstijgt afgewezen.
[gedaagde] heeft niet onrechtmatig gehandeld tegenover [onderneming 2]
4.12.
De rechter is van oordeel dat [gedaagde] niet onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [onderneming 2] . Als de door [eiseres] gestelde tekortkomingen al komen vast te staan, leveren die tekortkomingen – in tegenstelling tot wat [eiseres] stelt – op zichzelf namelijk nog geen onrechtmatige daad tegenover [onderneming 2] op (zie het arrest van de Hoge Raad van 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT7496). Er moeten bijzondere omstandigheden worden gesteld die het oordeel rechtvaardigen dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [onderneming 2] en [eiseres] heeft dergelijke omstandigheden niet gesteld. Dat er tekortkomingen waren in de nakoming van de EPC-overeenkomst en dat dit gevolgen heeft gehad voor [onderneming 2] is daarvoor niet voldoende. Dit betekent dat de vordering van [eiseres] tot betaling van € 192.221,87 ook wordt afgewezen.
[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen
4.13.
[gedaagde] hoeft de gevorderde wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over het aan [eiseres] verschuldigde bedrag niet te betalen, omdat de wettelijke handelsrente uitsluitend betrekking heeft op verplichtingen tot betaling uit handelsovereenkomsten. Een verplichting tot vergoeding van een (gefixeerde) schade kan daartoe niet worden gerekend. In plaats daarvan zal de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding (20 juni 2024).
Proceskosten
4.14.
[eiseres] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
Dictum
De rechtbank
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 113.475,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 20 juni 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 13.799,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.6.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
5.7.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 7.182,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door M. van der Knijff en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2025.
EM 5792
Beoordeling
De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
6.617,00
- salaris advocaat
€
7.004,00
(2 punten × € 3.502,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
13.799,00
4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
Eiswijziging
4.16.
[gedaagde] heeft oorspronkelijk betaling van vier facturen gevorderd van [eiseres] . Bij akte van 24 januari 2025 heeft [gedaagde] haar eis verminderd. Uit deze akte blijkt dat [gedaagde] (alleen) nog betaling vordert van facturen voor het project [project 1] (€ 8.251,25) en het project [project 2] (€ 20.966,89). Dit blijkt zowel uit de akte zelf als het daarin opgenomen petitum, waarin [gedaagde] haar conclusies in conventie en reconventie heeft opgesomd. En terwijl er in de akte ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten door [gedaagde] wel een duidelijk voorbehoud wordt gemaakt dat deze ongewijzigd blijven, geldt dit niet voor de vordering ten aanzien van het project [project 3] . Over deze vordering wordt in de akte met geen woord meer gerept. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat het niet de bedoeling was om de eis ook met die vordering te verminderen, maar dat volgt dus wel uit de akte. [eiseres] heeft de akte van eiswijziging van 24 januari 2025 van [gedaagde] daarom zo mogen opvatten dat die vordering geen deel meer uitmaakt van dit geschil.
4.17.
De vordering maakt dus geen onderdeel meer uit van de eis. Dit betekent dat de rechter in deze procedure alleen haar oordeel nog geeft over de twee vorderingen voor het project [project 1] (€ 8.251,25) en het project [project 2] (€ 20.966,89). Voor de duidelijkheid, dit betekent niet dat een eventuele vordering van [gedaagde] voor het project [project 3] niet meer bestaat, maar dat de rechter daar in deze procedure geen uitspraak meer over zal doen.
[eiseres] hoeft niets aan [gedaagde] te betalen
4.18.
De vordering tot betaling van € 8.251,25 wordt afgewezen, omdat die onvoldoende is onderbouwd. Uit de door [gedaagde] overgelegde e-mail van 4 februari 2022 met een toezegging namens [onderneming 1] om meerwerk te betalen, blijkt niet dat die toezegging gaat over de factuur waarvan [gedaagde] nu betaling vordert. Bovendien heeft [gedaagde] ook geen andere stukken overgelegd, bijvoorbeeld een overeenkomst, waaruit blijkt dat [onderneming 1] de factuur van 8 maart 2021 moet betalen.
4.19.
De vordering tot betaling van € 20.966,89 wordt ook afgewezen. [eiseres] heeft namelijk als verweer gevoerd dat zij dit bedrag al heeft betaald aan de onderaannemer van [gedaagde] , [onderneming 3] B.V. Als onderbouwing van haar standpunt verwijst [eiseres] naar de facturen van [onderneming 3] en betalingsbewijzen. De vordering van [eiseres] ziet op herstelwerkzaamheden na een brand. Uit de factuur van [onderneming 3] volgt dat die ook gaat over herstelwerkzaamheden na brand. Naar het oordeel van de rechter heeft [eiseres] daarmee voldoende onderbouwd dat zij dit bedrag al voor deze herstelwerkzaamheden aan [onderneming 3] heeft betaald. [gedaagde] heeft op de zitting gezegd dat dit bedrag al zou zijn gecorrigeerd op de factuur, maar dit blijkt niet uit de stukken. Het had het op de weg gelegen van [gedaagde] om dit beter te onderbouwen. Daarom wordt haar vordering tot betaling van € 20.966,89 ook afgewezen.
4.20.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- salaris advocaat
€
7.004,00
(2 punten × € 3.502,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
7.182,00
Beoordeling
De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
6.617,00
- salaris advocaat
€
7.004,00
(2 punten × € 3.502,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
13.799,00
4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
Eiswijziging
4.16.
[gedaagde] heeft oorspronkelijk betaling van vier facturen gevorderd van [eiseres] . Bij akte van 24 januari 2025 heeft [gedaagde] haar eis verminderd. Uit deze akte blijkt dat [gedaagde] (alleen) nog betaling vordert van facturen voor het project [project 1] (€ 8.251,25) en het project [project 2] (€ 20.966,89). Dit blijkt zowel uit de akte zelf als het daarin opgenomen petitum, waarin [gedaagde] haar conclusies in conventie en reconventie heeft opgesomd. En terwijl er in de akte ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten door [gedaagde] wel een duidelijk voorbehoud wordt gemaakt dat deze ongewijzigd blijven, geldt dit niet voor de vordering ten aanzien van het project [project 3] . Over deze vordering wordt in de akte met geen woord meer gerept. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat het niet de bedoeling was om de eis ook met die vordering te verminderen, maar dat volgt dus wel uit de akte. [eiseres] heeft de akte van eiswijziging van 24 januari 2025 van [gedaagde] daarom zo mogen opvatten dat die vordering geen deel meer uitmaakt van dit geschil.
4.17.
De vordering maakt dus geen onderdeel meer uit van de eis. Dit betekent dat de rechter in deze procedure alleen haar oordeel nog geeft over de twee vorderingen voor het project [project 1] (€ 8.251,25) en het project [project 2] (€ 20.966,89). Voor de duidelijkheid, dit betekent niet dat een eventuele vordering van [gedaagde] voor het project [project 3] niet meer bestaat, maar dat de rechter daar in deze procedure geen uitspraak meer over zal doen.
[eiseres] hoeft niets aan [gedaagde] te betalen
4.18.
De vordering tot betaling van € 8.251,25 wordt afgewezen, omdat die onvoldoende is onderbouwd. Uit de door [gedaagde] overgelegde e-mail van 4 februari 2022 met een toezegging namens [onderneming 1] om meerwerk te betalen, blijkt niet dat die toezegging gaat over de factuur waarvan [gedaagde] nu betaling vordert. Bovendien heeft [gedaagde] ook geen andere stukken overgelegd, bijvoorbeeld een overeenkomst, waaruit blijkt dat [onderneming 1] de factuur van 8 maart 2021 moet betalen.
4.19.
De vordering tot betaling van € 20.966,89 wordt ook afgewezen. [eiseres] heeft namelijk als verweer gevoerd dat zij dit bedrag al heeft betaald aan de onderaannemer van [gedaagde] , [onderneming 3] B.V. Als onderbouwing van haar standpunt verwijst [eiseres] naar de facturen van [onderneming 3] en betalingsbewijzen. De vordering van [eiseres] ziet op herstelwerkzaamheden na een brand. Uit de factuur van [onderneming 3] volgt dat die ook gaat over herstelwerkzaamheden na brand. Naar het oordeel van de rechter heeft [eiseres] daarmee voldoende onderbouwd dat zij dit bedrag al voor deze herstelwerkzaamheden aan [onderneming 3] heeft betaald. [gedaagde] heeft op de zitting gezegd dat dit bedrag al zou zijn gecorrigeerd op de factuur, maar dit blijkt niet uit de stukken. Het had het op de weg gelegen van [gedaagde] om dit beter te onderbouwen. Daarom wordt haar vordering tot betaling van € 20.966,89 ook afgewezen.
4.20.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- salaris advocaat
€
7.004,00
(2 punten × € 3.502,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
7.182,00