Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-03-20
ECLI:NL:GHSHE:2025:759
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
6,622 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.337.251/01
zaaknummer rechtbank : C/01/387789 / FA RK 22-5268
beschikking van de meervoudige kamer van 20 maart 2025
inzake
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. L.G.P.A. van Putten-van den Heuvel te Oss,
tegen
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. L. Proenings te Deurne.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 30 oktober 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
De man is op 29 januari 2024 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Het beroepschrift bevat de producties 1 tot en met 3.
2.2.
De vrouw heeft op 15 maart 2024 een verweerschrift ingediend.
2.3.
De vrouw heeft op 24 januari 2025 een aanvullend verweerschrift tevens vermeerdering c.q. wijziging van het verzoek met producties 27 tot en met 30 ingediend.
2.4.
Bij het hof zijn van de zijde van de man voorts de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van 10 februari 2025 met producties 4 tot en met 7;
- een journaalbericht van 11 februari 2025 met productie 8.
2.5.
De mondelinge behandeling heeft op 21 februari 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
a. a) Partijen zijn op 21 oktober 2002 een geregistreerd partnerschap aangegaan in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen.
b) Het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap is op 24 november 2022 door de rechtbank ontvangen.
c) Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uitgesproken.
d) De ontbinding van het geregistreerd partnerschap is op 10 november 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
4De omvang van het geschil
4.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voorts, uitvoerbaar bij voorraad, de wijze van verdeling van de tussen partijen ontbonden partnerschapsgemeenschap gelast.
4.2.
De man heeft acht grieven aangevoerd. Deze gaan over:
- de peildatum (grief I);
- de eigenwoningschuld aan [bedrijf] BV (grief II):
- de rekening-courant schuld (grief III);
- de lijfrenteverzekering bij [verzekeringsmaatschappij 1] en de lijfrenterekening bij [verzekeringsmaatschappij 2] (grief V);
- de hypotheekrente (grief VI);
- de dividendbelasting (grief VII).
Ter mondelinge behandeling heeft de man de grieven I en VII ingetrokken. De grieven IV en VIII zijn zogenoemde veeggrieven en behoeven daarom geen afzonderlijke bespreking.
De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de verdeling, en opnieuw recht doende, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat zijn verzoeken ter zake van de verdeling worden toegewezen met uitzondering van de punten waartegen niet is gegriefd.
4.3.
De vrouw heeft de grieven weersproken. Zij verzoekt de verzoeken van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4.
Bij aanvullend verweerschrift tevens vermeerdering cq wijziging van het verzoek heeft de vrouw verzocht te bepalen dat het door de man aan haar uit hoofde van de toedeling van de aandelen te betalen bedrag, door de rechtbank vastgesteld op € 73.274,98, vermeerderd moet worden met de AB-claim die zij te zijner tijd verschuldigd zal zijn jegens de fiscus dan wel ten aanzien van deze kwestie een beslissing te nemen die het hof juist acht.
Motivering
Ontvankelijkheid vermeerdering c.q. wijziging van verzoek
5.1.
De man heeft in reactie op het vermeerderde c.q. gewijzigde verzoek van de vrouw aangevoerd dat de vrouw in dat verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het hof volgt de man daarin. Het hof overweegt daartoe als volgt.
De vermeerdering c.q. wijziging van verzoek is in strijd met de twee-conclusie-regel. De vrouw beroept zich op na het verweerschrift ‘nieuw gebleken feiten en omstandigheden’, die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen. Deze bestaan er volgens de vrouw in dat de man niet binnen de in art. 4.17 van de Wet IB genoemde termijn van twee jaar (dus vóór 24 november 2024) heeft meegewerkt aan de levering (curs. hof) van de aandelen aan hem, wat tot gevolg heeft dat zij met de fiscus moet afrekenen op het moment dat de aandelen alsnog aan de man worden geleverd. Daarmee gaat de vrouw uit van een onjuiste rechtsopvatting. Artikel 4.17 Wet IB bepaalt immers dat de verdeling (curs. hof), en niet de levering, van de aandelen binnen de termijn van twee jaar na de ontbinding van de partnerschapsgemeenschap dient plaats te vinden voor toepassing van dat artikel. Door de man is de verdeling van de aandelen niet ten grondslag gelegd aan zijn verzoek. Daarenboven staat ook vast dat de verdeling van de aandelen heeft plaatsgevonden bij de bestreden beschikking van 30 oktober 2023, aldus binnen de tweejaarstermijn van art. 4.17 Wet IB.
Het vorenstaande betekent dat geen sprake is van een nieuwe omstandigheid die afwijking van de twee-conclusie-regel rechtvaardigt.
Dit leidt ertoe dat de vrouw in de vermeerdering c.q. wijziging van haar verzoek niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De peildatum voor samenstelling van de partnerschapsgemeenschap
5.2.
Uit de bestreden beschikking blijkt dat partijen overeenstemming hadden bereikt over 1 juli 2022 als peildatum voor de samenstelling van de partnerschapsgemeenschap. De rechtbank heeft met een beroep op de uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2013 (ECLI:NL:HR:2013:2050) evenwel geoordeeld dat de peildatum voor de samenstelling en de omvang van de partnerschapsgemeenschap de datum van indiening verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap is (24 november 2022). Nu de man grief I heeft ingetrokken, is dit oordeel in hoger beroep onbestreden gebleven. Dit betekent dat het hof moet uitgaan van de door de rechtbank vastgestelde peildatum van 24 november 2022.
De eigenwoningschuld aan [bedrijf] BV (grief II)
5.3.
Grief II keert zich tegen de volgende overweging van de rechtbank:
‘2.6.7. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat de echtelijke woning aan [adres] in [plaats] en de daarmee verband houdende hypothecaire schulden niet tot de ontbonden gemeenschap behoren. De echtelijke woning is immers op 30 september 2022 verkocht zodat deze niet meer aanwezig was op de hiervoor genoemde peildatum. De aan de woning verbonden hypothecaire schulden zijn bij de verkoop afgelost, zodat deze op de peildatum niet meer bestonden.’
5.4.
De man voert het volgende aan. Er waren twee hypothecaire geldleningen, één bij de [bank] ter hoogte van € 320.520,-- en één, de eigenwoninglening, bij [bedrijf] BV ter hoogte van € 76.708,--. De [bank] hypotheek is bij verkoop van de woning volledig door partijen gezamenlijk afgelost. Het bedrag van € 76.708,-- is door de man betaald aan [bedrijf] BV . Dit betekent dat de vrouw de helft van dit bedrag, € 38.354,--, aan hem moet voldoen.
5.5.
De vrouw voert aan dat het voor haar duidelijk is dat zij haar aandeel in deze geldlening nog aan de man moet voldoen. Dit heeft zij ook nimmer betwist.
5.6.
Nu de vrouw het verzoek van de man niet heeft weersproken, zal het hof het verzoek van de man toewijzen. Grief II slaagt.
Hypotheekrente (grief VI)
5.7.
De rechtbank heeft als volgt overwogen:
‘2.7.2. De man stelt dat de vrouw de door hem betaalde hypotheekrente, ten bedrage van respectievelijk € 710,00 en € 1.310,00, aan de man dient te voldoen. De vrouw voert verweer en stelt zich op het standpunt dat er geen grond is voor deze vordering.
2.7.3.
De rechtbank begrijpt dit verzoek van de man als een vordering die ziet op de kosten voor de huishouding. De rechtbank oordeelt daarover als volgt. Vast staat dat de rentelasten voor de hypotheek behoren tot de kosten van de huishouding zoals bedoeld in artikel 1:84 BW. De kosten van de huishouding komen krachtens art. 1:84 BW allereerst ten laste van het gemeenschappelijk inkomen van partijen en vervolgens, indien dat gemeenschappelijk inkomen ontoereikend is, ten laste van privé- inkomens naar evenredigheid. Voor zover het inkomen ontoereikend is, komen de kosten van de huishouding ten laste van het vermogen van partijen. Op grond van het bepaalde in artikel 150 Rv rust op de man de stelplicht. Hij dient derhalve alle (rechts)feiten te stellen die benodigd zijn voor het intreden van het door hem beoogde rechtsgevolg (het bestaan van een recht op vergoeding) en deze feitelijke stellingen tevens voldoende concreet te onderbouwen. De rechtbank is van oordeel dat de man hieraan niet heeft voldaan. De man heeft nagelaten inzicht te geven in de (totale) omvang van de kosten van de huishouding van partijen. De man heeft niets gesteld over de hoogte van de inkomsten van partijen noch over hun vermogenspositie. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man afwijzen.’
5.8.
Met grief VI voert de man aan dat de vrouw nimmer heeft betwist dat de hypotheekrente van respectievelijk € 710,-- en € 1.310,-- door hem is betaald en dat de vrouw vanaf 1 juli 2022 al niet meer meebetaalde aan de kosten van de woning waarvan ieder van hen voor de helft eigenaar was.
5.9.
De vrouw voert hiertegen het volgende aan.
Tijdens het geregistreerd partnerschap is de rente in het kader van de verdeling van de kosten van de huishouding altijd van de bankrekening van de man voldaan. De laatste maanden voor de verkoop van de woning in september 2022 was de man ook alleen woonachtig in de woning en had de vrouw haar eigen huurlasten. De man heeft zijn verzoek niet onderbouwd.
5.10.
Het hof overweegt als volgt.
Tussen partijen is in geschil of de vrouw de door de man betaalde hypotheekrente van respectievelijk € 710,-- en € 1.310,-- aan de man moet voldoen. Desgevraagd heeft de man verklaard dat hij een beroep doet op art. 1:84 BW. Dit artikel regelt de draagplicht voor de kosten van de huishouding. Deze kosten komen volgens dit artikel allereerst ten laste van het gemeenschappelijk inkomen van partijen en vervolgens, indien dat gemeenschappelijk inkomen ontoereikend is, ten laste van eigen inkomens in evenredigheid daarvan. Voor zover de inkomens ontoereikend zijn, komen de kosten van de huishouding ten laste van het gemeenschappelijke vermogen van partijen en voor zover ook dit ontoereikend is, ten laste van de eigen vermogens naar evenredigheid van de man.
Nu de vrouw betwist dat zij draagplichtig is voor de door de man betaalde hypotheekrente van € 710,-- en € 1.310,--, moet de man zijn beroep op dit artikel onderbouwen. Dat heeft de man nagelaten. Hij heeft niet gesteld en onderbouwd wat de totale kosten van de huishouding waren, hoe deze ten laste zijn gekomen van het gemeenschappelijk inkomen van partijen, althans ten laste van hun eigen inkomens in evenredigheid daarvan en voor zover dit ontoereikend was, ten laste van het gemeenschappelijk vermogen van partijen, althans ten laste van de eigen vermogens naar evenredigheid daarvan. Dat de man meer aan de kosten van de huishouding heeft bijgedragen dan waartoe hij op grond van art.
Conclusie
5.15.
Nu, zoals uit het voorgaande volgt, de rekening-courant schuld waarvoor beide partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn, na de peildatum met privévermogen van de man voor meer dan de helft is afgelost, heeft de man een regresvordering op de vrouw. Deze bedraagt (34.000 -/- (42.526,29 : 2 =) 21.263,15 =) € 12.737,--. Het hof zal het verzoek van de man in zoverre toewijzen. Grief III slaagt gedeeltelijk.
De lijfrenteverzekering bij [verzekeringsmaatschappij 1] en de lijfrenterekening bij [verzekeringsmaatschappij 2] (grief V)
5.16.
Grief V keert zich tegen de volgende overwegingen van de rechtbank:
‘2.6.18. Tot de huwelijksgemeenschap behoren de rechten op de lijfrenteverzekering bij [verzekeringsmaatschappij 1] met polisnummer [polisnummer] met een waarde van € 21.597,00 en de rechten op de lijfrenterekening bij [verzekeringsmaatschappij 2] met nummer [rekeningnummer] met een waarde van € 13.357,00.
2.6.19.
Beide partijen gingen er aanvankelijk vanuit dat deze polissen gesplitst konden worden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat in ieder geval de polis bij [verzekeringsmaatschappij 1] niet gesplitst kan worden. Daarop hebben beide partijen om toedeling van de rechten op deze polis verzocht, waarbij zij het er over eens zijn dat bij de verdeling van de rechten op de polissen het verschil in de waarde, rekening houdend met een belastingclaim van 30%, leidt tot een betalingsverplichting van € 3.080,00 van de partij aan wie de rechten op de polis bij [verzekeringsmaatschappij 1] worden toegedeeld jegens de partij aan wie de rechten op de polis bij [verzekeringsmaatschappij 2] worden toegedeeld.
2.6.20.
Nu beide partijen toedeling wensen van de rechten op de polis bij [verzekeringsmaatschappij 1] aan henzelf en toedeling van de rechten op de polis bij [verzekeringsmaatschappij 2] aan de ander, zal de rechtbank een beslissing moeten nemen. De rechtbank is van oordeel dat beide partijen een gelijk belang hebben bij hun verzoek. De vrouw heeft echter al vanaf begin gesteld dat zij de rechten op de polis bij [verzekeringsmaatschappij 1] toegedeeld wil krijgen als de polis niet gesplitst kan worden, terwijl de man dit eerst tijdens de mondelinge behandeling heeft verzocht. Om die reden zal de rechtbank bepalen dat de rechten op de polis bij [verzekeringsmaatschappij 1] worden toegedeeld aan de vrouw en de rechten op de polis bij [verzekeringsmaatschappij 2] worden toegedeeld aan de man, onder de verplichting aan de vrouw om aan de man een bedrag van € 3.080,00 te voldoen.’
5.17.
De man voert het volgende aan. De [verzekeringsmaatschappij 1] -polis kan niet worden overgedragen, maar alleen worden beëindigd. In dat geval zal alleen het opgebouwde kapitaal met verrekening van de belastingclaim en dus zonder gegarandeerd eindkapitaal worden overgedragen. Dit zou hem ernstig benadelen en de vrouw niet helpen. De man verzoekt de polis bij [verzekeringsmaatschappij 1] aan hem toe te delen en de polis bij [verzekeringsmaatschappij 2] aan de vrouw.
In het geval het hof dit verzoek niet toewijst, dient de vrouw de premies die hij na de bestreden beschikking aan [verzekeringsmaatschappij 1] is blijven betalen, aan hem te voldoen.
5.18.
De vrouw voert daartegen aan dat zij een groter belang heeft bij toedeling van de [verzekeringsmaatschappij 1] polis aan haar dan de man bij toedeling van die polis aan hem. Zij heeft namelijk tijdens het huwelijk nauwelijks pensioen opgebouwd.
5.19.
Het hof begrijpt de stellingen van partijen aldus dat zij een beroep hebben gedaan op art. 3:185 BW. Zij hebben over en weer voorstellen gedaan over de verdeling van de rechten op de polis bij [verzekeringsmaatschappij 1] . Indien vaststelling van de verdeling wordt verzocht, kan ieder van de betrokken partijen naar voren brengen hoe naar haar zienswijze deze verdeling moet plaatsvinden, zonder dat de rechter gebonden is aan hetgeen partijen aldus voorstellen. Deze rechterlijke vrijheid wordt verklaard door de aard van de adjudicatie. De rechter stelt de verdeling vast, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang (art. 3:185 lid 1 BW).
Met inachtneming van het voorgaande overweegt het hof als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de man na de ontbinding van de partnerschapsgemeenschap de maandelijkse premies van € 175,-- voor de polis bij [verzekeringsmaatschappij 1] steeds is blijven voldoen. Evenmin is in geschil dat de man de betaling van die premies als persoonlijke verplichting in zijn belastingaangifte heeft opgenomen waardoor er een belastingclaim op het opgebouwde lijfrentekapitaal rust. Het hof ziet daarin aanleiding de rechten op de polis bij [verzekeringsmaatschappij 1] aan de man toe te delen en de rechten op de polis bij [verzekeringsmaatschappij 2] aan de vrouw.
Partijen hebben geen grief gericht tegen de overweging van de rechtbank dat (zij het erover eens zijn dat) bij de verdeling van de rechten op de polissen het verschil in de waarde, rekening houdend met een belastingclaim van 30%, leidt tot een betalingsverplichting van € 3.080,-- van de partij aan wie de rechten op de polis bij [verzekeringsmaatschappij 1] worden toegedeeld jegens de partij aan wie de rechten op de polis bij [verzekeringsmaatschappij 2] worden toegedeeld. Het hof zal daarom bepalen dat de rechten op de polis bij [verzekeringsmaatschappij 1] worden toegedeeld aan de man en de rechten op de polis bij [verzekeringsmaatschappij 2] aan de vrouw, onder de verplichting aan de man om aan de vrouw een bedrag van € 3.080,-- te voldoen.
6De slotsom
6.1.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, gedeeltelijk vernietigen en beslissen als hierna onder 7 is weergegeven.
6.2.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een geregistreerd partnerschap hebben gehad en de procedure de verdeling van de partnerschapsgemeenschap betreft.
Dictum
Het hof:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in de vermeerdering c.q. wijziging van haar verzoek;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 30 oktober 2023, voor zover daarbij de rechten op de polis bij [verzekeringsmaatschappij 1] aan de vrouw en de rechten op de polis bij [verzekeringsmaatschappij 2] aan de man zijn toegedeeld, onder de verplichting aan de vrouw om aan de man een bedrag van € 3.080,-- te voldoen;
en in zoverre opnieuw beschikkende:
deelt de rechten op de lijfrenteverzekering bij [verzekeringsmaatschappij 1] met polisnummer [polisnummer] toe aan de man en deelt de rechten op de lijfrenterekening bij [verzekeringsmaatschappij 2] met nummer [rekeningnummer] toe aan de vrouw, onder de verplichting aan de man om aan de vrouw € 3.080,-- te voldoen;
bepaalt dat de vrouw aan de man moet voldoen:
- € 38.354,-- ter zake van de eigenwoninglening bij [bedrijf] BV ;
- € 12.737,-- ter zake van de rekening-courant schuld;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.P.M. van Reijsen, G.J. Vossestein en H.J. Witkamp en is op 20 maart 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Motivering
1:84 BW verplicht was, is daarom niet gebleken. Dit betekent dat grief VI faalt.
De rekening-courant schuld (grief III)
5.11.
Grief III keert zich tegen de volgende overweging van de rechtbank:
‘2.6.8. Ten aanzien van de rekening-courantschuld bij [bedrijf] B.V. heeft de man tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat deze vóór 24 november 2022 door hem is afgelost. Dit betekent dat deze schuld niet meer bestond op de peildatum en dat de rechtbank in het kader van de verdeling geen rekening zal houden met deze schuld.’
5.12.
De man voert ter toelichting op zijn grief (het volgende aan. Hij heeft de rekening-courant schuld na de peildatum (hof: 24 november 2022) afgelost door middel van een dividenduitkering. De vrouw is gehouden de helft van die schuld voor haar rekening te nemen. Zij heeft immers ook altijd meegeprofiteerd van opnames in rekening-courant en was er ook mee bekend dat deze schuld op enig moment diende te worden afgelost. De man verzoekt te bepalen dat de vrouw vanwege zijn aflossing van de rekening-courant schuld € 21.263,-- aan hem moet voldoen.
5.13.
De vrouw voert daartegen het volgende aan.
Tot op heden heeft zij geen bewijs ontvangen van de aflossing van de rekening-courant schuld. Zij kan dus niet kan vaststellen dat / op welke datum aflossing ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De man heeft wisselende standpunten ingenomen over de wijze waarop hij de rekening-courantschuld zou hebben afgelost (door een dividenduitkering versus door gebruikmaking van de overwaarde van de echtelijke woning).
Voor het geval het hof de rekening-courant schuld in de verdeling betrekt, is er aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat deze gemeenschapsschuld door partijen gezamenlijk, ieder voor de helft moet worden gedragen. De man heeft de rekening-courant schuld onvoldoende aangetoond en in het geheel niet nader toegelicht. Onduidelijk is hoe deze schuld is ontstaan. Zij neemt daarom aan dat deze schuld is veroorzaakt door het uitgavenpatroon van de man. Als bestuurder van de vennootschap had en heeft uitsluitend de man de controle over de vennootschap. De man heeft keuzes gemaakt waarvoor hij als enige verantwoordelijk is. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de rekening-courant schuld mede voor haar rekening en risico komt. Ook om die reden kan de grief van de man niet slagen.
5.14.
Het hof overweegt als volgt.
Tussen partijen is in geschil i) of/wanneer de rekening-courant schuld is afgelost en ii) of zij ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de aflossing van de rekening-courant schuld.
i) aflossing rekening-courant schuld
5.14.1.
Als niet weersproken staat vast dat de rekening-courant schuld op 30 juni 2022 € 42.526,29 bedroeg. Op 2 januari 2023 is, zo blijkt uit de door de man in hoger beroep overgelegde prod. 4, door de algemene vergadering van aandeelhouders besloten dat per 2 januari 2023 een dividend groot € 40.000,-- wordt toegekend ten laste van de winstreserves en dat de vennootschap 15% van dit bedrag als dividendbelasting (€ 6.000,--) moet betalen aan de Belastingdienst. Blijkens de aangifte dividendbelasting (d.d. 2 januari 2023, prod. 3 beroepschrift) is het dividend beschikbaar gesteld over het boekjaar 2022. Uit de specificatie van de rekening-courant schuld (prod. 4 in hoger beroep van de man) kan, in onderling verband bezien met voornoemde stukken, worden afgeleid dat het uitgekeerde dividend van netto € 34.000,-- in mindering strekt op de rekening-courant schuld van de man aan zijn bv. Het hof gaat er daarom van uit dat de rekening-courant schuld voor dat deel door deze dividenduitkering is afgelost.
ii) draagplicht rekening-courant schuld
5.14.2.
De gedeeltelijke aflossing van de rekening-courant schuld vond plaats ná 24 november 2022. Dit betekent dat de rekening-courant schuld tot de partnerschapsgemeenschap behoort. Daarvoor geldt krachtens de hoofdregel van art. 1:100 BW in beginsel een gelijke draagplicht. Op deze hoofdregel zijn uitzonderingen mogelijk. Allereerst kunnen partijen ‘bij een overeenkomst die tussen echtgenoten (hof: dan wel geregistreerd partners) bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap’ een andere draagplicht overeenkomen. Daarvan is in deze zaak geen sprake.
Verder kan in geval van een ‘negatieve’ boedel op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid sprake zijn van een draagplicht anders dan bij helfte (art. 1:100 lid 2 BW). Ook die situatie doet zich hier niet voor.
Ten slotte kan sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de toepassing van de hoofdregel van een draagplicht bij helfte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Volgens de vrouw is hiervan sprake. De vrouw heeft echter geen bijzondere omstandigheden genoemd die tot het oordeel kunnen leiden dat uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van de schulden een andere draagplicht dan een draagplicht bij helfte voortvloeit. De niet onderbouwde (en door de man weersproken) stelling dat de schuld is ontstaan door ‘het uitgavenpatroon’ van de man en de stelling dat de man als bestuurder van de vennootschap keuzes heeft gemaakt waarvoor hij als enige verantwoordelijk is, zijn daartoe ontoereikend.