Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2020-04-07
ECLI:NL:GHARL:2020:2808
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
11,426 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.260.229 en 200.260.233
(zaaknummers rechtbank Gelderland 340417 en 343184)
beschikking van 7 april 2020
in de zaak van
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. H. Sanli te Helmond,
en
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. W.F. Boland-van Hal te Zutphen.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 4 maart 2019, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. Verder ook te noemen: de bestreden beschikking.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 31 mei 2019;
het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met productie;
het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
een journaalbericht van mr. Boland-van Hal van 17 januari 2020 met productie;
een journaalbericht van mr. Sanli van 7 februari 2020 met producties;
een journaalbericht van mr. Boland-van Hal van 10 februari 2020 met producties.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 21 februari 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
Feiten
3.1
Partijen zijn op 15 augustus 2016 te [plaatsnaam] met elkaar gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen.
3.2
Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
3.3
Uit het huwelijk is geboren [het kind] , op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] .
3.4
De vrouw heeft op 17 juli 2018 een verzoek tot echtscheiding ingediend. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 4 maart 2019 de echtscheiding uitgesproken.
3.5
Het huwelijk van partijen is op 25 juni 2019 ontbonden door inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand.
Geschil
4.1
In de bestreden beschikking onder meer bepaald dat de man met ingang van 4 maart 2019 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] aan de vrouw € 156,- per maand zal betalen en verder de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld.
4.2
De vrouw is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vrouw verzoekt het hof bij beschikking – uitvoerbaar bij voorraad – de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen en:
1. de ingangsdatum van de kinderalimentatie op 18 juli 2018 vast te stellen;
2. de peildatum voor het vaststellen van de omvang van de goederengemeenschap op 17 juli
2018 vast te stellen;
3. de waarde van de Audi, type A3 bij helfte te verdelen tussen partijen;
4. de man te veroordelen aan de vrouw binnen veertien dagen na de beschikking van het hof alle goudstukken ter retourneren, dan wel in ieder geval vijf slavenarmbanden te verstrekken, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere overtreding dan wel weigerachtige houding van de man;
5. de man te veroordelen aan de vrouw af te geven de fiets van het merk Gazelle, type Bloom, binnen veertien dagen na de beschikking van het hof dan wel de schade (de aankoopwaarde van de fiets) aan de gemeenschap te vergoeden, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere overtreding dan wel weigerachtige houding van de man, en
6. te bepalen dat de man binnen veertien dagen na de beschikking van het hof aan de vrouw een bedrag van € 2.500,- dient te voldoen ter zake de geldlening aan de voormalig
werkgever van de vrouw.
4.3
De man verzoekt in het principaal hoger beroep de vrouw in haar verzoeken in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoeken af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt hij de vrouw te veroordelen om binnen veertien dagen na de beschikking van het hof de reservesleutel en het onderhoudsboekje van de Audi met kenteken [kenteken] te retourneren, onder verbeurte van een dwangsom van € 50,- voor elke dag dat de vrouw dit nalaat.
4.4
De vrouw voert verweer en zij verzoekt het hof de verzoeken van de man in het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel zijn verzoeken af te wijzen.
4.5
Het hof zal de grieven per onderwerp bespreken.
Motivering
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (grief 1)
5.1
De door de rechtbank vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding is tussen partijen niet in geschil. Het geschil betreft de ingangsdatum van de vastgestelde bijdrage. De vrouw meent dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat de kinderalimentatie zal moeten worden vastgesteld met ingang van de datum waarop in de echtscheidingsprocedure een beschikking is gewezen, en wel per 4 maart 2019. In het belang van [het kind] moet de ingangsdatum alsnog worden vastgesteld met ingang van 18 juli 2018.
In haar grief voert zij daartoe aan dat de bestreden beschikking erop neerkomt, dat zij in de periode van 18 juli 2018 tot 4 maart 2019 verstoken is gebleven van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] . De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
5.2
Het hof overweegt als volgt. Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist, maar het staat de rechter vrij van deze voor de hand liggende data af te wijken, indien daarvoor gronden bestaan.
Ook een andere datum is mogelijk, maar de rechter moet in elk geval behoedzaam omgaan met deze beslissingsvrijheid.
5.3
De man heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij in de periode van indiening van het verzoekschrift door de vrouw tot de beslissing van de rechtbank op 4 maart 2019 geen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige heeft betaald. Het hof is van oordeel dat de man vanaf het moment dat de vrouw een verzoek om een bijdrage heeft verzocht, rekening kon en moest houden met zijn onderhoudsverplichting voor zijn kind. Dat de man vanaf dat moment over onvoldoende draagkracht beschikte om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te voldoen, is niet gebleken. Het enkele feit dat de vrouw, zoals de man stelt, voldoende draagkracht zou hebben gehad om volledig in de kosten van [het kind] te voorzien omdat zij op dat moment bij haar ouders inwoonde en volgens hem geen vast lasten had, ontslaat de man niet van zijn onderhoudsverplichting. Ook zijn stelling dat niet duidelijk was of er eigenlijk sprake was van behoefte, omdat [het kind] nog maar een pasgeboren baby was, kan het hof niet volgen. Ook voor een pasgeborene worden immers kosten gemaakt. De man kan dan ook gehouden worden om met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te betalen. Door de man is weliswaar gesteld dat hij niet in staat is tot een nabetalingsverplichting over voormelde periode van circa acht maanden (18 juli 2018 tot 4 maart 2019), maar een onderbouwing daarvan heeft hij achterwege gelaten. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt vernietigen en beslissen dat de onderhoudsverplichting van de man voor [het kind] ingaat per 18 juli 2018. Grief 1 slaagt.
verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap
5.4
De man maakt bezwaar tegen de vermeerdering van de verzoeken van de vrouw in hoger beroep en heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ter zake niet-ontvankelijk is. Het hof acht de vermeerdering van de verzoeken van de vrouw toelaatbaar. Het hoger beroep dient mede tot herstel van eigen verzuim en ook mag de oorspronkelijk eiser in hoger beroep zijn eis wijzigen. Verder kan ingevolge artikel 827 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een verzoek tot het vaststellen van een nevenvoorziening ook voor het eerst in hoger beroep worden gedaan. De vrouw is dan ook ontvankelijk in haar (aanvullende/ gewijzigde) verzoeken.
peildatum (grief 2)
5.5
De vrouw stelt in haar tweede grief dat de rechtbank ten onrechte de peildatum voor de samenstelling en de omvang op 16 juni 2018 heeft bepaald. Zij voert daartoe aan dat zij niet de dupe wil worden van een juridische fout van haar voormalige advocaat en verzoekt het hof alsnog de wettelijke peildatum als uitgangspunt te nemen voor de samenstelling en de omvang van de gemeenschap, te weten de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend. Het verzoekschrift tot echtscheiding is op 17 juli 2018 ingediend. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
5.6
Het hof overweegt als volgt. In haar verzoekschrift in eerste aanleg heeft de vrouw gesteld dat als peildatum voor de vaststelling en de omvang (en de waarde) van de huwelijksgoederengemeenschap, in afwijking van de wettelijke peildatum, zijnde de datum van indiening van het echtscheidingsverzoekschrift, dient te gelden de datum 16 juni 2018, omdat de vrouw op deze datum uit de woning is vertrokken en omdat partijen sindsdien dus geen weet meer hebben van elkaars uitgavenpatroon en dergelijke (zie punt 18 van het verzoekschrift). De man heeft vervolgens in zijn verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken met de door de vrouw verzochte peildatum van 16 juni 2018 ingestemd. In haar verweerschrift tegen zelfstandige verzoeken handhaaft de vrouw nog eens de door haar ingenomen standpunten, dus ook haar standpunt ter zake van de peildatum. In het door de vrouw in eerste aanleg in het geding gebrachte formulier ‘verdelen en verrekenen’ van 7 januari 2019 wordt als peildatum voor bepaling van de omvang en samenstelling van de gemeenschap 16 juni 2018 aangegeven, met de vermelding ‘datum feitelijk uiteengaan’. Ook de man heeft een dergelijk formulier in eerste aanleg in het geding gebracht (productie 8 bij journaalbericht van 10 januari 2019) en in dat formulier is als peildatum voor bepaling van de omvang en samenstelling van de gemeenschap 16 juni 2018 vermeld.
5.7
Uit artikel 1:99, eerste lid, onderdeel b, BW volgt dat de wettelijke gemeenschap van goederen wordt ontbonden op het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding. In het onderhavige geval dus op 17 juli 2018. De vrouw heeft gelijk dat hier niet vanaf geweken kan worden waar het gaat om het bepalen van de omvang van de gemeenschap (HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2050). Van dat moment moet echter worden onderscheiden de peildatum voor de waarde van de activa en de passiva die op die dag tot de gemeenschap behoren. Hoofdregel daarbij is het moment van verdeling, maar afwijking is mogelijk op grond van de redelijkheid en billijkheid of op grond van tussen partijen gemaakte afspraken (HR 8 december 2006, ECLINL:HR:2006:AZ0760). Het stond partijen daarom vrij om de activa en passiva die op 17 juli 2018 tot de gemeenschap behoorden te waarderen tegen de waarde op een ander moment. Het is gelet op hetgeen in rov 5.6 is overwogen duidelijk dat zij dit hebben gedaan tegen de waarden op 16 juni 2018. De vrouw heeft haar stelling dat deze datum berust op een fout van haar advocaat op geen enkele wijze onderbouwd. De omstandigheid dat deze datum voor de vrouw nadelig is gebleken, vormt geen reden om de gemaakte afspraken van partijen opzij te zetten. Grief 2 van de vrouw faalt.
inboedel, auto Audi A3 met kenteken [kenteken] en inhoud van de kluis
5.8
In hoger beroep stelt de vrouw zich op het standpunt dat de man de inboedelzaken bewust heeft bekrast en beschadigd en ook zijn deze zaken incompleet. Om die reden is de man, volgens de vrouw, overbedeeld en maakt zij thans aanspraak op de helft van de waarde van de Audi A3. Met betrekking tot de inhoud van de kluis is zij misleid. De bank heeft de vrouw meegedeeld dat de man de kluis een dag voor het maritaal beslag heeft laten openboren en voorzien van een nieuwe sleutel.
Dictum
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
7.1
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 4 maart 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
7.2
bepaalt dat de man met ingang van 17 juli 2018 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] , geboren op 7 maart 2018 te Zutphen, aan de vrouw zal betalen € 156,- per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
7.3
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.4
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek in incidenteel hoger beroep.
7.5
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 4 maart 2019 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;
7.6
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
7.7
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, M.L. van der Bel en R. Krijger, bijgestaan door G.J. Heuvelink als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. M.L. van der Bel en is op 7 april 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.260.229 en 200.260.233
(zaaknummers rechtbank Gelderland 340417 en 343184)
beschikking van 7 april 2020
in de zaak van
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. H. Sanli te Helmond,
en
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. W.F. Boland-van Hal te Zutphen.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 4 maart 2019, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. Verder ook te noemen: de bestreden beschikking.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 31 mei 2019;
het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met productie;
het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
een journaalbericht van mr. Boland-van Hal van 17 januari 2020 met productie;
een journaalbericht van mr. Sanli van 7 februari 2020 met producties;
een journaalbericht van mr. Boland-van Hal van 10 februari 2020 met producties.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 21 februari 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
Feiten
3.1
Partijen zijn op 15 augustus 2016 te [plaatsnaam] met elkaar gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen.
3.2
Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
3.3
Uit het huwelijk is geboren [het kind] , op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] .
3.4
De vrouw heeft op 17 juli 2018 een verzoek tot echtscheiding ingediend. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 4 maart 2019 de echtscheiding uitgesproken.
3.5
Het huwelijk van partijen is op 25 juni 2019 ontbonden door inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand.
Geschil
4.1
In de bestreden beschikking onder meer bepaald dat de man met ingang van 4 maart 2019 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] aan de vrouw € 156,- per maand zal betalen en verder de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld.
4.2
De vrouw is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vrouw verzoekt het hof bij beschikking – uitvoerbaar bij voorraad – de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen en:
1. de ingangsdatum van de kinderalimentatie op 18 juli 2018 vast te stellen;
2. de peildatum voor het vaststellen van de omvang van de goederengemeenschap op 17 juli
2018 vast te stellen;
3. de waarde van de Audi, type A3 bij helfte te verdelen tussen partijen;
4. de man te veroordelen aan de vrouw binnen veertien dagen na de beschikking van het hof alle goudstukken ter retourneren, dan wel in ieder geval vijf slavenarmbanden te verstrekken, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere overtreding dan wel weigerachtige houding van de man;
5. de man te veroordelen aan de vrouw af te geven de fiets van het merk Gazelle, type Bloom, binnen veertien dagen na de beschikking van het hof dan wel de schade (de aankoopwaarde van de fiets) aan de gemeenschap te vergoeden, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere overtreding dan wel weigerachtige houding van de man, en
6. te bepalen dat de man binnen veertien dagen na de beschikking van het hof aan de vrouw een bedrag van € 2.500,- dient te voldoen ter zake de geldlening aan de voormalig
werkgever van de vrouw.
4.3
De man verzoekt in het principaal hoger beroep de vrouw in haar verzoeken in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoeken af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt hij de vrouw te veroordelen om binnen veertien dagen na de beschikking van het hof de reservesleutel en het onderhoudsboekje van de Audi met kenteken [kenteken] te retourneren, onder verbeurte van een dwangsom van € 50,- voor elke dag dat de vrouw dit nalaat.
4.4
De vrouw voert verweer en zij verzoekt het hof de verzoeken van de man in het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel zijn verzoeken af te wijzen.
4.5
Het hof zal de grieven per onderwerp bespreken.
Motivering
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (grief 1)
5.1
De door de rechtbank vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding is tussen partijen niet in geschil. Het geschil betreft de ingangsdatum van de vastgestelde bijdrage. De vrouw meent dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat de kinderalimentatie zal moeten worden vastgesteld met ingang van de datum waarop in de echtscheidingsprocedure een beschikking is gewezen, en wel per 4 maart 2019. In het belang van [het kind] moet de ingangsdatum alsnog worden vastgesteld met ingang van 18 juli 2018.
In haar grief voert zij daartoe aan dat de bestreden beschikking erop neerkomt, dat zij in de periode van 18 juli 2018 tot 4 maart 2019 verstoken is gebleven van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] . De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
5.2
Het hof overweegt als volgt. Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist, maar het staat de rechter vrij van deze voor de hand liggende data af te wijken, indien daarvoor gronden bestaan.
Ook een andere datum is mogelijk, maar de rechter moet in elk geval behoedzaam omgaan met deze beslissingsvrijheid.
5.3
De man heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij in de periode van indiening van het verzoekschrift door de vrouw tot de beslissing van de rechtbank op 4 maart 2019 geen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige heeft betaald. Het hof is van oordeel dat de man vanaf het moment dat de vrouw een verzoek om een bijdrage heeft verzocht, rekening kon en moest houden met zijn onderhoudsverplichting voor zijn kind. Dat de man vanaf dat moment over onvoldoende draagkracht beschikte om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te voldoen, is niet gebleken. Het enkele feit dat de vrouw, zoals de man stelt, voldoende draagkracht zou hebben gehad om volledig in de kosten van [het kind] te voorzien omdat zij op dat moment bij haar ouders inwoonde en volgens hem geen vast lasten had, ontslaat de man niet van zijn onderhoudsverplichting. Ook zijn stelling dat niet duidelijk was of er eigenlijk sprake was van behoefte, omdat [het kind] nog maar een pasgeboren baby was, kan het hof niet volgen. Ook voor een pasgeborene worden immers kosten gemaakt. De man kan dan ook gehouden worden om met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te betalen. Door de man is weliswaar gesteld dat hij niet in staat is tot een nabetalingsverplichting over voormelde periode van circa acht maanden (18 juli 2018 tot 4 maart 2019), maar een onderbouwing daarvan heeft hij achterwege gelaten. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt vernietigen en beslissen dat de onderhoudsverplichting van de man voor [het kind] ingaat per 18 juli 2018. Grief 1 slaagt.
verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap
5.4
De man maakt bezwaar tegen de vermeerdering van de verzoeken van de vrouw in hoger beroep en heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ter zake niet-ontvankelijk is. Het hof acht de vermeerdering van de verzoeken van de vrouw toelaatbaar. Het hoger beroep dient mede tot herstel van eigen verzuim en ook mag de oorspronkelijk eiser in hoger beroep zijn eis wijzigen. Verder kan ingevolge artikel 827 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een verzoek tot het vaststellen van een nevenvoorziening ook voor het eerst in hoger beroep worden gedaan. De vrouw is dan ook ontvankelijk in haar (aanvullende/ gewijzigde) verzoeken.
peildatum (grief 2)
5.5
De vrouw stelt in haar tweede grief dat de rechtbank ten onrechte de peildatum voor de samenstelling en de omvang op 16 juni 2018 heeft bepaald. Zij voert daartoe aan dat zij niet de dupe wil worden van een juridische fout van haar voormalige advocaat en verzoekt het hof alsnog de wettelijke peildatum als uitgangspunt te nemen voor de samenstelling en de omvang van de gemeenschap, te weten de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend. Het verzoekschrift tot echtscheiding is op 17 juli 2018 ingediend. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
5.6
Het hof overweegt als volgt. In haar verzoekschrift in eerste aanleg heeft de vrouw gesteld dat als peildatum voor de vaststelling en de omvang (en de waarde) van de huwelijksgoederengemeenschap, in afwijking van de wettelijke peildatum, zijnde de datum van indiening van het echtscheidingsverzoekschrift, dient te gelden de datum 16 juni 2018, omdat de vrouw op deze datum uit de woning is vertrokken en omdat partijen sindsdien dus geen weet meer hebben van elkaars uitgavenpatroon en dergelijke (zie punt 18 van het verzoekschrift). De man heeft vervolgens in zijn verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken met de door de vrouw verzochte peildatum van 16 juni 2018 ingestemd. In haar verweerschrift tegen zelfstandige verzoeken handhaaft de vrouw nog eens de door haar ingenomen standpunten, dus ook haar standpunt ter zake van de peildatum. In het door de vrouw in eerste aanleg in het geding gebrachte formulier ‘verdelen en verrekenen’ van 7 januari 2019 wordt als peildatum voor bepaling van de omvang en samenstelling van de gemeenschap 16 juni 2018 aangegeven, met de vermelding ‘datum feitelijk uiteengaan’. Ook de man heeft een dergelijk formulier in eerste aanleg in het geding gebracht (productie 8 bij journaalbericht van 10 januari 2019) en in dat formulier is als peildatum voor bepaling van de omvang en samenstelling van de gemeenschap 16 juni 2018 vermeld.
5.7
Uit artikel 1:99, eerste lid, onderdeel b, BW volgt dat de wettelijke gemeenschap van goederen wordt ontbonden op het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding. In het onderhavige geval dus op 17 juli 2018. De vrouw heeft gelijk dat hier niet vanaf geweken kan worden waar het gaat om het bepalen van de omvang van de gemeenschap (HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2050). Van dat moment moet echter worden onderscheiden de peildatum voor de waarde van de activa en de passiva die op die dag tot de gemeenschap behoren. Hoofdregel daarbij is het moment van verdeling, maar afwijking is mogelijk op grond van de redelijkheid en billijkheid of op grond van tussen partijen gemaakte afspraken (HR 8 december 2006, ECLINL:HR:2006:AZ0760). Het stond partijen daarom vrij om de activa en passiva die op 17 juli 2018 tot de gemeenschap behoorden te waarderen tegen de waarde op een ander moment. Het is gelet op hetgeen in rov 5.6 is overwogen duidelijk dat zij dit hebben gedaan tegen de waarden op 16 juni 2018. De vrouw heeft haar stelling dat deze datum berust op een fout van haar advocaat op geen enkele wijze onderbouwd. De omstandigheid dat deze datum voor de vrouw nadelig is gebleken, vormt geen reden om de gemaakte afspraken van partijen opzij te zetten. Grief 2 van de vrouw faalt.
inboedel, auto Audi A3 met kenteken [kenteken] en inhoud van de kluis
5.8
In hoger beroep stelt de vrouw zich op het standpunt dat de man de inboedelzaken bewust heeft bekrast en beschadigd en ook zijn deze zaken incompleet. Om die reden is de man, volgens de vrouw, overbedeeld en maakt zij thans aanspraak op de helft van de waarde van de Audi A3. Met betrekking tot de inhoud van de kluis is zij misleid. De bank heeft de vrouw meegedeeld dat de man de kluis een dag voor het maritaal beslag heeft laten openboren en voorzien van een nieuwe sleutel.
Dictum
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
7.1
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 4 maart 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
7.2
bepaalt dat de man met ingang van 17 juli 2018 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] , geboren op 7 maart 2018 te Zutphen, aan de vrouw zal betalen € 156,- per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
7.3
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.4
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek in incidenteel hoger beroep.
7.5
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 4 maart 2019 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;
7.6
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
7.7
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, M.L. van der Bel en R. Krijger, bijgestaan door G.J. Heuvelink als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. M.L. van der Bel en is op 7 april 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Motivering
De man heeft zonder medeweten en toestemming van de vrouw alle goudstukken uit de kluis meegenomen. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling toegezegd dat alle goudstukken aan de vrouw zouden toekomen en dat de vrouw in ieder geval vijf slavenarmbanden zou krijgen. Zij wenst afgifte van de goudstukken en de vijf slavenarmbanden onder verbeurte van een dwangsom bij weigerachtigheid van de man. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
5.9
Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg over de inboedel, de Audi A3 met kenteken [kenteken] en de inhoud van de kluis een regeling in der minne hebben getroffen en aan de rechtbank hebben verzocht de overeenstemming in hoofdlijnen in de beschikking op te nemen. In de bestreden beschikking is dat als volgt opgenomen: ‘Partijen zijn ten aanzien van de verdeling van de inboedel overeengekomen dat de vrouw bij de man mag ophalen de koelkast, diepvries, vaatwasser, magnetron, stofzuiger, wasmachine, strijkijzer, oven, waterkoker, tosti-apparaat, borden, bestek, babykamer, voorraaddozen en kersenboom. De vrouw zal de vitrage retourneren aan de man. De man behoudt de tv, bank, eettafel, salontafel, het bed, de tuinset, kledingkasten en pruimenboom. De haar toekomende goederen haalt de vrouw binnen drie weken op in aanwezigheid van haar broer. Ook zal een neef van de man ( [A.] of [B.] ) bij het ophaalmoment aanwezig zijn en verder niemand. De inhoud van de kluis wordt toegedeeld aan de vrouw, op voorwaarde dat hierin nog minimaal 5 gouden slavenarmbanden aanwezig zijn. Mocht dit niet het geval zijn, dan vult de man deze armbanden aan tot vijf. De Audi A3 wordt toegedeeld aan de man. De uitvoering van deze afspraken zal ook binnen drie weken plaatsvinden.’
De man heeft de door de vrouw gestelde bekrassing en beschadiging van de zaken betwist. De vrouw heeft dat naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt, nog daargelaten dat omtrent de afgifte van die zaken in de overeenkomst ook geen voorbehoud ten aanzien van de staat van die zaken is gemaakt. Eerst ter zitting in hoger beroep stelt de vrouw zich op het standpunt dat zij ter zake van de in eerste aanleg aangegane overeenkomst heeft gedwaald. De man heeft de door de vrouw gestelde bekrassing en beschadiging betwist. De vrouw heeft tegenover die betwisting nagelaten om haar stellingen te onderbouwen. Op de zitting bij het hof heeft de vrouw zich voor het eerst op het standpunt gesteld dat zij bij het aangaan van de in eerste aanleg aangegane overeenkomst heeft gedwaald. Het hof overweegt dat de algemene regels omtrent dwaling bij overeenkomsten, de artikelen 6:228 tot en met 6:230 BW, niet van toepassing zijn op verdelingen (artikel 3:199 BW). In plaats daarvan geldt de regel van artikel 3:196 BW dat een overeenkomst vernietigbaar is, wanneer een deelgenoot omtrent de waarde van een of meer der te verdelen goederen en schulden heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld. Nu de vrouw niet heeft gesteld dat zij voor meer dan een vierde is benadeeld, kan haar grief op dit punt alleen daarom al niet slagen.
Anders gezegd volgt uit hetgeen de vrouw stelt niet dat de overeenkomst tussen partijen niet langer bestaat, nog daargelaten dat een deel van de overeenkomst nog niet is uitgevoerd. De vrouw heeft nog geen uitvoering gegeven aan de afspraak om samen met de man de kluis te legen. Pas op de mondelinge behandeling bij het hof heeft de vrouw toegezegd om in de week na de mondelinge behandeling gezamenlijk met de man en diens advocaat de kluis te bezoeken en te zien wat zich in de kluis bevindt. De man heeft andermaal toegezegd zich aan de overeenkomst te houden door er zorg voor te dragen dat de vrouw tenminste vijf gouden slavenarmbanden zal ontvangen. De grief van de vrouw faalt ook op dit punt.
fiets Gazelle Bloom
5.10
De vrouw heeft in eerste aanleg gesteld dat de fiets tot de gemeenschap behoort. De man heeft verweer gevoerd en gesteld dat de fiets weliswaar door hem is betaald maar dat het een schenking aan zijn moeder betreft, dat de fiets op het adres van zijn moeder is afgeleverd en dat zijn moeder er sindsdien op rijdt. De rechtbank heeft daarop geoordeeld dat de moeder van de man als houder vermoed wordt rechthebbende te zijn van de fiets. De vrouw grieft tegen dit oordeel. In hoger beroep betwist zij niet zozeer de titel van de moeder van de man maar stelt zij dat de man gelet op het bepaalde in artikel 1:164 BW schadeplichtig is omdat hij de gemeenschap heeft benadeeld door de fiets zonder toestemming van de vrouw aan zijn moeder te schenken. De man voert verweer.
5.11
Het hof overweegt als volgt. Het verweer van de man dat de schenking niet is gedaan binnen zes maanden voor de aanvang van de echtscheidingsprocedure slaagt. De vrouw heeft niet betwist dat de fiets al vanaf de aanschaf op 17 november 2017 door de moeder van de man wordt gebruikt en ook op dat moment is geschonken. De vrouw heeft op 17 juli 2018 een verzoek tot echtscheiding ingediend. Op dat moment waren er meer dan zes maanden verstreken zodat het verzoek van de vrouw tot vergoeding van de schade afstuit op de in artikel 1:164 lid 1 BW vermelde termijn. De grief van de vrouw faalt.
lening werkgever
5.12
De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij haar lening bij haar voormalige werkgever onvoldoende heeft onderbouwd. De onderhandse lening bestaat volgens haar wel degelijk en de man is van het bestaan daarvan op de hoogte. Hij dient dan ook bij helfte deze schuld te dragen. De vrouw heeft ten tijde van het huwelijk aflossingen verricht en daarnaast is aan haar een eindafrekening toegezonden en is het resterende deel van de lening verrekend met de eindafrekening. De werkgever heeft ten onrechte en klaarblijkelijk per abuis vermeld dat aan de vrouw een transitievergoeding toekwam. Het betrof geen transitievergoeding, maar het resterende bedrag van haar salaris na verrekening van de geldlening. De vrouw heeft inmiddels de volledige lening van € 5.000,- voldaan, zodat de man aan haar dient te vergoeden een bedrag van € 2.500,--. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Ook thans heeft de vrouw volgens hem geen onderbouwing van de lening gegeven. Van een maandelijkse aflossing van € 50,- vanaf 1 april 2017 is niet gebleken. Mocht de vrouw naar het oordeel van het hof de lening wel aannemelijk hebben gemaakt, dan hoeft hij geen € 2.500,- te vergoeden, omdat de vrouw zelf stelt dat ook tijdens het huwelijk is afgelost, zodat de stand van de geldlening op 16 juni 2018 in ieder geval geen € 5.000,- was.
5.13
Het hof overweegt als volgt. Op de ontbonden gemeenschap van goederen zijn de bepalingen van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zoals die voor 1 januari 2018 luidden van toepassing (zie ook HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:636). Ingevolge artikel 1:94 lid 5 (oud) BW omvat de gemeenschap, wat haar lasten betreft, alle schulden van ieder der echtgenoten. De hoofdregel is dat alle schulden, zowel vóór als tijdens huwelijk aangegaan, gemeenschappelijk zijn, ongeacht wie van beide echtgenoten de schuld is aangegaan. In lid 3 van artikel 1:94 (oud) BW wordt bepaald dat goederen en schulden niet in de gemeenschap van goederen vallen voor zover verknochtheid zich hiertegen verzet. Artikel 1:100 lid 2 (oud) BW bepaalt (kort gezegd) dat ieder voor de helft draagplichtig is voor de schulden van de gemeenschap. Uit artikel 6:10 BW volgt dat bij hoofdelijke schuldenaren ieder van de schuldenaren onderling het gedeelte van de schuld draagt dat hem/haar aangaat en dat ieder na betaling van méér dan dat gedeelte regres heeft op de overige schuldenaren.
5.14
Op 28 februari 2017 is een auto Audi A3 gekocht (productie 5, overgelegd bij verweerschrift tegen zelfstandig verzoek in eerste aanleg).
Motivering
De man heeft zonder medeweten en toestemming van de vrouw alle goudstukken uit de kluis meegenomen. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling toegezegd dat alle goudstukken aan de vrouw zouden toekomen en dat de vrouw in ieder geval vijf slavenarmbanden zou krijgen. Zij wenst afgifte van de goudstukken en de vijf slavenarmbanden onder verbeurte van een dwangsom bij weigerachtigheid van de man. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
5.9
Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg over de inboedel, de Audi A3 met kenteken [kenteken] en de inhoud van de kluis een regeling in der minne hebben getroffen en aan de rechtbank hebben verzocht de overeenstemming in hoofdlijnen in de beschikking op te nemen. In de bestreden beschikking is dat als volgt opgenomen: ‘Partijen zijn ten aanzien van de verdeling van de inboedel overeengekomen dat de vrouw bij de man mag ophalen de koelkast, diepvries, vaatwasser, magnetron, stofzuiger, wasmachine, strijkijzer, oven, waterkoker, tosti-apparaat, borden, bestek, babykamer, voorraaddozen en kersenboom. De vrouw zal de vitrage retourneren aan de man. De man behoudt de tv, bank, eettafel, salontafel, het bed, de tuinset, kledingkasten en pruimenboom. De haar toekomende goederen haalt de vrouw binnen drie weken op in aanwezigheid van haar broer. Ook zal een neef van de man ( [A.] of [B.] ) bij het ophaalmoment aanwezig zijn en verder niemand. De inhoud van de kluis wordt toegedeeld aan de vrouw, op voorwaarde dat hierin nog minimaal 5 gouden slavenarmbanden aanwezig zijn. Mocht dit niet het geval zijn, dan vult de man deze armbanden aan tot vijf. De Audi A3 wordt toegedeeld aan de man. De uitvoering van deze afspraken zal ook binnen drie weken plaatsvinden.’
De man heeft de door de vrouw gestelde bekrassing en beschadiging van de zaken betwist. De vrouw heeft dat naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt, nog daargelaten dat omtrent de afgifte van die zaken in de overeenkomst ook geen voorbehoud ten aanzien van de staat van die zaken is gemaakt. Eerst ter zitting in hoger beroep stelt de vrouw zich op het standpunt dat zij ter zake van de in eerste aanleg aangegane overeenkomst heeft gedwaald. De man heeft de door de vrouw gestelde bekrassing en beschadiging betwist. De vrouw heeft tegenover die betwisting nagelaten om haar stellingen te onderbouwen. Op de zitting bij het hof heeft de vrouw zich voor het eerst op het standpunt gesteld dat zij bij het aangaan van de in eerste aanleg aangegane overeenkomst heeft gedwaald. Het hof overweegt dat de algemene regels omtrent dwaling bij overeenkomsten, de artikelen 6:228 tot en met 6:230 BW, niet van toepassing zijn op verdelingen (artikel 3:199 BW). In plaats daarvan geldt de regel van artikel 3:196 BW dat een overeenkomst vernietigbaar is, wanneer een deelgenoot omtrent de waarde van een of meer der te verdelen goederen en schulden heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld. Nu de vrouw niet heeft gesteld dat zij voor meer dan een vierde is benadeeld, kan haar grief op dit punt alleen daarom al niet slagen.
Anders gezegd volgt uit hetgeen de vrouw stelt niet dat de overeenkomst tussen partijen niet langer bestaat, nog daargelaten dat een deel van de overeenkomst nog niet is uitgevoerd. De vrouw heeft nog geen uitvoering gegeven aan de afspraak om samen met de man de kluis te legen. Pas op de mondelinge behandeling bij het hof heeft de vrouw toegezegd om in de week na de mondelinge behandeling gezamenlijk met de man en diens advocaat de kluis te bezoeken en te zien wat zich in de kluis bevindt. De man heeft andermaal toegezegd zich aan de overeenkomst te houden door er zorg voor te dragen dat de vrouw tenminste vijf gouden slavenarmbanden zal ontvangen. De grief van de vrouw faalt ook op dit punt.
fiets Gazelle Bloom
5.10
De vrouw heeft in eerste aanleg gesteld dat de fiets tot de gemeenschap behoort. De man heeft verweer gevoerd en gesteld dat de fiets weliswaar door hem is betaald maar dat het een schenking aan zijn moeder betreft, dat de fiets op het adres van zijn moeder is afgeleverd en dat zijn moeder er sindsdien op rijdt. De rechtbank heeft daarop geoordeeld dat de moeder van de man als houder vermoed wordt rechthebbende te zijn van de fiets. De vrouw grieft tegen dit oordeel. In hoger beroep betwist zij niet zozeer de titel van de moeder van de man maar stelt zij dat de man gelet op het bepaalde in artikel 1:164 BW schadeplichtig is omdat hij de gemeenschap heeft benadeeld door de fiets zonder toestemming van de vrouw aan zijn moeder te schenken. De man voert verweer.
5.11
Het hof overweegt als volgt. Het verweer van de man dat de schenking niet is gedaan binnen zes maanden voor de aanvang van de echtscheidingsprocedure slaagt. De vrouw heeft niet betwist dat de fiets al vanaf de aanschaf op 17 november 2017 door de moeder van de man wordt gebruikt en ook op dat moment is geschonken. De vrouw heeft op 17 juli 2018 een verzoek tot echtscheiding ingediend. Op dat moment waren er meer dan zes maanden verstreken zodat het verzoek van de vrouw tot vergoeding van de schade afstuit op de in artikel 1:164 lid 1 BW vermelde termijn. De grief van de vrouw faalt.
lening werkgever
5.12
De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij haar lening bij haar voormalige werkgever onvoldoende heeft onderbouwd. De onderhandse lening bestaat volgens haar wel degelijk en de man is van het bestaan daarvan op de hoogte. Hij dient dan ook bij helfte deze schuld te dragen. De vrouw heeft ten tijde van het huwelijk aflossingen verricht en daarnaast is aan haar een eindafrekening toegezonden en is het resterende deel van de lening verrekend met de eindafrekening. De werkgever heeft ten onrechte en klaarblijkelijk per abuis vermeld dat aan de vrouw een transitievergoeding toekwam. Het betrof geen transitievergoeding, maar het resterende bedrag van haar salaris na verrekening van de geldlening. De vrouw heeft inmiddels de volledige lening van € 5.000,- voldaan, zodat de man aan haar dient te vergoeden een bedrag van € 2.500,--. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Ook thans heeft de vrouw volgens hem geen onderbouwing van de lening gegeven. Van een maandelijkse aflossing van € 50,- vanaf 1 april 2017 is niet gebleken. Mocht de vrouw naar het oordeel van het hof de lening wel aannemelijk hebben gemaakt, dan hoeft hij geen € 2.500,- te vergoeden, omdat de vrouw zelf stelt dat ook tijdens het huwelijk is afgelost, zodat de stand van de geldlening op 16 juni 2018 in ieder geval geen € 5.000,- was.
5.13
Het hof overweegt als volgt. Op de ontbonden gemeenschap van goederen zijn de bepalingen van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zoals die voor 1 januari 2018 luidden van toepassing (zie ook HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:636). Ingevolge artikel 1:94 lid 5 (oud) BW omvat de gemeenschap, wat haar lasten betreft, alle schulden van ieder der echtgenoten. De hoofdregel is dat alle schulden, zowel vóór als tijdens huwelijk aangegaan, gemeenschappelijk zijn, ongeacht wie van beide echtgenoten de schuld is aangegaan. In lid 3 van artikel 1:94 (oud) BW wordt bepaald dat goederen en schulden niet in de gemeenschap van goederen vallen voor zover verknochtheid zich hiertegen verzet. Artikel 1:100 lid 2 (oud) BW bepaalt (kort gezegd) dat ieder voor de helft draagplichtig is voor de schulden van de gemeenschap. Uit artikel 6:10 BW volgt dat bij hoofdelijke schuldenaren ieder van de schuldenaren onderling het gedeelte van de schuld draagt dat hem/haar aangaat en dat ieder na betaling van méér dan dat gedeelte regres heeft op de overige schuldenaren.
5.14
Op 28 februari 2017 is een auto Audi A3 gekocht (productie 5, overgelegd bij verweerschrift tegen zelfstandig verzoek in eerste aanleg).