Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-13
ECLI:NL:GHSHE:2025:371
Civiel recht
Hoger beroep
12,136 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 13 februari 2025
Zaaknummer : 200.347.168/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/02/418966 / HA RK 24-16
in de zaak van
1 [appellant 1] ,
wonende te [woonplaats] (Duitsland),
2. [appellant 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] (Duitsland),
3. [appellant 3] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] (Duitsland),
appellanten,
hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] ,
advocaat: mr. M.F.E. Sprenkels te Beek,
tegen
De Staat der Nederlanden,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. S. Heeroma te Den Haag.
Procesverloop
Het hof verwijst naar de beschikking van 15 juli 2024 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, waarbij het verzoek van [appellanten] om een voorlopig getuigenverhoor te houden, is afgewezen.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties (1 tot en met 6) heeft [appellanten] het hof verzocht om voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van [appellanten] “alsnog toe te wijzen, althans haar in haar verzoek ontvankelijk te verklaren”, kosten rechtens.
2.2.
Bij verweerschrift heeft de Staat het hof – kort weergegeven – verzocht het beroep van [appellanten] af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
mr. Sprenkels namens [appellanten] en
mevrouw [juridisch adviseur] (juridisch adviseur bij de Raad voor de rechtspraak), bijgestaan door mr. Heeroma.
[appellant 1] of vertegenwoordigers van de overige appelanten zijn niet verschenen.
2.4.
Het hof heeft verder kennisgenomen van:
de aantekeningen van de zitting in eerste aanleg gehouden op 3 juni 2024 en
de inhoud van de op de mondelinge behandeling in hoger beroep door mr. Sprenkels overgelegde spreekaantekeningen, voor zover ter zitting voorgedragen.
Feiten
3.1.
Het gaat – kort weergegeven – om het volgende.
a. Op 9 december 2021 heeft mevrouw [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) bij de rechtbank Oost-Brabant een verzoekschrift ingediend tot het verkrijgen van verlof tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag ten laste van [appellanten]
Op 15 december 2021 heeft de voorzieningenrechter, bijgestaan door de griffier, [betrokkene 1] gehoord op het verzoek.
Op 16 december 2021 heeft [betrokkene 1] een aangepast verzoekschrift ingediend.
Bij beschikking van 17 december 2021 heeft de voorzieningenrechter verlof verleend voor het leggen van conservatoir bewijsbeslag ten laste van [appellanten]
In de overgelegde grosse van de beschikking is onder meer bepaald dat [appellanten] medewerking moet verlenen aan de beschikking op straffe van een dwangsom. Verder staat onderaan de beschikking “w.g. de griffier” “w.g. de rechter” en is de grosse voorzien van een stempel en ondertekend door een administratief medewerkster van de rechtbank.
Op 22 december 2021 is het conservatoir bewijsbeslag onder [appellanten] gelegd en op 28 december 2021 is het bewijsbeslag voltooid.
Bij brief van 5 juli 2022 heeft de voormalig advocaat van [appellanten] , mr. Van Tilborg, de rechtbank Oost-Brabant gevraagd om een afschrift van het proces-verbaal van het verhoor van 15 december 2021 en een kopie van de minuut van de beschikking van 17 december 2021. Het proces-verbaal is verstrekt aan [appellanten] De kopie van de minuut is niet verstrekt. Mr. Van Tilborg heeft zijn verzoek om een kopie van de minuut vervolgens nader toegelicht bij brief van 19 september 2022.
Daarna is gebleken dat het procesdossier van het conservatoir bewijsbeslag bij de rechtbank Oost-Brabant zoek is geraakt. Bij brieven van 19 oktober 2022, 21 februari 2023 en 20 december 2023 heeft de rechtbank Oost-Brabant aan de raadsman van [appellanten] bevestigd dat het gehele procesdossier met betrekking tot het bewijsbeslag is verdwenen.
i. Ondertussen is een kort geding procedure gevoerd tussen [betrokkene 1] en [appellanten] met betrekking tot het verkrijgen van inzage/afgifte van de in beslag genomen bescheiden. In reconventie heeft [appellanten] opheffing van het beslag gevorderd. Bij vonnis in kort geding van 15 november 2022 is de vordering in reconventie van [appellanten] tot opheffing van het beslag afgewezen. Dit vonnis is op 16 januari 2024 in hoger beroep bekrachtigd.
Op 14 februari 2023 heeft mr. Latour namens [appellanten] aan de rechtbank gevraagd of de voorzieningenrechter kan bevestigen dat hij de minuut heeft ondertekend en dat de grosse met de minuut overeenstemt.
Bij brief van 21 februari 2023 heeft de griffier gereageerd, (mede) namens
de voorzieningenrechter. In die brief staat onder andere het volgende vermeld:
“Mede namens de voorzieningenrechter, (…), kan ik – nogmaals – bevestigen dat het aan de deurwaarder verstrekte afschrift van de beschikking d.d. l7 december 2021 zoals in het digitale portaal is opgenomen overeenkomt met de originele,
door de voorzieningenrechter ondertekende beschikking d.d. 17 december 2021. Mijn
betrokkenheid als griffier moge blijken uit het eerder aan uw voorganger toegezonden
proces-verbaal van verhoor op 15 december 2021.”
De rechtbank Oost-Brabant heeft in de bodemprocedure op 9 november 2023 mondeling uitspraak gedaan, waarbij onder andere de vordering in reconventie van [appellanten] tot opheffing van het beslag is afgewezen. In deze uitspraak staat
onder andere het volgende vermeld:
“Ik verwerp dit standpunt. Ik heb al tijdens de vorige zitting (10 februari 2023) verteld dat
de rechtbank tijdens de schorsing intern onderzoek heeft gedaan, dat de originele
ondertekende verlofbeschikking na de verhuizing of migratie van dossiers niet te vinden is en
dat (…) [de voorzieningenrechter: hof] dit heeft bevestigd en heeft verklaard dat hij de verlofbeschikking heeft ondertekend. [appellanten] heeft gelijk dat de deurwaarder aan de slag is gegaan met een afschrift (“w.g. de rechter ”, een stempel en een paraaf handtekening van de griffier (daar zijn partijen het hier over eens), maar dat is de gangbare, reguliere werkwijze en ik heb geen aanwijzingen voor onregelmatigheden.”
Bij brief van 22 november 2023 van mr. Spera gericht aan de voorzieningenrechter, geeft mr. Spera aan dat hij betwijfelt of de minuut heeft bestaan en dat de grosse niet is ondertekend door de rechter en de griffier. Hij verzoekt de voorzieningenrechter om te bevestigen dat de ondertekende minuut inmiddels is gevonden, dat de grosse identiek is aan de minuut en de minuut door hem en de griffier is ondertekend.
Bij brief van 19 december 2023 heeft de teamvoorzitter team Civiel Recht van de rechtbank Oost-Brabant gereageerd op de brief van 22 november 2023. Hij bevestigt in deze brief dat de grosse gelijk is aan de minuut gelet op de gehanteerde werkwijze bij de rechtbank Oost-Brabant. Die werkwijze borgt dat de inhoud van de beslissing bij de grosse identiek is aan die van de minuut. De grosse wordt niet getekend door de rechter. De griffier die de grosse afgeeft, tekent voor afgifte.
Eerste aanleg
3.2.
[appellanten] heeft de rechtbank verzocht een voorlopig getuigenverhoor te gelasten om de bewijs te verkrijgen van het feit dat het bewijsbeslag zonder geldige grondslag en derhalve onrechtmatig is gelegd.
3.3.
De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek dient te worden afgewezen gelet het gebrek aan belang daarbij. De Staat stelt dat [appellanten] bovendien misbruik van bevoegdheid maakt met dit verzoek.
3.4.
De rechtbank heeft bij beschikking van 15 juli 2024 het verzoek van [appellanten] afgewezen bij gebrek aan belang. De rechtbank heeft het volgende overwogen:
“4.4. [appellanten] heeft weliswaar omschreven over welk feitelijk gebeuren zij getuigen wenst te horen, maar onduidelijk blijft op grond waarvan [appellanten] concreet in de veronderstelling verkeert dat er zonder geldige grondslag beslag is gelegd en dat dit een onrechtmatige gedraging van De Staat op zou leveren. [appellanten] heeft allereerst aangevoerd dat zij vermoedt dat de deurwaarder niet beschikte over een rechtsgeldige grosse aangezien de grosse niet is ondertekend door een daartoe bevoegde griffier. De Staat heeft dit argument echter weerlegd door de aanwijzing verrichting griffierswerkzaamheden van 4 mei 2020 over te leggen. Daaruit volgt dat [betrokkene 2] is aangewezen tot griffier en dat zij dus bevoegd is om ten behoeve van de rechtbank Oost-Brabant werkzaamheden te verrichten. Het is de rechtbank niet duidelijk wat [appellanten] nu nog wenst te onderzoeken op dit punt of waar zij concreet aan twijfelt. Daarmee is deze mogelijke grondslag onvoldoende geconcretiseerd.
4.5.
Daarnaast heeft [appellanten] aangegeven dat het procesdossier zoek is geraakt. Het bestaan van de minuut kan daardoor niet worden vastgesteld en manipulatie van de verlofbeschikking is volgens haar niet uit te sluiten. [appellanten] heeft echter niet geconcretiseerd welke onrechtmatige gedraging zij De Staat verwijt en waarom zij vermoedt dat (en door wie) er is gerommeld met de beschikking. Het enkele feit dat een dossier zoek is, is erg ongelukkig maar duidt niet op manipulatie van de beschikking.
4.6.
Ook het feit dat er hoge dwangsommen zijn opgenomen in de verlofbeschikking is niet voldoende om te veronderstellen dat er mogelijk sprake is van manipulatie. Waar de manipulatie uit zou hebben bestaan en wat daarvoor de reden zou zijn geweest wordt door [appellanten] ook niet aangevoerd. Op dit punt is zelfs geen concreet vermoeden naar voren gebracht, slechts een blote stelling dat het mogelijk zou kunnen zijn.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
veroordeelt [appellanten] in de proceskosten van dit hoger beroep en begroot die kosten overeenkomstig het liquidatietarief tot op heden aan de zijde van de Staat op € 798,- voor griffierecht en € 2.428,- voor salaris advocaat en
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. Smits, R.R.M. de Moor en M.W.M. Souren en is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2025.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 13 februari 2025
Zaaknummer : 200.347.168/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/02/418966 / HA RK 24-16
in de zaak van
1 [appellant 1] ,
wonende te [woonplaats] (Duitsland),
2. [appellant 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] (Duitsland),
3. [appellant 3] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] (Duitsland),
appellanten,
hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] ,
advocaat: mr. M.F.E. Sprenkels te Beek,
tegen
De Staat der Nederlanden,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. S. Heeroma te Den Haag.
Procesverloop
Het hof verwijst naar de beschikking van 15 juli 2024 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, waarbij het verzoek van [appellanten] om een voorlopig getuigenverhoor te houden, is afgewezen.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties (1 tot en met 6) heeft [appellanten] het hof verzocht om voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van [appellanten] “alsnog toe te wijzen, althans haar in haar verzoek ontvankelijk te verklaren”, kosten rechtens.
2.2.
Bij verweerschrift heeft de Staat het hof – kort weergegeven – verzocht het beroep van [appellanten] af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
mr. Sprenkels namens [appellanten] en
mevrouw [juridisch adviseur] (juridisch adviseur bij de Raad voor de rechtspraak), bijgestaan door mr. Heeroma.
[appellant 1] of vertegenwoordigers van de overige appelanten zijn niet verschenen.
2.4.
Het hof heeft verder kennisgenomen van:
de aantekeningen van de zitting in eerste aanleg gehouden op 3 juni 2024 en
de inhoud van de op de mondelinge behandeling in hoger beroep door mr. Sprenkels overgelegde spreekaantekeningen, voor zover ter zitting voorgedragen.
Feiten
3.1.
Het gaat – kort weergegeven – om het volgende.
a. Op 9 december 2021 heeft mevrouw [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) bij de rechtbank Oost-Brabant een verzoekschrift ingediend tot het verkrijgen van verlof tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag ten laste van [appellanten]
Op 15 december 2021 heeft de voorzieningenrechter, bijgestaan door de griffier, [betrokkene 1] gehoord op het verzoek.
Op 16 december 2021 heeft [betrokkene 1] een aangepast verzoekschrift ingediend.
Bij beschikking van 17 december 2021 heeft de voorzieningenrechter verlof verleend voor het leggen van conservatoir bewijsbeslag ten laste van [appellanten]
In de overgelegde grosse van de beschikking is onder meer bepaald dat [appellanten] medewerking moet verlenen aan de beschikking op straffe van een dwangsom. Verder staat onderaan de beschikking “w.g. de griffier” “w.g. de rechter” en is de grosse voorzien van een stempel en ondertekend door een administratief medewerkster van de rechtbank.
Op 22 december 2021 is het conservatoir bewijsbeslag onder [appellanten] gelegd en op 28 december 2021 is het bewijsbeslag voltooid.
Bij brief van 5 juli 2022 heeft de voormalig advocaat van [appellanten] , mr. Van Tilborg, de rechtbank Oost-Brabant gevraagd om een afschrift van het proces-verbaal van het verhoor van 15 december 2021 en een kopie van de minuut van de beschikking van 17 december 2021. Het proces-verbaal is verstrekt aan [appellanten] De kopie van de minuut is niet verstrekt. Mr. Van Tilborg heeft zijn verzoek om een kopie van de minuut vervolgens nader toegelicht bij brief van 19 september 2022.
Daarna is gebleken dat het procesdossier van het conservatoir bewijsbeslag bij de rechtbank Oost-Brabant zoek is geraakt. Bij brieven van 19 oktober 2022, 21 februari 2023 en 20 december 2023 heeft de rechtbank Oost-Brabant aan de raadsman van [appellanten] bevestigd dat het gehele procesdossier met betrekking tot het bewijsbeslag is verdwenen.
i. Ondertussen is een kort geding procedure gevoerd tussen [betrokkene 1] en [appellanten] met betrekking tot het verkrijgen van inzage/afgifte van de in beslag genomen bescheiden. In reconventie heeft [appellanten] opheffing van het beslag gevorderd. Bij vonnis in kort geding van 15 november 2022 is de vordering in reconventie van [appellanten] tot opheffing van het beslag afgewezen. Dit vonnis is op 16 januari 2024 in hoger beroep bekrachtigd.
Op 14 februari 2023 heeft mr. Latour namens [appellanten] aan de rechtbank gevraagd of de voorzieningenrechter kan bevestigen dat hij de minuut heeft ondertekend en dat de grosse met de minuut overeenstemt.
Bij brief van 21 februari 2023 heeft de griffier gereageerd, (mede) namens
de voorzieningenrechter. In die brief staat onder andere het volgende vermeld:
“Mede namens de voorzieningenrechter, (…), kan ik – nogmaals – bevestigen dat het aan de deurwaarder verstrekte afschrift van de beschikking d.d. l7 december 2021 zoals in het digitale portaal is opgenomen overeenkomt met de originele,
door de voorzieningenrechter ondertekende beschikking d.d. 17 december 2021. Mijn
betrokkenheid als griffier moge blijken uit het eerder aan uw voorganger toegezonden
proces-verbaal van verhoor op 15 december 2021.”
De rechtbank Oost-Brabant heeft in de bodemprocedure op 9 november 2023 mondeling uitspraak gedaan, waarbij onder andere de vordering in reconventie van [appellanten] tot opheffing van het beslag is afgewezen. In deze uitspraak staat
onder andere het volgende vermeld:
“Ik verwerp dit standpunt. Ik heb al tijdens de vorige zitting (10 februari 2023) verteld dat
de rechtbank tijdens de schorsing intern onderzoek heeft gedaan, dat de originele
ondertekende verlofbeschikking na de verhuizing of migratie van dossiers niet te vinden is en
dat (…) [de voorzieningenrechter: hof] dit heeft bevestigd en heeft verklaard dat hij de verlofbeschikking heeft ondertekend. [appellanten] heeft gelijk dat de deurwaarder aan de slag is gegaan met een afschrift (“w.g. de rechter ”, een stempel en een paraaf handtekening van de griffier (daar zijn partijen het hier over eens), maar dat is de gangbare, reguliere werkwijze en ik heb geen aanwijzingen voor onregelmatigheden.”
Bij brief van 22 november 2023 van mr. Spera gericht aan de voorzieningenrechter, geeft mr. Spera aan dat hij betwijfelt of de minuut heeft bestaan en dat de grosse niet is ondertekend door de rechter en de griffier. Hij verzoekt de voorzieningenrechter om te bevestigen dat de ondertekende minuut inmiddels is gevonden, dat de grosse identiek is aan de minuut en de minuut door hem en de griffier is ondertekend.
Bij brief van 19 december 2023 heeft de teamvoorzitter team Civiel Recht van de rechtbank Oost-Brabant gereageerd op de brief van 22 november 2023. Hij bevestigt in deze brief dat de grosse gelijk is aan de minuut gelet op de gehanteerde werkwijze bij de rechtbank Oost-Brabant. Die werkwijze borgt dat de inhoud van de beslissing bij de grosse identiek is aan die van de minuut. De grosse wordt niet getekend door de rechter. De griffier die de grosse afgeeft, tekent voor afgifte.
Eerste aanleg
3.2.
[appellanten] heeft de rechtbank verzocht een voorlopig getuigenverhoor te gelasten om de bewijs te verkrijgen van het feit dat het bewijsbeslag zonder geldige grondslag en derhalve onrechtmatig is gelegd.
3.3.
De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek dient te worden afgewezen gelet het gebrek aan belang daarbij. De Staat stelt dat [appellanten] bovendien misbruik van bevoegdheid maakt met dit verzoek.
3.4.
De rechtbank heeft bij beschikking van 15 juli 2024 het verzoek van [appellanten] afgewezen bij gebrek aan belang. De rechtbank heeft het volgende overwogen:
“4.4. [appellanten] heeft weliswaar omschreven over welk feitelijk gebeuren zij getuigen wenst te horen, maar onduidelijk blijft op grond waarvan [appellanten] concreet in de veronderstelling verkeert dat er zonder geldige grondslag beslag is gelegd en dat dit een onrechtmatige gedraging van De Staat op zou leveren. [appellanten] heeft allereerst aangevoerd dat zij vermoedt dat de deurwaarder niet beschikte over een rechtsgeldige grosse aangezien de grosse niet is ondertekend door een daartoe bevoegde griffier. De Staat heeft dit argument echter weerlegd door de aanwijzing verrichting griffierswerkzaamheden van 4 mei 2020 over te leggen. Daaruit volgt dat [betrokkene 2] is aangewezen tot griffier en dat zij dus bevoegd is om ten behoeve van de rechtbank Oost-Brabant werkzaamheden te verrichten. Het is de rechtbank niet duidelijk wat [appellanten] nu nog wenst te onderzoeken op dit punt of waar zij concreet aan twijfelt. Daarmee is deze mogelijke grondslag onvoldoende geconcretiseerd.
4.5.
Daarnaast heeft [appellanten] aangegeven dat het procesdossier zoek is geraakt. Het bestaan van de minuut kan daardoor niet worden vastgesteld en manipulatie van de verlofbeschikking is volgens haar niet uit te sluiten. [appellanten] heeft echter niet geconcretiseerd welke onrechtmatige gedraging zij De Staat verwijt en waarom zij vermoedt dat (en door wie) er is gerommeld met de beschikking. Het enkele feit dat een dossier zoek is, is erg ongelukkig maar duidt niet op manipulatie van de beschikking.
4.6.
Ook het feit dat er hoge dwangsommen zijn opgenomen in de verlofbeschikking is niet voldoende om te veronderstellen dat er mogelijk sprake is van manipulatie. Waar de manipulatie uit zou hebben bestaan en wat daarvoor de reden zou zijn geweest wordt door [appellanten] ook niet aangevoerd. Op dit punt is zelfs geen concreet vermoeden naar voren gebracht, slechts een blote stelling dat het mogelijk zou kunnen zijn.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
veroordeelt [appellanten] in de proceskosten van dit hoger beroep en begroot die kosten overeenkomstig het liquidatietarief tot op heden aan de zijde van de Staat op € 798,- voor griffierecht en € 2.428,- voor salaris advocaat en
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. Smits, R.R.M. de Moor en M.W.M. Souren en is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2025.
Feiten
Daar staat tegenover dat de betrokken griffier telefonisch heeft bevestigd dat de minuut gelijk is aan de grosse. Daarnaast wordt binnen de rechtbank Oost-Brabant een werkwijze gehanteerd die borgt dat de inhoud van de beslissing bij de grosse identiek is aan die van de minuut. Verder heeft mr. Schoorlemmer bevestigd en verklaard dat hij de verlofbeschikking heeft ondertekend en is door meerdere gerechtelijke instanties het verzoek tot opheffing van het beslag afgewezen omdat niet van onregelmatigheden bij de beslaglegging is gebleken.
4.7.
Dit alles maakt dat toewijzing van het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor naar het oordeel van de rechtbank alleen leidt tot een zogenaamde fishing expedition. Er is sprake van een zoektocht naar mogelijke verwijten richting De Staat. Dat is geen rechtens te respecteren belang zodat het verzoek zal worden afgewezen.”
Hoger beroep
3.5.
[appellanten] heeft in het beroepschrift – kort weergegeven – één grief aangevoerd. Volgens [appellanten] heeft de rechtbank ten onrechte het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ex artikel 186 Rv afgewezen, omdat het verzoek niet zou voldoen aan de in artikel 187 Rv gestelde eisen, en heeft de rechtbank zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat [appellanten] onvoldoende belang heeft bij toewijzing van het verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor.
De weigering van het gevraagde voorafgaand onderzoek (voorlopig getuigenverhoor) vormt volgens [appellanten] een inbreuk op het recht van de verdediging, het recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming en op een onpartijdige rechter en ook het recht op behoorlijk bestuur.
3.5.1.
Volgens [appellanten] blijkt uit het verzoekschrift genoegzaam over welk feitelijk gebeuren zij de getuigen wil horen, namelijk haar stelling dat het bewijsbeslag zonder geldige grondslag (en dus onrechtmatig) is gelegd. Als dat bewezen kan worden kan dat worden gebruikt in een procedure tegen de Staat. Daarmee is het belang van [appellanten] bij het verzoek gegeven. Omdat verder niet is gebleken van misbruik van procesrecht, of strijdigheid met een goede procesorde, of van een ander zwaarwichtig bezwaar op grond waarvan het verzoek zou moeten worden afgewezen, is [appellanten] van mening dat het verzoek alsnog moet worden toegewezen.
3.5.2.
[appellanten] wil duidelijkheid krijgen over een aantal punten:
Is er überhaupt ooit een minuut geweest? En hoe luidde die?
Waarom wordt ten tijde van de behandeling van het verzoek op 15 december 2021 aangegeven dat de dwangsommen niet zonder meer worden toegewezen en worden deze in de beschikking enkele dagen later alsnog toegewezen?
Heeft [betrokkene 2] een minuut gezien toen zij een grosse afgaf?
Was [betrokkene 2] bevoegd een grosse af te geven?
Welke werkwijze hanteert de rechtbank Oost-Brabant met betrekking tot de minuut en de grosse?
3.5.3.
[appellanten] verzoekt het hof om de volgende getuigen op te roepen en te horen:
[betrokkene 2] ;
mr. Schoorlemmer en
mr. Autar.
3.5.4.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is door (de advocaat van) [appellanten] desgevraagd uitdrukkelijk erkend dat er een minuut (geweest) moet zijn, omdat op het beslagverzoek is beslist. Daarnaast heeft (de advocaat van) [appellanten] desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat het bezwaar van [appellanten] is dat de grosse niet rechtsgeldig is ondertekend, omdat deze door een daartoe niet bevoegde persoon is getekend. [appellanten] stellen, zo is ter zitting verklaard, dus niet dat die grosse inhoudelijk zou afwijken van de beslissing die door de voorzieningenrechter op het beslagverzoek is genomen en dus inhoudelijk is vervalst. Volgens [appellanten] is dus sprake van een puur formeel gebrek met als gevolg dat er niet rechtmatig beslag is gelegd. De rechtbankmedewerker die de grosse heeft ondertekend is namelijk administratief medewerkster bij de rechtbank en niet een griffier. De “Aanwijzing verrichten griffierswerkzaamheden” (verder de “aanwijzing”) maakt dat niet anders omdat die is getekend door het niet-rechterlijk bestuurslid van de rechtbank. Het niet-rechterlijk bestuurslid mag geen griffier benoemen, omdat hij geen meestertitel heeft. Dat volgt volgens [appellanten] uit artikel 5.1a en 5.1b van het Besluit opleiding rechters en officieren van justitie. [appellanten] twijfelt ook aan de echtheid van zijn handtekening op die aanwijzing. Deze wijkt volgens [appellanten] af van zijn originele handtekening die vaster is. Daarbij komen andere omstandigheden, zoals de verdwijning van het dossier bij de rechtbank, dat maakt dat [appellanten] van mening is dat zij belang heeft bij het horen van getuigen.
Het hof heeft naar aanleiding van het procesdossier de vraag gesteld welke banden er zouden zijn tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] , maar dit heeft [appellanten] niet nader kunnen concretiseren.
3.5.5.
[appellanten] stelt een belang te hebben bij het verzoek, omdat zij wil kunnen toetsen / verifiëren of het beslagrekest volgens de regels is afgegeven. Als dat niet het geval is, dan meent [appellanten] dat het beslag onrechtmatig is. Volgens [appellanten] heeft zij het recht om dit te verifiëren op grond van artikel 6 EVRM (fair trial). Afwijzing van het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor leidt in de visie van [appellanten] tot strijdigheid met artikel 6 EVRM.
3.6.
De Staat heeft zowel bij verweerschrift als tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd tegen het verzoek van [appellanten] Voor zover nodig zal het hof bij de beoordeling daarop ingaan.
3.7.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.7.1.
Bij de beoordeling moet voorop worden gesteld dat een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, als het overigens aan de eisen voor toewijzing daarvan voldoet, slechts kan worden afgewezen op de grond dat de verzoeker daarbij geen belang heeft (artikel 3:303 BW), dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt (artikel 3:13 BW), dat het strijdig is met een goede procesorde, dan wel dat het moet afstuiten op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar (vergelijk HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1105, r.o. 3.2 en HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1112, r.o. 3.2.2-3.2.4).
3.7.2.
Met inachtneming van deze maatstaf is het hof van oordeel dat het verzoek van [appellanten] moet worden afgewezen. Het hof motiveert dit als volgt.
Feiten
Daar staat tegenover dat de betrokken griffier telefonisch heeft bevestigd dat de minuut gelijk is aan de grosse. Daarnaast wordt binnen de rechtbank Oost-Brabant een werkwijze gehanteerd die borgt dat de inhoud van de beslissing bij de grosse identiek is aan die van de minuut. Verder heeft mr. Schoorlemmer bevestigd en verklaard dat hij de verlofbeschikking heeft ondertekend en is door meerdere gerechtelijke instanties het verzoek tot opheffing van het beslag afgewezen omdat niet van onregelmatigheden bij de beslaglegging is gebleken.
4.7.
Dit alles maakt dat toewijzing van het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor naar het oordeel van de rechtbank alleen leidt tot een zogenaamde fishing expedition. Er is sprake van een zoektocht naar mogelijke verwijten richting De Staat. Dat is geen rechtens te respecteren belang zodat het verzoek zal worden afgewezen.”
Hoger beroep
3.5.
[appellanten] heeft in het beroepschrift – kort weergegeven – één grief aangevoerd. Volgens [appellanten] heeft de rechtbank ten onrechte het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ex artikel 186 Rv afgewezen, omdat het verzoek niet zou voldoen aan de in artikel 187 Rv gestelde eisen, en heeft de rechtbank zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat [appellanten] onvoldoende belang heeft bij toewijzing van het verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor.
De weigering van het gevraagde voorafgaand onderzoek (voorlopig getuigenverhoor) vormt volgens [appellanten] een inbreuk op het recht van de verdediging, het recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming en op een onpartijdige rechter en ook het recht op behoorlijk bestuur.
3.5.1.
Volgens [appellanten] blijkt uit het verzoekschrift genoegzaam over welk feitelijk gebeuren zij de getuigen wil horen, namelijk haar stelling dat het bewijsbeslag zonder geldige grondslag (en dus onrechtmatig) is gelegd. Als dat bewezen kan worden kan dat worden gebruikt in een procedure tegen de Staat. Daarmee is het belang van [appellanten] bij het verzoek gegeven. Omdat verder niet is gebleken van misbruik van procesrecht, of strijdigheid met een goede procesorde, of van een ander zwaarwichtig bezwaar op grond waarvan het verzoek zou moeten worden afgewezen, is [appellanten] van mening dat het verzoek alsnog moet worden toegewezen.
3.5.2.
[appellanten] wil duidelijkheid krijgen over een aantal punten:
Is er überhaupt ooit een minuut geweest? En hoe luidde die?
Waarom wordt ten tijde van de behandeling van het verzoek op 15 december 2021 aangegeven dat de dwangsommen niet zonder meer worden toegewezen en worden deze in de beschikking enkele dagen later alsnog toegewezen?
Heeft [betrokkene 2] een minuut gezien toen zij een grosse afgaf?
Was [betrokkene 2] bevoegd een grosse af te geven?
Welke werkwijze hanteert de rechtbank Oost-Brabant met betrekking tot de minuut en de grosse?
3.5.3.
[appellanten] verzoekt het hof om de volgende getuigen op te roepen en te horen:
[betrokkene 2] ;
mr. Schoorlemmer en
mr. Autar.
3.5.4.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is door (de advocaat van) [appellanten] desgevraagd uitdrukkelijk erkend dat er een minuut (geweest) moet zijn, omdat op het beslagverzoek is beslist. Daarnaast heeft (de advocaat van) [appellanten] desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat het bezwaar van [appellanten] is dat de grosse niet rechtsgeldig is ondertekend, omdat deze door een daartoe niet bevoegde persoon is getekend. [appellanten] stellen, zo is ter zitting verklaard, dus niet dat die grosse inhoudelijk zou afwijken van de beslissing die door de voorzieningenrechter op het beslagverzoek is genomen en dus inhoudelijk is vervalst. Volgens [appellanten] is dus sprake van een puur formeel gebrek met als gevolg dat er niet rechtmatig beslag is gelegd. De rechtbankmedewerker die de grosse heeft ondertekend is namelijk administratief medewerkster bij de rechtbank en niet een griffier. De “Aanwijzing verrichten griffierswerkzaamheden” (verder de “aanwijzing”) maakt dat niet anders omdat die is getekend door het niet-rechterlijk bestuurslid van de rechtbank. Het niet-rechterlijk bestuurslid mag geen griffier benoemen, omdat hij geen meestertitel heeft. Dat volgt volgens [appellanten] uit artikel 5.1a en 5.1b van het Besluit opleiding rechters en officieren van justitie. [appellanten] twijfelt ook aan de echtheid van zijn handtekening op die aanwijzing. Deze wijkt volgens [appellanten] af van zijn originele handtekening die vaster is. Daarbij komen andere omstandigheden, zoals de verdwijning van het dossier bij de rechtbank, dat maakt dat [appellanten] van mening is dat zij belang heeft bij het horen van getuigen.
Het hof heeft naar aanleiding van het procesdossier de vraag gesteld welke banden er zouden zijn tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] , maar dit heeft [appellanten] niet nader kunnen concretiseren.
3.5.5.
[appellanten] stelt een belang te hebben bij het verzoek, omdat zij wil kunnen toetsen / verifiëren of het beslagrekest volgens de regels is afgegeven. Als dat niet het geval is, dan meent [appellanten] dat het beslag onrechtmatig is. Volgens [appellanten] heeft zij het recht om dit te verifiëren op grond van artikel 6 EVRM (fair trial). Afwijzing van het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor leidt in de visie van [appellanten] tot strijdigheid met artikel 6 EVRM.
3.6.
De Staat heeft zowel bij verweerschrift als tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd tegen het verzoek van [appellanten] Voor zover nodig zal het hof bij de beoordeling daarop ingaan.
3.7.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.7.1.
Bij de beoordeling moet voorop worden gesteld dat een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, als het overigens aan de eisen voor toewijzing daarvan voldoet, slechts kan worden afgewezen op de grond dat de verzoeker daarbij geen belang heeft (artikel 3:303 BW), dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt (artikel 3:13 BW), dat het strijdig is met een goede procesorde, dan wel dat het moet afstuiten op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar (vergelijk HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1105, r.o. 3.2 en HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1112, r.o. 3.2.2-3.2.4).
3.7.2.
Met inachtneming van deze maatstaf is het hof van oordeel dat het verzoek van [appellanten] moet worden afgewezen. Het hof motiveert dit als volgt.
Feiten
3.7.3.
Het hof stelt allereerst vast dat het debat, gezien wat (namens) [appellanten] ter zitting is verklaard, zich toespitst op de ondertekening van de grosse, omdat:
de grosse door een rechtbankmedewerker is getekend die daartoe niet bevoegd is, omdat die geen griffier is;
de aanwijzing van die rechtbankmedewerker voor het verrichten van griffierswerkzaamheden ongeldig is omdat die is ondertekend door het niet-rechterlijk bestuurslid van de rechtbank;
[appellanten] twijfels heeft bij de echtheid van de handtekening van het niet-rechterlijk bestuurslid op die aanwijzing.
3.7.4.
Dat de rechtbankmedewerker die de grosse heeft ondertekend bij de rechtbank werkzaam is (en in elk geval ten tijde van ondertekening was), staat niet ter discussie. Vast staat ook dat deze medewerker geen rechterlijk ambtenaar (een rechter dus) is. Uit artikel 14 lid 1 Wet RO volgt dat die medewerker dus een gerechtsambtenaar is. Op grond van artikel 14 lid 3 Wet RO kan elke gerechtsambtenaar door het bestuur van het gerecht worden aangewezen om griffierswerkzaamheden te verrichten. Tot de processtukken behoort een stuk getiteld “Aanwijzing verrichten griffierswerkzaamheden”. Dit stuk is door het nietrechterlijk bestuurslid van de rechtbank en de bewuste rechtbankmedewerker ondertekend op de dag dat de medewerker bij de rechtbank in dienst trad (2 mei 2020). Het hof stelt vast dat op grond van de hiervoor genoemde aanwijzing – tenzij aan die aanwijzing een gebrek kleeft – de betreffende rechtbankmedewerker de bevoegdheid heeft verkregen om ten behoeve van de rechtbank werkzaamheden te verrichten de die bij of krachtens de wet aan de griffier zijn opgedragen, waaronder het ondertekenen van een grosse (artikel 231 Rv).
3.7.5.
De ondertekening van de aanwijzing luidt als volgt: “het bestuur van de rechtbank Oost-Brabant [naam niet-rechterlijk bestuurslid; hof] bestuurslid”, met daarbij een handgeschreven handtekening. Hiermee is tot uitdrukking gebracht dat degene die het stuk heeft getekend dit niet voor zichzelf heeft gedaan, maar als lid van het bestuur, namens het voltallige bestuur van de rechtbank. Dit is in overeenstemming met artikel 14 lid 3 Wet RO, waar is bepaald dat het bestuur (als geheel dus) de aanwijzing kan doen. Het standpunt van [appellanten] dat het niet-rechterlijk bestuurslid niet bevoegd is om de aanwijzing te ondertekenen op grond van het Besluit opleiding rechters en officieren van justitie is volstrekt onnavolgbaar. Dat besluit ziet immers op hen die in opleiding zijn tot rechter of officier van justitie en heeft niets van doen met de bevoegdheden van een niet-rechterlijk bestuurslid van een gerecht. Ook het standpunt dat het niet-rechterlijk bestuurslid niet bevoegd zou zijn om de aanwijzing te ondertekenen omdat deze geen meester in de rechten is, vindt geen enkele steun in het recht. Daarmee staat vast dat het niet-rechterlijk bestuurslid wel bevoegd is om de aanwijzing namens het gehele bestuur van het gerecht te ondertekenen.
3.7.6.
[appellanten] heeft niet uitdrukkelijk gesteld dat de handtekening van het nietrechterlijk bestuurslid onder de aanwijzing vervalst is. Zij heeft enkel uitgesproken twijfels bij de echtheid van die handtekening te hebben. Daarmee heeft [appellanten] op zich al onvoldoende gesteld welke feiten zij middels het horen van getuigen zou willen bewijzen zodat het verzoek al daarom moet worden afgewezen. Zelfs al zou [appellanten] dat wel zo hebben gesteld, dan had zij dat onvoldoende gemotiveerd. Zij heeft in dat verband enkel verwezen naar een andere handtekening op een document uit 2016. Het hof acht het echter een feit van algemene bekendheid dat meerdere natte handtekeningen van een en dezelfde persoon doorgaans lichte afwijkingen van elkaar vertonen, mede als gevolg van verschillen in schrijfhouding, ondergrond, schrijfinstrument etc. Het enige door [appellanten] aangevoerde argument dat de handtekening uit 2016 “vaster oogt” is (mede) in dat licht volstrekt onvoldoende grondslag om aan de echtheid van de handtekening onder de aanwijzing te twijfelen.
3.7.7.
Gezien het voorgaande kan het hof niet vaststellen dat er serieus te nemen aanwijzingen zijn dat aan de aanwijzing een gebrek kleeft, wat ertoe leidt dat door [appellanten] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden zijn gesteld die, indien bewezen, tot een oordeel zouden kunnen leiden dat de rechtbankmedewerker niet bevoegd was om de grosse te ondertekenen. [appellanten] heeft daarom onvoldoende belang bij het verzochte.
3.7.8.
De stelling dat een weigering van het verzoek van [appellanten] in strijd zou zijn met artikel 6 EVRM heeft [appellanten] desgevraagd niet (concreet) onderbouwd. Nu elke concrete onderbouwing door [appellanten] ontbreekt en het algemene standpunt dat reeds de enkele afwijzing van een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor – na, zoals in deze het geval, hoor en wederhoor - in strijd is met artikel 6 EVRM geen steun vindt in het recht, verwerpt het hof deze stelling van [appellanten]
3.7.9.
Het hof zal het verzoek afwijzen en de beschikking van beroep bekrachtigen.
Proceskosten
3.8.
Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van dit hoger beroep conform het gebruikelijk gehanteerde liquidatietarief (tarief II). Het hof zal, ambtshalve, de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
Feiten
3.7.3.
Het hof stelt allereerst vast dat het debat, gezien wat (namens) [appellanten] ter zitting is verklaard, zich toespitst op de ondertekening van de grosse, omdat:
de grosse door een rechtbankmedewerker is getekend die daartoe niet bevoegd is, omdat die geen griffier is;
de aanwijzing van die rechtbankmedewerker voor het verrichten van griffierswerkzaamheden ongeldig is omdat die is ondertekend door het niet-rechterlijk bestuurslid van de rechtbank;
[appellanten] twijfels heeft bij de echtheid van de handtekening van het niet-rechterlijk bestuurslid op die aanwijzing.
3.7.4.
Dat de rechtbankmedewerker die de grosse heeft ondertekend bij de rechtbank werkzaam is (en in elk geval ten tijde van ondertekening was), staat niet ter discussie. Vast staat ook dat deze medewerker geen rechterlijk ambtenaar (een rechter dus) is. Uit artikel 14 lid 1 Wet RO volgt dat die medewerker dus een gerechtsambtenaar is. Op grond van artikel 14 lid 3 Wet RO kan elke gerechtsambtenaar door het bestuur van het gerecht worden aangewezen om griffierswerkzaamheden te verrichten. Tot de processtukken behoort een stuk getiteld “Aanwijzing verrichten griffierswerkzaamheden”. Dit stuk is door het nietrechterlijk bestuurslid van de rechtbank en de bewuste rechtbankmedewerker ondertekend op de dag dat de medewerker bij de rechtbank in dienst trad (2 mei 2020). Het hof stelt vast dat op grond van de hiervoor genoemde aanwijzing – tenzij aan die aanwijzing een gebrek kleeft – de betreffende rechtbankmedewerker de bevoegdheid heeft verkregen om ten behoeve van de rechtbank werkzaamheden te verrichten de die bij of krachtens de wet aan de griffier zijn opgedragen, waaronder het ondertekenen van een grosse (artikel 231 Rv).
3.7.5.
De ondertekening van de aanwijzing luidt als volgt: “het bestuur van de rechtbank Oost-Brabant [naam niet-rechterlijk bestuurslid; hof] bestuurslid”, met daarbij een handgeschreven handtekening. Hiermee is tot uitdrukking gebracht dat degene die het stuk heeft getekend dit niet voor zichzelf heeft gedaan, maar als lid van het bestuur, namens het voltallige bestuur van de rechtbank. Dit is in overeenstemming met artikel 14 lid 3 Wet RO, waar is bepaald dat het bestuur (als geheel dus) de aanwijzing kan doen. Het standpunt van [appellanten] dat het niet-rechterlijk bestuurslid niet bevoegd is om de aanwijzing te ondertekenen op grond van het Besluit opleiding rechters en officieren van justitie is volstrekt onnavolgbaar. Dat besluit ziet immers op hen die in opleiding zijn tot rechter of officier van justitie en heeft niets van doen met de bevoegdheden van een niet-rechterlijk bestuurslid van een gerecht. Ook het standpunt dat het niet-rechterlijk bestuurslid niet bevoegd zou zijn om de aanwijzing te ondertekenen omdat deze geen meester in de rechten is, vindt geen enkele steun in het recht. Daarmee staat vast dat het niet-rechterlijk bestuurslid wel bevoegd is om de aanwijzing namens het gehele bestuur van het gerecht te ondertekenen.
3.7.6.
[appellanten] heeft niet uitdrukkelijk gesteld dat de handtekening van het nietrechterlijk bestuurslid onder de aanwijzing vervalst is. Zij heeft enkel uitgesproken twijfels bij de echtheid van die handtekening te hebben. Daarmee heeft [appellanten] op zich al onvoldoende gesteld welke feiten zij middels het horen van getuigen zou willen bewijzen zodat het verzoek al daarom moet worden afgewezen. Zelfs al zou [appellanten] dat wel zo hebben gesteld, dan had zij dat onvoldoende gemotiveerd. Zij heeft in dat verband enkel verwezen naar een andere handtekening op een document uit 2016. Het hof acht het echter een feit van algemene bekendheid dat meerdere natte handtekeningen van een en dezelfde persoon doorgaans lichte afwijkingen van elkaar vertonen, mede als gevolg van verschillen in schrijfhouding, ondergrond, schrijfinstrument etc. Het enige door [appellanten] aangevoerde argument dat de handtekening uit 2016 “vaster oogt” is (mede) in dat licht volstrekt onvoldoende grondslag om aan de echtheid van de handtekening onder de aanwijzing te twijfelen.
3.7.7.
Gezien het voorgaande kan het hof niet vaststellen dat er serieus te nemen aanwijzingen zijn dat aan de aanwijzing een gebrek kleeft, wat ertoe leidt dat door [appellanten] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden zijn gesteld die, indien bewezen, tot een oordeel zouden kunnen leiden dat de rechtbankmedewerker niet bevoegd was om de grosse te ondertekenen. [appellanten] heeft daarom onvoldoende belang bij het verzochte.
3.7.8.
De stelling dat een weigering van het verzoek van [appellanten] in strijd zou zijn met artikel 6 EVRM heeft [appellanten] desgevraagd niet (concreet) onderbouwd. Nu elke concrete onderbouwing door [appellanten] ontbreekt en het algemene standpunt dat reeds de enkele afwijzing van een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor – na, zoals in deze het geval, hoor en wederhoor - in strijd is met artikel 6 EVRM geen steun vindt in het recht, verwerpt het hof deze stelling van [appellanten]
3.7.9.
Het hof zal het verzoek afwijzen en de beschikking van beroep bekrachtigen.
Proceskosten
3.8.
Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van dit hoger beroep conform het gebruikelijk gehanteerde liquidatietarief (tarief II). Het hof zal, ambtshalve, de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren.