Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-06-12
ECLI:NL:GHSHE:2025:1669
Civiel recht; Insolventierecht
Hoger beroep
3,546 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 12 juni 2025
Zaaknummer : 200.354.531/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/01/412704 / FT RK 25/97
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens te Roosendaal.
Procesverloop
Het hof verwijst naar het vonnis van 2 mei 2025 van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch (verder het “vonnis”).
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties 3 en 4, ontvangen op 8 mei 2025, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling alsnog wordt toegewezen, althans zodanig te beslissen als het hof vermeent te behoren.
2.2.
Omdat over de goederen die aan [appellant] toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld (artikel 1:431 lid 1 BW), is de beschermingsbewindvoerder opgeroepen voor de mondelinge behandeling, om haar visie op het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4021).
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 juni 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
[appellant] , bijgestaan door mr. Mattheussens;
mevrouw [beschermingsbewindvoerder] , hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 23 april 2025, ontvangen op 30 mei 2025;
- het V6-formulier van mr. Mattheussens met als bijlagen producties 1 en 2, ontvangen op 23 mei 2025;
- het V6-formulier van mr. Mattheussens met bijlage, ontvangen op 28 mei 2025;
- de op de mondelinge behandeling bij het hof door mr. Mattheussens overgelegde stukken.
Beoordeling
3.1.
[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Het verzoekschrift tot toelating en de daarbij behorende stukken ontbreken in de stukken die in hoger beroep zijn aangeleverd. Het hof heeft daarom geen zicht op de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw), waardoor de totale schuldenlast van [appellant] niet door het hof kan worden vastgesteld, maar, bijvoorbeeld, ook niet op het overzicht van het UWV, waar in het vonnis naar verwezen wordt. Ook weet het hof niet of er een minnelijk traject heeft plaatsgevonden.
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de schadevergoedingsmaatregel die op 18 maart 2024 aan [appellant] is opgelegd een schuld is als bedoeld in artikel 358 vierde lid Fw, op grond waarvan het verzoek moet worden afgewezen (artikel 288 lid 2 aanhef en sub c Fw).
De rechtbank heeft daarnaast overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven, zodat het verzoek ook daarom niet kan worden toegewezen (artikel 288 lid 1 aanhef en sub b en c Fw).
3.3.
De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.
“2.5. Blijkens de justitiële documentatie is verzoeker is op 18 maart 2024 door de politierechter vanwege bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (huiselijk geweld althans eergerelateerd geweld) veroordeeld tot een schadevergoedingsmaatregel van € 696,99 en een taakstraf van 80 uren, waarvan 40 uur voorwaardelijk. Bij arrest van december 2024 is verzoeker door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch niet ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep zodat de eerdere veroordeling door de politierechter onherroepelijk is geworden. Op grond van het bepaald in artikel 288 lid 2 sub c Fw al de rechtbank daarom het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afwijzen.
2.6.
Voorts is de rechtbank van oordeel niet aannemelijk is dat verzoeker in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek, is ingediend, te goeder trouw is geweest in het onbetaald laten van zijn schulden nu verzoeker zich in aanloop naar zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet maximaal heeft ingespannen voor zijn schuldeisers. De rechtbank overweegt daartoe dat verzoeker in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend niet fulltime heeft gewerkt. Bij een fulltime dienstverband wordt circa 1830 uren per jaar gewerkt. Blijkens het UWV overzicht van het arbeidsverleden heeft verzoeker in de afgelopen jaren het volgend aantal uren gewerkt.
- 2024 673 uren
- 2023 0 uren
- 2022 316 uren, waarvan 56 uren ziektewet
Op enkele sollicitaties verricht in november 2024 na, is niet gebleken dat verzoeker in de afgelopen drie jaar aantoonbaar naar werk gezocht heeft. Ook is niet uit medische stukken gebleken dat verzoeker niet in staat is om fulltime te werken.
2.7.
Van een schuldenaar in een schuldsaneringstraject wordt verwacht dat hij 36 uur per week werkt teneinde zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zich gedurende de schuldsaneringsregeling wel zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich in de toekomst niet zal herhalen, is niet gebleken. Daarbij komt dat verzoeker nog een taakstraf dient uit te voeren, waardoor hij mogelijk niet aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende inspanningsverplichting kan voldoen.”
3.4.
[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroep – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de strafrechtelijke veroordeling het gevolg is geweest van psychische problemen. Die omstandigheid en de beperkte hoogte van de schadevergoedingsmaatregel maken volgens [appellant] dat de schadevergoedingsmaatregel niet zodanig ernstig is dat die aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staat.
Dat hij in de jaren 2022 en 2023 niet fulltime heeft gewerkt komt ook doordat hij kampte met psychische problemen. Er was een gebrek aan inkomsten en daardoor bleven rekeningen onbetaald en ontstonden er schulden. De schulden zijn dus niet te kwader trouw ontstaan, aldus [appellant] .
3.5.
[appellant] stelt dat het beroep op de hardheidsclausule gehonoreerd had moeten worden. In 2024 zag hij namelijk in dat het niet zo verder kon gaan en heeft hij de draad weer opgepakt. Hij is akkoord gegaan dat zijn goederen in 2024 onder bewind werden gesteld. Sindsdien zijn er geen nieuwe schulden ontstaan. Daarnaast heeft [appellant] gesolliciteerd, een traject genaamd “Mijn weg naar werk” doorlopen en gedurende een periode in 2024 fulltime gewerkt. Op dit moment heeft hij twee banen en hij is gemotiveerd om deze te behouden. Er is dus sprake van een afdoende gedragsverandering en omdat de goederen van [appellant] tot 13 juni 2029 onder bewind staan, is er de komende jaren sprake van een stabiele situatie. Daarnaast heeft hij binnenkort een gesprek bij de praktijkondersteuner van zijn huisarts voor zijn psychische problemen. Hij heeft hier niet eerder hulp voor gezocht, omdat hij zich schaamde en het zelf op wilde lossen. [appellant] heeft een zoontje van anderhalf jaar oud en wil er alles aan doen om zijn eigen leven op de rit te krijgen, zodat hij zijn zoontje alles kan bieden wat hij nodig heeft. De belangen van [appellant] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zijn zeer groot. Hij heeft een huurschuld. Indien het hof het vonnis bekrachtigt, vervalt het moratorium en zal verhuurder met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid het reeds gewezen ontruimingsvonnis ten uitvoer leggen. [appellant] zal geen positieve verhuurdersverklaring kunnen krijgen, waardoor hij niet een woning van een sociale woningbouwvereniging kan verkrijgen. Een woning op de particuliere woningmarkt behoort ook niet tot de mogelijkheden in verband met de hoge huurprijzen en het gebrek aan voldoende inkomsten om de hoge huur te betalen.
3.6.
De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – daaraan toegevoegd dat de samenwerking met [appellant] goed verloopt en dat beide werkgevers van [appellant] tot nu toe tevreden zijn over zijn werkzaamheden.
3.7.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.7.1.
Het hof stelt voorop dat het verzoek tot toelating op grond van artikel 288 lid 2 aanhef en sub c Fw dient te worden afgewezen indien een schuldenaar schulden heeft die voortvloeien uit een onherroepelijke veroordeling als bedoeld in artikel 358 lid 4 Fw, ter zake van een of meer misdrijven, welke veroordeling onherroepelijk is geworden binnen vijf jaar vóór de dag van indiening van het verzoekschrift. Het hof stelt, met de rechtbank in het vonnis waarvan beroep, vast dat aan [appellant] een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd. Het hoger beroep van [appellant] tegen deze veroordeling is bij arrest van 18 december 2024 niet-ontvankelijk verklaard, waardoor de veroordeling onherroepelijk is geworden. De schadevergoedingsmaatregel valt binnen de vijfjaarstermijn.
Beoordeling
Op grond hiervan moet het verzoek tot toelating tot de schuldsanering worden afgewezen.
3.7.2.
Op grond van artikel 288 lid 3 Fw kan het hof de hardheidsclausule toepassen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen. Het verzoek tot toelating kan dan, ondanks de schadevergoedingsmaatregel die is opgelegd in de vijf jaar voorafgaand aan het indienen van het verzoek, alsnog worden toegewezen.
3.7.3.
Het hof ziet een positieve ontwikkeling in het gedrag van [appellant] . Zo heeft hij momenteel twee arbeidsbetrekkingen en heeft hij een afspraak gemaakt bij de praktijkondersteuner van de huisarts voor zijn psychische problemen. Het hof vindt het echter nog te vroeg om te oordelen dat sprake is van een bestendige gedragsverandering. [appellant] werkt namelijk pas sinds 22 mei 2025 bij [bedrijf 1] en sinds 28 mei 2025 bij [bedrijf 2] B.V. Dit laatste contract is in eerste instantie afgesloten tot en met 22 juni 2025. [appellant] werkt dus nog maar een paar weken bij deze werkgevers. Dit is te kort om aan te kunnen nemen dat deze dienstbetrekkingen stand gaan houden en stabiliteit voor [appellant] opleveren. Ook heeft hij nog geen gesprek gehad met de praktijkondersteuner voor (het resterende deel van) zijn psychische problemen, maar staat deze afspraak enkel gepland. Het hof benadrukt dat het goed is van [appellant] dat hij hulp zoekt, maar vindt het te pril om te oordelen dat hij zijn psychische problemen, waarover hij zelf heeft verklaard dat deze problemen ten grondslag lagen aan het ontstaan van zijn schulden, voldoende onder controle heeft.
3.7.4.
Omdat het hof wel ziet dat [appellant] op de goede weg is gestart, maar het nu nog te vroeg is om de bestendige gedragsverandering aan te nemen en de hardheidsclausule toe te passen, zal het hof de behandeling van de zaak voor de duur van zes maanden aanhouden, tot 18 december 2025. In de tussenliggende periode kan [appellant] laten zien dat zijn gedragsverandering duurzaam is. Het hof wil uiterlijk op 18 december 2025 een verslag ontvangen van de beschermingsbewindvoerder over het spaargedrag en de arbeidsinspanningen van [appellant] gedurende deze periode, alsmede over andere omstandigheden die mogelijk van invloed zijn op de beslissing op het beroep. Mede op grond van dit verslag zal het hof een beslissing nemen op het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsanering. Indien toelating aan de orde is en [appellant] zich in de komende periode al aan alle verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling houdt, waaronder de verplichting om zich maximaal in te spannen om zoveel mogelijk baten voor de gezamenlijke schuldeisers te verkrijgen, kan het hof bepalen dat de aanvangsdatum van de schuldsaneringsregeling wordt vastgesteld op een eerder moment. Of het hof dat doet is afhankelijk van het gedrag en de ontwikkeling van [appellant] gedurende de komende zes maanden.
3.7.5.
Het hof wil daarnaast op zo kort mogelijke termijn alle stukken van het proces in eerste aanleg ontvangen (zie ook 3.1). Het hof gaat ervan uit dat de advocaat van [appellant] hiervoor zorg zal dragen.
3.7.6.
Na ontvangst van de hierboven onder 3.7.4 en 3.7.5 genoemde stukken zal het hof, afhankelijk van de inhoud van die stukken, de zaak hetzij op de stukken afdoen dan wel een nieuwe mondelinge behandeling gelasten. 3.8. Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende beslissing.
4De uitspraak
Het hof:
houdt de behandeling met het onder r.o. 3.7.4 en 3.7.5 van dit arrest genoemde doel aan tot 18 december 2025 PRO FORMA ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.B. Smits, R.R.M. de Moor en T. van der Valk en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2025.