Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-23
ECLI:NL:GHSHE:2025:160
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,014 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 23 januari 2025
Zaaknummer: 200.342.461/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/372172 FA RK 20-2483
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader]
,
wonende op een geheim adres,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. P.A. Schippers,
tegen
[de moeder]
,
wonende op een geheim adres,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. C.G.M. Baas.
Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
vestiging: [vestigingsplaats]
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 24 januari 2023, 2 maart 2023 en 25 maart 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 juni 2024, heeft de vader verzocht de beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 januari 2023, 2 maart 2023 en 25 maart 2024 te vernietigen en rechtdoende een omgangsregeling vast te stellen conform het inleidende verzoekschrift dan wel een regeling die het hof juist acht en (voorwaardelijk) tevens te bepalen dat de moeder de kosten van de deskundige voor zover deze niet voor ’s Rijks kas zijn gekomen, dient te voldoen. Kosten rechtens.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 augustus 2024, heeft de moeder verzocht de vader in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren althans zijn verzoeken af te wijzen en de vader te veroordelen in de kosten van het geding.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 december 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de vader, bijgestaan door mr. P.A. Schippers;
de moeder, bijgestaan door mr. C.G.M. Baas;
de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het procesdossier in eerste aanleg;
het V6-formulier met producties namens de vader, ingekomen ter griffie op 2 december 2024;
de tijdens de mondelinge behandeling door de advocaat van de vader overgelegde spreekaantekeningen.
Beoordeling
3.1.
Partijen zijn de ouders van [minderjarige] . De moeder oefent van rechtswege het gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de moeder.
3.2.
Bij de beschikking van 25 maart 2024 heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling afgewezen en bepaald dat de vader een bedrag van € 2.000,00 voor de kosten van het deskundigenonderzoek moet voldoen.
3.3.
De vader kan zich met deze beslissing alsook de eerdere beslissingen van 24 januari 2023 en 2 maart 2023 niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
3.4.
De moeder stelt zich op het standpunt dat de vader niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep tegen de beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 24 januari 2023 en 2 maart 2023 omdat de hoger beroepstermijn is verstreken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
3.5.
De vader stelt zich op het standpunt dat hij wel ontvankelijk is omdat de beschikkingen van 24 januari 2023 en 2 maart 2023 tussenbeschikkingen betreffen en pas hoger beroep open stond bij de eindbeschikking van 25 maart 2024.
3.6.
Het hof oordeelt als volgt.
3.6.1.
Op grond van artikel 358, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat tegen eindbeschikkingen in zaken als bedoeld in artikel 261 Rv, behoudens berusting, hoger beroep open. Ingevolge het vierde lid kan van tussenbeschikkingen hoger beroep slechts tegelijk met dat van de eindbeschikking worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Voor het onderscheid tussen een (al dan niet gedeeltelijke) eindbeschikking en een tussenbeschikking is volgens vaste rechtspraak doorslaggevend of door middel van een beslissing in het dictum van de beschikking een eind is gemaakt omtrent enig deel van het verzochte.
3.6.2.
De inhoud van het dictum van een beschikking is beslissend voor de kwalificatie van die beschikking. Van een eind- of deelbeschikking is sprake als daarin uitdrukkelijk wordt beslist op (een deel van) het verzochte waardoor in zoverre een einde aan de instantie wordt gemaakt. Onder een tussenbeschikking wordt verstaan een uitspraak waarin de rechter niet door een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het verzochte een einde aan het geding heeft gemaakt (vgl. Hoge Raad 20 september 2019; ECLI:NL:HR:2019:1407, rov. 3.5).
3.6.3.
De rechtbank heeft in het dictum van de beschikking van 24 januari 2023, voor zover hier van belang, een deskundige benoemd, een deskundigenonderzoek gelast, de hoogte van het voorschot van de deskundige vastgesteld op het (door de deskundige begrote) bedrag van € 8.000,00, bepaald dat de helft van het voorschot ten aanzien van partijen in debet wordt gesteld en vooralsnog voor rekening van ’s Rijks kas komt en bepaald dat partijen ieder de resterende helft van het voorschot dienen te voldoen.
3.6.4.
De rechtbank heeft vervolgens in het dictum van de beschikking van 2 maart 2023 op verzoek van de vader de beschikking van 24 januari 2023 gewijzigd en bepaald dat de resterende helft van het voorschot ten laste van de vader ter hoogte van € 2.000,00 in debet wordt gesteld en vooralsnog voor rekening van ’s Rijks kas komt.
3.6.5.
Anders dan de moeder betoogt zijn deze beslissingen niet aan te merken als beslissingen waarmee een einde is gekomen aan het geschil tussen partijen over (een deel van) het verzochte. De rechtbank heeft immers in deze beschikkingen niet definitief beslist en een einduitspraak gegeven over (de voldoening door de vader van) de kosten van de deskundige.
3.7.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat derhalve sprake is van een tweetal tussenbeschikkingen waartegen de vader, overeenkomstig het bepaalde in artikel 358 lid 4 Rv, slechts gelijktijdig met de eindbeschikking hoger beroep kan instellen, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Dat laatste is niet het geval. De vader is dus ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep ten aanzien van de beschikkingen van 24 januari 2023 en 2 maart 2023.
Omgangsregeling en kosten deskundigenonderzoek
3.8.
De vader voert, samengevat, het volgende aan.
De rechtbank en de betrokken instanties hebben zich tot het uiterste ingespannen om tot contactherstel te komen. De moeder daarentegen heeft de ingezette of voorgenomen trajecten steeds gefrustreerd en het belang van [minderjarige] uit het oog verloren. Zo heeft de moeder geen toestemming verleend voor verslaglegging door [instantie 1] , is ze gestopt met de herstelbemiddeling en heeft ze zich niet aangemeld bij de GGZ. De moeder heeft ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat het traject bij de kindercoach voor [minderjarige] succesvol is afgerond en dat zij voor zichzelf traumatherapie heeft opgestart. De moeder laat daarmee zien dat zij niet bereid is mee te werken aan contactherstel. De vader heeft wel steeds zijn inzet getoond. Hij heeft onder andere meegewerkt aan herstelbemiddeling. Ook heeft hij zich aangemeld bij de GGZ en twee gesprekken gehad. Omdat hij geen hulpvraag had, is dit gestopt. Door het procesverloop heeft hij zijn [minderjarige] inmiddels al ruim vijf jaar niet meer gezien. Op dit moment voldoet de moeder ook niet meer aan haar informatieverplichting. De vader heeft al geruime tijd geen informatie of foto’s van [minderjarige] ontvangen. De vader wil graag weer contact met [minderjarige] . De vader is zich ervan bewust dat hij grotendeels zelf verantwoordelijk is voor het aan de zijde van de moeder ontstane wantrouwen richting de vader en is bereid hiervoor hulpverlening te accepteren. De vader heeft zijn leven weer op de rit en volgt een opleiding tot fitnessinstructeur.
De kosten van het deskundigenonderzoek dienen alsnog voor rekening van alleen de moeder te komen nu de moeder geen uitvoering heeft gegeven aan de aanbeveling van de deskundige ten aanzien van de doorverwijzing naar de GGZ. De vader zit in de schuldsanering en heeft een bijstandsuitkering. Hij heeft steeds aangegeven dat hij de kosten van het deskundigenonderzoek niet kan betalen.
3.9.
De moeder voert, samengevat, het volgende aan.
Anders dan de vader stelt, heeft de moeder altijd meegewerkt aan alle stappen die door de rechtbank zijn voorgehouden. De moeder heeft wel degelijk toestemming verleend voor verslaglegging door [instantie 1] . Ook heeft zij zich aangemeld bij de GGZ. Een verwijzing naar de GGZ was echter niet mogelijk vanwege de woonplaats van de moeder zoals blijkt uit het huisartsenjournaal. Uit het deskundigenonderzoek van [deskundige] blijkt dat [minderjarige] een kindercoach heeft gehad. Ook volgt de moeder traumatherapie. De vader is ten tijde van de procedure in eerste aanleg opnieuw in detentie gekomen waardoor alles is vertraagd. Dit is niet aan de moeder te wijten. Het is overigens niet de eerste keer dat vader in detentie zat. De moeder heeft mede daardoor geen vertrouwen in de vader. Hij heeft al veel kansen gehad om te laten zien dat hij betrouwbaar is, maar is hier steeds niet in geslaagd. De rechtbank heeft dan ook terecht, na meerdere zittingen en onderzoeken, geoordeeld dat omgang op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is.
De moeder begrijpt niet waarom de kosten van het deskundigenonderzoek voor rekening van haar moeten komen. De moeder heeft haar deel reeds betaald en verder heeft ze, zoals aangegeven, meegewerkt aan een doorverwijzing naar de GGZ en is het niet aan de moeder te verwijten dat dit traject niet van de grond is gekomen.
Dictum
Het hof:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 25 maart 2024 voor zover de rechtbank het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling heeft afgewezen;
verwijst partijen naar [instantie 2] , [adres] in [plaats] , waarbij de nadere invulling van het omgangsbemiddelingstraject wordt bepaald door en zal worden overgelaten aan [instantie 2] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt deze beschikking voor het overige;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, E.P. de Beij en E.M.D.M. van der Linden en is op 23 januari 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.