Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-05-22
ECLI:NL:GHSHE:2025:1432
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Hoger beroep
4,984 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 22 mei 2025
Zaaknummer : 200.351.101/01
Zaaknummer eerste aanleg : 10462492 \ OV VERZ 23-32
in de zaak in hoger beroep van:
[beschermingsbewindvoerder] , h.o.d.n. [naam] , q.q. als beschermingsbewindvoerder van [appellante ],
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder en [appellante ] ,
advocaat: mr. J.L.E. Marchal te Maastricht,
tegen
1. [verweerder 1]als (voorheen) wettelijk vertegenwoordiger van verweerster sub 3,
2. [verweerder 2]als (voorheen) wettelijk vertegenwoordiger van verweerster sub 3 en
3. [verweerder 3],
allen wonende te [woonplaats] ,
verweerders,
hierna te noemen: [verweerder 1] , [verweerder 2] en [verweerder 3] en gezamenlijk: [verweerder 1] c.s.,
advocaat: mr. A. Sarkis te Maastricht.
Belanghebbende:
[belanghebbende] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [belanghebbende] .
Procesverloop
Het hof verwijst naar de beschikking van 8 november 2024 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, in de zaak tussen [verweerder 1] c.s. en [belanghebbende] waarbij de rechter-commissaris heeft geoordeeld dat [appellante ] geen verschoningsrecht toekomt.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met één productie – zijnde de beschikking waarvan beroep –, ontvangen op 6 februari 2025, heeft de beschermingsbewindvoerder het hof verzocht de beschikking waarvan beroep te vernietigen en alsnog te beslissen dat [appellante ] terecht een beroep heeft gedaan op haar verschoningsrecht ex artikel 165 lid 3 Rv.
2.2.
Bij verweerschrift in hoger beroep, ontvangen op 10 april 2025, hebben [verweerder 1] c.s. het hof verzocht om het hoger beroep af te wijzen met veroordeling van [appellante ] in de kosten van deze procedure.
2.3.
Het hof heeft verder kennisgenomen van:
de beschikking onderbewindstelling van 15 maart 2024, ontvangen van mr. Marchal op 30 april 2024 en
de op de mondelinge behandeling in hoger beroep door mr. Sarkis overgelegde en voorgelezen pleitnota.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 mei 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
[appellante ] , bijgestaan door mr. Marchal en
mr. Sarkis namens [verweerder 1] c.s.
De beschermingsbewindvoerder is niet verschenen.
3De beoordeling
Feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
a. In 2017 is [appellante ] verdacht geweest van deelname aan een openlijke geweldpleging (artikel 141 Sr), kennelijk gepleegd tegen [verweerder 3] . [appellante ] is destijds niet verder strafrechtelijk vervolgd. Het Openbaar Ministerie heeft de zaak tegen [appellante ] namelijk geseponeerd.
Op 14 augustus 2024 is door de rechter-commissaris in het voorlopig getuigenverhoor inzake de gebeurtenissen van een vermeende groepsmishandeling van [verweerder 3] op [datum] 2017 te [plaats] (hierna: het incident), als getuige [appellante ] gehoord. Zij is bijgestaan door advocaat mr. Marchal.
[appellante ] heeft geweigerd om op de vragen van de rechter-commissaris te antwoorden met een beroep op het verschoningsrecht gebaseerd op artikel 255 Sv.
De eerste vraag die de rechter-commissaris heeft gesteld, is of [appellante ] bij haar verklaring blijft die zij op 8 februari 2018 bij de politie heeft afgelegd. De tweede vraag van de rechter-commissaris was of [appellante ] aanwezig was bij het incident. De derde vraag van de rechter-commissaris was of [appellante ] bereid was om überhaupt een vraag te beantwoorden tijdens haar verhoor. Daarop heeft [appellante ] verklaard dat zij op geen enkele vraag antwoord zal geven met een beroep op het verschoningsrecht. De vraag van de advocaat van [verweerder 3] , inhoudende wat de rol van [belanghebbende] was bij het incident, heeft zij vervolgens ook onbeantwoord gelaten met een beroep op het verschoningsrecht.
De rechter-commissaris heeft ter zitting geoordeeld dat [appellante ] niet bij elke vraag met betrekking tot het incident een beroep op het verschoningsrecht toekomt en dat dit in ieder geval geldt voor de vraag of [appellante ] bij het incident aanwezig was en de vraag over de rol van [belanghebbende] bij het incident.
Mr. Marchal heeft gevraagd om een beschikking van de rechter-commissaris ter zake.
Eerste aanleg
3.2.
De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 8 november 2024 in de zaak tussen [verweerder 1] c.s. en [belanghebbende] geoordeeld dat [appellante ] geen verschoningsrecht toekomt en heeft bepaald dat partijen binnen twee weken na dagtekening van de beschikking de verhinderdata van partijen en [appellante ] dienen aan te leveren over de periode december 2024 tot en met februari 2025 voor een nieuw te bepalen zitting waarbij [appellante ] gehoord zal worden als getuige. De rechter-commissaris heeft dit als volgt gemotiveerd:
“3.2. Allereerst oordeelt de rechter-commissaris in dit kader dat van een algemeen
verschoningsrecht geen sprake is. Een wettelijke grondslag hiervoor ontbreekt. Het
verschoningsrecht vormt een uitzondering op de hoofdregel dat iedereen verplicht is ten
overstaan van de rechter desverlangd als getuige een verklaring af te leggen en die
uitzondering ziet op beantwoording van specifieke vragen. Artikel 165 lid 3 Rv kent aan
iedere getuige, ongeacht zijn relatie tot een der partijen, het recht toe zich te verschonen ten
aanzien van beantwoording van een specifieke vraag indien hij door beantwoording van
deze vraag of zichzelf of een van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn
in de tweede of derde graad, of zijn echtgenoot of vroegere echtgenoot onderscheidenlijk
zijn geregistreerd partner of vroeger geregistreerd partner aan het gevaar van een
strafrechtelijke veroordeling terzake van een misdrijf zou blootstellen.
3.3.
Voorts is de rechter-commissaris van oordeel dat de door de rechter-commissaris (en
de advocaat van mw. [verweerder 3] ) gestelde vragen voor [appellante ] niet belastend zijn en dat zij
zichzelf niet blootstelt aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling als zij deze
vragen beantwoordt. Ten aanzien van de eerste vraag over de verklaring bij de politie,
overweegt de rechter-commissaris dat deze verklaring er niet toe heeft geleid dat [appellante ] is
vervolgd. Niet valt in te zien dat een beantwoording van de vraag of zij bij die verklaring
blijft tot nieuwe bezwaren zou leiden die mogelijk wel in een vervolging zou kunnen
resulteren. Ten aanzien van de tweede vraag of [appellante ] bij het incident aanwezig was, valt
evenmin in te zien dat dit mogelijk tot nieuwe bezwaren zou leiden nu de eventuele
aanwezigheid van [appellante ] niets zegt over de betrokkenheid van [appellante ] bij de mishandeling.
Dit geldt ook voor de vraag van de advocaat van mw. [verweerder 3] over de rol van mw. [belanghebbende] bij
het incident. Met het oog op de waarheidsvinding is het van belang om informatie boven
tafel te krijgen over de rol van betrokkenen bij het incident. Informatie over de rol van mw.
[belanghebbende] levert geen (mogelijke) incriminatie op van [appellante ] .”
Hoger beroep
3.3.
De beschermingsbewindvoerder heeft in haar beroepschrift – kort weergegeven – aangevoerd dat een verklaring van [appellante ] tot nieuwe bezwaren zou kunnen leiden en een gevaar voor strafvervolging op grond van betrokkenheid bij een openlijke geweldpleging zou kunnen opleveren (artikel 255 lid 2 Sv).
3.3.1.
Ter zitting is door en namens [appellante ] – kort weergegeven – hieraan toegevoegd dat zij instemt met het door de beschermingsbewindvoerder ingestelde hoger beroep en dus met de behandeling van haar zaak.
3.4.
[verweerder 1] c.s. hebben in het verweerschrift – kort weergegeven – aangevoerd dat een beroep op het verschoningsrecht wegens zelfincriminatie slechts kan worden gedaan wanneer er een reëel en actueel gevaar bestaat voor strafrechtelijke vervolging. Nu [appellante ] niet vervolgd is, ondanks een politieonderzoek, en er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die tot heropening van het strafrechtelijk onderzoek zouden kunnen leiden, bestaat dit gevaar volgens [verweerder 1] c.s. niet. Het gaat om civielrechtelijke aansprakelijkheid van [belanghebbende] . [appellante ] weigerde met name te verklaren over de rol van [belanghebbende] bij het incident. Het verschoningsrecht strekt zich volgens [verweerder 1] c.s. echter niet uit tot het beschermen van derden die geen bloed- of aanverwanten zijn als bedoeld in artikel 165 lid 3 Rv.
3.4.1.
Ter zitting is namens [verweerder 1] c.s.– kort weergegeven – hieraan toegevoegd dat [verweerder 3] met name psychisch letsel heeft, maar ook lichamelijk letsel (littekens) door de mishandeling. Daarnaast is gezegd dat [verweerder 3] pas in [maand] 2025 de leeftijd van 20 jaar heeft bereikt en ten tijde van het incident dus nog minderjarig, ongeveer 12 jaar oud, was.Desgevraagd is namens [verweerder 1] c.s. aangegeven dat (ook) [appellante ] aansprakelijk is gesteld vanwege het incident in 2017 en dat jegens haar de verjaring is gestuit.
3.5.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
De ontvankelijkheid
3.5.1.
Het beroepschrift is ingediend namens de beschermingsbewindvoerder. Ten aanzien van de vraag of zij in het hoger beroep ontvankelijk is, geldt het volgende.
3.5.2.
Artikel 1:441 lid 1 BW bepaalt dat tijdens het bewind de beschermingsbewindvoerder bij de vervulling van zijn of haar taak de rechthebbende (degene wiens goederen onder bewind zijn gesteld) in en buiten rechte vertegenwoordigt. Of de rechthebbende in een procedure bevoegd is zelf als formele procespartij op te treden, hangt dus ervan af of het voeren van de desbetreffende procedure tot de taak van de beschermingsbewindvoerder behoort. Vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010, r.o.
Dictum
Het hof:
verklaart de beschermingsbewindvoerder niet-ontvankelijk in haar beroep;
vernietigt de beschikking waarvan beroep;
bepaalt dat [appellante ] een beroep toekomt op haar verschoningsrecht ex artikel 165 lid 3 Rv ten aanzien van de vragen:
of [appellante ] bij haar verklaring blijft die zij op 8 februari 2018 bij de politie heeft afgelegd;
of [appellante ] aanwezig was bij het incident en
wat de rol van [belanghebbende] was bij het incident;
verwijst de zaak naar de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, teneinde het voorlopig getuigenverhoor voort te zetten.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.R.M. de Moor, K.J.H. Hoofs en M.W.M. Souren en is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2025.
Feiten
3.3 en HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525, r.o. 3.3.2.
3.5.3.
In HR 25 oktober 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1553) heeft de Hoge Raad bevestigd dat de beschermingsbewindvoerder niet steeds namens de betrokkene kan optreden:
“3.1. Het middel klaagt dat onjuist is het oordeel van het hof dat het niet tot de taak van de beschermingsbewindvoerder behoort om namens de rechthebbende een verzoek te doen tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en dat (de bewindvoerder namens) de rechthebbende niet in haar verzoek kan worden ontvangen. Het middel voert aan dat dit wel tot de taak van de beschermingsbewindvoerder behoort. Sinds 2014 heeft deze ingevolge art. 1:441 lid 1, derde volzin, BW tot taak om voor de rechthebbende alle handelingen te verrichten die aan een goed bewind bijdragen. Daartoe behoort het doen van een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, aldus de klacht.
3.2
Het middel faalt omdat het oordeel van het hof juist is.
(…) 3.6 Uit de hiervoor in 3.4 en 3.5 weergegeven passages uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever een andere opvatting heeft over de taak van de beschermingsbewindvoerder in verband met de mogelijkheid toelating tot de schuldsaneringsregeling te verzoeken dan in het hiervoor in 3.3 genoemde arrest uit 2012 is verwoord. De beschermingsbewindvoerder kan dan ook niet voor de rechthebbende toelating tot de schuldsaneringsregeling verzoeken. Zoals blijkt uit de hiervoor in 3.4, laatste citaat, weergegeven passage uit de wetsgeschiedenis, behoort het wel tot de taak van de beschermingsbewindvoerder om te bezien of de rechthebbende in aanmerking kan komen voor (schuldhulpverlening of) schuldsanering en hem zo nodig te begeleiden om aan de daarvoor geldende eisen te voldoen.”
3.5.4.
In de onderhavige zaak heeft de procedure betrekking op de beslissing van de rechter-commissaris om het beroep van [appellante ] op het verschoningsrecht af te wijzen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en gezien het feit dat het beschermingsbewind [appellante ] niet handelingsonbekwaam maakt en het onderhavige geding haar processuele positie in een getuigenverhoor betreft, betekent dit dat [appellante ] in de onderhavige procedure wel zelfstandig kan optreden en dat de beschermingsbewindvoerder [appellante ] tegen die beslissing niet kan vertegenwoordigen. De beschermingsbewindvoerder zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep. [appellante ] zal (wel) in haar hoger beroep worden ontvangen, nu zij ter zitting op 7 mei 2025 aanwezig was en uitdrukkelijk heeft verklaard in te stemmen met de behandeling van haar zaak die door de beschermingsbewindvoerder is ingesteld. Het hof doet verder recht op het door [appellante ] aldus zelf ingestelde hoger beroep.
De inhoudelijke beoordeling
3.5.5.
Op grond van artikel 165 lid 1 Rv is een ieder die daartoe op wettige wijze is opgeroepen, verplicht om een getuigenis af te leggen. Op grond van artikel 165 lid 3 Rv kan de getuige zich verschonen van het beantwoorden van een aan hem (of haar) gestelde vraag, indien hij daardoor of zichzelf, of een van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in de tweede of derde graad, dan wel zijn echtgenoot of vroegere echtgenoot of zijn geregistreerde partner of vroegere partner of zijn levensgezel of vroegere levensgezel aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling ter zake van een misdrijf zou blootstellen.
Van een algemeen verschoningsrecht is dus geen sprake. Het verschoningsrecht is namelijk gekoppeld aan specifieke vragen. De toetsing moet daarom per vraag plaatsvinden.
3.5.6.
Volgens [verweerder 1] c.s. heeft [appellante ] tijdens het getuigenverhoor op 14 augustus 2024 een algemeen beroep gedaan op het verschoningsrecht, zonder dit te specificeren per gestelde vraag. Ter zitting in hoger beroep is namens [appellante ] echter nadrukkelijk gezegd dat zij geen algemeen beroep doet op het verschoningsrecht, maar dat het hoger beroep ziet op de door de specifieke vragen die tijdens het getuigenverhoor aan de orde zijn geweest. In het hiernavolgende zal het hof ingaan op de drie vragen die onderwerp zijn van het hoger beroep.
3.5.7.
Het hof is van oordeel dat de door de rechter-commissaris (en de advocaat van [verweerder 1] c.s.) gestelde drie vragen voor [appellante ] belastend kunnen zijn en dat zij zichzelf in potentie blootstelt aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling als zij deze vragen beantwoordt nu niet uitgesloten is dat de verjaringstermijn nog niet is verstreken (waarover meer onder 3.5.11). Het hof licht dit in het hiernavolgende toe.
3.5.8.
Ten aanzien van de eerste vraag over de verklaring bij de politie, is het hof van oordeel dat een beantwoording van de vraag of zij bij die verklaring blijft tot nieuwe bezwaren zou kunnen leiden die mogelijk wel in een vervolging zou kunnen resulteren. [appellante ] is destijds als verdachte gehoord waarbij het uitgangspunt is dat zij niet verplicht kan worden om zichzelf te incrimineren. Als verdachte kon [appellante ] ook niet verplicht worden om de (volledige) waarheid te vertellen. Bij een getuigenverhoor in het kader van een civiele procedure staat [appellante ] echter onder ede en is zij op grond daarvan verplicht om de waarheid te vertellen. In het geval dat [appellante ] over haar verklaring bij de politie naar waarheid zou moeten antwoorden dat die verklaring niet (geheel) naar waarheid is gegeven, is het naar het oordeel van het hof niet uitgesloten dat die nieuwe verklaring alsdan tot vervolging kan gaan leiden.
3.5.9.
Ten aanzien van de tweede vraag of [appellante ] bij het incident aanwezig was, is het hof van oordeel dat het antwoord daarop voor [appellante ] ook belastend kan zijn en dat zij zichzelf mogelijk blootstelt aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling. Voor openlijke geweldpleging op grond van artikel 141 Wetboek van Strafrecht (Sr) is namelijk niet vereist dat alle daders zelf geweld plegen. De daders kunnen verschillende soorten handelingen plegen die samen openlijk geweld opleveren. ‘Aanwezigheid in vereniging’ impliceert dat voldoende is dat wordt bewezen dat de betrokkene opzet op het in vereniging plegen van openlijk geweld heeft gehad en daaraan in voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd. het Niet valt uit te sluiten dat voor een vervolging van openlijke geweldpleging in dezen reeds voldoende is dat [appellante ] aanwezig was bij de mishandeling van [verweerder 3] . Naar het oordeel van het hof is het daarom niet uitgesloten dat het antwoord op deze tweede vraag tot een strafrechtelijke veroordeling kan leiden.
3.5.10.
Hetzelfde geldt voor de derde en laatste vraag van de advocaat van [verweerder 1] c.s. over de rol van [belanghebbende] bij het incident. Als [appellante ] deze vraag moet beantwoorden, kan zij daarmee indirect antwoord geven op de vorige vraag over haar aanwezigheid (en eigen rol) bij het incident.
3.5.11.
Bij het voorgaande merkt het hof op dat de verjaringstermijn voor openlijke geweldpleging op grond van artikel 141 Sr mogelijk nog niet is verstreken, omdat [verweerder 3] zowel psychisch als lichamelijk letsel zou hebben door het incident/de gedragingen en het recht tot strafvordering door verjaring in dat geval eerst na tien jaren vervalt (indien sprake is van zwaar lichamelijk letsel) nu [appellante ] ten tijde van het incident de leeftijd van 14 jaar had (artikel 141 lid 2 onder 2 Sr juncto artikel 70 lid 1 onder 4 Sr juncto artikel 77d lid 1 Sr).