Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-05-22
ECLI:NL:GHSHE:2025:1426
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
8,914 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.346.519/01
zaaknummer rechtbank : C/03/330223/ FA RK 24-1628
beschikking van de meervoudige kamer van 22 mei 2025
inzake
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.A. Ploemen te Heerlen,
tegen
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. R.A.C. Snel te Heerlen.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 12 juli 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
De man is op 2 oktober 2024 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 12 juli 2024.
2.2.
De vrouw heeft op 18 december 2024 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3.
De man heeft op 7 februari 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de man van 27 februari 2025 met bijlagen, ingekomen op 28 februari 2025;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 26 maart 2025 met bijlagen.
2.5.
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. [minderjarige 1] heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
2.6.
De mondelinge behandeling heeft op 3 april 2024 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
2.7.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw, met instemming van de advocaat van de man, een uittreksel uit de Kamer van Koophandel overgelegd.
Feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 3 februari 2022 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 14 maart 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.3.
Partijen zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 (hierna: [minderjarige 1] ),
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2011 (hierna: [minderjarige 2] ),
(hierna ook: de kinderen).
De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw. De verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is aldus dat de kinderen de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw verblijven en de vakanties en feestdagen gelijkelijk worden verdeeld.
3.4.
In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat het aangehechte echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking.
In het ouderschapsplan zijn partijen ten aanzien van de kinderalimentatie het volgende overeengekomen:
“
Artikel 7 Kinderalimentatie
7.1.
Kosten van de kinderen.
De kosten van de kinderen zullen niet worden berekend.
Ieder van de ouders draagt de eigen verblijfskosten.
De verblijfsoverstijgende kosten worden als volgt voldaan:
- door de vrouw de kleding en de schoenen.
- door de man de kosten van sport, cultuur, hobby’s en benodigde vervoersmiddelen.
- door de man en de vrouw ieder voor de helft de schoolkosten.”
In het echtscheidingsconvenant zijn partijen ten aanzien van de partneralimentatie het volgende overeengekomen:
“LEVENSONDERHOUD JEGENS ELKAAR:
De vrouw is in dienst bij de nog na te melden onderneming van de man genaamd [B.V. 1] B.V. en ontvangt daaruit per 1 februari 2022 een netto maandloon van € 1.800,00, te vermeerderen met de vakantietoeslag.
Met dit netto inkomen en de door haar te ontvangen toeslagen van de Belastingdienst, in het bijzonder het kindgebonden budget en de ontvangst van de kinderbijslag en in combinatie met de regeling omtrent de verblijfsoverstijgende kosten zoals blijkt uit het ouderschapsplan, is de vrouw
van mening dat zij niet behoeftig is en derhalve geen behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud zijdens de man voor de duur dat zij deze dienstbetrekking blijft behouden.
Voor het geval de dienstbetrekking eenzijdig door de man wordt beëindigd, zal de vrouw in plaats van haar netto loon een netto alimentatie gaan ontvangen van € 1.900,00 per maand voor de periode van een jaar zodat de vrouw in die periode in staat zal zijn een nieuwe dienstbetrekking te verwerven waarmee zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.
Gedurende dat jaar kan er geen beroep gedaan worden op gewijzigde omstandigheden, zodat de man geen beroep kan doen op verminderde draagkracht of verminderde behoefte zijdens de vrouw zodat een eventuele dienstbetrekking aangegaan binnen dat ene jaar niet leidt tot wijziging van dit
alimentatiebedrag.
Op grond van artikel 1:157 lid 1 BW eindigt de verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de helft van de duur van het huwelijk, met een maximum van vijf jaren, te rekenen vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk.
In casu bedraagt de duur vijf jaar nu het huwelijk meer dan tien jaar heeft geduurd en het jongste minderjarige kind op [geboortedatum] 2023 12 jaar oud wordt, hetgeen derhalve niet tot een verlenging van de duur aanleiding geeft.
Partijen zijn ermee bekend dat de gemeente, die in het kader van de Participatiewet aan een van de partijen een bijstandsuitkering verstrekt, niet gebonden is aan hetgeen partijen in deze overeenkomen.
Partijen doen, met uitzondering van hetgeen hier voren is bepaald voor het geval dat de dienstbetrekking van de vrouw bij de onderneming van de man binnen vijf jaar zal worden beëindigd, over en weer afstand van hun recht op partneralimentatie, welke afstand van partneralimentatie niet bij rechterlijke uitspraak zal kunnen worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden. Dit kan enkel in het geval van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de partij die de wijziging verzoekt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, zoals in art. 1:159 lid 3 BW is bepaald.”.
4De omvang van het geschil
4.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank:
- bepaald dat de man met ingang van 24 april 2024 voor levensonderhoud aan de vrouw zal dienen te betalen een bedrag van € 482,- bruto per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- het ouderschapsplan van 18 januari 2022 dat is opgenomen en gehecht aan de echtscheidingsbeschikking van 3 februari 2022 gewijzigd, in die zin dat de man met ingang van 24 april 2024 aan de vrouw dient te betalen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van € 400,- per kind per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
De man had in eerste aanleg geen verweer gevoerd, waarna de rechtbank de verzoeken van de vrouw als op de wet gebaseerd en niet weersproken heeft toegewezen.
4.2.
De man verzoekt in hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en de verzoeken van de vrouw alsnog af te wijzen als ongegrond en/of onbewezen.
De grieven van de man zien op de maatstaf voor wijziging van de kinder- en partneralimentatie (grief I).
4.3.
De vrouw vermeerdert haar verzoek in incidenteel hoger beroep. Zij verzoekt:
- de beslissing als bedoeld in punt 5.1. van de bestreden beschikking te bekrachtigen, inhoudende dat de man met ingang van 24 april 2024 een bedrag van € 482,- bruto per maand dient te voldoen aan de vrouw voor haar levensonderhoud, waarbij de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling dienen te worden voldaan.
- te bepalen dat de man met ingang van 12 december 2024 tot en met 12 december 2025 een bedrag van € 1.900,- bruto per maand voldoet aan de vrouw voor haar levensonderhoud, waarbij de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling dienen te worden voldaan, en dat gedurende deze periode de verplichting tot betaling van € 482,- bruto per maand wordt geschorst, waarna deze verplichting met ingang van 13 december 2025 opnieuw wordt hervat.
- de beslissingen van de rechtbank als bedoeld in punt 5.2 van de bestreden beschikking
te bekrachtigen, inhoudende dat het ouderschapsplan van 18 januari 2022 zoals opgenomen in en gehecht aan de beschikking van de rechtbank Limburg van 3 februari 2022 wordt gewijzigd, in die zin dat de man met ingang van 24 april 2024 aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van € 400,- per kind per maand dient te voldoen, waarbij de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling dienen te worden voldaan.
Motivering
Kinderalimentatie
Toepasselijke wijzigingsmaatstaf; artikel 1:401 lid 1 BW of 1:159 lid 3 BW?
5.1.
De vrouw heeft haar verzoek tot wijziging van de in het ouderschapsplan gemaakte afspraken over de kosten van de kinderen gebaseerd op artikel 1:401 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW), stellende dat de afspraak als gevolg van gewijzigde omstandigheden, te weten een daling van haar inkomen, niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven.
5.1.1.
De man voert aan dat de maatstaf van artikel 1:401 lid 1 BW niet van toepassing is, aangezien partijen bij het maken van de in artikel 7 van het ouderschapsplan gemaakte afspraken bewust en ten voordele van de kinderen zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven.
De rechtbank had daarom op het wijzigingsverzoek van de vrouw de strenge maatstaf van artikel 1:159 lid 3 BW moeten toepassen (zoals door de Hoge Raad geformuleerd in zijn uitspraken van 23 oktober 1987, NJ 1988, 438 en 12 september 2003, ECLI:NL:PHR: 2003:AF9468). In een geval waarin partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven zal de rechter slechts tot een wijziging van de overeenkomst betreffende levensonderhoud mogen overgaan indien de verzoeker stelt en de rechter aannemelijk oordeelt dat na het tot stand komen van de overeenkomst een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat de wederpartij, in het licht van alle dan bestaande omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.
Bij de totstandkoming van de afspraken in het ouderschapsplan is op geen enkele wijze
aansluiting gezocht bij de wettelijke maatstaven voor wat betreft de bepaling van de behoefte van de kinderen, de draagkracht van de ouders en het aandeel van ieder van hen in de behoefte. Er is namelijk nooit een behoefte- of draagkrachtberekening opgesteld.
De man betaalt gemiddeld per maand € 1.000,- aan kosten van de kinderen, inclusief verblijfskosten.
De vrouw heeft niet gesteld en onderbouwd dat ongewijzigde instandhouding van de in het ouderschapsplan gemaakte afspraken naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd.
5.1.2.
De vrouw betwist dat bewust ten voordele van de kinderen is afgeweken van de wettelijke maatstaven. Een overeenkomst over kinderalimentatie is nietig indien in het nadeel van de kinderen wordt afgeweken van de wettelijke maatstaven. In de jurisprudentie is uitgemaakt dat kinderalimentatie van openbare orde is en dat ten aanzien van een afspraak die niet voldoet aan de wettelijke maatstaven, te weten behoefte en draagkracht, of die anderszins niet in het belang van het kind is, de rechter kan vaststellen dat de tussen ouders gemaakte afspraak nietig is.
Tijdens het huwelijk hadden partijen een netto gezinsinkomen van minstens € 6.212,- per maand, zoals de vrouw in haar verzoek in eerste aanleg al heeft onderbouwd. Op basis van dit gezinsinkomen bedroeg de behoefte van de kinderen in 2021 minstens € 1.350,- per maand, oftewel € 675,- per kind per maand.
De vrouw erkent dat de man bepaalde kosten voor de kinderen betaalt, maar betwist dat het om een bedrag van gemiddeld € 1.000,- per maand gaat.
5.1.3.
Het hof oordeelt als volgt.
In zijn prejudiciële beslissing van 1 november 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1689) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de contractvrijheid van ouders bij afspraken over kinderalimentatie wordt begrensd door de dwingendrechtelijke regel dat de kinderalimentatie ten minste moet voldoen aan de wettelijke maatstaven. Uit het dwingendrechtelijke karakter van deze regel volgt dat daarvan niet ten nadele van minderjarige kinderen kan worden afgeweken, ook niet als die afwijking bewust is overeengekomen.
Het hof stelt vast dat partijen verschillen van mening over de vraag of zij ten voordele of ten nadele zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. De man heeft zich tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de stelplicht en de bewijslast van de stelling dat ten nadele is afgeweken van de wettelijke maatstaven bij de vrouw ligt. Het hof is van oordeel dat het aan de man is, die zich er op beroept dat de zwaardere wijzigingsmaatstaf van toepassing is, om tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw te onderbouwen dat ten voordele van de kinderen is afgeweken van de wettelijke maatstaven. De man heeft volstaan met een blote betwisting van de door de vrouw gestelde behoefte van de kinderen. Hoewel de man het door de vrouw gestelde inkomen van de vrouw in 2021 van € 22.152,- bruto erkent, weerspreekt hij dat zijn inkomen in 2021 € 4.500,- netto per maand bedroeg en stelt hij dat dit maar € 3.500,- per maand was. De man heeft echter geen stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn inkomen in 2021. Het hof is van oordeel dat dit wel op zijn weg had gelegen en dat het feit dat hij dit heeft nagelaten voor zijn rekening en risico dient te komen. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling een aantal kosten genoemd die hij voor de kinderen zou betalen, maar ook deze heeft hij, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet onderbouwd.
Het hof overweegt op basis van het voorgaande dat er onvoldoende gegevens zijn overgelegd om te kunnen vaststellen dat ten voordele is afgeweken van de wettelijke maatstaven, zodat niet vastgesteld kan worden dat de zwaardere maatstaf voor wijziging van de afspraak over de kosten van de kinderen van toepassing is, zoals de man stelt. Gelet op het voorgaande zal het hof het verzoek beoordelen naar de maatstaf van artikel 1:401 lid 1 BW.
Er is sprake van gewijzigde omstandigheden die maken dat de overeengekomen bijdrage opnieuw beoordeeld dient te worden. De arbeidsovereenkomst van de vrouw met het bedrijf van de man is immers ontbonden, de vrouw is op dit moment arbeidsongeschikt vanwege ziekte en het bedrijf van de man is inmiddels beëindigd.
Ingangsdatum van de wijziging
5.2.
De door de rechtbank vastgestelde wijzigingsdatum, 24 april 2024, is in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof hiervan zal uitgaan.
Behoefte van de kinderen
5.3.
De vrouw heeft in eerste aanleg gesteld dat de behoefte van de kinderen in 2021 € 1.350,- per maand, ofwel € 675,- per kind per maand bedroeg. De vrouw heeft dit standpunt onderbouwd met haar aangifte IB van 2021, waaruit een jaarloon van € 22.152,- volgt. Bij gebreke van stukken van de man heeft zij het netto inkomen van de man geschat op € 4.500,- per maand. Dit bedrag keerde de man zich volgens de vrouw maandelijks uit vanuit zijn onderneming. De vrouw heeft als productie 5 in eerste aanleg een behoefteberekening overgelegd op basis van deze gegevens.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man erkend dat het inkomen van de vrouw van € 22.152,- in 2021 juist is, maar hij betwist dat zijn inkomen € 4.500,- netto per maand bedroeg. Hij stelt dat zijn inkomen in 2021 circa € 3.500,- netto per maand was.
5.3.1.
Het hof gaat uit van de door de vrouw gestelde behoefte, nu de man deze onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Het had op de weg van de man gelegen zijn inkomensgegevens over 2021 in het geding te brengen. Dat hij dit heeft nagelaten dient voor zijn rekening en risico te blijven.
Het hof stelt de behoefte van de kinderen dus vast op € 675,- per kind per maand in 2021.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 12 juli 2024 ten aanzien van de kinderalimentatie;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 12 juli 2024, voor zover daarbij is bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in haar levensonderhoud zal voldoen een bedrag van € 482,- bruto per maand met ingang van 24 april 2024, en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijst alsnog af het inleidend verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud;
veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 1.900,- bruto per maand met ingang van 12 december 2024 tot 12 december 2025;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, G.M. Goes en M.J.C. van Leeuwen, en is op 22 mei 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Motivering
Rekening houdend met de jaarlijkse verhoging analoog aan de wettelijke indexering bedraagt de behoefte van de kinderen (afgerond) € 755,- per kind per maand met ingang van 1 januari 2024.
Draagkracht van de man
5.4.
Het hof dient vast te stellen wat de draagkracht van de man is met ingang van 24 april 2024.
Het bedrijf van waaruit de man in het verleden zijn inkomsten genereerde, [B.V. 2] B.V., is recentelijk failliet verklaard en is per 1 januari 2025 geliquideerd. De man heeft geen gegevens overgelegd waaruit blijkt wat het inkomen uit deze B.V. in 2024 is geweest.
Inmiddels is de man actief in een andere onderneming, [B.V. 3] B.V., waarvan de man enig aandeelhouder en bestuurder is. De man ontvangt vanuit deze B.V. een salaris als DGA. De man heeft salarisspecificaties overgelegd over de maanden december 2024 tot en met februari 2025. Uit deze salarisspecificaties blijkt dat de man parttime werkt, namelijk 65%, en een inkomen heeft van € 3.114,92 bruto per maand. Onduidelijk is gebleven waarom de man niet fulltime werkt. Niet gesteld of gebleken is dat de man hiertoe niet in staat is. De vrouw voert aan dat de man als DGA zelf de hoogte van zijn salaris kan bepalen en betwist dat het salaris reëel is. De man heeft verder geen stukken met betrekking tot de onderneming [B.V. 3] B.V. overgelegd, terwijl dit wel op zijn weg had gelegen. Nu onderbouwende stukken ontbreken, kan het hof niet vaststellen of het salaris van de man reëel is. Het gaat bij het vaststellen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige immers niet alleen om het inkomen dat hij heeft, maar ook om het inkomen dat hij, gelet op zijn zwaarwegende onderhoudsverplichting, redelijkerwijze kan genereren. Doordat de man geen financiële (jaar)stukken van [B.V. 3] B.V. heeft overgelegd, heeft het hof geen enkel inzicht in de resultaten of het vermogen van deze onderneming en kan het hof dus ook niet beoordelen hoeveel er vanuit deze onderneming redelijkerwijs als salaris kan worden uitgekeerd. Er zijn, zoals reeds overwogen, ook geen stukken beschikbaar op basis waarvan het inkomen van de man in 2024 vastgesteld kan worden. Het had op de weg van de man gelegen om deze stukken in het geding te brengen en dat hij dit heeft nagelaten dient voor zijn rekening en risico te blijven.
Gelet op het voorgaande heeft de man het hof niet in staat gesteld om zijn draagkracht vast te stellen. Hierdoor kan ook geen draagkrachtvergelijking worden gemaakt om vast te stellen welk aandeel ieder van partijen van de behoefte van de kinderen dient te dragen. De man heeft de verplichting de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren en als deze verplichting niet wordt nageleefd, kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht (art. 21 Rv). Gelet hierop zal het hof hetgeen de vrouw heeft verzocht toewijzen. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking op het punt van de kinderalimentatie zal bekrachtigen.
Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 januari 2025 € 426,- per kind per maand.
Partneralimentatie
Afstand van het recht op partneralimentatie, nakoming van de “ontslag-bepaling” en het niet-wijzigingsbeding
5.5.
De man voert het volgende aan.
Partijen hebben in het echtscheidingsconvenant over en weer afstand gedaan van het recht op partneralimentatie en zijn een niet-wijzigingsbeding overeengekomen.
Gelet op het bepaalde in artikel 1:159 lid 3 BW dient de vrouw te stellen en te bewijzen dat sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat zij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden. Hiervan is slechts sprake indien een volkomen wanverhouding bestaat tussen wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en hetgeen zich in werkelijkheid heeft voorgedaan. Hierbij komt het er volgens vaste jurisprudentie op aan of zulks een gevolg is van een voldoende ingrijpende wijziging ten opzichte van de omstandigheden die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bestonden, terwijl voorts in aanmerking moet worden genomen wat partijen toen aan mogelijke toekomstige omstandigheden voor ogen hebben gehad.
De vrouw stelt daartoe slechts dat haar arbeidsovereenkomst met de onderneming van de man is beëindigd en dat zij als gevolg van arbeidsongeschiktheid voorlopig niet kan werken, waardoor sprake is van een inkomensachteruitgang.
De man betwist dat dit een omstandigheid oplevert die moet leiden tot doorbreking van het niet- wijzigingsbeding. De vrouw komt in aanmerking voor een uitkering van het UWV en zal gelet op de inkomensdaling aanspraak hebben op hogere inkomensafhankelijke toeslagen, zoals kindgebonden budget, die het inkomensverlies dus (deels) opvangen.
De man verwijst verder naar een uitspraak van dit hof van 27 juli 2017 (ECLI:NL:GHSHE: 2017:3367), waarin is geoordeeld dat de beëindiging van een dienstverband en de daarmee samenhangende inkomensachteruitgang niet kunnen worden beschouwd als omstandigheden in de zin van artikel 1:159 lid 3 BW. In een recentere zaak van dit hof van 7 december 2023 (ECLI:NL:GHSHE:2023:4081) is geoordeeld dat - ondanks ernstig ziek-zijn - het niet-wijzigingsbeding niet dient te worden doorbroken, aangezien er geen sprake is van een wanverhouding. In gelijke zin heeft het Hof Arnhem op 12 juli 2012 (ECLI:NL:GHARN:2012: BX1665) geoordeeld dat arbeidsongeschiktheid geen reden is om een niet-wijzigingsbeding te doorbreken.
5.5.1.
De vrouw is van mening dat sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat zij ten aanzien van het afstand doen van het recht op partneralimentatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding in het echtscheidingsconvenant kan worden gehouden.
Bij het maken van de afspraak over de partneralimentatie hebben partijen voor ogen gehad dat de vrouw in loondienst was en zou blijven bij de man. Dat blijkt ook uit het feit dat de partijen voor het geval van een ontslag een afwijkende afspraak hebben gemaakt waarbij de vrouw gedurende een jaar aanspraak kan maken op een bijdrage van € 1.900,- netto per maand. De verstandhouding tussen partijen was op dat moment goed en het lag niet voor de hand dat de vrouw elders zou gaan werken. Het lag al helemaal lag niet voor de hand dat de vrouw als gevolg van ziekte haar werkzaamheden niet meer zou kunnen uitvoeren. De man wilde er bij de afwikkeling van de echtscheiding voor zorgen dat de vrouw financieel niets tekort zou komen en dat ze op vergelijkbare voet verder zou kunnen. De vrouw bleef in de onderneming van de man werken, de man stak haar maandelijks € 200,- toe en nam nu en dan bepaalde kosten op zich. Zo heeft de man een reis naar Ibiza voor de vrouw bekostigd en heeft hij een deel van de factuur van de auto van de vrouw voldaan.
De vrouw is van mening dat het convenant dient te worden uitgelegd aan de hand van het Haviltex-criterium. Bij de uitleg van het echtscheidingsconvenant kan derhalve niet worden volstaan met een taalkundige benadering. Het komt aan op die zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan de overeengekomen bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Hierbij is bovendien van belang tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke (rechts)kennis van partijen kan worden verwacht. De vrouw merkt in dit verband op dat het in de erotische wereld gebruikelijk is dat cash wordt betaald.
Motivering
Het karige salaris van de vrouw van € 1.868,52 bruto per maand voor 38,50 uur per week stemde dan ook niet overeen met het inkomen waarvan partijen tijdens het huwelijk leefden en de gelden die de vrouw na de echtscheiding van de man contant ontving. Verder dient mee te spelen dat de man niet alleen de ex-echtgenoot van de vrouw is, maar ook haar werkgever was. De vrouw is van mening dat deze omstandigheden maken dat zij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aan het beding gehouden kan worden.
Van een wanverhouding is wel degelijk sprake.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) bedroeg in 2021 € 6.212,- per maand. Op basis van de Hofformule bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte, na aftrek van de kosten van de kinderen, € 2.820,- per maand. Van 24 maart tot en met 30 september 2024 ontving de vrouw een bedrag van € 1.262,13 bruto per maand en bedroeg haar netto besteedbaar inkomen € 1.348,- per maand. Met dit inkomen bedraagt haar aanvullende behoefte € 1.472,- netto per maand.
Met ingang van 12 december 2024 ontvangt de vrouw een WGA-uitkering van het UWV van € 1.755,23 bruto per maand en bedraagt haar NBI € 1.851,- per maand. Zij heeft dan een aanvullende behoefte van € 969,- netto per maand.
De vrouw sluit niet uit dat zij in de toekomst weer kan gaan werken, en ze hoopt dat ze zo snel mogelijk aan de slag kan, maar op dit moment kan dit niet van de vrouw worden verwacht. Een verdiencapaciteit heeft ze nu niet en ze is dus behoeftig.
5.5.2.
De vrouw vermeerdert haar verzoek in hoger beroep, omdat haar dienstverband per 13 augustus 2024 is beëindigd. In het echtscheidingsconvenant is overeengekomen dat ingeval de dienstbetrekking eenzijdig door de man wordt beëindigd, de vrouw in plaats van haar netto loon een netto alimentatie zal ontvangen van € 1.900,- per maand voor de periode van een jaar, zodat de vrouw in die periode in staat zal zijn een nieuwe dienstbetrekking te verwerven waarmee zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Verder is overeengekomen dat gedurende dat jaar geen beroep kan worden gedaan op gewijzigde omstandigheden, zodat de man geen beroep kan doen op verminderde draagkracht aan zijn kant of verminderde behoefte van de vrouw, zodat een eventuele dienstbetrekking aangegaan binnen dat jaar niet leidt tot wijziging van dit alimentatiebedrag. De vrouw is van mening dat van 12 december 2024 (ingang WGA-uitkering) tot 12 december 2025 deze afspraak geldt en in de periode daarvoor en daarna de partneralimentatie zoals vastgesteld door de rechtbank. Het door partijen overeengekomen nettobedrag dient evenwel ‘ge-Buyst’ te worden. Omdat de verschuldigde belasting lager is dan de heffingskorting bestaat er geen fiscaal voordeel. De vrouw verzoekt een partneralimentatie in de periode van 12 december 2024 tot 12 december 2025 van € 1.900,- bruto per maand.
5.5.3.
De man voert ten aanzien van het verzoek van de vrouw tot nakoming van de ‘ontslag-afspraak’ in het convenant het volgende verweer.
De man beroept zich op het arrest van de Hoge Raad d.d. 12 september 2003 (ECLI:NL:PHR: 2003:AF9468) en stelt dat er na het tot stand komen van deze afspraak een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat de vrouw, in het licht van alle dan bestaande omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten, overeenkomstig artikel 1:159 lid 3 BW.
De man had ten tijde van de totstandkoming van de afspraak in het convenant financieel gezonde vennootschappen. Zijn draagkracht is echter substantieel gewijzigd als gevolg van nadien ingetreden omstandigheden, die niet waren voorzien. Toen de vrouw arbeidsongeschikt werd, werd de man geconfronteerd met dubbele personeelskosten. Hij diende namelijk het salaris van de vrouw door te betalen tijdens arbeidsongeschiktheid maar moest ook een extra werknemer in dienst te nemen om de werkzaamheden van de vrouw uit te voeren. Daarnaast werd de man als DGA geconfronteerd met hoge verzuimkosten (premies van de verzuimverzekering / kosten van de bedrijfsarts en het re-integratie-traject), waardoor hij zich om bedrijfseconomische redenen genoodzaakt heeft gezien om een ontslagvergunning aan te vragen bij het UWV. Vervolgens zijn de vennootschappen [B.V. 2] B.V. (dochter) en [B.V. 1] B.V. (moeder) ontbonden bij besluit d.d. 27 december 2024 wegens een gebrek aan baten in relatie tot de opbrengsten. De reden daarvan is dat de omzet van de vennootschap [B.V. 2] B.V. drastisch was gedaald, er geen reserves meer waren en er geen nieuwe mogelijkheden aanwezig waren om kapitaal aan te boren, zodat voortzetting niet opportuun was. Dit werd mede veroorzaakt door het feit dat bankinstellingen geen zaken willen doen met ondernemingen in de erotiekbranche en doordat personeel schaars is. De vennootschappen waren niet meer levensvatbaar. Deze omstandigheden zijn ingetreden na de totstandkoming van de afspraak in het convenant en waren niet te voorzien.
Daarbij dient mede in ogenschouw te worden genomen dat partijen bij de afwikkeling van hun
relatie een totaalpakket voor ogen hadden, waarbij de tussen partijen gemaakte afspraken ten
aanzien van de kinderalimentatie en partneralimentatie nauw met elkaar waren verweven. Alles
hing samen met elkaar: de door de man in privé geïnvesteerde gelden in de woning van de
vrouw, de dienstbetrekking van de vrouw bij de onderneming van de man en dat de man (nagenoeg) alle kosten van de kinderen voor zijn rekening nam en neemt. Alles is opgehangen aan het inkomen dat de man genereerde uit zijn vennootschappen, welk inkomen nu is weggevallen.
Bij deze omstandigheden is ongewijzigde instandhouding van de afspraak in het convenant naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Er zou dan sprake zijn van een complete wanverhouding, los van het feit dat de man dit niet kan betalen.
5.5.4.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt allereerst vast dat het niet-wijzigingsbeding in het echtscheidingsconvenant zowel geldt ten aanzien van de bepaling over de betaling van een netto alimentatie van € 1.900,- per maand gedurende een jaar in geval van beëindiging van het dienstverband van de vrouw, als ten aanzien van bepaling over de afstand – behoudens de voornoemde afspraak – van het recht op partneralimentatie.
Dit betekent, gelet op het bepaalde in artikel 1:159 lid 3 BW, dat voor beide onderdelen geldt dat deze afspraken slechts kunnen worden gewijzigd op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden.
Van een wijziging als hiervoor bedoeld, kan slechts sprake zijn, indien een volkomen wanverhouding bestaat tussen hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en hetgeen zich in werkelijkheid heeft voorgedaan. Hierbij komt het er volgens vaste jurisprudentie op aan of zulks een gevolg is van een voor de toepassing van artikel 1:159 lid 3 BW voldoende ingrijpende wijziging ten opzichte van de omstandigheden die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bestonden, terwijl voorts in aanmerking moet worden genomen wat partijen toen aan mogelijke toekomstige omstandigheden voor ogen hebben gehad.
Er gelden strenge eisen ten aanzien van de stelplicht en de bewijslast van de verzoeker. Degene die een alimentatieovereenkomst gewijzigd wil zien, moet stellen en bewijzen dat er sprake is van een wanverhouding tussen wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond in relatie tussen de huidige financiële situatie. Beoordeeld moet worden wat de omstandigheden waren ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, met welke eventuele toekomstige wijzigingen partijen rekening hielden en wie van de partijen het risico van de wijziging voor haar of zijn rekening zou moet nemen.