Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-19
ECLI:NL:RBZWB:2026:3181
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
11,846 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3181 text/xml public 2026-05-01T12:42:48 2026-04-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-19 C/02/429136 / FA RK 24-5529 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3181 text/html public 2026-04-29T13:04:17 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3181 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 19-03-2026 / C/02/429136 / FA RK 24-5529 Kinderalimentatie. Nakoming afspraak tussen partijen. Aanleiding voor herberekening omdat partijen de wettelijke maatstaven niet voor ogen hadden. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/429136 / FA RK 24-5529 19 maart 2026 beschikking betreffende levensonderhoud en omgangsregeling in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats 1] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. M.P.J. Brouwers, en [de man] , wonende te [woonplaats 2] , hierna te noemen de man, advocaat mr. E. Kocabas-Güler. 1 Het procesverloop 1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 26 november 2024 ontvangen verzoekschrift met bijlagen; - het op 27 maart 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen; - het F9-formulier van mr. Brouwers van 5 september 2025; - het F9-formulier van mr. Kocabas-Güler van 9 september 2025; - de brief van mr. Brouwers van 2 februari 2026 met bijlagen, tevens houdende een gewijzigd verzoek; - het F9-formulier van mr. Kocabas-Güler van 4 februari 2026 met bijlagen. 1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 12 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten en ieder vergezeld van een tolk. Daarnaast was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda (hierna: de Raad) om de rechtbank te adviseren over het niet-financiële verzoek betreffende de minderjarige. 2 De feiten 2.1 Partijen hebben elkaar in 2022 ontmoet. Partijen hebben nooit een relatie gehad en hebben niet met elkaar samengewoond. 2.2 Uit de vrouw is op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] geboren de [minderjarige] . De man is de verwekker van [minderjarige] . Hij heeft [minderjarige] niet erkend. Alleen de vrouw is belast met het gezag over [minderjarige] . 2.3 De vrouw en de man hebben de Poolse nationaliteit. 2.4 Bij beschikking provisionele voorzieningen van deze rechtbank van 28 mei 2025 (zaaknummer: C/02/43338867 FA RK 25/1746) zijn partijen voor bemiddeling verwezen naar het mediationbureau van de rechtbank. Daarnaast is in die beschikking bepaald dat de man en de minderjarige voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van omgang met elkaar om de week op zondag gedurende een uur bij de vrouw thuis, waarbij partijen het tijdstip in onderling overleg bepalen. Het eerstvolgende contactmoment na het afgeven van de beschikking was op zondag 31 mei 2025 van 11.00 uur tot 12.00 uur. Het mediationtraject is inmiddels zonder resultaat geëindigd. 2.5 Bij beschikking van deze rechtbank van 19 december 2025 (zaaknummer C/02/433823 FA RK 25-1725) is op verzoek van de man het ouderschap vastgesteld van de man met betrekking tot [minderjarige] . Verder is in die beschikking verstaan dat [minderjarige] na het in kracht van gewijsde gaan van de beschikking de [geslachtsnaam van de moeder] heeft en is de griffier opgedragen (wanneer de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan) een afschrift van de beschikking aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Tilburg te doen toekomen. Ten slotte heeft de rechtbank partijen naar aanleiding van het verzoek van de man om hem samen met de vrouw te belasten met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] , verwezen naar een (jeugd)hulptraject in de regio Midden-Brabant, het zogenoemde Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA). Het zorgloket is verzocht om het UHA-rapport uiterlijk op 20 augustus 2026 in te dienen, ook in onderhavige zaak. De rechtbank heeft de beslissing op het verzoek van de man met betrekking tot het (gezamenlijk) gezag aangehouden in afwachting van de uitkomst van het UHA-traject. 3 De verzoeken 3.1 De vrouw verzoekt, samengevat: - primair: te bepalen dat de man ten behoeve van [minderjarige] aan de vrouw moet betalen met ingang van 1 oktober 2023 een onderhoudsbijdrage van € 300,= per maand, en met ingang van 1 januari 2024 een onderhoudsbijdrage van € 359,= per maand; - subsidiair: vaststelling van een door de man met ingang van 1 oktober 2023 ten behoeve van de minderjarige te betalen onderhoudsbijdrage van € 347,= per maand, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen; 3.2 De man verzoekt een omgangsregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] bij hem verblijft: - gedurende de eerste vier weken om de week op zondag van 10.00 uur tot 13.00 uur; - gedurende de opvolgende vier weken om de week op zondag van 10.00 uur tot 16.00 uur; - gedurende de opvolgende vier weken en nadien om de week op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur. 4 De beoordeling Omgangsregeling 4.1 De man verzoekt een omgangsregeling vast te stellen die opbouwt naar een contactmoment tussen hem en [minderjarige] om de week op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur. 4.2 De Nederlandse rechter is bevoegd van dat verzoek kennis te nemen omdat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Op dat verzoek is het Nederlands recht van toepassing. 4.3 Artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. 4.4 Uit de hiervoor onder 2.4 en 2.5 genoemde beschikkingen blijkt dat de rechtbank tussen de man en [minderjarige] een voorlopige omgangsregeling heeft bepaald. Daaraan hebben partijen slechts een aantal keer uitvoering gegeven. Partijen hebben ieder een andere beleving waarom de voorlopige omgangsregeling (nog) niet van de grond is gekomen. Het mediationtraject waarnaar partijen zijn verwezen heeft ook geen resultaat opgeleverd. Daarom heeft de rechtbank partijen naar hulpverlening via het UHA verwezen. In dat traject gaan partijen werken aan het behalen van verschillende resultaten die van belang zijn om gezamenlijk invulling te kunnen geven aan hun rol als ouder van [minderjarige] . Eén van de doelen van het UHA-traject is dat [minderjarige] onbelast contact kan hebben met allebei haar ouders. 4.5 Tijdens de zitting hebben partijen laten weten dat de hulpverlening in het kader van het UHA-traject nog niet is gestart. Zij staan op dit moment op de wachtlijst. Partijen verzoeken ieder om de beslissing op het verzoek met betrekking tot de omgangsregeling aan te houden in afwachting van het UHA-traject. De Raad heeft dat verzoek van partijen onderschreven en ter zitting benadrukt dat (het opstarten van) de omgang in het kader van het UHA-traject een onderwerp is waar partijen met de hulpverlening aan gaan werken. 4.6 De rechtbank is het met partijen en de Raad eens dat een (definitieve) beslissing op het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] op dit moment niet wenselijk is, omdat het hulpverleningstraject waar partijen naar zijn verwezen mede is gericht op het creëren van de voorwaarden voor (het opstarten van) de omgang. De rechtbank zal daarom de beslissing op dat verzoek aanhouden in afwachting van de uitkomst van het UHA-traject. De rechtbank heeft in de procedure waarin de UHA-verwijzing heeft plaatsgevonden (zaaknummer C/02/433823 FA RK 25-1725) het loket al verzocht om de UHA-rapportage uiterlijk op 20 augustus 2026 in deze procedure in te dienen, waarna – bij een negatief resultaat – de Raad binnen twee weken aan de rechtbank laat weten of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3181 text/xml public 2026-05-01T12:42:48 2026-04-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-19 C/02/429136 / FA RK 24-5529 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3181 text/html public 2026-04-29T13:04:17 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3181 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 19-03-2026 / C/02/429136 / FA RK 24-5529 Kinderalimentatie. Nakoming afspraak tussen partijen. Aanleiding voor herberekening omdat partijen de wettelijke maatstaven niet voor ogen hadden. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/429136 / FA RK 24-5529 19 maart 2026 beschikking betreffende levensonderhoud en omgangsregeling in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats 1] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. M.P.J. Brouwers, en [de man] , wonende te [woonplaats 2] , hierna te noemen de man, advocaat mr. E. Kocabas-Güler. 1 Het procesverloop 1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 26 november 2024 ontvangen verzoekschrift met bijlagen; - het op 27 maart 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen; - het F9-formulier van mr. Brouwers van 5 september 2025; - het F9-formulier van mr. Kocabas-Güler van 9 september 2025; - de brief van mr. Brouwers van 2 februari 2026 met bijlagen, tevens houdende een gewijzigd verzoek; - het F9-formulier van mr. Kocabas-Güler van 4 februari 2026 met bijlagen. 1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 12 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten en ieder vergezeld van een tolk. Daarnaast was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda (hierna: de Raad) om de rechtbank te adviseren over het niet-financiële verzoek betreffende de minderjarige. 2 De feiten 2.1 Partijen hebben elkaar in 2022 ontmoet. Partijen hebben nooit een relatie gehad en hebben niet met elkaar samengewoond. 2.2 Uit de vrouw is op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] geboren de [minderjarige] . De man is de verwekker van [minderjarige] . Hij heeft [minderjarige] niet erkend. Alleen de vrouw is belast met het gezag over [minderjarige] . 2.3 De vrouw en de man hebben de Poolse nationaliteit. 2.4 Bij beschikking provisionele voorzieningen van deze rechtbank van 28 mei 2025 (zaaknummer: C/02/43338867 FA RK 25/1746) zijn partijen voor bemiddeling verwezen naar het mediationbureau van de rechtbank. Daarnaast is in die beschikking bepaald dat de man en de minderjarige voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van omgang met elkaar om de week op zondag gedurende een uur bij de vrouw thuis, waarbij partijen het tijdstip in onderling overleg bepalen. Het eerstvolgende contactmoment na het afgeven van de beschikking was op zondag 31 mei 2025 van 11.00 uur tot 12.00 uur. Het mediationtraject is inmiddels zonder resultaat geëindigd. 2.5 Bij beschikking van deze rechtbank van 19 december 2025 (zaaknummer C/02/433823 FA RK 25-1725) is op verzoek van de man het ouderschap vastgesteld van de man met betrekking tot [minderjarige] . Verder is in die beschikking verstaan dat [minderjarige] na het in kracht van gewijsde gaan van de beschikking de [geslachtsnaam van de moeder] heeft en is de griffier opgedragen (wanneer de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan) een afschrift van de beschikking aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Tilburg te doen toekomen. Ten slotte heeft de rechtbank partijen naar aanleiding van het verzoek van de man om hem samen met de vrouw te belasten met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] , verwezen naar een (jeugd)hulptraject in de regio Midden-Brabant, het zogenoemde Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA). Het zorgloket is verzocht om het UHA-rapport uiterlijk op 20 augustus 2026 in te dienen, ook in onderhavige zaak. De rechtbank heeft de beslissing op het verzoek van de man met betrekking tot het (gezamenlijk) gezag aangehouden in afwachting van de uitkomst van het UHA-traject. 3 De verzoeken 3.1 De vrouw verzoekt, samengevat: - primair: te bepalen dat de man ten behoeve van [minderjarige] aan de vrouw moet betalen met ingang van 1 oktober 2023 een onderhoudsbijdrage van € 300,= per maand, en met ingang van 1 januari 2024 een onderhoudsbijdrage van € 359,= per maand; - subsidiair: vaststelling van een door de man met ingang van 1 oktober 2023 ten behoeve van de minderjarige te betalen onderhoudsbijdrage van € 347,= per maand, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen; 3.2 De man verzoekt een omgangsregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] bij hem verblijft: - gedurende de eerste vier weken om de week op zondag van 10.00 uur tot 13.00 uur; - gedurende de opvolgende vier weken om de week op zondag van 10.00 uur tot 16.00 uur; - gedurende de opvolgende vier weken en nadien om de week op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur. 4 De beoordeling Omgangsregeling 4.1 De man verzoekt een omgangsregeling vast te stellen die opbouwt naar een contactmoment tussen hem en [minderjarige] om de week op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur. 4.2 De Nederlandse rechter is bevoegd van dat verzoek kennis te nemen omdat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Op dat verzoek is het Nederlands recht van toepassing. 4.3 Artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. 4.4 Uit de hiervoor onder 2.4 en 2.5 genoemde beschikkingen blijkt dat de rechtbank tussen de man en [minderjarige] een voorlopige omgangsregeling heeft bepaald. Daaraan hebben partijen slechts een aantal keer uitvoering gegeven. Partijen hebben ieder een andere beleving waarom de voorlopige omgangsregeling (nog) niet van de grond is gekomen. Het mediationtraject waarnaar partijen zijn verwezen heeft ook geen resultaat opgeleverd. Daarom heeft de rechtbank partijen naar hulpverlening via het UHA verwezen. In dat traject gaan partijen werken aan het behalen van verschillende resultaten die van belang zijn om gezamenlijk invulling te kunnen geven aan hun rol als ouder van [minderjarige] . Eén van de doelen van het UHA-traject is dat [minderjarige] onbelast contact kan hebben met allebei haar ouders. 4.5 Tijdens de zitting hebben partijen laten weten dat de hulpverlening in het kader van het UHA-traject nog niet is gestart. Zij staan op dit moment op de wachtlijst. Partijen verzoeken ieder om de beslissing op het verzoek met betrekking tot de omgangsregeling aan te houden in afwachting van het UHA-traject. De Raad heeft dat verzoek van partijen onderschreven en ter zitting benadrukt dat (het opstarten van) de omgang in het kader van het UHA-traject een onderwerp is waar partijen met de hulpverlening aan gaan werken. 4.6 De rechtbank is het met partijen en de Raad eens dat een (definitieve) beslissing op het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] op dit moment niet wenselijk is, omdat het hulpverleningstraject waar partijen naar zijn verwezen mede is gericht op het creëren van de voorwaarden voor (het opstarten van) de omgang. De rechtbank zal daarom de beslissing op dat verzoek aanhouden in afwachting van de uitkomst van het UHA-traject. De rechtbank heeft in de procedure waarin de UHA-verwijzing heeft plaatsgevonden (zaaknummer C/02/433823 FA RK 25-1725) het loket al verzocht om de UHA-rapportage uiterlijk op 20 augustus 2026 in deze procedure in te dienen, waarna – bij een negatief resultaat – de Raad binnen twee weken aan de rechtbank laat weten of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten.
Volledig
4.7 De rechtbank wijst er ten overvloede op dat de voorlopige omgangsregeling zoals die is bepaald bij de hiervoor onder 2.4 genoemde beschikking van 28 mei 2025, nog altijd geldt. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in het kader van het UHA-traject daaraan binnen afzienbare tijd uitvoering gaan geven. Kinderalimentatie 4.8 Omdat [minderjarige] in Nederland haar gewone verblijfplaats heeft, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek met betrekking tot kinderalimentatie. Op dat verzoek is Nederlands recht van toepassing. Nakoming afspraak tussen partijen 4.9 De vrouw heeft naar aanleiding van vragen van de rechtbank ter zitting bevestigd dat haar primaire verzoek dient te worden opgevat als een verzoek de man te veroordelen tot nakoming van de door partijen in de zomer van 2024 gesloten overeenkomst die inhoudt dat de man met ingang van 1 oktober 2023 maandelijks een bedrag van € 300,= aan de vrouw betaalt ten behoeve van [minderjarige] . 4.10 De vrouw heeft in de stukken en tijdens de zitting toegelicht dat zij de man op 19 februari 2024 voor het eerst heeft aangeschreven in verband met het vaststellen van een kinderalimentatie. Naar aanleiding daarvan heeft op verzoek van de man eerst een DNA-onderzoek plaatsgevonden om vast te stellen dat de man de verwekker is van [minderjarige] . Vervolgens hebben partijen, zonder bemoeienis van advocaten, in juni 2024 afspraken gemaakt over de kinderalimentatie. Die afspraken houden in dat de man een bijdrage betaalt van € 300,= per maand met ingang van 1 oktober 2023. De verschuldigde bijdrage over de periode van 1 oktober 2023 tot en met mei 2024, zou de man met € 100,= per maand inlopen. De man heeft zich drie maanden aan de gemaakte afspraken gehouden en dus driemaal € 400,= betaald. 4.11 De man heeft in zijn verweerschrift en in eerste instantie ter zitting erkend dat partijen in juni 2024 zijn overeengekomen dat de man maandelijks een bijdrage zal leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 300,=, met ingang van 1 oktober 2023. De man stelt met die afspraak te hebben ingestemd met het oog op het opbouwen van contact tussen hem en [minderjarige] . Het betalen van die onderhoudsbijdrage is voor de man echter niet haalbaar gebleken, terwijl ook het contact met [minderjarige] (nog) niet van de grond gekomen is. De man acht zich daarom niet (meer) aan die afspraken gebonden. 4.12 De rechtbank stelt op basis van het debat tussen partijen vast dat zij in juni 2024 een afspraak hebben gemaakt over de kinderalimentatie. Die afspraak houdt in dat de man aan de vrouw een bedrag van € 300,= per maand betaalt, met ingangsdatum 1 oktober 2023. De rechtbank verwerpt daarmee het door de man in de loop van de zitting ingenomen standpunt dat partijen slechts hebben onderhandeld en dat van een definitieve overeenkomst geen sprake is, omdat de afspraken niet op papier zijn gezet. Ten eerste staat dat (nieuwe) standpunt haaks op de eerder ingenomen stellingen van de man waarmee hij het bestaan van een alimentatieovereenkomst heeft erkend (ook tijdens de zitting). Ten tweede past dat standpunt niet bij de wijze waarop de man destijds heeft gehandeld, namelijk door drie maanden uitvoering aan de afspraken te geven. Ten slotte vindt dat (gewijzigde) standpunt van de man geen steun in de feiten. Tijdens de zitting heeft de man ter onderbouwing van zijn stelling dat partijen geen (definitieve) afspraak hebben gemaakt, maar slechts hebben onderhandeld, gewezen op e-mailcorrespondentie tussen hem en de advocaat van de vrouw (productie 10 bij het verzoekschrift). Uit die e-mailwisseling leidt de rechtbank echter juist af dat partijen een (definitieve) afspraak over de kinderalimentatie hebben gemaakt. De man bevestigt in zijn e-mail van 21 juni 2024 expliciet aan de advocaat van de vrouw dat hij vanaf oktober 2023 alimentatie zal betalen. De omstandigheid dat die afspraak (nog) niet op schrift is gesteld, maakt niet dat van een overeenkomst geen sprake is. Uit de toevoeging van de man dat hij pas documenten ondertekent “als de documenten en het bezoekschema met het kind zijn opgesteld” kan de rechtbank ook niet afleiden dat de man zich pas aan die gemaakte afspraak gebonden acht op het moment dat die op schrift is gesteld. Daarbij neemt de rechtbank, ook in dit kader, in aanmerking dat de man op het moment waarop hij genoemde e-mail verzond al uitvoering gaf aan die afspraak. 4.13 Voor de rechtbank staat dus vast dat partijen een alimentatieovereenkomst hebben gesloten. In beginsel is de man gehouden aan die overeenkomst die voor de man de verbintenis inhoudt iedere maand een bedrag van € 300,= aan de vrouw te betalen voor de kosten van [minderjarige] . Dat de man vanaf augustus 2024 niet meer aan de op hem rustende verplichting heeft voldaan, maakt niet dat hij zich daarvan heeft bevrijd. Ook de omstandigheid dat de omgang tussen de man en [minderjarige] , waar partijen ook een afspraak over zouden hebben gemaakt, niet op de door de man gewenste wijze is uitgevoerd, vormt geen grond waarop de man zich aan zijn verplichting tot betaling van de overeengekomen kinderalimentatie kan onttrekken. Wijziging afspraak 4.14 Een overeengekomen alimentatie kan in specifieke gevallen die in de wet zijn omschreven worden gewijzigd. De man doet een beroep op de grondslag dat de rechtbank de tussen partijen gesloten alimentatieovereenkomst kan wijzigen als deze tot stand is gekomen ‘met grove miskenning van de wettelijke maatstaven’, zoals bedoeld in artikel 1:401 lid 5 BW. De overeengekomen onderhoudsbijdrage van € 300,= is niet de uitkomst geweest van een alimentatieberekening, zodat die alleen daarom al niet kan voldoen aan de wettelijke maatstaven, waar de man verder ook niet mee bekend was ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. 4.15 De vrouw erkent dat partijen bij de totstandkoming van de alimentatieovereenkomst geen juridische bijstand hebben gehad en dat zij beiden niet de wettelijke maatstaven voor ogen hebben gehad. Ook zij stelt – subsidiair en in reactie op het verweer van de man dat de alimentatieovereenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven – dat de overeengekomen bijdrage opnieuw moet worden berekend en vastgesteld.. Op basis van de in deze procedure verstrekte inkomensgegevens moet de door de man te betalen bijdrage volgens haar op een hoger bedrag worden vastgesteld. 4.16 Omdat partijen het erover eens zijn dat de gesloten alimentatieovereenkomst voor wat betreft de hoogte van de door de man te betalen bijdrage tot stand is gekomen zonder acht te slaan op de wettelijke maatstaven en een (her)berekening daarom op zijn plaats is, ziet de rechtbank voldoende aanleiding een onderzoek te doen naar de behoefte van [minderjarige] aan een bijdrage en naar de financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen. 4.17 Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. Behoefte van [minderjarige] 4.18 Uitgangspunt bij de bepaling van de behoefte van kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengeleefd, is dat deze in beginsel bepaald wordt door het gemiddelde te nemen van de afzonderlijke behoeftes van de kinderen berekend op basis van het inkomen van ieder van de ouders. 4.19 De man stelt zich op het standpunt dat voor de berekening van de behoefte van [minderjarige] de inkomensgegevens van 2023 het uitgangspunt vormen. De man had in 2023 een inkomen uit loondienst in Polen van € 5.301,= bruto per jaar en een winst uit onderneming van € 5.822,= bruto per jaar. Volgens de vrouw geeft de man niet een volledig inzicht in zijn inkomensgegevens over 2023. Zijn totale inkomen dat jaar staat in schril contrast met zijn winst uit onderneming in 2024. De vrouw gaat in haar berekeningen daarom uit van zijn inkomen in 2024.
Volledig
4.7 De rechtbank wijst er ten overvloede op dat de voorlopige omgangsregeling zoals die is bepaald bij de hiervoor onder 2.4 genoemde beschikking van 28 mei 2025, nog altijd geldt. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in het kader van het UHA-traject daaraan binnen afzienbare tijd uitvoering gaan geven. Kinderalimentatie 4.8 Omdat [minderjarige] in Nederland haar gewone verblijfplaats heeft, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek met betrekking tot kinderalimentatie. Op dat verzoek is Nederlands recht van toepassing. Nakoming afspraak tussen partijen 4.9 De vrouw heeft naar aanleiding van vragen van de rechtbank ter zitting bevestigd dat haar primaire verzoek dient te worden opgevat als een verzoek de man te veroordelen tot nakoming van de door partijen in de zomer van 2024 gesloten overeenkomst die inhoudt dat de man met ingang van 1 oktober 2023 maandelijks een bedrag van € 300,= aan de vrouw betaalt ten behoeve van [minderjarige] . 4.10 De vrouw heeft in de stukken en tijdens de zitting toegelicht dat zij de man op 19 februari 2024 voor het eerst heeft aangeschreven in verband met het vaststellen van een kinderalimentatie. Naar aanleiding daarvan heeft op verzoek van de man eerst een DNA-onderzoek plaatsgevonden om vast te stellen dat de man de verwekker is van [minderjarige] . Vervolgens hebben partijen, zonder bemoeienis van advocaten, in juni 2024 afspraken gemaakt over de kinderalimentatie. Die afspraken houden in dat de man een bijdrage betaalt van € 300,= per maand met ingang van 1 oktober 2023. De verschuldigde bijdrage over de periode van 1 oktober 2023 tot en met mei 2024, zou de man met € 100,= per maand inlopen. De man heeft zich drie maanden aan de gemaakte afspraken gehouden en dus driemaal € 400,= betaald. 4.11 De man heeft in zijn verweerschrift en in eerste instantie ter zitting erkend dat partijen in juni 2024 zijn overeengekomen dat de man maandelijks een bijdrage zal leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 300,=, met ingang van 1 oktober 2023. De man stelt met die afspraak te hebben ingestemd met het oog op het opbouwen van contact tussen hem en [minderjarige] . Het betalen van die onderhoudsbijdrage is voor de man echter niet haalbaar gebleken, terwijl ook het contact met [minderjarige] (nog) niet van de grond gekomen is. De man acht zich daarom niet (meer) aan die afspraken gebonden. 4.12 De rechtbank stelt op basis van het debat tussen partijen vast dat zij in juni 2024 een afspraak hebben gemaakt over de kinderalimentatie. Die afspraak houdt in dat de man aan de vrouw een bedrag van € 300,= per maand betaalt, met ingangsdatum 1 oktober 2023. De rechtbank verwerpt daarmee het door de man in de loop van de zitting ingenomen standpunt dat partijen slechts hebben onderhandeld en dat van een definitieve overeenkomst geen sprake is, omdat de afspraken niet op papier zijn gezet. Ten eerste staat dat (nieuwe) standpunt haaks op de eerder ingenomen stellingen van de man waarmee hij het bestaan van een alimentatieovereenkomst heeft erkend (ook tijdens de zitting). Ten tweede past dat standpunt niet bij de wijze waarop de man destijds heeft gehandeld, namelijk door drie maanden uitvoering aan de afspraken te geven. Ten slotte vindt dat (gewijzigde) standpunt van de man geen steun in de feiten. Tijdens de zitting heeft de man ter onderbouwing van zijn stelling dat partijen geen (definitieve) afspraak hebben gemaakt, maar slechts hebben onderhandeld, gewezen op e-mailcorrespondentie tussen hem en de advocaat van de vrouw (productie 10 bij het verzoekschrift). Uit die e-mailwisseling leidt de rechtbank echter juist af dat partijen een (definitieve) afspraak over de kinderalimentatie hebben gemaakt. De man bevestigt in zijn e-mail van 21 juni 2024 expliciet aan de advocaat van de vrouw dat hij vanaf oktober 2023 alimentatie zal betalen. De omstandigheid dat die afspraak (nog) niet op schrift is gesteld, maakt niet dat van een overeenkomst geen sprake is. Uit de toevoeging van de man dat hij pas documenten ondertekent “als de documenten en het bezoekschema met het kind zijn opgesteld” kan de rechtbank ook niet afleiden dat de man zich pas aan die gemaakte afspraak gebonden acht op het moment dat die op schrift is gesteld. Daarbij neemt de rechtbank, ook in dit kader, in aanmerking dat de man op het moment waarop hij genoemde e-mail verzond al uitvoering gaf aan die afspraak. 4.13 Voor de rechtbank staat dus vast dat partijen een alimentatieovereenkomst hebben gesloten. In beginsel is de man gehouden aan die overeenkomst die voor de man de verbintenis inhoudt iedere maand een bedrag van € 300,= aan de vrouw te betalen voor de kosten van [minderjarige] . Dat de man vanaf augustus 2024 niet meer aan de op hem rustende verplichting heeft voldaan, maakt niet dat hij zich daarvan heeft bevrijd. Ook de omstandigheid dat de omgang tussen de man en [minderjarige] , waar partijen ook een afspraak over zouden hebben gemaakt, niet op de door de man gewenste wijze is uitgevoerd, vormt geen grond waarop de man zich aan zijn verplichting tot betaling van de overeengekomen kinderalimentatie kan onttrekken. Wijziging afspraak 4.14 Een overeengekomen alimentatie kan in specifieke gevallen die in de wet zijn omschreven worden gewijzigd. De man doet een beroep op de grondslag dat de rechtbank de tussen partijen gesloten alimentatieovereenkomst kan wijzigen als deze tot stand is gekomen ‘met grove miskenning van de wettelijke maatstaven’, zoals bedoeld in artikel 1:401 lid 5 BW. De overeengekomen onderhoudsbijdrage van € 300,= is niet de uitkomst geweest van een alimentatieberekening, zodat die alleen daarom al niet kan voldoen aan de wettelijke maatstaven, waar de man verder ook niet mee bekend was ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. 4.15 De vrouw erkent dat partijen bij de totstandkoming van de alimentatieovereenkomst geen juridische bijstand hebben gehad en dat zij beiden niet de wettelijke maatstaven voor ogen hebben gehad. Ook zij stelt – subsidiair en in reactie op het verweer van de man dat de alimentatieovereenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven – dat de overeengekomen bijdrage opnieuw moet worden berekend en vastgesteld.. Op basis van de in deze procedure verstrekte inkomensgegevens moet de door de man te betalen bijdrage volgens haar op een hoger bedrag worden vastgesteld. 4.16 Omdat partijen het erover eens zijn dat de gesloten alimentatieovereenkomst voor wat betreft de hoogte van de door de man te betalen bijdrage tot stand is gekomen zonder acht te slaan op de wettelijke maatstaven en een (her)berekening daarom op zijn plaats is, ziet de rechtbank voldoende aanleiding een onderzoek te doen naar de behoefte van [minderjarige] aan een bijdrage en naar de financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen. 4.17 Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. Behoefte van [minderjarige] 4.18 Uitgangspunt bij de bepaling van de behoefte van kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengeleefd, is dat deze in beginsel bepaald wordt door het gemiddelde te nemen van de afzonderlijke behoeftes van de kinderen berekend op basis van het inkomen van ieder van de ouders. 4.19 De man stelt zich op het standpunt dat voor de berekening van de behoefte van [minderjarige] de inkomensgegevens van 2023 het uitgangspunt vormen. De man had in 2023 een inkomen uit loondienst in Polen van € 5.301,= bruto per jaar en een winst uit onderneming van € 5.822,= bruto per jaar. Volgens de vrouw geeft de man niet een volledig inzicht in zijn inkomensgegevens over 2023. Zijn totale inkomen dat jaar staat in schril contrast met zijn winst uit onderneming in 2024. De vrouw gaat in haar berekeningen daarom uit van zijn inkomen in 2024.
Volledig
4.20 Omdat de vrouw de man voor het eerst heeft aangeschreven in februari 2024 en partijen in juni 2024 met elkaar de alimentatieovereenkomst hebben gesloten, zal de rechtbank de inkomens van partijen in 2024 als uitgangspunt nemen voor de vaststelling van de behoefte van [minderjarige] . 4.21 Uit de jaaropgave van het UWV over 2024 volgt dat de vrouw een inkomen uit een WIA-uitkering had van € 26.240,= bruto per jaar. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Ook zal de rechtbank rekening houden met het door de vrouw ontvangen kindgebonden budget. Het NBI van de vrouw komt daarmee in 2024 op een bedrag van € 2.144,= per maand. Bij dit NBI hoort volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van [minderjarige] van € 253,= per maand. 4.22 De man werkt als zelfstandig ondernemer. Het NBI van de man wordt gerelateerd aan de beschikbare winst uit onderneming. Uit het in het geding gebrachte ‘fiscaal rapport aangifte inkomstenbelasting 2024’ blijkt dat de bruto winst uit onderneming van de man in 2024 € 60.321,= bedroeg. De rechtbank houdt rekening met de toepasselijke ondernemersaftrek (zelfstandigenaftrek, startersaftrek) en mkb-winstvrijstelling, de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Verder is de op aanslag te betalen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet in aanmerking genomen. Daarnaast zou de man met dit inkomen in aanmerking komen voor een kindgebonden budget als hij de volledige zorg voor [minderjarige] zou hebben gehad evenals de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het NBI van de man komt daarmee in 2024 op een bedrag van € 4.494,= per maand. Bij dit NBI hoort volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van [minderjarige] van € 634,= per maand. 4.23 Het gemiddelde van de bij ieder van partijen afzonderlijk berekende behoeftes van [minderjarige] bedraagt dus [(€ 253 + € 634) / 2 =] € 444,= per maand. Draagkracht van partijen 4.24 Vervolgens moet de rechtbank bepalen op welke wijze de behoefte [minderjarige] tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dat opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. Dat betekent dat de behoefte van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het huidige NBI van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2024 bij inkomens vanaf € 2.065,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.270,=)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.065,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing. 4.25 Omdat de rechtbank moet beoordelen of de door partijen in juni 2024 gemaakte afspraak over de kinderalimentatie voldoet aan de wettelijke maatstaven, zal zij voor de vaststelling van het NBI van zowel de man als de vrouw opnieuw uitgaan van de hiervoor weergegeven inkomensgegevens van partijen in 2024. In deze situatie, waar het gaat over de draagkracht van partijen, sluit de rechtbank aan bij de feitelijke situatie en wordt er aan de zijde van de man dus geen rekening gehouden met een kindgebonden budget en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. 4.26 Het NBI van de vrouw blijft dan gelijk aan het onder 4.21 genoemde bedrag van € 2.144,=, terwijl het NBI van de man uitkomt op een bedrag van € 3.870,=. De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 162,= en de draagkracht van de man € 1.007,=. 4.27 De rechtbank heeft van de behoefte van [minderjarige] en de draagkracht van partijen berekeningen gemaakt die bij deze beschikking zijn gevoegd en daarvan onderdeel uitmaken. Verdeling van de kosten 4.28 De verdeling van de kosten van [minderjarige] over partijen wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen, oftewel: het aandeel van de man bedraagt: € 1.007 / € 1.169 x € 444 = € 382,=; het aandeel van de vrouw bedraagt: € 162 / € 1.169 x € 444 = € 62,=. Zorgkorting 4.29 De man maakt aanspraak op toepassing van een zorgkorting van 15% op de door hem te betalen kinderbijdrage. De vrouw maakt daartegen bezwaar, omdat er op dit moment een voorlopige omgangsregeling geldt van één uur in de twee weken, waaraan geen uitvoering wordt gegeven. Daar past volgens de vrouw een zorgkorting van 5% bij. 4.30 De rechtbank zal op de door de man te betalen bijdrage een zorgkorting toepassen van 15%. Tussen partijen is niet in geschil dat zij bij het maken van de afspraak over kinderalimentatie beiden voor ogen hebben gehad dat het contact tussen [minderjarige] en de man zou worden opgebouwd. Hoewel het opstarten van een omgangsregeling nog niet is gelukt, is dat wel een doel van partijen, waarvoor zij inmiddels op vrijwillige basis naar het UHA-traject zijn verwezen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat partijen zullen toewerken naar een bestendige omgangsregeling van gemiddeld minimaal één dag per week. Daar hoort een zorgkorting bij van 15%. 4.31 Als in de toekomst blijkt dat een zorgkorting van 15% gelet op de invulling van de omgangsregeling niet passend is, dan gaat de rechtbank ervan uit dat partijen zelf in staat zijn om de kinderalimentatie op dat punt aan te passen. 4.32 Bij een behoefte van [minderjarige] van € 444,= per maand beloopt de zorgkorting een bedrag van € 67,= per maand. Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen € 315,= per maand. Conclusie 4.33 De slotsom is dat de door partijen overeengekomen, door de man te betalen bijdrage van € 300,= per maand afwijkt van de hiervoor door de rechtbank berekende bijdrage van € 315,= per maand. De rechtbank laat in het midden of genoemd verschil van € 15,= een zodanige afwijking is dat sprake is van een (duidelijke) wanverhouding tussen de bijdrage die partijen zijn overeengekomen en de bijdrage die de rechter zou hebben vastgesteld. In zijn arrest van 1 november 2019 heeft de Hoge Raad immers geoordeeld dat de contractsvrijheid van ouders bij afspraken over kinderalimentatie wordt begrensd door de dwingendrechtelijke regel dat de kinderalimentatie ten minste moet voldoen aan de wettelijke maatstaven. De rechtbank constateert dat de door partijen overeengekomen bijdrage aan die eis niet voldoet. Bovendien neemt de rechtbank in aanmerking dat beide partijen hebben verzocht om vaststelling van een bijdrage in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. De rechtbank zal de tussen partijen gemaakte afspraak daarom wijzigen en bepalen dat de man een bijdrage moet betalen van € 315,= per maand. Omdat die wijziging het gevolg is van de constatering dat de afspraak van partijen van het begin af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan, zal de rechtbank de gewijzigde bijdrage laten ingaan per de datum waarop de betalingsverplichting van de man is aangevangen. Dat is overeenkomstig de door partijen gemaakte afspraak 1 oktober 2023. 4.34 De rechtbank wijst erop dat artikel 1:402a BW van toepassing is. Dat betekent dat de overeengekomen bijdrage voor het eerst per 1 januari 2025 van rechtswege zou zijn geïndexeerd. Gelet hierop zal de rechtbank de nader vast te stellen bijdrage eveneens indexeren zodat die bijdrage per 1 januari 2025 € 335,= per maand bedraagt, en per 1 januari 2026 naar € 351,= per maand. De rechtbank zal dat in de beslissing tot uitdrukking brengen op de wijze als hierna vermeld.
Volledig
4.20 Omdat de vrouw de man voor het eerst heeft aangeschreven in februari 2024 en partijen in juni 2024 met elkaar de alimentatieovereenkomst hebben gesloten, zal de rechtbank de inkomens van partijen in 2024 als uitgangspunt nemen voor de vaststelling van de behoefte van [minderjarige] . 4.21 Uit de jaaropgave van het UWV over 2024 volgt dat de vrouw een inkomen uit een WIA-uitkering had van € 26.240,= bruto per jaar. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Ook zal de rechtbank rekening houden met het door de vrouw ontvangen kindgebonden budget. Het NBI van de vrouw komt daarmee in 2024 op een bedrag van € 2.144,= per maand. Bij dit NBI hoort volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van [minderjarige] van € 253,= per maand. 4.22 De man werkt als zelfstandig ondernemer. Het NBI van de man wordt gerelateerd aan de beschikbare winst uit onderneming. Uit het in het geding gebrachte ‘fiscaal rapport aangifte inkomstenbelasting 2024’ blijkt dat de bruto winst uit onderneming van de man in 2024 € 60.321,= bedroeg. De rechtbank houdt rekening met de toepasselijke ondernemersaftrek (zelfstandigenaftrek, startersaftrek) en mkb-winstvrijstelling, de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Verder is de op aanslag te betalen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet in aanmerking genomen. Daarnaast zou de man met dit inkomen in aanmerking komen voor een kindgebonden budget als hij de volledige zorg voor [minderjarige] zou hebben gehad evenals de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het NBI van de man komt daarmee in 2024 op een bedrag van € 4.494,= per maand. Bij dit NBI hoort volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van [minderjarige] van € 634,= per maand. 4.23 Het gemiddelde van de bij ieder van partijen afzonderlijk berekende behoeftes van [minderjarige] bedraagt dus [(€ 253 + € 634) / 2 =] € 444,= per maand. Draagkracht van partijen 4.24 Vervolgens moet de rechtbank bepalen op welke wijze de behoefte [minderjarige] tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dat opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. Dat betekent dat de behoefte van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het huidige NBI van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2024 bij inkomens vanaf € 2.065,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.270,=)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.065,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing. 4.25 Omdat de rechtbank moet beoordelen of de door partijen in juni 2024 gemaakte afspraak over de kinderalimentatie voldoet aan de wettelijke maatstaven, zal zij voor de vaststelling van het NBI van zowel de man als de vrouw opnieuw uitgaan van de hiervoor weergegeven inkomensgegevens van partijen in 2024. In deze situatie, waar het gaat over de draagkracht van partijen, sluit de rechtbank aan bij de feitelijke situatie en wordt er aan de zijde van de man dus geen rekening gehouden met een kindgebonden budget en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. 4.26 Het NBI van de vrouw blijft dan gelijk aan het onder 4.21 genoemde bedrag van € 2.144,=, terwijl het NBI van de man uitkomt op een bedrag van € 3.870,=. De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 162,= en de draagkracht van de man € 1.007,=. 4.27 De rechtbank heeft van de behoefte van [minderjarige] en de draagkracht van partijen berekeningen gemaakt die bij deze beschikking zijn gevoegd en daarvan onderdeel uitmaken. Verdeling van de kosten 4.28 De verdeling van de kosten van [minderjarige] over partijen wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen, oftewel: het aandeel van de man bedraagt: € 1.007 / € 1.169 x € 444 = € 382,=; het aandeel van de vrouw bedraagt: € 162 / € 1.169 x € 444 = € 62,=. Zorgkorting 4.29 De man maakt aanspraak op toepassing van een zorgkorting van 15% op de door hem te betalen kinderbijdrage. De vrouw maakt daartegen bezwaar, omdat er op dit moment een voorlopige omgangsregeling geldt van één uur in de twee weken, waaraan geen uitvoering wordt gegeven. Daar past volgens de vrouw een zorgkorting van 5% bij. 4.30 De rechtbank zal op de door de man te betalen bijdrage een zorgkorting toepassen van 15%. Tussen partijen is niet in geschil dat zij bij het maken van de afspraak over kinderalimentatie beiden voor ogen hebben gehad dat het contact tussen [minderjarige] en de man zou worden opgebouwd. Hoewel het opstarten van een omgangsregeling nog niet is gelukt, is dat wel een doel van partijen, waarvoor zij inmiddels op vrijwillige basis naar het UHA-traject zijn verwezen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat partijen zullen toewerken naar een bestendige omgangsregeling van gemiddeld minimaal één dag per week. Daar hoort een zorgkorting bij van 15%. 4.31 Als in de toekomst blijkt dat een zorgkorting van 15% gelet op de invulling van de omgangsregeling niet passend is, dan gaat de rechtbank ervan uit dat partijen zelf in staat zijn om de kinderalimentatie op dat punt aan te passen. 4.32 Bij een behoefte van [minderjarige] van € 444,= per maand beloopt de zorgkorting een bedrag van € 67,= per maand. Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen € 315,= per maand. Conclusie 4.33 De slotsom is dat de door partijen overeengekomen, door de man te betalen bijdrage van € 300,= per maand afwijkt van de hiervoor door de rechtbank berekende bijdrage van € 315,= per maand. De rechtbank laat in het midden of genoemd verschil van € 15,= een zodanige afwijking is dat sprake is van een (duidelijke) wanverhouding tussen de bijdrage die partijen zijn overeengekomen en de bijdrage die de rechter zou hebben vastgesteld. In zijn arrest van 1 november 2019 heeft de Hoge Raad immers geoordeeld dat de contractsvrijheid van ouders bij afspraken over kinderalimentatie wordt begrensd door de dwingendrechtelijke regel dat de kinderalimentatie ten minste moet voldoen aan de wettelijke maatstaven. De rechtbank constateert dat de door partijen overeengekomen bijdrage aan die eis niet voldoet. Bovendien neemt de rechtbank in aanmerking dat beide partijen hebben verzocht om vaststelling van een bijdrage in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. De rechtbank zal de tussen partijen gemaakte afspraak daarom wijzigen en bepalen dat de man een bijdrage moet betalen van € 315,= per maand. Omdat die wijziging het gevolg is van de constatering dat de afspraak van partijen van het begin af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan, zal de rechtbank de gewijzigde bijdrage laten ingaan per de datum waarop de betalingsverplichting van de man is aangevangen. Dat is overeenkomstig de door partijen gemaakte afspraak 1 oktober 2023. 4.34 De rechtbank wijst erop dat artikel 1:402a BW van toepassing is. Dat betekent dat de overeengekomen bijdrage voor het eerst per 1 januari 2025 van rechtswege zou zijn geïndexeerd. Gelet hierop zal de rechtbank de nader vast te stellen bijdrage eveneens indexeren zodat die bijdrage per 1 januari 2025 € 335,= per maand bedraagt, en per 1 januari 2026 naar € 351,= per maand. De rechtbank zal dat in de beslissing tot uitdrukking brengen op de wijze als hierna vermeld.