Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-29
ECLI:NL:GHSHE:2025:1215
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
5,977 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.341.063/01
arrest van 29 april 2025
in de zaak van
1 [appellant sub 1] ,
2. [appellant sub 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [appellanten] ,
advocaat: mr. P.J. van den Boogaard te Cuijk,
tegen
[XX] Bouw B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [XX] Bouw,
advocaat: mr. D.H.J. Kochx te Etten-Leur,
op het bij exploot van dagvaarding van 9 april 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 10 januari 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellanten] als gedaagde en [XX] Bouw als eiseres.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven met producties;
de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;
de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
de op 9 december 2024 ingekomen e-mail van de advocaat van [appellanten] met de aantekeningen van de mondelinge behandeling bij de kantonrechter van 21 november 2023.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
In principaal en incidenteel hoger beroep
3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
- Op 24 januari 2020 heeft [XX] Bouw een offerte gemaakt voor [appellanten] ten behoeve van de verbouwing van zijn woning aan [adres A] . Op 8 februari 2020 heeft [appellanten] de offerte ondertekend teruggestuurd en gevraagd naar de planning.
- Op 17 februari 2020 heeft [appellanten] nogmaals naar de planning gevraagd, waarop [XX] Bouw op 19 februari 2020 een reactie heeft gestuurd met de tekst:
“Momenteel sta je in de planning voor medio april / mei maar aangezien we werken na elkaar afmaken en de doorlooptijd nog wel eens […] tijd kunnen we zo ver vooruit geen exacte datum geven. Zodra we dichterbij komen wordt de datum ook steeds concreter.”
- Na een ontvangstbevestiging van [appellanten] heeft [XX] Bouw op 4 maart 2020 een mail gestuurd met de tekst:
“Momenteel staat jou […] verbouwing gepland voor start medio mei […] te noemen, er zit nog teveel werk voor wat kan mee vallen of kan tegenvallen.
Zodra we meer een concrete datum hebben melden we dit meteen!”
- Op 25 maart 2020 heeft [appellanten] een mail gestuurd met de tekst:
“[…] aangezien de huidige vervelende situatie dat de coronacrisis over een paar maanden niet voorbij gaat, stel ik voor dat we de verbouwing […] maken een nieuwe afspraak wanneer de situatie duidelijker is. Graag jouw reactie?”
- Op 26 maart 2020 heeft [XX] Bouw laten weten dat zij nog volgens planning werkt en dat zij intern zal overleggen of de verbouwing van [appellanten] kan worden uitgesteld en wat de consequenties zijn.
- Op 10 april 2020 heeft [appellanten] aan [XX] Bouw een mail gestuurd met de tekst:
“De ontwikkeling van de coronacrisis gaat binnenkort niet beter vrees ik. Om de verbouwing goed te regelen moet ik bouwmarkten, leveranciers […] bezoeken. Dat is niet praktisch tijdens deze lastige periode. Ik vind het jammer dat het project moet worden uitgesteld. Ik begrijp dat er sprake […] Hartelijk bedankt voor de moeite.”
- Op 17 november 2020 heeft [XX] Bouw laten weten dat ze de verbouwing in januari (2021) wil gaan opstarten.
- Op 19 november 2020 heeft [appellanten] geschreven dat zij vanwege veranderde omstandigheden niet van plan zijn om het komende jaar de woning te laten renoveren.
- Op 23 november 2020 heeft [XX] Bouw een mail gestuurd met de tekst:
“Je zadelt me nu voor de 2e keer met een probleem op. Je hebt ons opdracht gegeven en we hebben 2x tijd gereserveerd voor deze verbouwing en […] werkzaamheden in hun planning opnemen. Nu moet ik voor de 2e keer alles annuleren. Ik begrijp dat het de 1e keer spannend was met corona maar[…] draait alles gewoon door. Je kan dan ook niet zo maar een werk annuleren waar je opdracht voor gegeven.
Normaal wordt er 10% in rekening gebracht bij annulering van een opdracht, zie artikel 14.5 in de AVA 2013 […]”
- Op 30 november 2020 heeft [appellanten] laten weten dat er geen sprake is van annuleren en dat de verbouwing zeker doorgaat. Dat zou voor hem mogelijk zijn medio 2022. Hij heeft voorgesteld hierover contact op te nemen. [XX] Bouw heeft daarop laten weten dat de mail dan verkeerd is begrepen en dat de verbouwing in de planning wordt gezet voor begin 2022. Wel zal de prijs tegen die tijd geüpdatet moeten worden. [appellanten] heeft diezelfde dag per mail gereageerd dat hij niet zeker weet of begin 2022 kan en heeft voorgesteld te denken over medio 2022. [XX] Bouw heeft laten weten dat dat akkoord is.
- Op 25 maart 2022 heeft [appellanten] per mail aan [XX] Bouw gevraagd of ze begin september kan beginnen. [XX] Bouw heeft vervolgens in overleg met [appellanten] een nieuwe offerte gemaakt voor het renoveren van de woning. Uiteindelijk heeft [appellanten] de offerte gedateerd 21 juni 2022 met een “geüpdatet plan op basis van huidig prijspeil” voor een totale prijs van € 135.275,00 inclusief BTW op 21 juni 2022 ondertekend retour gezonden.
- Op de overeenkomst wordt voor een overzicht van de werkzaamheden en kosten verwezen naar een bijgevoegde calculatie. Daarin staat onder meer:
05.02.01
Meewerkend voorman op locatie 10,00 week
05.02.10 Projectbegeleiding (planning, overleg opdrachtgever, afstemmen onderaannemers ec 10,00 week
05.03.25 Wekelijks opruimen bouwplaats 10,00 week
90.10.45
Genoemde doorlooptijd is een geschatte doorlooptijd zonder droogtijden, inhuur onderaannemers etc
- Op de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden voor Aanneming van werk 2013 (AVA 2013) Vastgesteld door Bouwend Nederland d.d. 27 maart 2013 van toepassing. In artikel 14.5 AVA 2013 staat:
5. De opdrachtgever is te allen tijde bevoegd de overeenkomst geheel of gedeeltelijk op te zeggen. De aannemer heeft in dat geval recht op de aannemingssom, vermeerderd met de kosten die hij als gevolg van de niet voltooiing heeft moeten maken en verminderd met de hem door de beëindiging bespaarde kosten. De aannemer is gerechtigd om in plaats van voorgaande aanspraak 10% van de waarde van het niet uitgevoerde deel van het werk in rekening te brengen. De aannemer zendt de opdrachtgever een gespecificeerde eindafrekening van hetgeen de opdrachtgever ingevolge de opzegging verschuldigd is.
- Onderaan de overeenkomst, boven de handtekening van partijen, staat vermeld:
“Na ontvangst van de getekende opdracht zal er met u een datum overeengekomen worden waarop de werkzaamheden uitgevoerd zullen worden.”
- Op 19 oktober 2022 heeft [XX] Bouw per mail laten weten dat het nog enige tijd duurt voordat ze gaat starten met de verbouwing. In verband met het steeds moeilijker verkrijgen van metselstenen heeft zij opdracht gegeven de bestaande metselstenen te gaan bemonsteren.
- Op 1 november 2022 heeft [appellanten] per mail naar de planning geïnformeerd. Op 2 november 2022 reageerde [XX] Bouw per mail:
“als we gaan starten geven we dit vooraf aan”
- Op 5 december 2022 heeft [appellanten] nogmaals per mail geïnformeerd met de vraag:
“het is bijna Kerstmis en ik hoor graag van jullie”
[XX] Bouw heeft daar niet op gereageerd.
- Op 10 februari 2023 heeft [appellanten] per mail verzocht om een update, omdat zij nog steeds geen planning had ontvangen. Hij heeft verzocht zo snel mogelijk een actuele planning te sturen, inclusief de verwachte opleverdatum.
- Op 13 februari 2023 reageerde [XX] Bouw per mail dat het project van [appellanten] gepland staat om te starten rond de zomer. Zodra er een concretere datum is, zal [XX] Bouw dat laten weten. [XX] Bouw heeft daarbij opgemerkt dat alle projecten uitlopen. Dezelfde dag heeft [appellanten] per mail laten weten erg ontevreden te zijn over de voortdurende vertraging van de planning. Hij is niet bereid om een latere einddatum dan eind mei te accepteren en heeft verzocht om het project uiterlijk 31 mei (2023) af te ronden, anders ziet hij geen andere keuze dan het project te annuleren.
[XX] Bouw heeft in reactie hierop geschreven:
“U heeft destijds zelf het project on hold gezet. Na 2 jaar gaf u aan een nieuwe nieuwe / aangepaste calculatie te wensen en na akkoord op deze calculatie bent u opnieuw in de wachtrij gezet voor uitvoering (waar iedereen in komt). Zodra wij de werken die ervoor staan hebben afgerond beginnen we bij u.
Procesverloop
3.2.1.
In de onderhavige procedure heeft [XX] Bouw, samengevat, gevorderd dat [appellanten] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan haar van € 13.527,50, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.2.
Aan deze vordering heeft [XX] Bouw, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Op 21 juni 2022 is een rechtsgeldige aanneemovereenkomst tot stand gekomen tussen partijen. Er is geen concrete datum voor start of oplevering overeengekomen. [appellanten] heeft de overeenkomst opgezegd. Op grond van artikel 14.5 van de AVA 2013 is hij daarom 10% van de aanneemsom verschuldigd. Omdat [appellanten] dit bedrag van € 13.527,50 niet op tijd heeft betaald, moet hij ook wettelijke rente en incassokosten betalen.
3.2.3.
[appellanten] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.2.4.
In het eindvonnis van 10 januari 2024 heeft de kantonrechter de gevorderde hoofdsom (€ 13.527,50) vermeerderd met wettelijke rente toegewezen en [appellanten] in de proceskosten veroordeeld. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat er een rechtsgeldige aanneemovereenkomst is gesloten die [appellanten] heeft opgezegd. Op grond van artikel 14.5 van de toepasselijke AVA 2013 is [appellanten] gehouden 10% van de aanneemsom te betalen. De kantonrechter heeft de door [XX] Bouw gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
3.2.5.
[appellanten] heeft voldaan aan het vonnis in eerste aanleg en heeft op 21 januari 2024 aan [XX] Bouw een bedrag voldaan van in totaal € 16.595,74 (hoofdsom, wettelijke rente daarover en proceskosten).
Procesverloop
3.3.
[appellanten] heeft in principaal hoger beroep vijf grieven aangevoerd. [appellanten] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en het alsnog afwijzen van de vorderingen van [XX] Bouw met veroordeling van [XX] Bouw tot terugbetaling van hetgeen [appellanten] aan [XX] Bouw heeft betaald, vermeerderd met rente en met veroordeling van [XX] Bouw in de kosten van beide instanties, inclusief de wettelijke rente daarover.
3.4.
In principaal hoger beroep heeft [XX] Bouw verweer gevoerd. Zij heeft in incidenteel hoger beroep één grief aangevoerd waarin zij stelt dat de buitengerechtelijke kosten ten onrechte zijn afgewezen.
De omvang van het hoger beroep
3.5.
[appellanten] betoogt in grief 1 dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat er een rechtsgeldige overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. In grief 2 stelt hij dat de kantonrechter zijn beroep op dwaling ten onrechte heeft verworpen. In grief 3 betoogt hij, kort gezegd, dat hij de overeenkomsten met [XX] Bouw rechtsgeldig heeft ontbonden. In grief 4 voert hij aan dat het beding in de algemene voorwaarden op grond waarvan hij is veroordeeld tot betaling van 10% van de aanneemsom oneerlijk dan wel onredelijk bezwarend is. In grief 5 komt [appellanten] op tegen toewijzing van de (neven-)vorderingen van [XX] Bouw.
3.6.
Het hof ziet aanleiding eerst grief 3 te behandelen.
Heeft [appellanten] de overeenkomst rechtsgeldig ontbonden?
3.7.
[appellanten] stelt zich op het standpunt dat hij [XX] Bouw met zijn e-mail van 13 februari 2023 rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld. [XX] Bouw is dan ook in verzuim geraakt, waarna [appellanten] gerechtigd was de overeenkomst te ontbinden. [XX] Bouw betwist dit. De mail van [appellanten] voldoet niet aan de eisen van een ingebrekestelling, [appellanten] kan niet eenzijdig en eigenmachtig een ultimatum stellen tot 31 mei 2023 waarop de bouw moet zijn voltooid. [XX] Bouw verkeerde op 24 februari 2023 derhalve niet in verzuim en [appellanten] was niet gerechtigd de overeenkomst te ontbinden. Omdat [appellanten] de overeenkomst op 24 februari 2024 heeft opgezegd is hij op grond van de algemene voorwaarden de vergoeding van 10% van de aanneemsom verschuldigd, aldus nog steeds [XX] Bouw.
3.8.
Bij de beoordeling van deze grief heeft te gelden dat ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad de regeling van artikel 6:82 BW en verder omtrent verzuim niet bedoelt strakke regels te geven die de schuldeiser, na raadpleging van de wet, in de praktijk naar de letter zal kunnen toepassen, maar dat de wetsartikelen aan de rechter de mogelijkheid dienen te verschaffen om in de gevallen dat partijen zonder gedetailleerde kennis van de wet hebben gehandeld, tot een redelijke oplossing te komen naar gelang van wat in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze van hen mocht worden (HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1581). Ook de eisen die aan de reactie van de schuldenaar mogen worden gesteld zijn afhankelijk van de omstandigheden.
3.9.
Het hof stelt vast dat partijen in november 2020 hebben besproken dat de eerder door hen geplande verbouwing wordt uitgesteld, wat betreft [appellanten] naar medio 2022. [XX] Bouw heeft daarop laten weten dat de verbouwing in de planning wordt gezet voor begin 2022 en dat de prijs tegen die tijd geüpdatet moeten worden. Op de vraag van [appellanten] of medio 2022 mogelijk is, heeft [XX] Bouw geantwoord dat dit akkoord is.
3.10.
Op 25 maart 2022 heeft [appellanten] [XX] Bouw benaderd met de vraag of de bouw in september 2022 kan plaatsvinden. [XX] Bouw heeft daarop een nieuwe offerte opgesteld. In de door [appellanten] op 21 juni 2022 ondertekende offerte staat dat met [appellanten] een datum overeengekomen wordt waarop de werkzaamheden zullen worden uitgevoerd. Met het actualiseren van de offerte naar aanleiding van de afspraak in 2020 en het concrete verzoek van [appellanten] om de bouw in september 2022 te starten, heeft [XX] Bouw naar het oordeel van het hof de verwachting gewekt dat de bouw nog dat jaar zou plaatsvinden. [XX] Bouw heeft in oktober 2022 weliswaar gemaild dat het nog enige tijd duurt voordat ze gaat starten met de verbouwing, maar ze treft dan wel al voorbereidingen. Omdat stenen lastig verkrijgbaar zijn start zij immers met de bemonstering daarvan.
3.11.
Het antwoord van [XX] Bouw (“als we gaan starten geven we dit vooraf aan”) op de zeer concrete vraag van [appellanten] op 1 november 2022 wat de planning is, geeft [appellanten] daarentegen in het geheel geen houvast. Naar het oordeel van het hof lag het op dat moment op de weg van [XX] Bouw nader inzicht te geven in haar planning. Ook wanneer [appellanten] op 5 december 2022 nader informeert (“Het is bijna Kerstmis en ik hoor graag van jullie”) komt er van de zijde van [XX] Bouw geen antwoord. [appellanten] heeft [XX] Bouw op 10 februari 2023 (15 weken na het moment van de laatste reactie van [XX] Bouw op 1 november 2022) dan ook begrijpelijkerwijs gevraagd naar de stand van zaken. Zijn verzoek om nu zo snel mogelijk een actuele planning te sturen, inclusief verwachte opleverdatum, acht het hof zonder meer redelijk.
3.12.
De reactie van [XX] Bouw op 13 februari 2022 dat het project van [appellanten] gepland staat om te starten rond de zomer en de mededeling dat zij, zodra er een concretere datum is, dit zal laten weten, acht het hof in het licht van voorgaande feiten en omstandigheden niet toereikend. [appellanten] mocht in reactie daarop naar het oordeel van het hof dan ook in redelijkheid een termijn voor nakoming stellen. Dat heeft [appellanten] gedaan met zijn mail van 13 februari 2023. [appellanten] heeft geschreven niet bereid te zijn om een latere einddatum dan eind mei 2023 te accepteren. Ook de termijn die [appellanten] voor nakoming stelde acht het hof gegeven de omstandigheden redelijk. [XX] Bouw wist immers al in juni 2022 precies wat er van haar verwacht werd, zodat zij ook vóór de aanmaning ruimschoots de tijd heeft gehad zich voor te bereiden. Dit heeft zij in ieder geval gedaan ten aanzien van de bemonstering van stenen. Bovendien, zo is tussen partijen niet in geschil, zou de geschatte projecttijd 10 weken bedragen, terwijl [XX] Bouw vanaf het moment van het stellen van die termijn op 13 februari 2023 nog ruim 15 weken de gelegenheid had het werk voor eind mei 2023 af te ronden.
3.13.
[XX] Bouw heeft in reactie op de mail van [appellanten] diezelfde dag geantwoord dat [appellanten] , na het sluiten van de overeenkomst, opnieuw in de wachtrij is gezet. Zij heeft in die mail geen enkele (nadere) tijdsindicatie gegeven en [appellanten] voorgehouden dat zij hem 10% van de aanneemsom in rekening zal brengen bij annulering.
3.14.
Op 14 februari 2023 heeft [appellanten] [XX] Bouw nogmaals gesommeerd te waarborgen dat het project uiterlijk 31 mei (2023) wordt opgeleverd, waaraan hij heeft toegevoegd dat hij open staat voor verdere communicatie om tot een oplossing te komen. Nu iedere nadere reactie uitbleef en [XX] Bouw ook niet in is gegaan op de uitnodiging om in overleg tot een oplossing te komen, heeft [appellanten] daaruit mogen afleiden dat [XX] Bouw niet tijdig dan wel (behoorlijk) zou nakomen. [appellanten] heeft de overeenkomst vervolgens op goede gronden op 24 februari 2023 kunnen ontbinden.
Conclusie
3.15.
De conclusie luidt dat nu [appellanten] de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden, [XX] Bouw geen aanspraak kan maken op de (gefixeerde) vergoeding wegens opzegging. Grief 3 in principaal hoger beroep slaagt. Daarmee kan in het midden blijven of de grieven 1, 2 en 4 slagen. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, de vorderingen van [XX] Bouw afwijzen en [XX] Bouw veroordelen in de proceskosten van de eerste aanleg en de proceskosten van het hoger beroep inclusief de nakosten voor de procedure in hoger beroep. Dit betekent dat ook grief 5 slaagt.
Ongedaanmakingsverplichting
3.16.
[appellanten] heeft terugbetaling gevorderd van al wat hij ter voldoening aan het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis aan [XX] Bouw heeft voldaan: een bedrag van € 16.595,74 (hoofdsom, de wettelijke rente daarover, alsmede de proceskosten). Deze vordering is toewijsbaar, nu het een vordering betreft die er slechts toe strekt de gevolgen van de - thans onjuist bevonden - veroordeling die bij het vonnis waarvan beroep werd uitgesproken, aanstonds ongedaan te maken. De gevorderde wettelijke rente is ook toewijsbaar, vanaf de datum van voldoening aan de bestreden uitspraak, 21 januari 2024.
Het incidenteel hoger beroep
3.17.
Het slagen van grief 3 en 5 in het principaal hoger beroep van [appellanten] leidt er toe dat de grief van [XX] Bouw in incidenteel hoger beroep, die ziet op afwijzing van de buitengerechtelijke incassokosten, faalt. [XX] Bouw wordt immers in het ongelijk gesteld en heeft geen recht op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.
Proceskosten
3.18.
Het hof zal [XX] Bouw als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties veroordelen.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellanten] zullen worden vastgesteld op € 792,- (2 punten € 396,-) wegens salaris gemachtigde. De proceskosten in hoger beroep aan de zijde van [appellanten] worden begroot op € 139,42 aan explootkosten, € 798,- aan griffierechten, € 1.214,- (1 punt x tarief II) aan salaris advocaat en € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) aan nakosten, derhalve in totaal € 2.329,42.
[XX] Bouw zal tevens worden veroordeeld in de kosten voor de procedure in incidenteel hoger beroep aan de zijde van [appellanten] begroot op € 607,- ( half punt x tarief II).
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
4.1.
vernietigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda van 10 januari 2024 en, opnieuw rechtdoende:
4.2.
wijst de vorderingen van [XX] Bouw af;
4.3.
veroordeelt [XX] Bouw tot betaling aan [appellanten] van € 16.595,74 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2024 tot de dag van volledige voldoening;
4.4.
wijst het door [XX] Bouw in incidenteel hoger beroep gevorderde af;
4.5.
veroordeelt [XX] Bouw in de proceskosten van de eerste aanleg van € 792,- en van het hoger beroep van € 2.936,42, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [XX] Bouw niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [XX] Bouw € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
4.6.
veroordeelt [XX] Bouw in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;
4.7.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
4.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, F.M.T. Quaadvliet en J. van Kesteren en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 april 2025.
griffier rolraadsheer