Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-05-28
ECLI:NL:RBZWB:2025:4858
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,338 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11307072 \ CV EXPL 24-3055
Vonnis van 28 mei 2025
in de zaak van
VDS BEHEER B.V.,
te Numansdorp,
eisende partij,
hierna te noemen: VDS,
gemachtigde: Stichting Metaalunie Diensten (t.h.o.d.n. Metaalunie Rechtsbijstand),
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 oktober 2024 met de daarin genoemde processtukken;
- de brief van 7 maart 2025 met 3 producties van [gedaagde];
- de e-mail van 7 maart 2025 met productie 21 van VDS;
- de e-mail van 12 maart 2025 met productie 22 van VDS;
- de e-mail van 17 maart 2025 met bijlage van [gedaagde];
- de brief van 21 maart 2025 met productie 23 en 24 van VDS;
- de brief van 23 maart 2025 met productie van [gedaagde];
- de mondelinge behandeling van 25 maart 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De kern van de zaak
2.1.
VDS heeft van [gedaagde] het pand aan de [adres] (hierna: het pand) gekocht. Na de levering is tussen partijen discussie ontstaan over de vergoeding van herstelkosten voor een slot, het dak en de groepenkast. Volgens VDS zijn hieraan gebreken en is sprake van non-conformiteit. VDS vindt dat [gedaagde] daarom de herstelkosten ter hoogte van in totaal € 2.534,34 moet betalen, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast wil VDS dat [gedaagde] de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten betaalt. [gedaagde] is het daar niet mee eens. Hij betwist dat er gebreken aan het pand zijn. Bovendien is hij niet in de gelegenheid gesteld om de vermeende gebreken te herstellen. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] niet in verzuim is komen te verkeren en zal daarom de vorderingen afwijzen. Hieronder wordt dit uitgelegd.
Beoordeling
3.1.
Een vordering tot vergoeding van schade als hier aan de orde kan alleen worden toegewezen als [gedaagde] in verzuim verkeert. Het is aan VDS om te stellen en zo nodig te bewijzen dat dit zo is. Verzuim treedt in het algemeen in wanneer de schuldenaar na schriftelijke ingebrekestelling niet binnen de daarbij aangezegde redelijke termijn (alsnog) nakomt. Het staat vast dat VDS [gedaagde] niet in gebreke heeft gesteld. VDS stelt - zo begrijpt de kantonrechter - dat [gedaagde] toch in verzuim is komen te verkeren, omdat de kosten die VDS heeft gemaakt redelijk zijn. De hoogte van de gemaakte kosten - en of deze redelijk zijn - is in dit verband echter niet relevant. Dat kan niet leiden tot de conclusie dat er verzuim is. Onder omstandigheden kan een beroep op het ontbreken van een ingebrekestelling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn of kan worden aangenomen dat op grond van de redelijkheid en billijkheid een ingebrekestelling achterwege kan blijven en de schuldenaar zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt, maar die situatie doet zich hier niet voor. VDS heeft dergelijke omstandigheden namelijk niet aangevoerd.
3.2.
De conclusie is dat [gedaagde] niet in verzuim is en VDS geen aanspraak kan maken op schadevergoeding. De kantonrechter zal de vorderingen van VDS dan ook afwijzen.
3.3.
VDS is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
€
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
595,00
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
wijst de vorderingen van VDS af;
4.2.
veroordeelt VDS in de proceskosten van € 595,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet-betaling het vonnis daarna betekend, dan moet VDS ook de kosten van betekening betalen;
4.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2025.
Artikel 6:82 lid 1 BW.
Zie het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1581 (Fraanje/Alukon).