Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-02-17
ECLI:NL:GHDHA:2026:384
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
8,107 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:384 text/xml public 2026-03-30T16:15:08 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-02-17 BK-24/1001 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026033011 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:384 text/html public 2026-03-30T12:18:17 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:384 Gerechtshof Den Haag , 17-02-2026 / BK-24/1001 Art. 8:24, lid 2, Awb. Ontvankelijkheid hoger beroep. Artikel 4:145, lid 2, BW, artikel 44 AWR en artikel 72 SW. De verklaring van executele is niet toereikend om te mogen procederen namens belanghebbende. Het Hof heeft, gelet op de omstandigheden van dit geval, gerede twijfel aan de bevoegdheid van de beweerdelijk gemachtigde om namens belanghebbende hoger beroep in te stellen. Het Hof verbindt aan het uitblijven van een recente, gedagtekende machtiging de gevolgtrekking dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is. GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-24/1001 Uitspraak van 17 februari 2026 in het geding tussen: [Y] , beweerdelijk namens [X] te [Z] (belanghebbende), en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het door [Y] ingediende hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 25 oktober 2024, nummer SGR 23/3375. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 5 april 2018 wegens een belaste verkrijging) van € 2.908 een definitieve aanslag in de erfbelasting opgelegd van € 872 (de aanslag). Daarbij is bij beschikking € 116 belastingrente in rekening gebracht (de beschikking). 1.2. Belanghebbende heeft op 7 mei 2018 bezwaar gemaakt tegen de aanslag en de beschikking. Bij uitspraak op bezwaar van 7 september 2018 heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren toegewezen en heeft hij de aanslag en de beschikking vernietigd. Bij afzonderlijke brief heeft de Inspecteur een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. 1.3. Belanghebbende heeft met dagtekening 19 oktober 2018 tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard bij uitspraak van 15 mei 2019, nummer SGR 18/7041. Het Hof heeft het hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank van 15 mei 2019 bij uitspraak van 26 november 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3763, ongegrond verklaard. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Hof met toepassing van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie bij arrest van 30 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1695, ongegrond verklaard. 1.4. [Y] heeft wederom een bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag. Het bezwaarschrift is bij de Inspecteur ingekomen op 2 april 2021. De Inspecteur heeft het bezwaar opgevat als een verzoek om ambtshalve vermindering en het verzoek afgewezen. Bij uitspraak van 3 april 2023 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag niet-ontvankelijk verklaard. 1.5. [Y] heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur van 3 april 2023 een beroepschrift ingediend. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep bij haar uitspraak van 25 oktober 2024 ongegrond verklaard. 1.6. [Y] heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank een hogerberoepschrift ingediend. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 138. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en op 31 oktober 2025 een nader stuk. 1.7. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 november 2025. Ter zitting zijn tevens behandeld de zaken met de nummers BK24/1003 ( [A] ), BK-24/1010 en BK-24/1011 ( [B] ) en BK-24/1012 ( [C] ). Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Mevrouw [erflaatster] (erflaatster) is op [datum] 2014 overleden. Erflaatster heeft bij testament van 3 april 2014 [Y] aangewezen als executeur-testamentair, [C] (BK-24/1012), [Y] , [D] en [E] benoemd tot haar erfgenamen en gelegateerd aan onder meer belanghebbende (BK-24/1001) en [A] (BK24/1003). Belanghebbende heeft het legaat verworpen. 2.2. Het testament vermeldt onder meer: “VI. EXECUTELE 1. Benoeming executeurs Ik benoem tot executeurs over mijn nalatenschap, gedurende de tijd voor de afwikkeling daarvan vereist de heer [E] , voornoemd, en de heer [Y] , voornoemd. (…) Zijn er twee of meer executeurs dan kan ieder van hen alle werkzaamheden alleen verrichten. (…) 3. Omvang executele De executele omvat alle goederen en schulden die tot mijn nalatenschap behoren. (…) 5. Beheer lk draag de executeurs op mijn nalatenschap te beheren, vorderingen te innen en de schulden van mijn nalatenschap te voldoen, waaronder de door mij gemaakte legaten, de ten laste van mijn erfgenamen en legatarissen komende successierechten, de kosten van lijkbezorging en de taxatie- en boedelkosten. De executeurs kunnen ook als wederpartij van zichzelf optreden. 6. Vertegenwoordiging Gedurende zijn beheer vertegenwoordigen de executeurs bij de vervulling van hun taak de erfgenamen in en buiten rechte. 7. Beschikking De erfgenamen kunnen niet zonder medewerking van de executeurs (of machtiging van de kantonrechter) over de goederen of hun aandeel daarin beschikken, voordat de bevoegdheid tot beheer van de executeurs is geëindigd. De executeurs zijn slechts tezamen met de erfgenamen bevoegd tot andere handelingen dan beheershandelingen. (…) 14. Einde executele De taak van de executeurs eindigt: a. wanneer zij hun werkzaamheden als zodanig hebben voltooid; b. door hun dood, onder curatele stelling, onder bewindstelling van een of meer van hun goederen als bedoeld in titel 19 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; c. door ontslag door de kantonrechter, d. door hun faillietverklaring, verlening van surseance van betaling of een schuldsanering; e. wanneer de nalatenschap overeenkomstig de wet moet worden vereffend.” 2.3. De Inspecteur heeft belanghebbende een aanslag in de erfbelasting opgelegd naar een verkrijging uit de nalatenschap van erflaatster en daarbij belastingrente in rekening gebracht. 2.4. [Y] heeft daartegen voor de tweede keer een bezwaarschrift ingediend omdat bij het vaststellen van de aanslag de in de beschikking van de Rechtbank Den Haag (team handel) van 31 maart 2016, zaaknummer C10914894311 HA ZA 15- 638 opgenomen herverdeling van de boedel (door partijen aangeduid als “vaststellingsovereenkomst”) niet is gevolgd. De Inspecteur heeft het bezwaar opgevat als een verzoek om ambtshalve vermindering en het verzoek afgewezen. Bij uitspraak van 3 april 2023 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak op bezwaar is gericht aan [Y] . 2.5. Bij brief van 26 september 2024 heeft [Y] een ondertekende machtiging van belanghebbende bij de Rechtbank ingediend. De machtiging vermeldt onder meer: “ [Y] , geboren op (…) te (…), om mij te vertegenwoordigen en meer in het bijzonder om alle rechten uit te oefenen die ik zou kunnen uitoefenen, waaronder het ontvangen van kostenvergoedingen en ter zake al datgene te doen wat nuttig of nodig mocht zijn zowel in de bezwaarfase, de beroepfase, de hoger beroepfase, alsmede beroep in cassatie met betrekking tot de erfbelasting inzake de nalatenschap van Mw. [erflaatster] , geboren op (…) te [woonplaats] . Ik verzoek U de door hem gevraagde gegevens te verstrekken.” De machtiging is ongedateerd en - afgezien van de stickers erop - identiek aan de machtigingen bij de Rechtbankstukken in een eerdere zaak van belanghebbende over dezelfde aanslag (SGR 18/7041, ECLI:NL:RBDHA:2019:5321). 2.6. [Y] heeft op 9 december 2024 een hogerberoepschrift ingediend tegen de uitspraak van de Rechtbank. Hij heeft daarbij een verklaring van executele gevoegd. Deze vermeldt voor zover van belang het volgende: “ 3. Executele; de executeur Bij gemelde uiterste wil heeft de overledene tot executeur benoemd: de heer [E] en de heer [Y] , (…). De heer [E] heeft de benoeming niet aanvaard. De heer [Y] .
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:384 text/xml public 2026-04-03T10:06:10 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-02-17 BK-24/1001 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026033011 V-N Vandaag 2026/647 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:384 text/html public 2026-03-30T12:18:17 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:384 Gerechtshof Den Haag , 17-02-2026 / BK-24/1001 Art. 8:24, lid 2, Awb. Ontvankelijkheid hoger beroep. Artikel 4:145, lid 2, BW, artikel 44 AWR en artikel 72 SW. De verklaring van executele is niet toereikend om te mogen procederen namens belanghebbende. Het Hof heeft, gelet op de omstandigheden van dit geval, gerede twijfel aan de bevoegdheid van de beweerdelijk gemachtigde om namens belanghebbende hoger beroep in te stellen. Het Hof verbindt aan het uitblijven van een recente, gedagtekende machtiging de gevolgtrekking dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is. GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-24/1001 Uitspraak van 17 februari 2026 in het geding tussen: [Y] , beweerdelijk namens [X] te [Z] (belanghebbende), en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het door [Y] ingediende hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 25 oktober 2024, nummer SGR 23/3375. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 5 april 2018 wegens een belaste verkrijging) van € 2.908 een definitieve aanslag in de erfbelasting opgelegd van € 872 (de aanslag). Daarbij is bij beschikking € 116 belastingrente in rekening gebracht (de beschikking). 1.2. Belanghebbende heeft op 7 mei 2018 bezwaar gemaakt tegen de aanslag en de beschikking. Bij uitspraak op bezwaar van 7 september 2018 heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren toegewezen en heeft hij de aanslag en de beschikking vernietigd. Bij afzonderlijke brief heeft de Inspecteur een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. 1.3. Belanghebbende heeft met dagtekening 19 oktober 2018 tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard bij uitspraak van 15 mei 2019, nummer SGR 18/7041. Het Hof heeft het hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank van 15 mei 2019 bij uitspraak van 26 november 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3763, ongegrond verklaard. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Hof met toepassing van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie bij arrest van 30 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1695, ongegrond verklaard. 1.4. [Y] heeft wederom een bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag. Het bezwaarschrift is bij de Inspecteur ingekomen op 2 april 2021. De Inspecteur heeft het bezwaar opgevat als een verzoek om ambtshalve vermindering en het verzoek afgewezen. Bij uitspraak van 3 april 2023 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag niet-ontvankelijk verklaard. 1.5. [Y] heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur van 3 april 2023 een beroepschrift ingediend. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep bij haar uitspraak van 25 oktober 2024 ongegrond verklaard. 1.6. [Y] heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank een hogerberoepschrift ingediend. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 138. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en op 31 oktober 2025 een nader stuk. 1.7. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 november 2025. Ter zitting zijn tevens behandeld de zaken met de nummers BK24/1003 ( [A] ), BK-24/1010 en BK-24/1011 ( [B] ) en BK-24/1012 ( [C] ). Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Mevrouw [erflaatster] (erflaatster) is op [datum] 2014 overleden. Erflaatster heeft bij testament van 3 april 2014 [Y] aangewezen als executeur-testamentair, [C] (BK-24/1012), [Y] , [D] en [E] benoemd tot haar erfgenamen en gelegateerd aan onder meer belanghebbende (BK-24/1001) en [A] (BK24/1003). Belanghebbende heeft het legaat verworpen. 2.2. Het testament vermeldt onder meer: “VI. EXECUTELE 1. Benoeming executeurs Ik benoem tot executeurs over mijn nalatenschap, gedurende de tijd voor de afwikkeling daarvan vereist de heer [E] , voornoemd, en de heer [Y] , voornoemd. (…) Zijn er twee of meer executeurs dan kan ieder van hen alle werkzaamheden alleen verrichten. (…) 3. Omvang executele De executele omvat alle goederen en schulden die tot mijn nalatenschap behoren. (…) 5. Beheer lk draag de executeurs op mijn nalatenschap te beheren, vorderingen te innen en de schulden van mijn nalatenschap te voldoen, waaronder de door mij gemaakte legaten, de ten laste van mijn erfgenamen en legatarissen komende successierechten, de kosten van lijkbezorging en de taxatie- en boedelkosten. De executeurs kunnen ook als wederpartij van zichzelf optreden. 6. Vertegenwoordiging Gedurende zijn beheer vertegenwoordigen de executeurs bij de vervulling van hun taak de erfgenamen in en buiten rechte. 7. Beschikking De erfgenamen kunnen niet zonder medewerking van de executeurs (of machtiging van de kantonrechter) over de goederen of hun aandeel daarin beschikken, voordat de bevoegdheid tot beheer van de executeurs is geëindigd. De executeurs zijn slechts tezamen met de erfgenamen bevoegd tot andere handelingen dan beheershandelingen. (…) 14. Einde executele De taak van de executeurs eindigt: a. wanneer zij hun werkzaamheden als zodanig hebben voltooid; b. door hun dood, onder curatele stelling, onder bewindstelling van een of meer van hun goederen als bedoeld in titel 19 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; c. door ontslag door de kantonrechter, d. door hun faillietverklaring, verlening van surseance van betaling of een schuldsanering; e. wanneer de nalatenschap overeenkomstig de wet moet worden vereffend.” 2.3. De Inspecteur heeft belanghebbende een aanslag in de erfbelasting opgelegd naar een verkrijging uit de nalatenschap van erflaatster en daarbij belastingrente in rekening gebracht. 2.4. [Y] heeft daartegen voor de tweede keer een bezwaarschrift ingediend omdat bij het vaststellen van de aanslag de in de beschikking van de Rechtbank Den Haag (team handel) van 31 maart 2016, zaaknummer C10914894311 HA ZA 15- 638 opgenomen herverdeling van de boedel (door partijen aangeduid als “vaststellingsovereenkomst”) niet is gevolgd. De Inspecteur heeft het bezwaar opgevat als een verzoek om ambtshalve vermindering en het verzoek afgewezen. Bij uitspraak van 3 april 2023 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak op bezwaar is gericht aan [Y] . 2.5. Bij brief van 26 september 2024 heeft [Y] een ondertekende machtiging van belanghebbende bij de Rechtbank ingediend. De machtiging vermeldt onder meer: “ [Y] , geboren op (…) te (…), om mij te vertegenwoordigen en meer in het bijzonder om alle rechten uit te oefenen die ik zou kunnen uitoefenen, waaronder het ontvangen van kostenvergoedingen en ter zake al datgene te doen wat nuttig of nodig mocht zijn zowel in de bezwaarfase, de beroepfase, de hoger beroepfase, alsmede beroep in cassatie met betrekking tot de erfbelasting inzake de nalatenschap van Mw. [erflaatster] , geboren op (…) te [woonplaats] . Ik verzoek U de door hem gevraagde gegevens te verstrekken.” De machtiging is ongedateerd en - afgezien van de stickers erop - identiek aan de machtigingen bij de Rechtbankstukken in een eerdere zaak van belanghebbende over dezelfde aanslag (SGR 18/7041, ECLI:NL:RBDHA:2019:5321). 2.6. [Y] heeft op 9 december 2024 een hogerberoepschrift ingediend tegen de uitspraak van de Rechtbank. Hij heeft daarbij een verklaring van executele gevoegd. Deze vermeldt voor zover van belang het volgende: “ 3. Executele; de executeur Bij gemelde uiterste wil heeft de overledene tot executeur benoemd: de heer [E] en de heer [Y] , (…). De heer [E] heeft de benoeming niet aanvaard. De heer [Y] .
Volledig
voornoemd, heeft verklaard de benoeming te aanvaarden, blijkens een onderhandse verklaring die aan deze akte is gehecht. 4. Bevoegdheden executeur De executeur heeft ingevolge de wet en ingevolge de (…) uiterste wilsbeschikking de taak en de bevoegdheid de nalatenschap te beheren. Hij is bevoegd de door hem beheerde goederen te gelde te maken, voor zover dit nodig is voor de tot zijn taak behorende voldoening van schulden der nalatenschap. De executeur behoeft voor de tegeldemaking van een goed geen toestemming van de erfgenamen. Gedurende zijn beheer vertegenwoordigt de executeur bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte. 5. Beschikkingsbevoegdheid Mitsdien is de heer [Y] , voornoemd, handelend in zijn hoedanigheid van executeur zelfstandig bevoegd de nalatenschap te beheren overeenkomstig het vorenstaande.” 2.7. Het Hof heeft [Y] op 11 december 2024 per aangetekende post een bericht gezonden. Het bericht vermeldt: “ Dit bericht is gericht aan: [Kantoor] tav de heer [Y] . U heeft hoger beroep ingesteld. Dit beroep voldoet niet aan de hierna opgenomen vereisten. U heeft verzuimd: - de gronden van het hoger beroep te vermelden; u dient te vermelden waarom u het niet eens bent met de uitspraak van de rechtbank; - een op uw naam gestelde machtiging in te dienen. Als hoger beroep is ingesteld door een belanghebbende B.V., C.V., N.V., V.O.F., stichting of vereniging dan tevens ter zake een uittreksel van inschrijving bij de Kvk toevoegen, waaruit blijkt dat namens belanghebbende correct hoger beroep is ingesteld. De machtiging en het uittreksel Kvk mogen niet ouder zijn dan 6 maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift; Ik geef u de mogelijkheid het verzuim uiterlijk 8 januari 2025 te herstellen. Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof uw hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt. Er volgt dan een uitspraak, waartegen u bij het gerechtshof in verzet kunt komen.” 2.8. Bij brief, ingekomen bij het Hof op 8 januari 2025, heeft [Y] verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden. 2.9. Bij per aangetekende post verzonden bericht van 9 januari 2025 heeft het Hof aan [Y] meegedeeld: “Het gerechtshof heeft de termijn waarbinnen u het hoger beroep kunt aanvullen met de ontbrekende stukken en/of de vereiste gegevens, verlengd tot uiterlijk 22 januari 2025 . Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof uw hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt. Er volgt dan een uitspraak, waartegen u bij het gerechtshof in verzet kunt komen.” 2.10. Bij brief van 22 januari 2025 heeft [Y] de gronden van het hoger beroep ingediend. Een recente gedagtekende machtiging was niet bijgesloten. 2.11. Bij per aangetekende post verzonden bericht van 12 maart 2025 gericht aan [Y] op het adres [adres] , heeft het Hof [Y] nogmaals verzocht een machtiging in te dienen. Het bericht vermeldt: “ Dit bericht is gericht aan: [Kantoor] tav de heer [Y] . Het hof verzoekt u alsnog een op uw naam gestelde machtiging in te dienen, voorzien van een dagtekening, die niet ouder is dan 6 maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift. Ik geef u de mogelijkheid het verzuim uiterlijk 9 april 2025 te herstellen. Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof uw hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt. Er volgt dan een uitspraak, waartegen u bij het gerechtshof in verzet kunt komen.” Uit gegevens van PostNL blijkt dat de brief van 12 maart 2025 op 13 maart 2025 op het adres van [Y] is uitgereikt. 2.12. Bij het Hof is geen recente gedagtekende machtiging ingekomen. Geschil in hoger beroep 3.1. Het Hof beoordeelt allereerst ambtshalve of het door [Y] beweerdelijk namens belanghebbende ingestelde hoger beroep ontvankelijk is. Specifiek is aan de orde de vraag of [Y] bevoegd is om namens belanghebbende hoger beroep in te stellen. 3.2. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, is in geschil of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard en of daarbij de hoorplicht is geschonden en de zaak in verband daarmee moet worden teruggewezen naar de Inspecteur. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep 4.1. Op grond van artikel 8:24, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter een schriftelijke machtiging verlangen van een gemachtigde die geen advocaat is, om na te gaan of degene die zich als gemachtigde namens een belanghebbende aandient daartoe werkelijk bevoegd is. Als reeds een machtiging is overgelegd, maar aanleiding bestaat om te twijfelen aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid ten tijde van het instellen van het (hoger) beroep, kan op die grond een nieuwe machtiging worden verlangd (vgl. HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:840). 4.2. Het dossier bevat naast een in hoger beroep ingediende verklaring van executele, een bij de Rechtbank ingediende ongedateerde machtiging. 4.3. [Y] stelt zich op het standpunt dat de verklaring van executele toereikend is om te mogen procederen namens belanghebbende. Deze stelling treft geen doel. Op grond van artikel 4:145, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek en het testament was [Y] gedurende zijn beheer van de nalatenschap bij de vervulling van zijn taak bevoegd de erfgenamen in en buiten rechte te vertegenwoordigen. Ingevolge artikel 44, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan de executeur in bepaalde gevallen de rechtverkrijgenden onder algemene titel vertegenwoordigen. De legatarissen [A] en belanghebbende zijn echter niet door erflaatster aangewezen als erfgenamen of rechtverkrijgenden onder algemene titel. Reeds daarom is de verklaring van executele geen toereikend bewijs dat [Y] bevoegd is om belanghebbende te vertegenwoordigen in deze procedure. Ook uit artikel 72 van de Successiewet volgt geen vertegenwoordigingsbevoegdheid voor de executeur. 4.4.1. Het Hof heeft gelet op de hierna vermelde omstandigheden gerede twijfel aan de bevoegdheid van [Y] om namens belanghebbende hoger beroep in te stellen en heeft [Y] om die reden een machtiging gevraagd, voorzien van een dagtekening, die niet ouder is dan zes maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift. 4.4.2. [Y] heeft verklaard dat de tweede procedure betreffende de aanslag (zie 1.4 tot en met 1.6) voortkomt uit een ruzie tussen de verkrijgers (en niet-verkrijgers) van de nalatenschap van erflaatster (zie 2.5). Deze heeft geleid tot een herverdeling van de boedel, welke is vastgelegd in de beschikking van de Rechtbank Den Haag (team handel) van 31 maart 2016 (zie 2.4). 4.4.3. Uit dossieronderzoek van het Hof blijkt dat de bij de Rechtbank ingediende (ongedateerde) machtiging dezelfde is als degene die was ingediend in de eerste procedure bij de Rechtbank ten name van belanghebbende (zaaknummer SGR 18/7041, ECLI:NL:RBDHA:2019:5321) en in de eerste hogerberoepsprocedure (zaaknummer BK19/00431, ECLI:NL:GHDHA:2019:3763). Deze procedures zagen op de aan belanghebbende opgelegde aanslag (zie 1.1 en 1.3). Ditzelfde heeft zich voorgedaan in de procedures van de verkrijgers [A] en [C] . 4.4.4. In de zaken ten name van [B] (BK-24/1010 en BK-24/1011) is in de procedure tot en met het hoger beroep in het geheel geen machtiging ingediend. [Y] is desondanks verdergegaan met procederen namens [B] , die overigens ook niet als erfgenaam of legataris gerechtigd is tot de onderwerpelijke nalatenschap. 4.4.5. [Y] heeft ook in de zaken op naam van [C] (BK24/1012) en [A] (BK-24/1003) in de bezwaarfase geen machtiging verstrekt, hoewel daarom was verzocht. 4.4.6. In hoger beroep is in geen enkele van de zaken op naam van belanghebbende, [B] , [A] en [C] een recente gedagtekende machtiging overgelegd. 4.5. Het Hof heeft [Y] in de onderhavige zaak tweemaal verzocht een recente gedagtekende machtiging in te dienen en hem daarbij een termijn gegeven. Het heeft [Y] op zijn verzoek zelfs een extra termijn gegeven.
Volledig
voornoemd, heeft verklaard de benoeming te aanvaarden, blijkens een onderhandse verklaring die aan deze akte is gehecht. 4. Bevoegdheden executeur De executeur heeft ingevolge de wet en ingevolge de (…) uiterste wilsbeschikking de taak en de bevoegdheid de nalatenschap te beheren. Hij is bevoegd de door hem beheerde goederen te gelde te maken, voor zover dit nodig is voor de tot zijn taak behorende voldoening van schulden der nalatenschap. De executeur behoeft voor de tegeldemaking van een goed geen toestemming van de erfgenamen. Gedurende zijn beheer vertegenwoordigt de executeur bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte. 5. Beschikkingsbevoegdheid Mitsdien is de heer [Y] , voornoemd, handelend in zijn hoedanigheid van executeur zelfstandig bevoegd de nalatenschap te beheren overeenkomstig het vorenstaande.” 2.7. Het Hof heeft [Y] op 11 december 2024 per aangetekende post een bericht gezonden. Het bericht vermeldt: “ Dit bericht is gericht aan: [Kantoor] tav de heer [Y] . U heeft hoger beroep ingesteld. Dit beroep voldoet niet aan de hierna opgenomen vereisten. U heeft verzuimd: - de gronden van het hoger beroep te vermelden; u dient te vermelden waarom u het niet eens bent met de uitspraak van de rechtbank; - een op uw naam gestelde machtiging in te dienen. Als hoger beroep is ingesteld door een belanghebbende B.V., C.V., N.V., V.O.F., stichting of vereniging dan tevens ter zake een uittreksel van inschrijving bij de Kvk toevoegen, waaruit blijkt dat namens belanghebbende correct hoger beroep is ingesteld. De machtiging en het uittreksel Kvk mogen niet ouder zijn dan 6 maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift; Ik geef u de mogelijkheid het verzuim uiterlijk 8 januari 2025 te herstellen. Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof uw hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt. Er volgt dan een uitspraak, waartegen u bij het gerechtshof in verzet kunt komen.” 2.8. Bij brief, ingekomen bij het Hof op 8 januari 2025, heeft [Y] verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden. 2.9. Bij per aangetekende post verzonden bericht van 9 januari 2025 heeft het Hof aan [Y] meegedeeld: “Het gerechtshof heeft de termijn waarbinnen u het hoger beroep kunt aanvullen met de ontbrekende stukken en/of de vereiste gegevens, verlengd tot uiterlijk 22 januari 2025 . Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof uw hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt. Er volgt dan een uitspraak, waartegen u bij het gerechtshof in verzet kunt komen.” 2.10. Bij brief van 22 januari 2025 heeft [Y] de gronden van het hoger beroep ingediend. Een recente gedagtekende machtiging was niet bijgesloten. 2.11. Bij per aangetekende post verzonden bericht van 12 maart 2025 gericht aan [Y] op het adres [adres] , heeft het Hof [Y] nogmaals verzocht een machtiging in te dienen. Het bericht vermeldt: “ Dit bericht is gericht aan: [Kantoor] tav de heer [Y] . Het hof verzoekt u alsnog een op uw naam gestelde machtiging in te dienen, voorzien van een dagtekening, die niet ouder is dan 6 maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift. Ik geef u de mogelijkheid het verzuim uiterlijk 9 april 2025 te herstellen. Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof uw hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt. Er volgt dan een uitspraak, waartegen u bij het gerechtshof in verzet kunt komen.” Uit gegevens van PostNL blijkt dat de brief van 12 maart 2025 op 13 maart 2025 op het adres van [Y] is uitgereikt. 2.12. Bij het Hof is geen recente gedagtekende machtiging ingekomen. Geschil in hoger beroep 3.1. Het Hof beoordeelt allereerst ambtshalve of het door [Y] beweerdelijk namens belanghebbende ingestelde hoger beroep ontvankelijk is. Specifiek is aan de orde de vraag of [Y] bevoegd is om namens belanghebbende hoger beroep in te stellen. 3.2. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, is in geschil of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard en of daarbij de hoorplicht is geschonden en de zaak in verband daarmee moet worden teruggewezen naar de Inspecteur. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep 4.1. Op grond van artikel 8:24, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter een schriftelijke machtiging verlangen van een gemachtigde die geen advocaat is, om na te gaan of degene die zich als gemachtigde namens een belanghebbende aandient daartoe werkelijk bevoegd is. Als reeds een machtiging is overgelegd, maar aanleiding bestaat om te twijfelen aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid ten tijde van het instellen van het (hoger) beroep, kan op die grond een nieuwe machtiging worden verlangd (vgl. HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:840). 4.2. Het dossier bevat naast een in hoger beroep ingediende verklaring van executele, een bij de Rechtbank ingediende ongedateerde machtiging. 4.3. [Y] stelt zich op het standpunt dat de verklaring van executele toereikend is om te mogen procederen namens belanghebbende. Deze stelling treft geen doel. Op grond van artikel 4:145, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek en het testament was [Y] gedurende zijn beheer van de nalatenschap bij de vervulling van zijn taak bevoegd de erfgenamen in en buiten rechte te vertegenwoordigen. Ingevolge artikel 44, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan de executeur in bepaalde gevallen de rechtverkrijgenden onder algemene titel vertegenwoordigen. De legatarissen [A] en belanghebbende zijn echter niet door erflaatster aangewezen als erfgenamen of rechtverkrijgenden onder algemene titel. Reeds daarom is de verklaring van executele geen toereikend bewijs dat [Y] bevoegd is om belanghebbende te vertegenwoordigen in deze procedure. Ook uit artikel 72 van de Successiewet volgt geen vertegenwoordigingsbevoegdheid voor de executeur. 4.4.1. Het Hof heeft gelet op de hierna vermelde omstandigheden gerede twijfel aan de bevoegdheid van [Y] om namens belanghebbende hoger beroep in te stellen en heeft [Y] om die reden een machtiging gevraagd, voorzien van een dagtekening, die niet ouder is dan zes maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift. 4.4.2. [Y] heeft verklaard dat de tweede procedure betreffende de aanslag (zie 1.4 tot en met 1.6) voortkomt uit een ruzie tussen de verkrijgers (en niet-verkrijgers) van de nalatenschap van erflaatster (zie 2.5). Deze heeft geleid tot een herverdeling van de boedel, welke is vastgelegd in de beschikking van de Rechtbank Den Haag (team handel) van 31 maart 2016 (zie 2.4). 4.4.3. Uit dossieronderzoek van het Hof blijkt dat de bij de Rechtbank ingediende (ongedateerde) machtiging dezelfde is als degene die was ingediend in de eerste procedure bij de Rechtbank ten name van belanghebbende (zaaknummer SGR 18/7041, ECLI:NL:RBDHA:2019:5321) en in de eerste hogerberoepsprocedure (zaaknummer BK19/00431, ECLI:NL:GHDHA:2019:3763). Deze procedures zagen op de aan belanghebbende opgelegde aanslag (zie 1.1 en 1.3). Ditzelfde heeft zich voorgedaan in de procedures van de verkrijgers [A] en [C] . 4.4.4. In de zaken ten name van [B] (BK-24/1010 en BK-24/1011) is in de procedure tot en met het hoger beroep in het geheel geen machtiging ingediend. [Y] is desondanks verdergegaan met procederen namens [B] , die overigens ook niet als erfgenaam of legataris gerechtigd is tot de onderwerpelijke nalatenschap. 4.4.5. [Y] heeft ook in de zaken op naam van [C] (BK24/1012) en [A] (BK-24/1003) in de bezwaarfase geen machtiging verstrekt, hoewel daarom was verzocht. 4.4.6. In hoger beroep is in geen enkele van de zaken op naam van belanghebbende, [B] , [A] en [C] een recente gedagtekende machtiging overgelegd. 4.5. Het Hof heeft [Y] in de onderhavige zaak tweemaal verzocht een recente gedagtekende machtiging in te dienen en hem daarbij een termijn gegeven. Het heeft [Y] op zijn verzoek zelfs een extra termijn gegeven.