Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2020-05-12
ECLI:NL:GHDHA:2020:1008
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht, Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep kort geding
2,426 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling civiel, team familie
Zaaknummer : 200.271.495/01
Rol-/zaaknummer rechtbank : C/09/580653 KG ZA 19-926
arrest d.d. 12 mei 2020
inzake
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S. Salhi te Den Haag,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M. de Boorder te Den Haag.
Procesverloop
De vrouw is bij exploot van 6 december 2019 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 8 november 2019 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag, gewezen tussen de vrouw als gedaagde en de man als eiser, hierna: het bestreden vonnis.
Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis.
De vrouw heeft in de dagvaarding vier grieven geformuleerd.
De man heeft een memorie van antwoord ingediend.
De man heeft zijn procesdossier gefourneerd en arrest gevraagd.
Overwegingen
Enige relevante feiten
1. Partijen zijn met elkaar gehuwd op 6 juni 1994. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, op [in] 1999 en op [in] 2004, die thans bij de vrouw verblijven.
2. Gedurende de echtscheidingsprocedure hebben zowel de man als de vrouw verzocht om het huurrecht van de voormalige echtelijke woning gelegen aan het [adres] (hierna: de woning). De vrouw heeft zich ter zitting bij de rechtbank vervolgens gerefereerd aan dit verzoek.
3. Partijen hebben na de mondelinge behandeling ter zitting bij de rechtbank nadere afspraken gemaakt over de woning.
4. In een e-mailbericht van 13 juli 2018 heeft de advocaat van de vrouw de afspraken als volgt weergegeven:
In opgemelde procedure heeft gisteren de behandeling ter zitting plaatsgevonden. Aangaande de echtelijke woning is het volgende afgesproken:
- de rechter zal in de beschikking het huurrecht aan de man toewijzen;
- de man zal echter geen nakoming van deze bepaling in de beschikking vorderen;
- de vrouw zal tot dat zij andere geschikte woonruimte heeft ontvangen, in de echtelijke woning blijven wonen;
- de man zal niet overgaan tot ontruiming of anderszins nakoming vorderen;
- zodra de vrouw of andere woonruimte beschikt, zal zij de man hierover inlichten.
Zou u de voorgaande afspraken aan mij willen bevestigen?
5. In een e-mailbericht van 18 juli 2018 geeft de advocaat van de man aan dat de advocaat van de vrouw de afspraken die zijn gemaakt in het e-mailbericht van 13 juli 2018 correct heeft weergegeven.
6. In de echtscheidingsbeschikking van 27 juli 2018 is vervolgens bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurder zal zijn van de woning. De beschikking is in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
7. De echtscheidingsbeschikking is op 11 januari 2019 ingeschreven in de daartoe bestemde registers. De man is met ingang van deze datum in beginsel met uitsluiting van de vrouw gerechtigd tot huur van de woning.
Eerste aanleg
8. De man heeft gevorderd om het bepaalde in de echtscheidingsbeschikking van 27 juli 2018 ten uitvoer te mogen leggen, te weten dat hij met ingang van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, 11 januari 2019, de huurder zal zijn van de woning en de vrouw om die reden de woning binnen een termijn van een maand na het te geven vonnis dient te verlaten.
9. De voorzieningenrechter heeft de vrouw veroordeeld om de woning binnen drie maanden na betekening van het vonnis te verlaten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Voorts is bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt, en het meer of anders gevorderde is afgewezen.
Vorderingen in hoger beroep
10. De vrouw vordert, zo het hof begrijpt, dat het dit hof moge behagen bij arrest:
I) het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de door de man in eerste aanleg ingestelde vorderingen alsnog in zijn geheel af te wijzen; en
II) de man te veroordelen in de kosten van beide instanties.
11. De man vordert, zo begrijpt het hof, dat het hof bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet-ontvankelijk zal verklaren dan wel het door haar gevorderde zal afwijzen.
Oordeel hof
Spoedeisend belang
12. Het hof overweegt als volgt. De kortgedingrechter komt een grote mate van vrijheid toe in de beoordeling of, gelet op alle factoren, een spoedvoorziening is gerechtvaardigd. De man heeft in eerste aanleg onbetwist gesteld dat hij thans niet in aanmerking komt voor een sociale huurwoning omdat hij ingevolge de echtscheidingsbeschikking met ingang van 11 januari 2019 al huurder van de woning is waar de vrouw nog in woont. De man heeft nu geen vaste woon- en verblijfplaats en woont afwisselend bij meerdere familieleden. Deze situatie doet zich in ieder geval al meer dan een jaar voor. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de man – mede bezien de aard van zijn vordering – een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Naar het oordeel van het hof is dit spoedeisend belang voor de man nog steeds aanwezig.
13. De vrouw heeft in eerste aanleg niet in reconventie om een ordemaatregel gevraagd met betrekking tot de tussen partijen gesloten overeenkomst aangaande het huurrecht van de voormalige echtelijke woning.
Afspraak partijen
14. Partijen verschillen van mening over de uitleg van de tussen hen gemaakte afspraken. Volgens de vrouw hebben partijen bewust geen termijn afgesproken waarbinnen zij de woning zou moeten verlaten, omdat zij zich ervan bewust waren dat dit vanwege de woningnood in Den Haag enige tijd kon gaan duren. De man stelt dat partijen bij het opstellen van de afspraken een periode van drie tot zes maanden voor ogen hebben gehad, mede omdat de vrouw zelf aangaf per se niet in de woning te willen blijven wonen.
15. Het hof overweegt als volgt. De voorzieningenrechter treft slechts een voorlopig oordeel; dit voorlopige oordeel kan feitelijk tot gevolg hebben dat de voorlopige maatregel een definitief gevolg heeft. Als de vrouw de woning moet verlaten in het kader van een procedure in kortgeding heeft dit dus voor haar een definitief gevolg. De voorzieningenrechter dient dus op een zorgvuldige wijze rekenschap te geven van zijn voorlopige oordeel waarbij de voorzieningenrechter een inschatting dient te maken hoe mogelijk in de bodemprocedure de bodemrechter zal oordelen. Voor een wijziging of ontbinding van een overeenkomst in kort geding is geen plaats aangezien een dergelijke vordering alleen door de bodemrechter kan worden beslist (Hoge Raad 6 april 2012, NJ 2012/234). In het onderhavige geval gaat het slechts om de uitleg van een overeenkomst.
16. De uitleg van de overeenkomst dient te geschieden aan de hand van de Haviltexmaatstaf (Hoge Raad 13 maart 1981, NJ 1981/635). De vraag hoe in een overeenkomst de verhouding van partijen is geregeld en of de overeenkomst een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de overeenkomst. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.
17. De Haviltexmaatstaf is ook van toepassing indien partijen op de tekst van de overeenkomst haaks op elkaar staande bedoelingen en verwachtingen baseren en geen van beider interpretaties aanstonds volstrekt onaannemelijk is (Hoge Raad 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3303). Het hof moet dan ook mede in het licht van de door partijen aangevoerde omstandigheden vaststellen hoe de overeenkomst moet worden uitgelegd.
18. Het hof is, anders dan de vrouw, van oordeel dat – ook al is sprake van een procedure in kort geding – er ruimte is voor het toepassen van de Haviltexmaatstaf, nu een nader feitenonderzoek voor de toepassing van deze maatstaf in het onderhavige geval niet nodig is.
19. Het hof is, met de voorzieningenrechter, van oordeel dat – gezien de omstandigheden van het geval – een redelijke uitleg van de afspraken van partijen met zich meebrengt dat de vrouw binnen een redelijke termijn over andere woonruimte dient te beschikken, en oordeelt daartoe als volgt.
20.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, A.E. Sutorius-van Hees en F. Ibili, en is ondertekend en uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, ter openbare terechtzitting van 12 mei 2020 in aanwezigheid van de griffier.