Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-05-11
ECLI:NL:GHARL:2026:2902
Civiel recht; Arbeidsrecht
Hoger beroep
24,252 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2902 text/xml public 2026-05-19T12:00:26 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-05-11 200.360.521 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2902 text/html public 2026-05-19T09:07:12 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2902 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 11-05-2026 / 200.360.521 Arbeidszaak. Ontslag op staande voet. Anders dan de kantonrechter acht het hof het aan werkneemster te maken verwijt over haar afhoudende en onwelwillende houding tijdens haar arbeidsongeschiktheid, onvoldoende voor een dringende reden. Volgt alsnog toewijzing van een gefixeerde schadevergoeding, een transitievergoeding, een billijke vergoeding en een wettelijke verhoging over eerder onbetaald gelaten loon. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.360.521 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 11681825 beschikking van 11 mei 2026 in de zaak van [verzoekster] hierna te noemen: werkneemster die woont in [woonplaats] advocaat: mr. J.W. Kastelein en [verweerder] hierna te noemen: de school die is gevestigd in [vestigingsplaats] advocaat: mr. D. Kneppel 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep Werkneemster heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, op 11 juli 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: het beroepschrift het verweerschrift tevens houdende een hoger beroep van de school het verweerschrift op het hoger beroep van de school en het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 23 maart 2026 is gehouden. 2 De kern van de zaak en de uitkomst 2.1 Werkneemster is [sinds] 1999 bij de school in dienst als leraar. Tussen partijen zijn geschillen ontstaan, met name over de re-integratie van werkneemster na haar ziekmelding. De school heeft werkneemster op staande voet ontslagen. Werkneemster heeft zich hiertegen verweerd en verzoeken ingediend, onder meer gericht op het verkrijgen van een transitievergoeding, een billijke vergoeding en een vergoeding voor een onregelmatige opzegging. 2.2 De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet als rechtsgeldig beoordeeld, wegens het bestaan van een dringende reden (niet nakomen van re-integratieverplichtingen en controlevoorschriften). Daarbij zijn de door werkneemster verzochte vergoedingen afgewezen. De loonvordering over de periode waarin aan werkneemster een loonsanctie was opgelegd, is wel toegewezen. Over de kosten van het verzoek van werkneemster is bepaald dat iedere partij de eigen kosten moet dragen. 2.3 Op tegenverzoek van de school is voor recht verklaard dat de school de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd en dat de school geen transitievergoeding en/of billijke vergoeding en/of gefixeerde schadevergoeding is verschuldigd. Daarbij is werkneemster veroordeeld tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding aan de school. Werkneemster is tot slot in de kosten van het tegenverzoek van de school veroordeeld. 2.4 De bedoeling van het hoger beroep van werkneemster is dat haar bij de kantonrechter ingediende verzoeken alsnog worden toegewezen en die van de school alsnog worden afgewezen, met veroordeling van de school tot terugbetaling van wat werkneemster op basis van de beschikking aan de school heeft voldaan. 2.5 De bedoeling van het hoger beroep van de school is dat de toegewezen loonvordering van werkneemster alsnog wordt afgewezen, met veroordeling van werkneemster tot terugbetaling van dat toegewezen bedrag. 2.6 Het hof zal beslissen dat de bestreden beschikking niet in stand blijft, dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven en dat de school aan werkneemster een aantal vergoedingen moet betalen. Het hof licht dat hierna toe. 3 De toelichting op de beslissing van het hof De feiten In hoger beroep staan de volgende feiten vast, bij welke vaststelling grotendeels is uitgegaan van de door de kantonrechter vastgestelde feiten. 3.1 [sinds] 1999 is werkneemster op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam bij de school, laatstelijk in de functie van Leraar LC tegen een salaris van € 6.149 bruto per maand, exclusief bijkomende vergoedingen. Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de Cao Primair Onderwijs (hierna: de Cao). 3.2 In september 2022 is werkneemster besmet geraakt met Covid-19 (‘corona’) en enkele dagen arbeidsongeschikt geweest. 3.3 In november 2022 heeft de school driemaal met werkneemster gesproken over haar functioneren, in welk verband de school werkneemster op 23 november 2022 heeft ontheven van eindverantwoordelijkheid voor haar groep. 3.4 Werkneemster heeft zich op 28 november 2022 ziekgemeld. 3.5 Nadien is ten aanzien van werkneemster een re-integratietraject gestart. Op enig moment is tussen partijen onenigheid ontstaan over de (naleving van) re-integratie-verplichtingen (van elkaar), de bevindingen van de bedrijfsarts(en) en de arbeidskundige bevindingen, in welk verband in het voorjaar van 2024 mediationgesprekken zijn gevoerd die zonder succes zijn afgesloten. 3.6 Op 14 maart 2024 heeft een arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. Werkneemster heeft het daarvan opgemaakte rapport afgewezen omdat daarin haar ziektebeeld niet naar voren komt. De reactie van de arbeidsdeskundige dat in zulke rapportage geen plek is voor medische informatie, heeft de opstelling van werkneemster niet veranderd. De arbeidsdeskundige heeft daarop op 2 juli 2024 zijn definitieve rapport ingezonden met de toevoeging dat ondanks herhaalde verzoeken geen inhoudelijke reactie van werkneemster is ontvangen. In dat rapport is als conclusie vermeld dat werkneemster niet geschikt is voor haar eigen werk, dat het eigen werk niet passend is te maken, dat zij ook niet geschikt is te achten voor ander werk bij de school en dat per omgaande gestart zou moeten worden met een 2e spoortraject. 3.7 Vanaf 18 maart 2024 heeft de school aan werkneemster voorstellen gedaan over de inzet van een re-integratiebedrijf ten behoeve van de start van een re-integratie 2e spoor. Na overleg is vanaf juli 2024 een re-integratiebedrijf ingezet. 3.8 Op 12 juli 2024 heeft de school bij het UWV een deskundigenoordeel aangevraagd met de vraag of werkneemster voldoende heeft gedaan aan de re-integratie. Die aanvraag is na overleg met het UWV ingetrokken omdat ‘de datum einde wachttijd’ al binnen drie maanden lag en er een WIA-aanvraag gedaan moest worden. 3.9 Op 19 juli 2024 heeft de bedrijfsarts geadviseerd de re-integratieactiviteiten tijdelijk te staken omdat werkneemster een terugval heeft ervaren. Op 29 augustus 2024 heeft de bedrijfsarts geadviseerd het 2e spoor traject ‘op een laag pitje’ voort te zetten, onder toevoeging dat de aanstaande WIA-keuring werkneemster veel energie kost en daarnaast geen ruimte bestaat voor verdere re-integratie. 3.10 Op 3 september 2024 heeft de school (opnieuw) aan werkneemster gevraagd het plan van aanpak, de periodieke evaluaties en de eerstejaarsevaluatie te ondertekenen, desnoods alleen voor gezien, en aan te geven op welke onderdelen een en ander dan volgens werkneemster aangepast zou moeten worden. Werkneemster heeft op 5 september 2024 geantwoord dat zij nergens mee akkoord gaat; de documenten zijn niet door haar ondertekend. 3.11 Vanaf begin september 2024 is een aantal maal contact geweest tussen werkneemster en een adviseur van het re-integratiebedrijf. 3.12 Werkneemster heeft op 2 september 2014 via Zorgklacht.nl een “second opinion bedrijfsarts” aangevraagd. Op 31 oktober 2024 heeft werkneemster een rappel aan Zorgklacht.nl gezonden, waarna Zorgklacht.nl met een e-mailbericht van 4 november 2024 aan werkneemster informatie heeft verstrekt alsook drie formulieren die zij had in te vullen, waarna de aanvraag in gang zou kunnen worden gezet. Werkneemster heeft vervolgens van het doorzetten van haar aanvraag voor een second opinion afgezien.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2902 text/xml public 2026-05-19T12:00:26 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-05-11 200.360.521 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2902 text/html public 2026-05-19T09:07:12 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2902 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 11-05-2026 / 200.360.521 Arbeidszaak. Ontslag op staande voet. Anders dan de kantonrechter acht het hof het aan werkneemster te maken verwijt over haar afhoudende en onwelwillende houding tijdens haar arbeidsongeschiktheid, onvoldoende voor een dringende reden. Volgt alsnog toewijzing van een gefixeerde schadevergoeding, een transitievergoeding, een billijke vergoeding en een wettelijke verhoging over eerder onbetaald gelaten loon. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.360.521 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 11681825 beschikking van 11 mei 2026 in de zaak van [verzoekster] hierna te noemen: werkneemster die woont in [woonplaats] advocaat: mr. J.W. Kastelein en [verweerder] hierna te noemen: de school die is gevestigd in [vestigingsplaats] advocaat: mr. D. Kneppel 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep Werkneemster heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, op 11 juli 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: het beroepschrift het verweerschrift tevens houdende een hoger beroep van de school het verweerschrift op het hoger beroep van de school en het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 23 maart 2026 is gehouden. 2 De kern van de zaak en de uitkomst 2.1 Werkneemster is [sinds] 1999 bij de school in dienst als leraar. Tussen partijen zijn geschillen ontstaan, met name over de re-integratie van werkneemster na haar ziekmelding. De school heeft werkneemster op staande voet ontslagen. Werkneemster heeft zich hiertegen verweerd en verzoeken ingediend, onder meer gericht op het verkrijgen van een transitievergoeding, een billijke vergoeding en een vergoeding voor een onregelmatige opzegging. 2.2 De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet als rechtsgeldig beoordeeld, wegens het bestaan van een dringende reden (niet nakomen van re-integratieverplichtingen en controlevoorschriften). Daarbij zijn de door werkneemster verzochte vergoedingen afgewezen. De loonvordering over de periode waarin aan werkneemster een loonsanctie was opgelegd, is wel toegewezen. Over de kosten van het verzoek van werkneemster is bepaald dat iedere partij de eigen kosten moet dragen. 2.3 Op tegenverzoek van de school is voor recht verklaard dat de school de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd en dat de school geen transitievergoeding en/of billijke vergoeding en/of gefixeerde schadevergoeding is verschuldigd. Daarbij is werkneemster veroordeeld tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding aan de school. Werkneemster is tot slot in de kosten van het tegenverzoek van de school veroordeeld. 2.4 De bedoeling van het hoger beroep van werkneemster is dat haar bij de kantonrechter ingediende verzoeken alsnog worden toegewezen en die van de school alsnog worden afgewezen, met veroordeling van de school tot terugbetaling van wat werkneemster op basis van de beschikking aan de school heeft voldaan. 2.5 De bedoeling van het hoger beroep van de school is dat de toegewezen loonvordering van werkneemster alsnog wordt afgewezen, met veroordeling van werkneemster tot terugbetaling van dat toegewezen bedrag. 2.6 Het hof zal beslissen dat de bestreden beschikking niet in stand blijft, dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven en dat de school aan werkneemster een aantal vergoedingen moet betalen. Het hof licht dat hierna toe. 3 De toelichting op de beslissing van het hof De feiten In hoger beroep staan de volgende feiten vast, bij welke vaststelling grotendeels is uitgegaan van de door de kantonrechter vastgestelde feiten. 3.1 [sinds] 1999 is werkneemster op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam bij de school, laatstelijk in de functie van Leraar LC tegen een salaris van € 6.149 bruto per maand, exclusief bijkomende vergoedingen. Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de Cao Primair Onderwijs (hierna: de Cao). 3.2 In september 2022 is werkneemster besmet geraakt met Covid-19 (‘corona’) en enkele dagen arbeidsongeschikt geweest. 3.3 In november 2022 heeft de school driemaal met werkneemster gesproken over haar functioneren, in welk verband de school werkneemster op 23 november 2022 heeft ontheven van eindverantwoordelijkheid voor haar groep. 3.4 Werkneemster heeft zich op 28 november 2022 ziekgemeld. 3.5 Nadien is ten aanzien van werkneemster een re-integratietraject gestart. Op enig moment is tussen partijen onenigheid ontstaan over de (naleving van) re-integratie-verplichtingen (van elkaar), de bevindingen van de bedrijfsarts(en) en de arbeidskundige bevindingen, in welk verband in het voorjaar van 2024 mediationgesprekken zijn gevoerd die zonder succes zijn afgesloten. 3.6 Op 14 maart 2024 heeft een arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. Werkneemster heeft het daarvan opgemaakte rapport afgewezen omdat daarin haar ziektebeeld niet naar voren komt. De reactie van de arbeidsdeskundige dat in zulke rapportage geen plek is voor medische informatie, heeft de opstelling van werkneemster niet veranderd. De arbeidsdeskundige heeft daarop op 2 juli 2024 zijn definitieve rapport ingezonden met de toevoeging dat ondanks herhaalde verzoeken geen inhoudelijke reactie van werkneemster is ontvangen. In dat rapport is als conclusie vermeld dat werkneemster niet geschikt is voor haar eigen werk, dat het eigen werk niet passend is te maken, dat zij ook niet geschikt is te achten voor ander werk bij de school en dat per omgaande gestart zou moeten worden met een 2e spoortraject. 3.7 Vanaf 18 maart 2024 heeft de school aan werkneemster voorstellen gedaan over de inzet van een re-integratiebedrijf ten behoeve van de start van een re-integratie 2e spoor. Na overleg is vanaf juli 2024 een re-integratiebedrijf ingezet. 3.8 Op 12 juli 2024 heeft de school bij het UWV een deskundigenoordeel aangevraagd met de vraag of werkneemster voldoende heeft gedaan aan de re-integratie. Die aanvraag is na overleg met het UWV ingetrokken omdat ‘de datum einde wachttijd’ al binnen drie maanden lag en er een WIA-aanvraag gedaan moest worden. 3.9 Op 19 juli 2024 heeft de bedrijfsarts geadviseerd de re-integratieactiviteiten tijdelijk te staken omdat werkneemster een terugval heeft ervaren. Op 29 augustus 2024 heeft de bedrijfsarts geadviseerd het 2e spoor traject ‘op een laag pitje’ voort te zetten, onder toevoeging dat de aanstaande WIA-keuring werkneemster veel energie kost en daarnaast geen ruimte bestaat voor verdere re-integratie. 3.10 Op 3 september 2024 heeft de school (opnieuw) aan werkneemster gevraagd het plan van aanpak, de periodieke evaluaties en de eerstejaarsevaluatie te ondertekenen, desnoods alleen voor gezien, en aan te geven op welke onderdelen een en ander dan volgens werkneemster aangepast zou moeten worden. Werkneemster heeft op 5 september 2024 geantwoord dat zij nergens mee akkoord gaat; de documenten zijn niet door haar ondertekend. 3.11 Vanaf begin september 2024 is een aantal maal contact geweest tussen werkneemster en een adviseur van het re-integratiebedrijf. 3.12 Werkneemster heeft op 2 september 2014 via Zorgklacht.nl een “second opinion bedrijfsarts” aangevraagd. Op 31 oktober 2024 heeft werkneemster een rappel aan Zorgklacht.nl gezonden, waarna Zorgklacht.nl met een e-mailbericht van 4 november 2024 aan werkneemster informatie heeft verstrekt alsook drie formulieren die zij had in te vullen, waarna de aanvraag in gang zou kunnen worden gezet. Werkneemster heeft vervolgens van het doorzetten van haar aanvraag voor een second opinion afgezien.
Volledig
3.13 De school heeft in een e-mailbericht van 17 september 2024 bij werkneemster erop aangedrongen mee te werken aan een voortzetting van het 2e spoortraject en meegedeeld dat als werkneemster niet reageert de school haar loon zal stopzetten. In een e-mailbericht van 19 september 2024 heeft de school, refererend aan een eerdere melding van werkneemster dat zij voorlopig niet aan het 2e spoor zal meewerken en het e-mailbericht van 17 september 2024, bevestigd dat het loon wordt opgeschort zolang werkneemster niet meewerkt aan het 2e spoortraject. In mailbericht van 14 oktober 2024 heeft de school aan werkneemster meegedeeld van de adviseur van het re-integratiebedrijf te hebben begrepen dat werkneemster op de afspraak van 10 oktober 2024 is verschenen en dat zij daarom de loonopschorting zal opheffen. 3.14 Werkneemster heeft op 18 september 2024 aan de school onder meer meegedeeld dat zij bij de bedrijfsarts heeft aangegeven dat zij een second opinion aanvraagt. 3.15 Op 21 oktober 2024 heeft werkneemster gemeld vanwege een flinke terugval niet in staat te zijn het 2e spoor te vervolgen en een afspraak afgezegd met de adviseur van het re-integratiebedrijf. 3.16 Op 6 november 2024 heeft het UWV in reactie op haar WIA-aanvraag van 5 september 2024 aan werkneemster onder meer meegedeeld dat zowel werkneemster als de school voldoende heeft gedaan aan haar re-integratie. In het bijgevoegde arbeidsdeskundig rapport van 14 oktober 2024 is als samenvatting onder meer vermeld: (…) Ik vind dat de werkgever genoeg heeft gedaan om de werknemer ondanks ziekte weer aan het werk te krijgen. Er zijn bij de eigen werkgever geen functies die passen bij de belastbaarheid van werknemer. Vervolgens is er een spoor 2 traject opgestart, dit loopt op een laag pitje maar dat is verklaarbaar door het advies van de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft immers aangegeven dat dit erg belastend is voor werknemer. Tussendoor zijn er mediationgesprekken gevoerd om het conflict op te lossen, dit is helaas niet gelukt. De verzekeringsarts heeft desgevraagd aangegeven dat hij van mening is dat de sociaal medische begeleiding passend is geweest en dat het voldoende aannemelijk is dat spoor 1 en spoor 2 tijdelijk zijn gestaakt. Mede op basis van dit oordeel ben ik van mening dat er geen re-integratiekansen zijn gemist. (…) In de paragraaf over aanvullende informatie van werkneemster is onder meer vermeld: (…) [Werkneemster] geeft aan dat zij lange tijd een verschil van mening heeft gehad met haar werkgever over haar ziektebeeld. De eerste bedrijfsarts (tot 1 januari 2024) was oke en die begreep haar klachten, de tweede bedrijfsarts was volgens haar teveel beïnvloed door haar werkgever. De begeleiding door die bedrijfsarts heeft een terugval veroorzaakt geeft ze aan en dat heeft haar herstel geen goed gedaan. Ze is bezig geweest met re-integreren (koffiemomenten etc) en dat ging best goed totdat ze in januari 2024 een andere bedrijfsarts kreeg. Het arbeidsdeskundig rapport klopt niet, er staan onjuistheden in. Het spoor 2 traject loopt, op een laag pitje maar ze heeft onlangs nog contact gehad met het re-integratiebureau. Ze is het niet eens met de uitkomst van deze beoordeling omdat ze van mening is dat er van alles mis is gegaan in de afgelopen 2 jaar. Ze is al langere tijd bezig met het aanvragen van een deskundigenoordeel bij het UWV. (…) 3.17 Werkneemster heeft bezwaar gemaakt tegen het arbeidsdeskundig rapport van 14 oktober 2024. Het UWV heeft daarop werkneemster meegedeeld dat haar bezwaar nog niet in behandeling kan worden genomen omdat zij niet heeft aangegeven waarom zij het niet eens is met de beslissing van het UWV. 3.18 Aan werkneemster is met ingang van 25 november 2024 een IVA-uitkering toegekend, die in eerste instantie in voorschotten aan haar is uitbetaald. 3.19 Per e-mailbericht van 25 november 2024 heeft de school werkneemster uitgenodigd voor een gesprek op 3 december 2024 over het vervolg van de re-integratie en van het dienstverband. Werkneemster heeft daarop geantwoord dat haars inziens pas na een uitspraak op haar bezwaar tegen de beoordeling van het UWV over de re-integratie-inspanningen van de school een gesprek kan plaatsvinden. Werkneemster is op 3 december 2024 niet verschenen bij de school. De school heeft werkneemster daarop gesommeerd voor genoemd gesprek te verschijnen op 6 december 2024 en haar aangezegd dat bij niet-verschijnen de loonbetaling zal worden gestaakt. Werkneemster heeft daarop geweigerd te verschijnen, onder meer stellend dat haar lage belastbaarheid reizen en een gesprek niet toelaten. 3.20 Met een e-mailbericht/brief van 9 december 2024 heeft de door de school ingeschakelde advocaat aan werkneemster samengevat geschreven dat het 2e spoortraject zal worden voortgezet, dat werkneemster daaraan moet meewerken, dat de school de bedrijfsarts zal vragen om een actueel oordeel over haar arbeidsongeschiktheid en dat de school zich na ontvangst van dat oordeel zal beraden over het vervolg en het eventueel eenzijdig eindigen van het dienstverband. 3.21 Met e-mailbericht van 16 december 2024 heeft de school aan werkneemster geschreven dat zij van de adviseur van het re-integratiebedrijf heeft vernomen dat zij opnieuw heeft aangegeven het 2e spoor te willen staken en dat zij graag per omgaande de bevestiging ontvangt dat werkneemster wel zal meewerken aan het 2e spoortraject, bij gebrek waarvan de school haar loon zal stopzetten. Werkneemster heeft daarop ontkend het 2e spoortraject te willen staken en gesteld dat dit ‘op een laag pitje’ wordt voortgezet. 3.22 Werkneemster is in aansluiting op de brief van de school van 9 december 2024 door de bedrijfsarts opgeroepen voor het spreekuur van 13 januari 2025. Werkneemster heeft in reactie daarop in een e-mailbericht van 12 januari 2025 gemeld dat haar huisarts haar het advies heeft gegeven om de afspraak af te zeggen omdat dat voor haar te belastend is, en dat ook haar revalidatieartsen en haar ergotherapeut in die zin hebben geadviseerd. Werkneemster stelt vervolgens voor eerst haar bezoek aan de revalidatiearts van 20 januari 2025 af te wachten en dat de informatie daaruit zal worden gedeeld met de bedrijfsarts en de school. Werkneemster is op 13 januari 2025 niet bij de bedrijfsarts verschenen. 3.23 Met een e-mailbericht/brief van 13 januari 2025 heeft de advocaat van de school aan werkneemster geschreven dat zij zonder geldige reden de afspraak bij de bedrijfsarts heeft afgezegd en dat werkneemster daarvoor en voor het stopzetten van het 2e spoortraject een (laatste) waarschuwing krijgt. Verder wordt geschreven dat als werkneemster niet uiterlijk op 15 januari 2025 bevestigt dat zij gehoor zal geven aan haar verplichtingen, de school zonder nadere waarschuwing, het loon zal stopzetten. De brief besluit met: Tenslotte, zoals ik u in mijn brief van 9 december jl. al liet weten, wil cliënte een actueel oordeel ten behoeve van het eenzijdig eindigen van het dienstverband. Hiervoor is een actueel oordeel van de bedrijfsarts noodzakelijk. Dit maakt het zonder geldige reden weigeren gehoor te geven aan de oproep extra kwalijk. U doorkruist hiermee de mogelijkheid van cliënte om te beoordelen of een ontslagaanvraag voor u kan worden ingediend. Ik heb cliënte geadviseerd om per direct een nieuwe oproep te vragen. Mocht u aan deze oproep geen gehoor geven, dan zal cliënte u op staande voet ontslaan. U kunt deze brief dan ook als laatste waarschuwing beschouwen. 3.24 Na een telefonische reactie van (de vader van) werkneemster is haar met een e-mailbericht van 16 januari 2025 onder meer medegedeeld dat een nieuwe oproep van de bedrijfsarts zal volgen, dat zij daaraan zo nodig via ‘Teams’ aan kan deelnemen, dat een uitstel daarvoor tot 24 januari 2025 te 13.00 uur niet akkoord is, dat de loonbetaling wordt gestaakt en dat bij een opnieuw niet verschijnen bij de bedrijfsarts een ontslag op staande voet zal volgen. De school heeft die laatste waarschuwing in een tweede e-mailbericht van die dag herhaald. 3.25 Werkneemster is opgeroepen voor het spreekuur van de bedrijfsarts van 22 januari 2025. Zij is (digitaal) verschenen.
Volledig
3.13 De school heeft in een e-mailbericht van 17 september 2024 bij werkneemster erop aangedrongen mee te werken aan een voortzetting van het 2e spoortraject en meegedeeld dat als werkneemster niet reageert de school haar loon zal stopzetten. In een e-mailbericht van 19 september 2024 heeft de school, refererend aan een eerdere melding van werkneemster dat zij voorlopig niet aan het 2e spoor zal meewerken en het e-mailbericht van 17 september 2024, bevestigd dat het loon wordt opgeschort zolang werkneemster niet meewerkt aan het 2e spoortraject. In mailbericht van 14 oktober 2024 heeft de school aan werkneemster meegedeeld van de adviseur van het re-integratiebedrijf te hebben begrepen dat werkneemster op de afspraak van 10 oktober 2024 is verschenen en dat zij daarom de loonopschorting zal opheffen. 3.14 Werkneemster heeft op 18 september 2024 aan de school onder meer meegedeeld dat zij bij de bedrijfsarts heeft aangegeven dat zij een second opinion aanvraagt. 3.15 Op 21 oktober 2024 heeft werkneemster gemeld vanwege een flinke terugval niet in staat te zijn het 2e spoor te vervolgen en een afspraak afgezegd met de adviseur van het re-integratiebedrijf. 3.16 Op 6 november 2024 heeft het UWV in reactie op haar WIA-aanvraag van 5 september 2024 aan werkneemster onder meer meegedeeld dat zowel werkneemster als de school voldoende heeft gedaan aan haar re-integratie. In het bijgevoegde arbeidsdeskundig rapport van 14 oktober 2024 is als samenvatting onder meer vermeld: (…) Ik vind dat de werkgever genoeg heeft gedaan om de werknemer ondanks ziekte weer aan het werk te krijgen. Er zijn bij de eigen werkgever geen functies die passen bij de belastbaarheid van werknemer. Vervolgens is er een spoor 2 traject opgestart, dit loopt op een laag pitje maar dat is verklaarbaar door het advies van de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft immers aangegeven dat dit erg belastend is voor werknemer. Tussendoor zijn er mediationgesprekken gevoerd om het conflict op te lossen, dit is helaas niet gelukt. De verzekeringsarts heeft desgevraagd aangegeven dat hij van mening is dat de sociaal medische begeleiding passend is geweest en dat het voldoende aannemelijk is dat spoor 1 en spoor 2 tijdelijk zijn gestaakt. Mede op basis van dit oordeel ben ik van mening dat er geen re-integratiekansen zijn gemist. (…) In de paragraaf over aanvullende informatie van werkneemster is onder meer vermeld: (…) [Werkneemster] geeft aan dat zij lange tijd een verschil van mening heeft gehad met haar werkgever over haar ziektebeeld. De eerste bedrijfsarts (tot 1 januari 2024) was oke en die begreep haar klachten, de tweede bedrijfsarts was volgens haar teveel beïnvloed door haar werkgever. De begeleiding door die bedrijfsarts heeft een terugval veroorzaakt geeft ze aan en dat heeft haar herstel geen goed gedaan. Ze is bezig geweest met re-integreren (koffiemomenten etc) en dat ging best goed totdat ze in januari 2024 een andere bedrijfsarts kreeg. Het arbeidsdeskundig rapport klopt niet, er staan onjuistheden in. Het spoor 2 traject loopt, op een laag pitje maar ze heeft onlangs nog contact gehad met het re-integratiebureau. Ze is het niet eens met de uitkomst van deze beoordeling omdat ze van mening is dat er van alles mis is gegaan in de afgelopen 2 jaar. Ze is al langere tijd bezig met het aanvragen van een deskundigenoordeel bij het UWV. (…) 3.17 Werkneemster heeft bezwaar gemaakt tegen het arbeidsdeskundig rapport van 14 oktober 2024. Het UWV heeft daarop werkneemster meegedeeld dat haar bezwaar nog niet in behandeling kan worden genomen omdat zij niet heeft aangegeven waarom zij het niet eens is met de beslissing van het UWV. 3.18 Aan werkneemster is met ingang van 25 november 2024 een IVA-uitkering toegekend, die in eerste instantie in voorschotten aan haar is uitbetaald. 3.19 Per e-mailbericht van 25 november 2024 heeft de school werkneemster uitgenodigd voor een gesprek op 3 december 2024 over het vervolg van de re-integratie en van het dienstverband. Werkneemster heeft daarop geantwoord dat haars inziens pas na een uitspraak op haar bezwaar tegen de beoordeling van het UWV over de re-integratie-inspanningen van de school een gesprek kan plaatsvinden. Werkneemster is op 3 december 2024 niet verschenen bij de school. De school heeft werkneemster daarop gesommeerd voor genoemd gesprek te verschijnen op 6 december 2024 en haar aangezegd dat bij niet-verschijnen de loonbetaling zal worden gestaakt. Werkneemster heeft daarop geweigerd te verschijnen, onder meer stellend dat haar lage belastbaarheid reizen en een gesprek niet toelaten. 3.20 Met een e-mailbericht/brief van 9 december 2024 heeft de door de school ingeschakelde advocaat aan werkneemster samengevat geschreven dat het 2e spoortraject zal worden voortgezet, dat werkneemster daaraan moet meewerken, dat de school de bedrijfsarts zal vragen om een actueel oordeel over haar arbeidsongeschiktheid en dat de school zich na ontvangst van dat oordeel zal beraden over het vervolg en het eventueel eenzijdig eindigen van het dienstverband. 3.21 Met e-mailbericht van 16 december 2024 heeft de school aan werkneemster geschreven dat zij van de adviseur van het re-integratiebedrijf heeft vernomen dat zij opnieuw heeft aangegeven het 2e spoor te willen staken en dat zij graag per omgaande de bevestiging ontvangt dat werkneemster wel zal meewerken aan het 2e spoortraject, bij gebrek waarvan de school haar loon zal stopzetten. Werkneemster heeft daarop ontkend het 2e spoortraject te willen staken en gesteld dat dit ‘op een laag pitje’ wordt voortgezet. 3.22 Werkneemster is in aansluiting op de brief van de school van 9 december 2024 door de bedrijfsarts opgeroepen voor het spreekuur van 13 januari 2025. Werkneemster heeft in reactie daarop in een e-mailbericht van 12 januari 2025 gemeld dat haar huisarts haar het advies heeft gegeven om de afspraak af te zeggen omdat dat voor haar te belastend is, en dat ook haar revalidatieartsen en haar ergotherapeut in die zin hebben geadviseerd. Werkneemster stelt vervolgens voor eerst haar bezoek aan de revalidatiearts van 20 januari 2025 af te wachten en dat de informatie daaruit zal worden gedeeld met de bedrijfsarts en de school. Werkneemster is op 13 januari 2025 niet bij de bedrijfsarts verschenen. 3.23 Met een e-mailbericht/brief van 13 januari 2025 heeft de advocaat van de school aan werkneemster geschreven dat zij zonder geldige reden de afspraak bij de bedrijfsarts heeft afgezegd en dat werkneemster daarvoor en voor het stopzetten van het 2e spoortraject een (laatste) waarschuwing krijgt. Verder wordt geschreven dat als werkneemster niet uiterlijk op 15 januari 2025 bevestigt dat zij gehoor zal geven aan haar verplichtingen, de school zonder nadere waarschuwing, het loon zal stopzetten. De brief besluit met: Tenslotte, zoals ik u in mijn brief van 9 december jl. al liet weten, wil cliënte een actueel oordeel ten behoeve van het eenzijdig eindigen van het dienstverband. Hiervoor is een actueel oordeel van de bedrijfsarts noodzakelijk. Dit maakt het zonder geldige reden weigeren gehoor te geven aan de oproep extra kwalijk. U doorkruist hiermee de mogelijkheid van cliënte om te beoordelen of een ontslagaanvraag voor u kan worden ingediend. Ik heb cliënte geadviseerd om per direct een nieuwe oproep te vragen. Mocht u aan deze oproep geen gehoor geven, dan zal cliënte u op staande voet ontslaan. U kunt deze brief dan ook als laatste waarschuwing beschouwen. 3.24 Na een telefonische reactie van (de vader van) werkneemster is haar met een e-mailbericht van 16 januari 2025 onder meer medegedeeld dat een nieuwe oproep van de bedrijfsarts zal volgen, dat zij daaraan zo nodig via ‘Teams’ aan kan deelnemen, dat een uitstel daarvoor tot 24 januari 2025 te 13.00 uur niet akkoord is, dat de loonbetaling wordt gestaakt en dat bij een opnieuw niet verschijnen bij de bedrijfsarts een ontslag op staande voet zal volgen. De school heeft die laatste waarschuwing in een tweede e-mailbericht van die dag herhaald. 3.25 Werkneemster is opgeroepen voor het spreekuur van de bedrijfsarts van 22 januari 2025. Zij is (digitaal) verschenen.
Volledig
De uitkomst van dat spreekuur was de bedrijfsarts over onvoldoende medische informatie beschikte om tot een oordeel te komen en dat een vervolgafspraak zal worden gepland als zij de benodigde informatie heeft ontvangen. De bedrijfsarts heeft daarop geen medische informatie ontvangen van of via werkneemster. 3.26 Op 4 maart 2025 is werkneemster opgeroepen om te verschijnen op het spreekuur (“video-consult”) van de bedrijfsarts van 7 maart 2025 om 13.30 uur. In die oproep staat onder meer vermeld: Indien u niet in staat bent de afspraak bij te wonen of als u een andere reden heeft waarom deze afspraak niet door kan gaan, verzoeken wij u om dit zo spoedig mogelijk (min. 48 uur van tevoren) aan ons door te geven. Dit kunt u doorgeven aan contactpersoon (…) 3.27 Namens werkneemster heeft haar vader op 5 maart 2025 aan de bedrijfsarts geantwoord dat de revalidatiearts werkneemster heeft verboden om bezoeken af te leggen of bezig te zijn met haar ziekte en dat hij als haar begeleider op 7 maart is verhinderd omdat hij zelf naar het ziekenhuis moet. In een tweede e-mailbericht van die dag vraagt de vader van werkneemster aan de school het spreekuur met de bedrijfsarts te verplaatsen naar een andere datum en tijdstip. 3.28 In een e-mailbericht van 6 maart 2025 heeft de bedrijfsarts geantwoord dat het niet gaat om een fysieke afspraak maar om een video-consult en dat het gaat om vragen wat de komende 26 weken nog kan worden verwacht aangaande werkhervatting, al dan niet in aangepaste vorm, en herplaatsing, waarna onder meer wordt vermeld: Om deze vragen te kunnen beantwoorden heb ik aanvullende medische informatie nodig, zoals de informatie van de revalidatie arts van Beatrixoord. Tijdens het eerdere consult bespraken we dat u de laatste polibrief naar mij zou mailen, die heb ik niet ontvangen. Ik kan alleen informatie opvragen als u ([werkneemster]) daar uitdrukkelijk toestemming voor geeft, doordat u de informatie zelf aan mij doorstuurt of middels een door u ondertekende machtiging. 3.29 Op 7 maart 2025 om 12.53 uur bericht de school via een WhatsApp-bericht aan werkneemster dat zij voor afzeggen van de afspraak met de bedrijfsarts geen geldige reden heeft, dat zij wordt gesommeerd aan de oproep gehoor te geven en deel te nemen aan het online spreekuur van de bedrijfsarts, dat werkneemster inmiddels al veelvuldig is gevraagd naar de contactgegevens van haar medische behandelaars, dat zij weigert die gegevens te delen, dat de maat voor de school inmiddels vol is en dat als werkneemster geen gehoor geeft aan de oproep om online te verschijnen of bij wel verschijnen niet de gevraagde gegevens door te geven, de school haar op staande voet zal ontslaan. 3.30 Werkneemster is niet verschenen bij het videoconsult van de bedrijfsarts en heeft haar evenmin de gevraagde medische informatie of contactgegevens toegezonden. 3.31 Met een e-mailbericht/brief van 7 maart 2025 heeft de school werkneemster met onmiddellijke ingang ontslagen. In de brief staat daarover onder meer: De dringende redenen die aan dit ontslag ten grondslag liggen zijn: 1. Het opvolgend weigeren gehoor te geven aan oproepen van de bedrijfsarts; 2. Het zonder geldige reden weigeren gehoor te geven aan het tweede spoor traject; 3. Weigering om gegevens van medische behandelaars te verstrekken aan de bedrijfsarts zodat deze een actueel oordeel kan afgeven ten behoeve van de ontslagprocedure bij het UWV; 4. Het blijvend weigeren gehoor te geven aan de re-integratieverplichtingen. Bovengenoemde gedragingen vormen ieder op zichzelf, maar ook in samenhang bezien voor ons een dringende reden voor ontslag op staande voet. de beslissing van de kantonrechter en de bezwaren van partijen daartegen 3.32 De kantonrechter heeft het aan werkneemster gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig bevonden omdat de schending van de (controle)voorschriften, gelet op de (bijkomende) omstandigheden, in dit geval een dringende reden oplevert en er sprake is van een onverwijlde opzegging en een onverwijlde mededeling van de reden voor het ontslag. De door werkneemster gevraagde vergoedingen zijn daarop afgewezen, behalve een deel van de loonvordering wat zag op de loonopschorting van september/oktober 2024. 3.33 Volgens werkneemster heeft de kantonrechter ten onrechte een dringende reden aangenomen. Zij bestrijdt dat zij geweigerd heeft gehoor te geven aan oproepen van de bedrijfsarts en/of mee te werken aan het 2e spoortraject, zich daarin onwelwillend heeft opgesteld en zo haar re-integratieverplichtingen heeft geschonden of controlevoorschriften heeft overtreden. Terecht is achterstallig loon toegewezen, maar ten onrechte is de wettelijke verhoging daarover afgewezen, dit alles volgens werkneemster. 3.34 Volgens de school is de loonvordering van werkneemster aangaande de periode van september/oktober 2024 onterecht toegewezen. Er was sprake van een loonstop en niet van een loonopschorting, aldus de school. 3.35 Het hof zal de bezwaren van partijen hierna thematisch behandelen. bezwaar over de tot uitgangspunt genomen feiten 3.36 Werkneemster heeft in haar beroepschrift aangevoerd dat de kantonrechter niet alle relevante feiten (juist en volledig) heeft vastgesteld. Bij bespreking van dat bezwaar heeft werkneemster geen belang omdat het hof de van belang zijnde, hiervoor weergegeven feiten zelfstandig (en opnieuw) heeft vastgesteld. maatstaf voor ontslag op staande voet 3.37 Het beoordelingskader voor een (geldig) ontslag op staande voet is door de kantonrechter weergegeven in overweging 4.2 van de beschikking van 11 juli 2025. Dat is (terecht) niet bestreden in hoger beroep en vormt daarmee ook het kader waarbinnen het hof het door de school gegeven ontslag en de bezwaren van werkneemster daartegen zal beoordelen. Daarbij geldt dat werkneemster in hoger beroep geen kenbare bezwaren heeft opgeworpen tegen het oordeel van de kantonrechter dat sprake is geweest van een onverwijlde opzegging en van een onverwijlde mededeling van de ontslagreden aan werkneemster. Het hof ziet geen reden om daar anders over te oordelen. geen dringende reden 3.38 De school heeft werkneemster op staande voet ontslagen en heeft in hoger beroep gehandhaafd dat sprake is van een dringende reden en van een rechtsgeldig ontslag. Zij heeft in haar e-mailbericht/brief van 7 maart 2025 (zie 3.31) uiteengezet welke vier redenen zij daarvoor had. Werkneemster betwist dat die vier redenen afzonderlijk of in samenhang een voldoende dringende reden voor ontslag vormen. Het hof gaat hierna in op die vier redenen. - Het opvolgend weigeren gehoor te geven aan oproepen van de bedrijfsarts 3.39 Dit verwijt is onjuist omdat niet van ‘opvolgend’ sprake is. Op de oproep voor een consult op 13 januari 2025 heeft werkneemster gereageerd en zij heeft daarvoor een uitstel gevraagd. Op de daarop volgende oproep voor het spreekuur van 22 januari 2025 is werkneemster verschenen. Daarna is de oproep voor het (digitale) spreekuur van 7 maart 2025 gevolgd. Voor zover de school hiermee het oog heeft op andere oproepen voor het spreekuur bij de bedrijfsarts in 2023 en/of 2024 geldt dat zij dat onvoldoende duidelijk heeft gemaakt, zowel in de brief van 7 maart 2025 als in de processtukken. Werkneemster heeft in dat verband ook aangevoerd dat het in die jaren wel is voorgekomen dat zij om medische redenen om uitstel voor een bezoek heeft gevraagd maar dit ook steeds heeft gekregen, waarna zij gehoor heeft gegeven aan opvolgende oproep. Uit wat de school heeft aangevoerd en aan stukken heeft overgelegd, kan niet worden afgeleid dat dat verweer onjuist is. - Het zonder geldige reden weigeren gehoor te geven aan het tweede spoortraject 3.40 Zo dit verwijt al voldoende duidelijk is, past daarbij de volgende kanttekeningen. Nadat in maart 2024 is geconcludeerd (zie 3.6) dat de re-integratie-inspanningen verder gericht moesten worden op het 2e spoor, is begin juli 2024 daarvoor een re-integratiebedrijf (zie 3.7) ingezet. Vervolgens heeft de bedrijfsarts in juli 2024 geadviseerd de re-integratie-activiteiten tijdelijk te staken, waarna in eind augustus 2024 is geadviseerd (zie 3.9) de re-integratie-inspanningen ‘op een laag pitje’ voort te zetten.
Volledig
De uitkomst van dat spreekuur was de bedrijfsarts over onvoldoende medische informatie beschikte om tot een oordeel te komen en dat een vervolgafspraak zal worden gepland als zij de benodigde informatie heeft ontvangen. De bedrijfsarts heeft daarop geen medische informatie ontvangen van of via werkneemster. 3.26 Op 4 maart 2025 is werkneemster opgeroepen om te verschijnen op het spreekuur (“video-consult”) van de bedrijfsarts van 7 maart 2025 om 13.30 uur. In die oproep staat onder meer vermeld: Indien u niet in staat bent de afspraak bij te wonen of als u een andere reden heeft waarom deze afspraak niet door kan gaan, verzoeken wij u om dit zo spoedig mogelijk (min. 48 uur van tevoren) aan ons door te geven. Dit kunt u doorgeven aan contactpersoon (…) 3.27 Namens werkneemster heeft haar vader op 5 maart 2025 aan de bedrijfsarts geantwoord dat de revalidatiearts werkneemster heeft verboden om bezoeken af te leggen of bezig te zijn met haar ziekte en dat hij als haar begeleider op 7 maart is verhinderd omdat hij zelf naar het ziekenhuis moet. In een tweede e-mailbericht van die dag vraagt de vader van werkneemster aan de school het spreekuur met de bedrijfsarts te verplaatsen naar een andere datum en tijdstip. 3.28 In een e-mailbericht van 6 maart 2025 heeft de bedrijfsarts geantwoord dat het niet gaat om een fysieke afspraak maar om een video-consult en dat het gaat om vragen wat de komende 26 weken nog kan worden verwacht aangaande werkhervatting, al dan niet in aangepaste vorm, en herplaatsing, waarna onder meer wordt vermeld: Om deze vragen te kunnen beantwoorden heb ik aanvullende medische informatie nodig, zoals de informatie van de revalidatie arts van Beatrixoord. Tijdens het eerdere consult bespraken we dat u de laatste polibrief naar mij zou mailen, die heb ik niet ontvangen. Ik kan alleen informatie opvragen als u ([werkneemster]) daar uitdrukkelijk toestemming voor geeft, doordat u de informatie zelf aan mij doorstuurt of middels een door u ondertekende machtiging. 3.29 Op 7 maart 2025 om 12.53 uur bericht de school via een WhatsApp-bericht aan werkneemster dat zij voor afzeggen van de afspraak met de bedrijfsarts geen geldige reden heeft, dat zij wordt gesommeerd aan de oproep gehoor te geven en deel te nemen aan het online spreekuur van de bedrijfsarts, dat werkneemster inmiddels al veelvuldig is gevraagd naar de contactgegevens van haar medische behandelaars, dat zij weigert die gegevens te delen, dat de maat voor de school inmiddels vol is en dat als werkneemster geen gehoor geeft aan de oproep om online te verschijnen of bij wel verschijnen niet de gevraagde gegevens door te geven, de school haar op staande voet zal ontslaan. 3.30 Werkneemster is niet verschenen bij het videoconsult van de bedrijfsarts en heeft haar evenmin de gevraagde medische informatie of contactgegevens toegezonden. 3.31 Met een e-mailbericht/brief van 7 maart 2025 heeft de school werkneemster met onmiddellijke ingang ontslagen. In de brief staat daarover onder meer: De dringende redenen die aan dit ontslag ten grondslag liggen zijn: 1. Het opvolgend weigeren gehoor te geven aan oproepen van de bedrijfsarts; 2. Het zonder geldige reden weigeren gehoor te geven aan het tweede spoor traject; 3. Weigering om gegevens van medische behandelaars te verstrekken aan de bedrijfsarts zodat deze een actueel oordeel kan afgeven ten behoeve van de ontslagprocedure bij het UWV; 4. Het blijvend weigeren gehoor te geven aan de re-integratieverplichtingen. Bovengenoemde gedragingen vormen ieder op zichzelf, maar ook in samenhang bezien voor ons een dringende reden voor ontslag op staande voet. de beslissing van de kantonrechter en de bezwaren van partijen daartegen 3.32 De kantonrechter heeft het aan werkneemster gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig bevonden omdat de schending van de (controle)voorschriften, gelet op de (bijkomende) omstandigheden, in dit geval een dringende reden oplevert en er sprake is van een onverwijlde opzegging en een onverwijlde mededeling van de reden voor het ontslag. De door werkneemster gevraagde vergoedingen zijn daarop afgewezen, behalve een deel van de loonvordering wat zag op de loonopschorting van september/oktober 2024. 3.33 Volgens werkneemster heeft de kantonrechter ten onrechte een dringende reden aangenomen. Zij bestrijdt dat zij geweigerd heeft gehoor te geven aan oproepen van de bedrijfsarts en/of mee te werken aan het 2e spoortraject, zich daarin onwelwillend heeft opgesteld en zo haar re-integratieverplichtingen heeft geschonden of controlevoorschriften heeft overtreden. Terecht is achterstallig loon toegewezen, maar ten onrechte is de wettelijke verhoging daarover afgewezen, dit alles volgens werkneemster. 3.34 Volgens de school is de loonvordering van werkneemster aangaande de periode van september/oktober 2024 onterecht toegewezen. Er was sprake van een loonstop en niet van een loonopschorting, aldus de school. 3.35 Het hof zal de bezwaren van partijen hierna thematisch behandelen. bezwaar over de tot uitgangspunt genomen feiten 3.36 Werkneemster heeft in haar beroepschrift aangevoerd dat de kantonrechter niet alle relevante feiten (juist en volledig) heeft vastgesteld. Bij bespreking van dat bezwaar heeft werkneemster geen belang omdat het hof de van belang zijnde, hiervoor weergegeven feiten zelfstandig (en opnieuw) heeft vastgesteld. maatstaf voor ontslag op staande voet 3.37 Het beoordelingskader voor een (geldig) ontslag op staande voet is door de kantonrechter weergegeven in overweging 4.2 van de beschikking van 11 juli 2025. Dat is (terecht) niet bestreden in hoger beroep en vormt daarmee ook het kader waarbinnen het hof het door de school gegeven ontslag en de bezwaren van werkneemster daartegen zal beoordelen. Daarbij geldt dat werkneemster in hoger beroep geen kenbare bezwaren heeft opgeworpen tegen het oordeel van de kantonrechter dat sprake is geweest van een onverwijlde opzegging en van een onverwijlde mededeling van de ontslagreden aan werkneemster. Het hof ziet geen reden om daar anders over te oordelen. geen dringende reden 3.38 De school heeft werkneemster op staande voet ontslagen en heeft in hoger beroep gehandhaafd dat sprake is van een dringende reden en van een rechtsgeldig ontslag. Zij heeft in haar e-mailbericht/brief van 7 maart 2025 (zie 3.31) uiteengezet welke vier redenen zij daarvoor had. Werkneemster betwist dat die vier redenen afzonderlijk of in samenhang een voldoende dringende reden voor ontslag vormen. Het hof gaat hierna in op die vier redenen. - Het opvolgend weigeren gehoor te geven aan oproepen van de bedrijfsarts 3.39 Dit verwijt is onjuist omdat niet van ‘opvolgend’ sprake is. Op de oproep voor een consult op 13 januari 2025 heeft werkneemster gereageerd en zij heeft daarvoor een uitstel gevraagd. Op de daarop volgende oproep voor het spreekuur van 22 januari 2025 is werkneemster verschenen. Daarna is de oproep voor het (digitale) spreekuur van 7 maart 2025 gevolgd. Voor zover de school hiermee het oog heeft op andere oproepen voor het spreekuur bij de bedrijfsarts in 2023 en/of 2024 geldt dat zij dat onvoldoende duidelijk heeft gemaakt, zowel in de brief van 7 maart 2025 als in de processtukken. Werkneemster heeft in dat verband ook aangevoerd dat het in die jaren wel is voorgekomen dat zij om medische redenen om uitstel voor een bezoek heeft gevraagd maar dit ook steeds heeft gekregen, waarna zij gehoor heeft gegeven aan opvolgende oproep. Uit wat de school heeft aangevoerd en aan stukken heeft overgelegd, kan niet worden afgeleid dat dat verweer onjuist is. - Het zonder geldige reden weigeren gehoor te geven aan het tweede spoortraject 3.40 Zo dit verwijt al voldoende duidelijk is, past daarbij de volgende kanttekeningen. Nadat in maart 2024 is geconcludeerd (zie 3.6) dat de re-integratie-inspanningen verder gericht moesten worden op het 2e spoor, is begin juli 2024 daarvoor een re-integratiebedrijf (zie 3.7) ingezet. Vervolgens heeft de bedrijfsarts in juli 2024 geadviseerd de re-integratie-activiteiten tijdelijk te staken, waarna in eind augustus 2024 is geadviseerd (zie 3.9) de re-integratie-inspanningen ‘op een laag pitje’ voort te zetten.
Volledig
Wat dat ‘op een laag pitje’ inhield, is onvoldoende duidelijk geworden. Het staat vast dat werkneemster in september en oktober 2024 wel contact heeft onderhouden met het re-integratiebedrijf. In de UWV-rapportage van 14 oktober 2024 zijn de re-integratie-inspanningen van werkneemster als voldoende beoordeeld. Eind oktober 2024 heeft werkneemster aangegeven ‘een flinke terugval’ te hebben ervaren en niet in staat te zijn het 2e spoortraject te vervolgen. De omstandigheid dat aan werkneemster eind november 2024 een voorschot op een IVA-uitkering is toegekend, lijkt daarvoor ook steun te geven. Niet gebleken is dat werkneemster na oktober 2024 wel in staat is geweest tot enige re-integratie-activiteit. Met een en ander is veeleer sprake van onmacht. - Weigering om gegevens van medische behandelaars te verstrekken 3.41 Vanaf begin december 2024 heeft de school in meerdere berichten aan werkneemster haar meegedeeld een actueel beeld te willen krijgen over haar arbeidsongeschiktheid in verband met de vraag of de arbeidsovereenkomst had te eindigen. Dat was een alleszins te billijken wens omdat uit de arbeidsdeskundige onderzoeken van maart 2024 (zie 3.6) en van oktober 2024 (zie 3.16) duidelijk bleek dat er bij de school geen functies waren die pasten bij de belastbaarheid van werkneemster en werkneemster daarnaast vanaf eind oktober 2024 stelde dat zij te kampen had met een flinke terugval. Werkneemster is vervolgens opgeroepen voor het spreekuur van 13 januari 2025 waarvoor zij zich echter heeft afgemeld waarbij zij onder meer stelde na haar bezoek van 20 januari 2025 aan haar revalidatiearts de daaruit voortkomende informatie te zullen delen met de bedrijfsarts. Dat heeft werkneemster niet gedaan, ook niet tijdens haar spreekuurcontact met de bedrijfsarts op 22 januari 2025. Uit de rapportage van de bedrijfsarts blijkt dat werkneemster is voorgehouden dat de bedrijfsarts over te weinig medische informatie beschikte en dat zij informatie nodig had. Werkneemster heeft daarna die informatie niet verstrekt of laten verstrekken en evenmin de contactgegevens van haar medische behandelaars doorgegeven. In de uitnodiging voor het spreekuurcontact van 7 maart 2025 is werkneemster nogmaals geschreven dat de bedrijfsarts inzicht wil hebben in haar medische situatie, waarna de bedrijfsarts zelf (zie 3.28) nog uitgebreid toelicht welke informatie zij waarom nog nodig. Ook in een WhatsApp-bericht van 7 maart 2025 aan werkneemster heeft de school nog eens benadrukt dat, en waarom, van belang is dat werkneemster (in ieder geval) de contactgegevens van haar medische behandelaars doorgeeft, waarbij werkneemster uitdrukkelijk is gewaarschuwd voor de gevolgen als zij niet meewerkt. Dat alles heeft werkneemster niet tot medewerking kunnen brengen. Niet aannemelijk is geworden dat werkneemster, ondanks haar beperkingen, niet in staat was om de bedrijfsarts de gevraagde contactgegevens op te geven en haar daarbij een machtiging te geven. Dit had wel van haar mogen worden verwacht. Die weigerachtige houding kan naar het oordeel van het hof niet anders dan als onterecht afhoudend en onwelwillend worden aangemerkt. De school maakt werkneemster daarvan dan ook terecht een verwijt. 3.42 Ook uit andere, hiervoor weergegeven feiten doemt het beeld op dat werkneemster weinig informatief was tegenover de school en daarbij de school ook herhaalde malen op het verkeerde been heeft gezet. Zo heeft zij, ondanks dat zij stelt dat zich liet bijstaan, herhaalde malen niet willen uitleggen wat haar inhoudelijke bezwaren waren tegen wat de arbeidsdeskundige had verwoord (zie 3.6) of tegen wat de school in concept aan (re-integratie)documenten heeft opgesteld (zie 3.10). Verder heeft zij in september 2024 de school voorgehouden dat zij bij de bedrijfsarts heeft aangegeven dat zij een second opinion aanvraagt (zie 3.14), wat zij niet heeft doorgezet. Dat heeft zij vervolgens niet aan de school meegedeeld. Tegenover de arbeidsdeskundige heeft werkneemster zich uitgesproken (zie 3.16) dat zij bezig is met het aanvragen van een deskundigenoordeel bij het UWV, welke mededeling in het rapport is terecht gekomen en zo ter kennis van de school is gebracht. Niet gebleken is dat die mededeling van werkneemster enige feitelijke grond had. Eind november 2024 heeft werkneemster een uitnodiging van de school voor een gesprek afgeslagen met een beroep op een door haar tegen het UWV-rapport van 14 oktober 2024 ingediende bezwaar en gesteld dat pas na een uitspraak daarover een gesprek kan plaatsvinden (zie 3.19). Dat bezwaar is echter niet in behandeling genomen omdat dat niet gemotiveerd was (zie 3.17). Ook dat heeft werkneemster niet aan de school meegedeeld. Ook die aan de gebeurtenissen voor en op 7 maart 20205 voorafgaande opstelling kan niet anders dan als afhoudend en onwelwillend worden aangemerkt. - Het blijvend weigeren gehoor te geven aan de re-integratieverplichtingen 3.43 Uit de brief van 7 maart 2025 blijkt niet op welk concreet handelen of nalaten van werkneemster, anders dan hiervoor al besproken, wordt gedoeld. Voor zover de school daarmee bedoelt dat werkneemster de school belet om vervolgstappen te nemen in haar voornemen om een ontslagaanvraag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid in te dienen, heeft dat naast de hiervoor besproken verwijten onvoldoende zelfstandige betekenis. 3.44 Uit een en ander volgt dat werkneemster zich op meerdere relevante momenten afhoudend en onwelwillend (‘ongrijpbaar’) heeft opgesteld, daar waar, ondanks haar beperkingen die het hof serieus neemt, een andere opstelling mocht worden verwacht. Die opstelling is onjuist en daarvan maakt de school werkneemster terecht een verwijt. Anders dan werkneemster kennelijk meent, rechtvaardigt de haars inziens onterechte ontheffing van 23 november 2022 (zie 3.3) of de door haar ervaren onjuiste omgang door de school met haar arbeidsongeschiktheid, die opstelling niet. 3.45 De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of het hiervoor vastgestelde handelen / nalaten van werkneemster ook aangemerkt moet worden als een dringende reden zoals hiervoor bedoeld in 3.38. Het moet gaan om zeer ernstige omstandigheden die objectief bekeken maken dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevraagd kan worden om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. 3.46 Hiervoor is uiteengezet dat het hof de afhoudende en onwelwillende (‘ongrijpbare’) houding van werkneemster in de gegeven omstandigheden als onjuist heeft aangemerkt. Dat inmiddels bij de school een (oplopend en sterk) gevoel van frustratie was ontstaan over de ontstane situatie en met name het gebrek aan voortgang daarin, is dan ook invoelbaar, te meer omdat de school alsook de bedrijfsarts veel moeite hebben gedaan om werkneemster de benodigde medische (contact)gegevens te laten geven. Het hof is echter van oordeel dat de school vervolgens een te grote stap neemt door werkneemster nog dezelfde dag op staande voet te ontslaan. Daarvoor is het volgende redengevend. 3.47 Uit de in 3.16 bedoelde UWV-rapportage van 14 oktober 2024 volgt dat de re-integratie-inspanningen van werkneemster, gegeven haar medische situatie en haar (on)mogelijkheden, als voldoende zijn beoordeeld. Vanaf eind november 2024 zijn vervolgens aan werkneemster voorschotten op een IVA-uitkering uitbetaald, waarmee de school bekend is geworden omdat zij (als eigenrisicodrager) in januari 2025 in verband daarmee te veel betaald loon is gaan verrekenen. Het gegeven dat aan werkneemster zo’n voorschot is toegekend, is een nadrukkelijke aanwijzing dat werkneemster als volledig arbeidsongeschikt werd gezien, met de verwachting dat dat blijvend zal zijn. Daarin ligt bevestiging, zoals ook volgt uit diverse rapportages van de opvolgende bedrijfsartsen, dat de medische situatie van werkneemster ernstig was en dat om die reden de re-integratie lang stil heeft gelegen en in dat verband steeds weinig van haar was te verwachten. Gelet op de aard van haar aandoening is het ook alleszins te billijken dat werkneemster zich bij allerhande contacten over haar re-integratie, en dus ook met de bedrijfsarts en/of de school, wilde laten bijstaan door een derde.
Volledig
Wat dat ‘op een laag pitje’ inhield, is onvoldoende duidelijk geworden. Het staat vast dat werkneemster in september en oktober 2024 wel contact heeft onderhouden met het re-integratiebedrijf. In de UWV-rapportage van 14 oktober 2024 zijn de re-integratie-inspanningen van werkneemster als voldoende beoordeeld. Eind oktober 2024 heeft werkneemster aangegeven ‘een flinke terugval’ te hebben ervaren en niet in staat te zijn het 2e spoortraject te vervolgen. De omstandigheid dat aan werkneemster eind november 2024 een voorschot op een IVA-uitkering is toegekend, lijkt daarvoor ook steun te geven. Niet gebleken is dat werkneemster na oktober 2024 wel in staat is geweest tot enige re-integratie-activiteit. Met een en ander is veeleer sprake van onmacht. - Weigering om gegevens van medische behandelaars te verstrekken 3.41 Vanaf begin december 2024 heeft de school in meerdere berichten aan werkneemster haar meegedeeld een actueel beeld te willen krijgen over haar arbeidsongeschiktheid in verband met de vraag of de arbeidsovereenkomst had te eindigen. Dat was een alleszins te billijken wens omdat uit de arbeidsdeskundige onderzoeken van maart 2024 (zie 3.6) en van oktober 2024 (zie 3.16) duidelijk bleek dat er bij de school geen functies waren die pasten bij de belastbaarheid van werkneemster en werkneemster daarnaast vanaf eind oktober 2024 stelde dat zij te kampen had met een flinke terugval. Werkneemster is vervolgens opgeroepen voor het spreekuur van 13 januari 2025 waarvoor zij zich echter heeft afgemeld waarbij zij onder meer stelde na haar bezoek van 20 januari 2025 aan haar revalidatiearts de daaruit voortkomende informatie te zullen delen met de bedrijfsarts. Dat heeft werkneemster niet gedaan, ook niet tijdens haar spreekuurcontact met de bedrijfsarts op 22 januari 2025. Uit de rapportage van de bedrijfsarts blijkt dat werkneemster is voorgehouden dat de bedrijfsarts over te weinig medische informatie beschikte en dat zij informatie nodig had. Werkneemster heeft daarna die informatie niet verstrekt of laten verstrekken en evenmin de contactgegevens van haar medische behandelaars doorgegeven. In de uitnodiging voor het spreekuurcontact van 7 maart 2025 is werkneemster nogmaals geschreven dat de bedrijfsarts inzicht wil hebben in haar medische situatie, waarna de bedrijfsarts zelf (zie 3.28) nog uitgebreid toelicht welke informatie zij waarom nog nodig. Ook in een WhatsApp-bericht van 7 maart 2025 aan werkneemster heeft de school nog eens benadrukt dat, en waarom, van belang is dat werkneemster (in ieder geval) de contactgegevens van haar medische behandelaars doorgeeft, waarbij werkneemster uitdrukkelijk is gewaarschuwd voor de gevolgen als zij niet meewerkt. Dat alles heeft werkneemster niet tot medewerking kunnen brengen. Niet aannemelijk is geworden dat werkneemster, ondanks haar beperkingen, niet in staat was om de bedrijfsarts de gevraagde contactgegevens op te geven en haar daarbij een machtiging te geven. Dit had wel van haar mogen worden verwacht. Die weigerachtige houding kan naar het oordeel van het hof niet anders dan als onterecht afhoudend en onwelwillend worden aangemerkt. De school maakt werkneemster daarvan dan ook terecht een verwijt. 3.42 Ook uit andere, hiervoor weergegeven feiten doemt het beeld op dat werkneemster weinig informatief was tegenover de school en daarbij de school ook herhaalde malen op het verkeerde been heeft gezet. Zo heeft zij, ondanks dat zij stelt dat zich liet bijstaan, herhaalde malen niet willen uitleggen wat haar inhoudelijke bezwaren waren tegen wat de arbeidsdeskundige had verwoord (zie 3.6) of tegen wat de school in concept aan (re-integratie)documenten heeft opgesteld (zie 3.10). Verder heeft zij in september 2024 de school voorgehouden dat zij bij de bedrijfsarts heeft aangegeven dat zij een second opinion aanvraagt (zie 3.14), wat zij niet heeft doorgezet. Dat heeft zij vervolgens niet aan de school meegedeeld. Tegenover de arbeidsdeskundige heeft werkneemster zich uitgesproken (zie 3.16) dat zij bezig is met het aanvragen van een deskundigenoordeel bij het UWV, welke mededeling in het rapport is terecht gekomen en zo ter kennis van de school is gebracht. Niet gebleken is dat die mededeling van werkneemster enige feitelijke grond had. Eind november 2024 heeft werkneemster een uitnodiging van de school voor een gesprek afgeslagen met een beroep op een door haar tegen het UWV-rapport van 14 oktober 2024 ingediende bezwaar en gesteld dat pas na een uitspraak daarover een gesprek kan plaatsvinden (zie 3.19). Dat bezwaar is echter niet in behandeling genomen omdat dat niet gemotiveerd was (zie 3.17). Ook dat heeft werkneemster niet aan de school meegedeeld. Ook die aan de gebeurtenissen voor en op 7 maart 20205 voorafgaande opstelling kan niet anders dan als afhoudend en onwelwillend worden aangemerkt. - Het blijvend weigeren gehoor te geven aan de re-integratieverplichtingen 3.43 Uit de brief van 7 maart 2025 blijkt niet op welk concreet handelen of nalaten van werkneemster, anders dan hiervoor al besproken, wordt gedoeld. Voor zover de school daarmee bedoelt dat werkneemster de school belet om vervolgstappen te nemen in haar voornemen om een ontslagaanvraag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid in te dienen, heeft dat naast de hiervoor besproken verwijten onvoldoende zelfstandige betekenis. 3.44 Uit een en ander volgt dat werkneemster zich op meerdere relevante momenten afhoudend en onwelwillend (‘ongrijpbaar’) heeft opgesteld, daar waar, ondanks haar beperkingen die het hof serieus neemt, een andere opstelling mocht worden verwacht. Die opstelling is onjuist en daarvan maakt de school werkneemster terecht een verwijt. Anders dan werkneemster kennelijk meent, rechtvaardigt de haars inziens onterechte ontheffing van 23 november 2022 (zie 3.3) of de door haar ervaren onjuiste omgang door de school met haar arbeidsongeschiktheid, die opstelling niet. 3.45 De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of het hiervoor vastgestelde handelen / nalaten van werkneemster ook aangemerkt moet worden als een dringende reden zoals hiervoor bedoeld in 3.38. Het moet gaan om zeer ernstige omstandigheden die objectief bekeken maken dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevraagd kan worden om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. 3.46 Hiervoor is uiteengezet dat het hof de afhoudende en onwelwillende (‘ongrijpbare’) houding van werkneemster in de gegeven omstandigheden als onjuist heeft aangemerkt. Dat inmiddels bij de school een (oplopend en sterk) gevoel van frustratie was ontstaan over de ontstane situatie en met name het gebrek aan voortgang daarin, is dan ook invoelbaar, te meer omdat de school alsook de bedrijfsarts veel moeite hebben gedaan om werkneemster de benodigde medische (contact)gegevens te laten geven. Het hof is echter van oordeel dat de school vervolgens een te grote stap neemt door werkneemster nog dezelfde dag op staande voet te ontslaan. Daarvoor is het volgende redengevend. 3.47 Uit de in 3.16 bedoelde UWV-rapportage van 14 oktober 2024 volgt dat de re-integratie-inspanningen van werkneemster, gegeven haar medische situatie en haar (on)mogelijkheden, als voldoende zijn beoordeeld. Vanaf eind november 2024 zijn vervolgens aan werkneemster voorschotten op een IVA-uitkering uitbetaald, waarmee de school bekend is geworden omdat zij (als eigenrisicodrager) in januari 2025 in verband daarmee te veel betaald loon is gaan verrekenen. Het gegeven dat aan werkneemster zo’n voorschot is toegekend, is een nadrukkelijke aanwijzing dat werkneemster als volledig arbeidsongeschikt werd gezien, met de verwachting dat dat blijvend zal zijn. Daarin ligt bevestiging, zoals ook volgt uit diverse rapportages van de opvolgende bedrijfsartsen, dat de medische situatie van werkneemster ernstig was en dat om die reden de re-integratie lang stil heeft gelegen en in dat verband steeds weinig van haar was te verwachten. Gelet op de aard van haar aandoening is het ook alleszins te billijken dat werkneemster zich bij allerhande contacten over haar re-integratie, en dus ook met de bedrijfsarts en/of de school, wilde laten bijstaan door een derde.
Volledig
In dit geval door haar vader, wat de school uit de eerdere, veelvuldige correspondentie ook wel heeft begrepen. 3.48 Over de oproep om op 7 maart 2025 (digitaal) te verschijnen, heeft de school gemengde en onduidelijke signalen afgegeven. Zij gebiedt werkneemster te verschijnen op straffe van ontslag (zie 3.29), terwijl zij eerder aan werkneemster uitdrukkelijk de mogelijkheid heeft geboden om de afspraak te verzetten (zie 3.26), van welke mogelijkheid werkneemster vervolgens ook gemotiveerd gebruik maakt. Bij het eerdere consult van de bedrijfsarts van 13 januari 2025 heeft werkneemster ook gemotiveerd om uitstel gevraagd, in welk verband de school werkneemster heeft gewaarschuwd voor loonstopzetting en/of een ontslag op staande voet. Het staat vast dat de school toen niet tot enige maatregel is overgegaan, zodat in dat opzicht een situatie was ontstaan dat de school wel dreigde maar steeds niet doorpakte. 3.49 Werkneemster heeft haar (via haar vader gedane) verzoek tot verplaatsing van het gesprek met de bedrijfsarts ook uitgelegd. Daarin wordt (nogmaals) duidelijk gemaakt dat zij zich wil laten begeleiden door haar vader en dat hij door eigen ziekenhuisbezoek is verhinderd. Dat verzoek besluit dan niet met de mededeling dat werkneemster niet wil verschijnen of de gevraagde informatie niet wil verstrekken, maar met de mededeling dat zij graag een uitnodiging ontvangt voor een andere datum en tijdstip. Daar waar het ging om een digitaal consult bij de bedrijfsarts, heeft de school onvoldoende toegelicht waarom een kort uitstel in de gegeven omstandigheden (toch) als onaanvaardbaar en ontoelaatbaar had te gelden. 3.50 Het staat vast dat de omvang van het voorschot op een IVA-uitkering maandelijks zo’n € 70 lager was dan de school op grond van de Cao tot een einde van het dienstverband aan werkneemster had te betalen. Het financieel belang van het voortduren van de arbeidsovereenkomst was na de IVA-bevoorschotting voor de school beperkt geworden tot zo’n € 70 bruto per maand aan loon. Ondanks dat relatief bescheiden verschil tussen loon en IVA-voorschot had de school daarmee als alternatief de betaling van het meerdere aan loon kunnen stopzetten, waarvoor zij werkneemster ook had gewaarschuwd maar nog niet toegepast. Ook dat relatief bescheiden verschil per maand maakt, samen met de door haarzelf gelaten onduidelijkheid/ ruimte met betrekking tot de oproep voor het consult bij de bedrijfsarts, dat van de school als goed werkgever, ondanks de te begrijpen frustratie bij haar als hiervoor beschreven, nog kon worden gevergd dat zij eerst dat alternatief had toegepast en een duidelijke oproep voor de bedrijfsarts had gedaan, met de expliciete mededeling dat annulering of uitstel niet zou worden toegestaan. Dit betekent dat daarmee ook van de school kon worden gevraagd dat zij eerst nog de arbeidsovereenkomst had laten voortduren. 3.51 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat er op 7 maart 2025 geen sprake was van een reden die voldoende dringend was voor een ontslag op staande voet. Er is daarmee geen sprake van een rechtsgeldig ontslag op staande voet. consequenties voor de verzoeken van werkneemster verklaringen voor recht 3.52 Omdat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, zijn de door werkneemster verzochte verklaringen voor recht dat zij onterecht op staande voet is ontslagen en dat haar arbeidsovereenkomst onregelmatig is opgezegd toewijsbaar. gefixeerde schadevergoeding 3.53 De school is aan werkneemster de in artikel 7:672 lid 11 BW bedoelde gefixeerde schadevergoeding verschuldigd omdat zij door het onterechte ontslag op staande voet de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt. Die vergoeding komt neer op het bedrag dat gelijk is aan het loon over de opzegtermijn die de school in acht had moeten nemen. Het gaat daarbij het bedongen brutoloon ten tijde van de opzegging, waarbij niet van belang is of de werkgever daadwerkelijk tot loonbetaling gehouden is en inkomensvervangende uitkeringen niet in mindering komen op de gefixeerde schadevergoeding. 3.54 Werkneemster heeft onder verwijzing naar artikel 3.9 van de Cao en de duur van haar dienstverband aangevoerd dat in haar geval een opzegtermijn van drie maanden in acht had moeten worden genomen, waarbij alleen tegen het einde van een maand kon worden opgezegd. Daardoor had haar arbeidsovereenkomst bij een regelmatige opzegging pas per 1 juli 2025 kunnen eindigen, zodat, gelet op haar loon (bestaande uit basissalaris, vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en oktobertoelage, samen € 7.290,80 bruto per maand), de gefixeerde schadevergoeding kan worden berekend op € 27.506,20 bruto. 3.55 Uit wat hiervoor is overwogen, faalt het verweer van de school dat zij geen gefixeerde schadevergoeding is verschuldigd omdat zij werkneemster terecht heeft ontslagen. De school heeft de berekening van de gefixeerde schadevergoeding en de daarbij gebruikte factoren voor het overige niet weersproken, zodat het hof die berekening tot uitgangspunt neemt. 3.56 De school heeft nog twee redenen aangevoerd op grond waarvan de gefixeerde schadevergoeding zou moeten worden gematigd. Het hof volgt de school daarin niet. Op grond van lid 12 van artikel 7:672 BW kan een eventuele matiging er niet toe leiden dat een toe te wijzen gefixeerde schadevergoeding onder ‘de ondergrens’ zakt van drie maanden loon én nooit minder dan tot het bedrag van de opzegtermijn als bedoeld in lid 2 van dat artikel. Gelet op de duur van het dienstverband op 7 maart 2025 van iets meer dan 25 jaren bedraagt de in lid 2 bedoelde opzegtermijn vier maanden. De in dit geval verschuldigde gefixeerde schadevergoeding is daarmee niet vatbaar voor matiging. De daarvoor door de school aangevoerde argumenten kunnen daarom al om die reden onbesproken worden gelaten. 3.57 Een en ander leidt ertoe dat de verzochte gefixeerde schadevergoeding van € 27.506,20 bruto zal worden toegewezen. Over deze vergoeding is, gelet op artikel 7:686a lid 1, 1e zin BW, de wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Het hof zal daarom de rente over deze vergoeding toewijzen vanaf 7 maart 2005. transitievergoeding 3.58 Als de werkgever de arbeidsovereenkomst opzegt, is de werkgever op grond van artikel 7:673 BW aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd. De school heeft gesteld dat zij de transitievergoeding niet is verschuldigd aan werkneemster omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkneemster. De school doet daarmee een beroep op artikel 7:673 lid 7, aanhef en onder c BW. Bij de beoordeling of de daarin vermelde uitzonderingsgrond van toepassing is, zijn de omstandigheden van het geval – waaronder de persoonlijke omstandigheden van de werknemer – slechts van belang voor zover deze van invloed zijn op de verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van de werknemer dat tot het ontslag heeft geleid. De overige omstandigheden van het geval (dus omstandigheden die geen verband houden met de gedragingen van de werknemer die tot het ontslag hebben geleid, of de verwijtbaarheid van die gedragingen) zijn in dit verband niet van betekenis. 3.59 Zoals hiervoor is overwogen (zie 3.43), kan werkneemster van een deel van het door de school aan de orde gestelde gedrag wel een verwijt worden gemaakt, maar dat gedrag is niet ernstig verwijtbaar. Daarvoor geldt immers een hoge drempel, die, mede op de ernstige medische situatie waarin werkneemster al lange tijd verkeerde, in dit geval naar het oordeel van het hof niet wordt gehaald. De school is daarom de transitievergoeding verschuldigd. 3.60 Werkneemster heeft voor het bedrag van de transitievergoeding verwezen naar productie 15 bij het verzoekschrift aan de kantonrechter, waarmee zij die vergoeding berekent op € 61.815,89 bruto. De school heeft die berekening niet gemotiveerd betwist, terwijl het hof evenmin reden ziet om aan de juistheid van die berekening te twijfelen. Het hof gaat daarom uit van € 61.815,89 bruto. Het hof zal overigens bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met de omstandigheid dat de school ook de transitievergoeding verschuldigd is (zie hierna 3.62 e.v.).
Volledig
In dit geval door haar vader, wat de school uit de eerdere, veelvuldige correspondentie ook wel heeft begrepen. 3.48 Over de oproep om op 7 maart 2025 (digitaal) te verschijnen, heeft de school gemengde en onduidelijke signalen afgegeven. Zij gebiedt werkneemster te verschijnen op straffe van ontslag (zie 3.29), terwijl zij eerder aan werkneemster uitdrukkelijk de mogelijkheid heeft geboden om de afspraak te verzetten (zie 3.26), van welke mogelijkheid werkneemster vervolgens ook gemotiveerd gebruik maakt. Bij het eerdere consult van de bedrijfsarts van 13 januari 2025 heeft werkneemster ook gemotiveerd om uitstel gevraagd, in welk verband de school werkneemster heeft gewaarschuwd voor loonstopzetting en/of een ontslag op staande voet. Het staat vast dat de school toen niet tot enige maatregel is overgegaan, zodat in dat opzicht een situatie was ontstaan dat de school wel dreigde maar steeds niet doorpakte. 3.49 Werkneemster heeft haar (via haar vader gedane) verzoek tot verplaatsing van het gesprek met de bedrijfsarts ook uitgelegd. Daarin wordt (nogmaals) duidelijk gemaakt dat zij zich wil laten begeleiden door haar vader en dat hij door eigen ziekenhuisbezoek is verhinderd. Dat verzoek besluit dan niet met de mededeling dat werkneemster niet wil verschijnen of de gevraagde informatie niet wil verstrekken, maar met de mededeling dat zij graag een uitnodiging ontvangt voor een andere datum en tijdstip. Daar waar het ging om een digitaal consult bij de bedrijfsarts, heeft de school onvoldoende toegelicht waarom een kort uitstel in de gegeven omstandigheden (toch) als onaanvaardbaar en ontoelaatbaar had te gelden. 3.50 Het staat vast dat de omvang van het voorschot op een IVA-uitkering maandelijks zo’n € 70 lager was dan de school op grond van de Cao tot een einde van het dienstverband aan werkneemster had te betalen. Het financieel belang van het voortduren van de arbeidsovereenkomst was na de IVA-bevoorschotting voor de school beperkt geworden tot zo’n € 70 bruto per maand aan loon. Ondanks dat relatief bescheiden verschil tussen loon en IVA-voorschot had de school daarmee als alternatief de betaling van het meerdere aan loon kunnen stopzetten, waarvoor zij werkneemster ook had gewaarschuwd maar nog niet toegepast. Ook dat relatief bescheiden verschil per maand maakt, samen met de door haarzelf gelaten onduidelijkheid/ ruimte met betrekking tot de oproep voor het consult bij de bedrijfsarts, dat van de school als goed werkgever, ondanks de te begrijpen frustratie bij haar als hiervoor beschreven, nog kon worden gevergd dat zij eerst dat alternatief had toegepast en een duidelijke oproep voor de bedrijfsarts had gedaan, met de expliciete mededeling dat annulering of uitstel niet zou worden toegestaan. Dit betekent dat daarmee ook van de school kon worden gevraagd dat zij eerst nog de arbeidsovereenkomst had laten voortduren. 3.51 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat er op 7 maart 2025 geen sprake was van een reden die voldoende dringend was voor een ontslag op staande voet. Er is daarmee geen sprake van een rechtsgeldig ontslag op staande voet. consequenties voor de verzoeken van werkneemster verklaringen voor recht 3.52 Omdat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, zijn de door werkneemster verzochte verklaringen voor recht dat zij onterecht op staande voet is ontslagen en dat haar arbeidsovereenkomst onregelmatig is opgezegd toewijsbaar. gefixeerde schadevergoeding 3.53 De school is aan werkneemster de in artikel 7:672 lid 11 BW bedoelde gefixeerde schadevergoeding verschuldigd omdat zij door het onterechte ontslag op staande voet de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt. Die vergoeding komt neer op het bedrag dat gelijk is aan het loon over de opzegtermijn die de school in acht had moeten nemen. Het gaat daarbij het bedongen brutoloon ten tijde van de opzegging, waarbij niet van belang is of de werkgever daadwerkelijk tot loonbetaling gehouden is en inkomensvervangende uitkeringen niet in mindering komen op de gefixeerde schadevergoeding. 3.54 Werkneemster heeft onder verwijzing naar artikel 3.9 van de Cao en de duur van haar dienstverband aangevoerd dat in haar geval een opzegtermijn van drie maanden in acht had moeten worden genomen, waarbij alleen tegen het einde van een maand kon worden opgezegd. Daardoor had haar arbeidsovereenkomst bij een regelmatige opzegging pas per 1 juli 2025 kunnen eindigen, zodat, gelet op haar loon (bestaande uit basissalaris, vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en oktobertoelage, samen € 7.290,80 bruto per maand), de gefixeerde schadevergoeding kan worden berekend op € 27.506,20 bruto. 3.55 Uit wat hiervoor is overwogen, faalt het verweer van de school dat zij geen gefixeerde schadevergoeding is verschuldigd omdat zij werkneemster terecht heeft ontslagen. De school heeft de berekening van de gefixeerde schadevergoeding en de daarbij gebruikte factoren voor het overige niet weersproken, zodat het hof die berekening tot uitgangspunt neemt. 3.56 De school heeft nog twee redenen aangevoerd op grond waarvan de gefixeerde schadevergoeding zou moeten worden gematigd. Het hof volgt de school daarin niet. Op grond van lid 12 van artikel 7:672 BW kan een eventuele matiging er niet toe leiden dat een toe te wijzen gefixeerde schadevergoeding onder ‘de ondergrens’ zakt van drie maanden loon én nooit minder dan tot het bedrag van de opzegtermijn als bedoeld in lid 2 van dat artikel. Gelet op de duur van het dienstverband op 7 maart 2025 van iets meer dan 25 jaren bedraagt de in lid 2 bedoelde opzegtermijn vier maanden. De in dit geval verschuldigde gefixeerde schadevergoeding is daarmee niet vatbaar voor matiging. De daarvoor door de school aangevoerde argumenten kunnen daarom al om die reden onbesproken worden gelaten. 3.57 Een en ander leidt ertoe dat de verzochte gefixeerde schadevergoeding van € 27.506,20 bruto zal worden toegewezen. Over deze vergoeding is, gelet op artikel 7:686a lid 1, 1e zin BW, de wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Het hof zal daarom de rente over deze vergoeding toewijzen vanaf 7 maart 2005. transitievergoeding 3.58 Als de werkgever de arbeidsovereenkomst opzegt, is de werkgever op grond van artikel 7:673 BW aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd. De school heeft gesteld dat zij de transitievergoeding niet is verschuldigd aan werkneemster omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkneemster. De school doet daarmee een beroep op artikel 7:673 lid 7, aanhef en onder c BW. Bij de beoordeling of de daarin vermelde uitzonderingsgrond van toepassing is, zijn de omstandigheden van het geval – waaronder de persoonlijke omstandigheden van de werknemer – slechts van belang voor zover deze van invloed zijn op de verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van de werknemer dat tot het ontslag heeft geleid. De overige omstandigheden van het geval (dus omstandigheden die geen verband houden met de gedragingen van de werknemer die tot het ontslag hebben geleid, of de verwijtbaarheid van die gedragingen) zijn in dit verband niet van betekenis. 3.59 Zoals hiervoor is overwogen (zie 3.43), kan werkneemster van een deel van het door de school aan de orde gestelde gedrag wel een verwijt worden gemaakt, maar dat gedrag is niet ernstig verwijtbaar. Daarvoor geldt immers een hoge drempel, die, mede op de ernstige medische situatie waarin werkneemster al lange tijd verkeerde, in dit geval naar het oordeel van het hof niet wordt gehaald. De school is daarom de transitievergoeding verschuldigd. 3.60 Werkneemster heeft voor het bedrag van de transitievergoeding verwezen naar productie 15 bij het verzoekschrift aan de kantonrechter, waarmee zij die vergoeding berekent op € 61.815,89 bruto. De school heeft die berekening niet gemotiveerd betwist, terwijl het hof evenmin reden ziet om aan de juistheid van die berekening te twijfelen. Het hof gaat daarom uit van € 61.815,89 bruto. Het hof zal overigens bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met de omstandigheid dat de school ook de transitievergoeding verschuldigd is (zie hierna 3.62 e.v.).
Volledig
3.61 Werkneemster heeft over deze vergoeding de toewijzing gevraagd van wettelijke rente, te berekenen vanaf 7 maart 2025. Die rente is, gelet op artikel 7:686a lid 1, 2e zin BW, echter pas verschuldigd vanaf één maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. De wettelijke rente over de transitievergoeding zal daardoor worden toegewezen vanaf 7 april 2025. billijke vergoeding 3.62 Wanneer de werkgever ten onrechte tot ontslag op staande voet is overgegaan, is dat op zichzelf al ernstig verwijtbaar en dat enkele feit kan daarmee grond zijn voor toekenning van een billijke vergoeding. Werkneemster maakt in dat verband aanspraak op een billijke vergoeding van € 40.000. 3.63 Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding gaat het erom dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, enerzijds als compensatie voor de schade die de werknemer heeft geleden als gevolg van dat handelen of nalaten en anderzijds als middel om de werkgever te wijzen op de noodzaak haar gedrag aan te passen in eventuele volgende gevallen. Daarbij kan rekening worden gehouden met de gevolgen van het ontslag, voor zover deze gevolgen zijn toe te rekenen aan het aan de werkgever van het ontslag te maken verwijt. De gevolgen voor de werknemer worden naar hun aard mede bepaald door de ‘waarde’ die de arbeidsovereenkomst voor de werknemer had. 3.64 De (niet-limitatieve) gezichtspunten die in de rechtspraak zijn geformuleerd lenen zich ook voor toepassing in dit geval. Daarbij is in dit geval van belang hoe lang de arbeidsovereenkomst nog zou hebben geduurd als de school niet tot het aangevochten ontslag was overgegaan, de mate waarin haar handelen verwijtbaar is en welke inkomsten werkneemster zelf heeft verworven of in redelijkheid had kunnen verwerven. De omvang van de toe te kennen billijke vergoeding laat zich naar zijn aard moeilijk motiveren, maar het hof kan een passend bedrag vaststellen op grond van de volgende in aanmerking te nemen omstandigheden. 3.65 Aannemelijk is dat de arbeidsovereenkomst na 7 maart 2025 niet lang meer zou hebben voortbestaan. Werkneemster was al meer dan twee jaren arbeidsongeschikt terwijl uit de toekenning van een IVA-uitkering volgt dat zij geen benutbare mogelijkheden had. Als werkneemster in dienst was gebleven, was haar inkomen (de IVA-uitkering) in essentie onveranderd gebleven. Door het ontslag is werkneemster daarmee geen inkomen misgelopen, terwijl gesteld noch gebleken is dat haar de mogelijkheid om verdere WW-rechten op te bouwen, is ontnomen. Tot enige concrete inkomensschade kan daardoor niet worden geconcludeerd. Het hof acht het daarbij wel aannemelijk dat het ontslag en de daarop gevolgde procedures de mogelijkheden van herstel van werkneemster en daarmee de in de toekomst gelegen mogelijkheid om opnieuw tegen loonwaarde werkzaam te zijn, geen goed hebben gedaan. Verder weegt het hof mee dat aan werkneemster een transitievergoeding toekomt en dat aan haar een vergoeding voor onregelmatige opzegging wordt toegekend. 3.66 Alle omstandigheden in aanmerking nemende acht het hof een billijke vergoeding van € 2.500 recht doen aan die omstandigheden. De school zal worden veroordeeld tot betaling van dat bedrag. 3.67 Werkneemster heeft over billijke vergoeding de toewijzing van wettelijke rente verzocht vanaf 7 maart 2025. Die rente is verschuldigd vanaf het moment van opeisbaar worden van die vergoeding. Dat is de datum van deze uitspraak. consequenties voor het tegenverzoek van de school 3.68 De verzoeken van de school aangaande verklaringen voor recht dat zij op 7 maart 2025 de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd en dat zij geen vergoedingen aan werkneemster is verschuldigd, zijn niet toewijsbaar omdat, gezien het voorgaande, aan de door de wet daarvoor gestelde eisen niet is voldaan. Haar verzoek om toekenning aan haar van een vergoeding wegens onregelmatig ontslag, deelt dat lot. Deze verzoeken zullen daarom alsnog worden afgewezen. loonvordering 3.69 Werkneemster heeft bij de kantonrechter verzocht om toewijzing van € 5.780,25 bruto aan achterstallig loon, € 625,22 bruto aan achterstallige vakantietoeslag, € 651,01 bruto aan achterstallige eindejaarsuitkering en € 0,21 aan achterstallige oktobertoelage, een en ander te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Daarvan is toegewezen € 3.535,03 bruto aan achterstallig loon, € 282,80 bruto aan achterstallige vakantietoeslag, € 294,47 bruto aan achterstallige eindejaarsuitkering en € 0,21 bruto aan achterstallige oktobertoelage, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2025. 3.70 Werkneemster heeft vervolgens in hoger beroep wel alsnog om de toewijzing verzocht van wat door de kantonrechter is afgewezen. Behalve ten aanzien van de afgewezen wettelijke verhoging heeft werkneemster echter geen kenbaar bezwaar gericht tegen wat aan loon en bijkomende vergoedingen is afgewezen. In de toelichting op haar beroepsgronden heeft het hof evenmin kunnen terugvinden wat onjuist zou zijn aan wat de kantonrechter overweegt over het niet toewijsbaar zijn van de door werkneemster over de maanden januari 2025 en maart 2025 verzochte bedragen. Het hof heeft daardoor geen reden om een hoger bedrag toe te wijzen dan de kantonrechter heeft gedaan. 3.71 De school heeft in het door haar ingestelde hoger beroep betoogt dat ten onrechte loon is toegewezen omdat volgens haar geen sprake is geweest van een loonopschorting maar van een loonstop. Daarmee is zij blijvend over de periode van september en oktober 2024 geen loon verschuldigd, aldus de school. Het hof volgt de school daarin niet. Uit de hiervoor in 3.13 opgenomen correspondentie blijkt dat op een niet voor een misverstand vatbare wijze door de school aan werkneemster is meegedeeld dat aan haar een loonopschorting wordt opgelegd vanwege een gebrek aan medewerking aan de re-integratie alsook dat om reden van het alsnog meewerken aan de re-integratie die aan werkneemster opgelegde loonopschorting worden opgeheven. Dat de school daarna (opnieuw) ontevreden is geraakt over de mate waarin werkneemster meewerkte aan de re-integratie, kan er niet toe leiden dat die (opgeheven) loonopschorting achteraf alsnog verwordt tot een loonstop. Het door de school ingestelde hoger beroep treft daarmee geen doel. 3.72 Wat betreft de door werkneemster verzochte wettelijke verhoging geldt dat de school ondanks haar toezegging in haar bericht van 10 oktober 2024 de loonopschorting op te heffen, deze opschorting feitelijk heeft voortgezet. Het argument van de school over een loonstop, is, zoals overwogen, geen rechtvaardiging dat loon onbetaald te laten. Gelet op een en ander en het daarvan aan de school te maken verwijt, acht het hof een wettelijke verhoging van 30% passend en geboden. De daarover verzochte wettelijke rente zal worden Sttoegewezen vanaf heden. bewijsaanbiedingen 3.73 Zowel werkgever als werkneemster hebben bewijsaanbiedingen gedaan. Het hof gaat daaraan voorbij omdat geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot een ander oordeel zouden leiden als zij zouden worden bewezen. slotsom 3.74 Het hoger beroep van werkneemster slaagt voor een belangrijk deel en het hoger beroep van de school faalt. Dit betekent dat de school aan werkneemster alsnog een aantal vergoedingen moet betalen alsook moet terugbetalen wat werkneemster op basis van de beschikking van 11 juli 2025 aan de school heeft betaald. 3.75 Het hof zal de school als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van het door werkneemster en het door de school ingediende verzoeken bij de kantonrechter alsook in het door hen ingestelde hoger beroep. Daaronder vallen de nakosten die nodig zijn voor betekening van de uitspraak.
Volledig
3.61 Werkneemster heeft over deze vergoeding de toewijzing gevraagd van wettelijke rente, te berekenen vanaf 7 maart 2025. Die rente is, gelet op artikel 7:686a lid 1, 2e zin BW, echter pas verschuldigd vanaf één maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. De wettelijke rente over de transitievergoeding zal daardoor worden toegewezen vanaf 7 april 2025. billijke vergoeding 3.62 Wanneer de werkgever ten onrechte tot ontslag op staande voet is overgegaan, is dat op zichzelf al ernstig verwijtbaar en dat enkele feit kan daarmee grond zijn voor toekenning van een billijke vergoeding. Werkneemster maakt in dat verband aanspraak op een billijke vergoeding van € 40.000. 3.63 Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding gaat het erom dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, enerzijds als compensatie voor de schade die de werknemer heeft geleden als gevolg van dat handelen of nalaten en anderzijds als middel om de werkgever te wijzen op de noodzaak haar gedrag aan te passen in eventuele volgende gevallen. Daarbij kan rekening worden gehouden met de gevolgen van het ontslag, voor zover deze gevolgen zijn toe te rekenen aan het aan de werkgever van het ontslag te maken verwijt. De gevolgen voor de werknemer worden naar hun aard mede bepaald door de ‘waarde’ die de arbeidsovereenkomst voor de werknemer had. 3.64 De (niet-limitatieve) gezichtspunten die in de rechtspraak zijn geformuleerd lenen zich ook voor toepassing in dit geval. Daarbij is in dit geval van belang hoe lang de arbeidsovereenkomst nog zou hebben geduurd als de school niet tot het aangevochten ontslag was overgegaan, de mate waarin haar handelen verwijtbaar is en welke inkomsten werkneemster zelf heeft verworven of in redelijkheid had kunnen verwerven. De omvang van de toe te kennen billijke vergoeding laat zich naar zijn aard moeilijk motiveren, maar het hof kan een passend bedrag vaststellen op grond van de volgende in aanmerking te nemen omstandigheden. 3.65 Aannemelijk is dat de arbeidsovereenkomst na 7 maart 2025 niet lang meer zou hebben voortbestaan. Werkneemster was al meer dan twee jaren arbeidsongeschikt terwijl uit de toekenning van een IVA-uitkering volgt dat zij geen benutbare mogelijkheden had. Als werkneemster in dienst was gebleven, was haar inkomen (de IVA-uitkering) in essentie onveranderd gebleven. Door het ontslag is werkneemster daarmee geen inkomen misgelopen, terwijl gesteld noch gebleken is dat haar de mogelijkheid om verdere WW-rechten op te bouwen, is ontnomen. Tot enige concrete inkomensschade kan daardoor niet worden geconcludeerd. Het hof acht het daarbij wel aannemelijk dat het ontslag en de daarop gevolgde procedures de mogelijkheden van herstel van werkneemster en daarmee de in de toekomst gelegen mogelijkheid om opnieuw tegen loonwaarde werkzaam te zijn, geen goed hebben gedaan. Verder weegt het hof mee dat aan werkneemster een transitievergoeding toekomt en dat aan haar een vergoeding voor onregelmatige opzegging wordt toegekend. 3.66 Alle omstandigheden in aanmerking nemende acht het hof een billijke vergoeding van € 2.500 recht doen aan die omstandigheden. De school zal worden veroordeeld tot betaling van dat bedrag. 3.67 Werkneemster heeft over billijke vergoeding de toewijzing van wettelijke rente verzocht vanaf 7 maart 2025. Die rente is verschuldigd vanaf het moment van opeisbaar worden van die vergoeding. Dat is de datum van deze uitspraak. consequenties voor het tegenverzoek van de school 3.68 De verzoeken van de school aangaande verklaringen voor recht dat zij op 7 maart 2025 de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd en dat zij geen vergoedingen aan werkneemster is verschuldigd, zijn niet toewijsbaar omdat, gezien het voorgaande, aan de door de wet daarvoor gestelde eisen niet is voldaan. Haar verzoek om toekenning aan haar van een vergoeding wegens onregelmatig ontslag, deelt dat lot. Deze verzoeken zullen daarom alsnog worden afgewezen. loonvordering 3.69 Werkneemster heeft bij de kantonrechter verzocht om toewijzing van € 5.780,25 bruto aan achterstallig loon, € 625,22 bruto aan achterstallige vakantietoeslag, € 651,01 bruto aan achterstallige eindejaarsuitkering en € 0,21 aan achterstallige oktobertoelage, een en ander te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Daarvan is toegewezen € 3.535,03 bruto aan achterstallig loon, € 282,80 bruto aan achterstallige vakantietoeslag, € 294,47 bruto aan achterstallige eindejaarsuitkering en € 0,21 bruto aan achterstallige oktobertoelage, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2025. 3.70 Werkneemster heeft vervolgens in hoger beroep wel alsnog om de toewijzing verzocht van wat door de kantonrechter is afgewezen. Behalve ten aanzien van de afgewezen wettelijke verhoging heeft werkneemster echter geen kenbaar bezwaar gericht tegen wat aan loon en bijkomende vergoedingen is afgewezen. In de toelichting op haar beroepsgronden heeft het hof evenmin kunnen terugvinden wat onjuist zou zijn aan wat de kantonrechter overweegt over het niet toewijsbaar zijn van de door werkneemster over de maanden januari 2025 en maart 2025 verzochte bedragen. Het hof heeft daardoor geen reden om een hoger bedrag toe te wijzen dan de kantonrechter heeft gedaan. 3.71 De school heeft in het door haar ingestelde hoger beroep betoogt dat ten onrechte loon is toegewezen omdat volgens haar geen sprake is geweest van een loonopschorting maar van een loonstop. Daarmee is zij blijvend over de periode van september en oktober 2024 geen loon verschuldigd, aldus de school. Het hof volgt de school daarin niet. Uit de hiervoor in 3.13 opgenomen correspondentie blijkt dat op een niet voor een misverstand vatbare wijze door de school aan werkneemster is meegedeeld dat aan haar een loonopschorting wordt opgelegd vanwege een gebrek aan medewerking aan de re-integratie alsook dat om reden van het alsnog meewerken aan de re-integratie die aan werkneemster opgelegde loonopschorting worden opgeheven. Dat de school daarna (opnieuw) ontevreden is geraakt over de mate waarin werkneemster meewerkte aan de re-integratie, kan er niet toe leiden dat die (opgeheven) loonopschorting achteraf alsnog verwordt tot een loonstop. Het door de school ingestelde hoger beroep treft daarmee geen doel. 3.72 Wat betreft de door werkneemster verzochte wettelijke verhoging geldt dat de school ondanks haar toezegging in haar bericht van 10 oktober 2024 de loonopschorting op te heffen, deze opschorting feitelijk heeft voortgezet. Het argument van de school over een loonstop, is, zoals overwogen, geen rechtvaardiging dat loon onbetaald te laten. Gelet op een en ander en het daarvan aan de school te maken verwijt, acht het hof een wettelijke verhoging van 30% passend en geboden. De daarover verzochte wettelijke rente zal worden Sttoegewezen vanaf heden. bewijsaanbiedingen 3.73 Zowel werkgever als werkneemster hebben bewijsaanbiedingen gedaan. Het hof gaat daaraan voorbij omdat geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot een ander oordeel zouden leiden als zij zouden worden bewezen. slotsom 3.74 Het hoger beroep van werkneemster slaagt voor een belangrijk deel en het hoger beroep van de school faalt. Dit betekent dat de school aan werkneemster alsnog een aantal vergoedingen moet betalen alsook moet terugbetalen wat werkneemster op basis van de beschikking van 11 juli 2025 aan de school heeft betaald. 3.75 Het hof zal de school als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van het door werkneemster en het door de school ingediende verzoeken bij de kantonrechter alsook in het door hen ingestelde hoger beroep. Daaronder vallen de nakosten die nodig zijn voor betekening van de uitspraak.