Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-28
ECLI:NL:GHARL:2026:2718
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
28,015 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2718 text/xml public 2026-05-21T16:09:32 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-28 19/782 en 19/784 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:2061, Bekrachtiging/bevestiging Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026052106 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2718 text/html public 2026-05-19T16:20:55 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2718 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 28-04-2026 / 19/782 en 19/784 Informatiebeschikkingen. Inspanningsverplichting. GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers BK-ARN 19/782 tot en met 19/784 uitspraakdatum: 28 april 2026 Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] , [buitenland1] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 mei 2019, nummers AWB 17/1185, 17/4405 en 17/4406, ECLI:NL:RBGEL:2019:2061, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur), alsmede de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat). 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende zijn op 9 juni 2016, 17 oktober 2016 en 20 oktober 2016 informatiebeschikkingen als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) afgegeven met betrekking tot (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2009, 2010 en 2011. 1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de informatiebeschikkingen gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft bij uitspraak van 15 mei 2019 de beroepen ongegrond verklaard en aan belanghebbende een termijn van vier weken gesteld om alsnog een deel van de gevraagde informatie (een specificatie van het box 3-vermogen) te verstrekken. 1.4. Belanghebbende heeft op 12 juni 2019 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. De Inspecteur heeft op 24 september 2019 een verweerschrift ingediend. 1.6. Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting van het Hof op 16 september 2021. Op verzoek van belanghebbende is de zaak aangehouden in verband met de inbeslagname van stukken van belanghebbende. 1.7. In reactie op een brief van het Hof heeft belanghebbende op 3 november 2023 meegedeeld dat ondanks verzoeken daartoe er nog geen zicht is op teruggaaf van de in beslag genomen stukken en bescheiden. 1.8. In reactie op een bericht van het Hof heeft belanghebbendes gemachtigde op 1 oktober 2025 meegedeeld dat hij in onderhavige zaak niet langer als gemachtigde optreedt. Belanghebbende heeft zelf aan het Hof laten weten dat er nog steeds geen zicht is op teruggaaf van de in beslag genomen stukken en bescheiden . 1.9. Het Hof heeft 14 januari 2026 een zogenoemde regiezitting gehouden om met partijen te overleggen hoe de zaak verder zal worden behandeld. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door zijn partner [naam partner] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam1] en [naam2] . De zaken met de nummers 19/782 tot en met 19/784 en 20/85 zijn gezamenlijk behandeld. Van deze regiezitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is toegestuurd. 1.10. Belanghebbende heeft op 9 maart 2026 een nader stuk ingebracht. 1.11. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2026. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door zijn partner voornoemd. Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam1] en [naam2] . De zaken met de nummers 19/782 tot en met 19/784 en 20/85 zijn gezamenlijk behandeld. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en ingebracht. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende, geboren in 1968, heeft tot 3 december 2004 in Nederland gewoond. Nadien heeft belanghebbende tot 7 januari 2009 in [buitenland2] gewoond. Op die datum is belanghebbende teruggekeerd naar Nederland. In zijn aangifte IB/PVV 2012 heeft belanghebbende aangegeven dat hij op 7 december 2012 is geëmigreerd naar [buitenland1] . 2.2. Op 25 augustus 2004 is naar [buitenland2] recht Stichting Particulier Fonds [naamstichting1] opgericht (hierna: de SPF ). De formele oprichter van de SPF was [NV1] , gevestigd te [buitenland2] , een dochtermaatschappij van [NV2] . Als eerste bestuurder van de SPF is benoemd [NV3] , gevestigd te [buitenland2] , eveneens een aan [NV2] gelieerde maatschappij. In de oprichtingsakte is onder meer het volgende bepaald: “ Artikel 2 Doel 1. De Stichting stelt zich ten doel het zich bezig houden met, het bevorderen en het steunen van culturele, educatieve, wetenschappelijke, artistieke, religieuze, charitatieve, weldadige en andere activiteiten in de ruimste zin des woords, alsmede het doen van uitkeringen. 2. De Stichting tracht dit doel te bereiken door het verwerven, beleggen en beheren van haar vermogen (…); het doen van uitkeringen uit haar vermogen aan personen, rechtspersonen en/of instellingen als waartoe het Bestuur naar eigen goeddunken mocht besluiten, middels donaties, schenkingen, leningen en contributies; en het verschaffen van financiële bijstand aan personen, rechtspersonen en/of instellingen als waartoe het Bestuur naar eigen goeddunken mocht besluiten, door middel van leningen, garanties, lijfrente-overeenkomsten en daarmede vergelijkbare regelingen, en alle andere volgens de wet toegestane regelingen. (…) Artikel 4 Bestuur 1. De Stichting wordt bestuurd door een bestuur bestaande uit ten minste één bestuurder onder toezicht van een Raad van Toezicht. Zowel natuurlijke als rechtspersonen kunnen optreden als bestuurder. 2. Het eerste bestuur wordt door de Oprichter benoemd bij deze akte. (…) Indien er meer dan één bestuurder wordt benoemd, zal één bestuurder door het bestuur tot Voorzitter worden benoemd. Indien er slechts één bestuurder in functie is, zal hij handelen als Voorzitter. Artikel 5 Raad van Toezicht 1. De Oprichter zal een Raad van Toezicht instellen. De Raad van Toezicht zal toezicht houden op het Bestuur en die bevoegdheden uitoefenen als elders in deze statuten bepaald. 2. Voor de eerste keer worden de leden van de Raad van Toezicht door de Oprichter benoemd. Alleen natuurlijke personen kunnen worden benoemd tot lid van de Raad van Toezicht. (…) Artikel 7 Vertegenwoordiging 1. De voorzitter vertegenwoordigt de Stichting in en buiten rechte. In geval van tegenstrijdig belang tussen de Stichting en de voorzitter zal de Stichting in en buiten rechte worden vertegenwoordigd door een lid van de Raad van Toezicht. 2. Het bestuur heeft de goedkeuring van de Raad van Toezicht nodig voor: a. het wijzigen van de statuten van de stichting, het overgaan tot ontbinding van de stichting, een statutaire zetelverplaatsing, het fuseren of omzetten van de Stichting in een buitenlandse rechtspersoon; b. het verkrijgen, bezwaren en vervreemden van activa zoals onroerend goed; c. het verrichten van handelingen welke een belang van vijfduizend Euro (€. 5.000,-) te boven gaan; d. het doen van uitkeringen of van formele of materiële schenkingen, het verstrekken van leningen en het benoemen van begunstigden; e. het vervreemden van deelnemingen; f. het verpanden van activa en het in- en uitlenen van gelden van/aan derden; g. het voorzien in vacatures in het Bestuur. Artikel 8 Oprichter’s bevoegdheden 1. De Oprichter kan schriftelijk wensen kenbaar maken aan het Bestuur. 2. De in het eerste lid genoemde schriftelijk kenbaar gemaakte wensen zijn echter op geen enkele manier bindend en uitvoering daarvan kan niet door de Oprichter of enig ander persoon juridisch worden afgedwongen. Het Bestuur besluit wanneer en of er uitkeringen plaatsvinden; een begunstigde kan geen uitkering eisen van de Stichting. 3. De bevoegdheden van de Oprichter zijn persoonlijk en kunnen niet worden uitgeoefend door een ander persoon en gaan niet over op zijn erfgenamen. De bevoegdheden van de Oprichter worden gedurende diens faillissement opgeschort.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2718 text/xml public 2026-05-21T16:09:32 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-28 19/782 en 19/784 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:2061, Bekrachtiging/bevestiging Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026052106 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2718 text/html public 2026-05-19T16:20:55 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2718 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 28-04-2026 / 19/782 en 19/784 Informatiebeschikkingen. Inspanningsverplichting. GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers BK-ARN 19/782 tot en met 19/784 uitspraakdatum: 28 april 2026 Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] , [buitenland1] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 mei 2019, nummers AWB 17/1185, 17/4405 en 17/4406, ECLI:NL:RBGEL:2019:2061, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur), alsmede de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat). 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende zijn op 9 juni 2016, 17 oktober 2016 en 20 oktober 2016 informatiebeschikkingen als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) afgegeven met betrekking tot (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2009, 2010 en 2011. 1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de informatiebeschikkingen gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft bij uitspraak van 15 mei 2019 de beroepen ongegrond verklaard en aan belanghebbende een termijn van vier weken gesteld om alsnog een deel van de gevraagde informatie (een specificatie van het box 3-vermogen) te verstrekken. 1.4. Belanghebbende heeft op 12 juni 2019 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. De Inspecteur heeft op 24 september 2019 een verweerschrift ingediend. 1.6. Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting van het Hof op 16 september 2021. Op verzoek van belanghebbende is de zaak aangehouden in verband met de inbeslagname van stukken van belanghebbende. 1.7. In reactie op een brief van het Hof heeft belanghebbende op 3 november 2023 meegedeeld dat ondanks verzoeken daartoe er nog geen zicht is op teruggaaf van de in beslag genomen stukken en bescheiden. 1.8. In reactie op een bericht van het Hof heeft belanghebbendes gemachtigde op 1 oktober 2025 meegedeeld dat hij in onderhavige zaak niet langer als gemachtigde optreedt. Belanghebbende heeft zelf aan het Hof laten weten dat er nog steeds geen zicht is op teruggaaf van de in beslag genomen stukken en bescheiden . 1.9. Het Hof heeft 14 januari 2026 een zogenoemde regiezitting gehouden om met partijen te overleggen hoe de zaak verder zal worden behandeld. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door zijn partner [naam partner] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam1] en [naam2] . De zaken met de nummers 19/782 tot en met 19/784 en 20/85 zijn gezamenlijk behandeld. Van deze regiezitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is toegestuurd. 1.10. Belanghebbende heeft op 9 maart 2026 een nader stuk ingebracht. 1.11. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2026. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door zijn partner voornoemd. Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam1] en [naam2] . De zaken met de nummers 19/782 tot en met 19/784 en 20/85 zijn gezamenlijk behandeld. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en ingebracht. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende, geboren in 1968, heeft tot 3 december 2004 in Nederland gewoond. Nadien heeft belanghebbende tot 7 januari 2009 in [buitenland2] gewoond. Op die datum is belanghebbende teruggekeerd naar Nederland. In zijn aangifte IB/PVV 2012 heeft belanghebbende aangegeven dat hij op 7 december 2012 is geëmigreerd naar [buitenland1] . 2.2. Op 25 augustus 2004 is naar [buitenland2] recht Stichting Particulier Fonds [naamstichting1] opgericht (hierna: de SPF ). De formele oprichter van de SPF was [NV1] , gevestigd te [buitenland2] , een dochtermaatschappij van [NV2] . Als eerste bestuurder van de SPF is benoemd [NV3] , gevestigd te [buitenland2] , eveneens een aan [NV2] gelieerde maatschappij. In de oprichtingsakte is onder meer het volgende bepaald: “ Artikel 2 Doel 1. De Stichting stelt zich ten doel het zich bezig houden met, het bevorderen en het steunen van culturele, educatieve, wetenschappelijke, artistieke, religieuze, charitatieve, weldadige en andere activiteiten in de ruimste zin des woords, alsmede het doen van uitkeringen. 2. De Stichting tracht dit doel te bereiken door het verwerven, beleggen en beheren van haar vermogen (…); het doen van uitkeringen uit haar vermogen aan personen, rechtspersonen en/of instellingen als waartoe het Bestuur naar eigen goeddunken mocht besluiten, middels donaties, schenkingen, leningen en contributies; en het verschaffen van financiële bijstand aan personen, rechtspersonen en/of instellingen als waartoe het Bestuur naar eigen goeddunken mocht besluiten, door middel van leningen, garanties, lijfrente-overeenkomsten en daarmede vergelijkbare regelingen, en alle andere volgens de wet toegestane regelingen. (…) Artikel 4 Bestuur 1. De Stichting wordt bestuurd door een bestuur bestaande uit ten minste één bestuurder onder toezicht van een Raad van Toezicht. Zowel natuurlijke als rechtspersonen kunnen optreden als bestuurder. 2. Het eerste bestuur wordt door de Oprichter benoemd bij deze akte. (…) Indien er meer dan één bestuurder wordt benoemd, zal één bestuurder door het bestuur tot Voorzitter worden benoemd. Indien er slechts één bestuurder in functie is, zal hij handelen als Voorzitter. Artikel 5 Raad van Toezicht 1. De Oprichter zal een Raad van Toezicht instellen. De Raad van Toezicht zal toezicht houden op het Bestuur en die bevoegdheden uitoefenen als elders in deze statuten bepaald. 2. Voor de eerste keer worden de leden van de Raad van Toezicht door de Oprichter benoemd. Alleen natuurlijke personen kunnen worden benoemd tot lid van de Raad van Toezicht. (…) Artikel 7 Vertegenwoordiging 1. De voorzitter vertegenwoordigt de Stichting in en buiten rechte. In geval van tegenstrijdig belang tussen de Stichting en de voorzitter zal de Stichting in en buiten rechte worden vertegenwoordigd door een lid van de Raad van Toezicht. 2. Het bestuur heeft de goedkeuring van de Raad van Toezicht nodig voor: a. het wijzigen van de statuten van de stichting, het overgaan tot ontbinding van de stichting, een statutaire zetelverplaatsing, het fuseren of omzetten van de Stichting in een buitenlandse rechtspersoon; b. het verkrijgen, bezwaren en vervreemden van activa zoals onroerend goed; c. het verrichten van handelingen welke een belang van vijfduizend Euro (€. 5.000,-) te boven gaan; d. het doen van uitkeringen of van formele of materiële schenkingen, het verstrekken van leningen en het benoemen van begunstigden; e. het vervreemden van deelnemingen; f. het verpanden van activa en het in- en uitlenen van gelden van/aan derden; g. het voorzien in vacatures in het Bestuur. Artikel 8 Oprichter’s bevoegdheden 1. De Oprichter kan schriftelijk wensen kenbaar maken aan het Bestuur. 2. De in het eerste lid genoemde schriftelijk kenbaar gemaakte wensen zijn echter op geen enkele manier bindend en uitvoering daarvan kan niet door de Oprichter of enig ander persoon juridisch worden afgedwongen. Het Bestuur besluit wanneer en of er uitkeringen plaatsvinden; een begunstigde kan geen uitkering eisen van de Stichting. 3. De bevoegdheden van de Oprichter zijn persoonlijk en kunnen niet worden uitgeoefend door een ander persoon en gaan niet over op zijn erfgenamen. De bevoegdheden van de Oprichter worden gedurende diens faillissement opgeschort.
Volledig
Indien de bevoegdheden van de Oprichter mochten eindigen of tijdelijk niet kunnen worden uitgeoefend, dan gaan deze bevoegdheden over op de Raad van Toezicht en indien er geen Raad van Toezicht is op het Bestuur. 4. De Oprichter kan echter zijn bevoegdheden overdragen aan een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon, die vanaf de datum waarop de overdracht aan het Bestuur bekend wordt gemaakt, de plaats en positie zal innemen van de oorspronkelijke Oprichter, met inbegrip van de bevoegdheid om een volgende natuurlijk persoon of rechtspersoon als Oprichter in de plaats te stellen. (…) Artikel 12 Ontbinding 1. Het Bestuur kan de Stichting slechts bij unaniem besluit ontbinden met in achtneming van het bepaalde in artikel 7 lid 2 sub a. 2. Met het besluit ter ontbinding van de Stichting kan tevens een vereffenaar worden aangesteld. Indien geen vereffenaar is aangesteld zal de Voorzitter als zodanig optreden. 3. Gedurende de periode van de liquidatie blijven deze statuten voor zover mogelijk van kracht. 4. Een eventueel overschot dat overblijft nadat alle schulden zullen zijn afgelost, zal worden uitgekeerd aan de begunstigden als bedoeld in artikel 2. 5. De vereffenaar is verplicht de boeken en bescheiden en andere gegevensdragers van de Stichting gedurende tien jaren na ontbinding te bewaren. Tenslotte verklaarde de comparante, handelende als gemeld: - bij deze in afwijking van het vorenstaande tot eerste bestuurder van de Stichting te benoemen de op [buitenland2] gevestigde naamloze vennootschap [NV3] ; (…)” 2.3. Na oprichting zijn de zogenoemde oprichtersrechten (zie artikel 8 lid 4 oprichtingsakte) overgedragen aan belanghebbende. Deze overdracht is neergelegd in een ‘Incorporation Form [buitenland2] Private Foundation’ van [NV3] , in welk formulier tevens is vermeld dat belanghebbende de enige begunstigde (‘beneficiary’) is van de SPF , dat belanghebbende lid is van de Raad van Toezicht van de SPF en dat de facturen aan de SPF kunnen worden gestuurd naar het mailadres van belanghebbende. In dit formulier is onder meer het volgende opgenomen: “ Proposed Name: Alternative names in case the preferred name is not available: l. SPF [naamstichting1] (…) Founder If so desired [NV2] or one of our subsidiaries can act as Founder and establish the Private Foundation. At the request of the client, [NV2] , as Founder, can transfer the Founder’s authorities to the client. Only the initial Founder will be registered at the Chamber of Commerce. (…) [NV2] as Initial Founder: Yes X Founder’s Authorities Certain authorities can be vested with the Founder (or the Supervisory Board). These may include the following: Authority to appoint and/or dismiss Board Members Authority to approve the appointment of the beneficiaries of the Private Foundation. Authority to appoint another holder of the Founder’s Authorities Authority to determine the distribution of assets Founder’s Authorities should be transferable X yes O no Founder’s Authorities to be transferred to: Name [belanghebbende] Country of Residence The Netherlands Nationality Dutch (…) Settlor We consider the person on whose behalf the Private Foundation is set up by us to be the Settlor of the Foundation. (…) Source of the Funds being invested: private capital Beneficiaries In most cases the beneficiaries of a Private Foundation will not be determined until appointed by the Board. The identity of the beneficiaries of a Private Foundation need not be established until the Board, the Advisory Council or the Founder (the party in question depending on the Deed in question) has appointed them as such. When the beneficiaries are appointed, the following information should be provided: Full name of beneficiary (…) [belanghebbende] (…) [plaats] (…) The Netherlands (…) The board should consist of l director namely [NV3] (…) Supervisory Directors yes, consisting of 3 supervisory directors Name [naam3] Country of residence The Netherlands Nationality Dutch (…) Name [belanghebbende] Country of residence The Netherlands Nationality Dutch (…) Name [naam4] Country of residence The Netherlands Nationality Dutch (…) Letter of Wishes If the articles are not to disclose details as to beneficiaries and distributions to be made, the settlor should draft a confidential Letter of Wishes. This letter should be addressed to the Board Members and should contain detailed information on the beneficiaries and/or the desired distribution of assets and liabilities. Furthermore it may contain detailed instructions to the Board in case certain events take place. This can be the demise of the Founder, the beneficiaries reaching a certain age etcetera. (…) Financial Statements Although a Private Foundation is not required to prepare financial statements it is advisable to do so in order to have an annual overview of the Foundations assets and liabilities. The preparation of financial statements is just one of the many services we can provide. Would you like us to keep the Company’s books. X yes O no If the answer is no, please provide us with the name of the company and the person who will be preparing the financial statements. Contact person for the Foundation for invoices Name: [belanghebbende] (…) [plaats] (…) The Netherlands (…) +31 6(…) [belanghebbende] @(...).nl How do you wish them to receive the invoice O Mail X E-mail O Courier O Fax” 2.4. De SPF houdt aandelen in de volgende buitenlandse vennootschappen (hierna ook wel: deelnemingen), die alle (indirect) actief zijn in het aanbieden van online kansspelen: - vanaf 1 september 2004 houdt de SPF 33,3% van de aandelen in [NV4] , die op haar beurt alle aandelen houdt in [LTD1] ; - vanaf 26 oktober 2004 houdt de SPF 25% van de aandelen in [LTD2] ; voorheen: [LTD3] ), die op haar beurt alle aandelen houdt in [LTD4] en [LTD5] ; - vanaf 18 september 2007 houdt de SPF 25% van de aandelen in [NV5] . 2.5. Op 15 december 2008 heeft [NV3] als bestuurder van de SPF besloten om € 5.000.500 aan belanghebbende te doneren, alsmede alle activa - bestaande uit voornoemde deelnemingen - aan een door belanghebbende aan te wijzen vennootschap. In het bestuursbesluit is het volgende vermeld: “BOARD RESOLUTION OF Stichting Particulier Fonds [naamstichting1] (the "Private Foundation") , The undersigned, [NV3] a Private Foundation formed and existing under the laws of [...] and established in [buitenland2] in its capacity of Sole Board Member of the Foundation, hereby adopts the following resolution: WHEREAS: the Private Foundation intends to cease its existence and anticipating its dissolution the Board is considering the donation of all the assets of the Private Foundation; IT IS HEREBY RESOLVED to donate in cash EUR 5,000,500.00 to [belanghebbende] , free from any liens encumbrances or other charges whatsoever with immediate effect; to donate all the assets of the Private Foundation to a Limited Liability Company that will be designated by [belanghebbende] .” 2.6. Op 15 mei 2009 heeft belanghebbende alle aandelen in [NV6] verkregen van [NV2] . De formele bestuurder van [NV6] is [NV2] . 2.7. Ter uitvoering van het bestuursbesluit van 15 december 2008 (zie 2.5) heeft de SPF op 16 december 2009 al haar aandelen in [NV4] , [LTD2] en [NV5] , gedoneerd aan [NV6] . In de schenkingsakte is het volgende vermeld: “ THIS DEED OF DONATION is made on December 16, 2009.
Volledig
Indien de bevoegdheden van de Oprichter mochten eindigen of tijdelijk niet kunnen worden uitgeoefend, dan gaan deze bevoegdheden over op de Raad van Toezicht en indien er geen Raad van Toezicht is op het Bestuur. 4. De Oprichter kan echter zijn bevoegdheden overdragen aan een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon, die vanaf de datum waarop de overdracht aan het Bestuur bekend wordt gemaakt, de plaats en positie zal innemen van de oorspronkelijke Oprichter, met inbegrip van de bevoegdheid om een volgende natuurlijk persoon of rechtspersoon als Oprichter in de plaats te stellen. (…) Artikel 12 Ontbinding 1. Het Bestuur kan de Stichting slechts bij unaniem besluit ontbinden met in achtneming van het bepaalde in artikel 7 lid 2 sub a. 2. Met het besluit ter ontbinding van de Stichting kan tevens een vereffenaar worden aangesteld. Indien geen vereffenaar is aangesteld zal de Voorzitter als zodanig optreden. 3. Gedurende de periode van de liquidatie blijven deze statuten voor zover mogelijk van kracht. 4. Een eventueel overschot dat overblijft nadat alle schulden zullen zijn afgelost, zal worden uitgekeerd aan de begunstigden als bedoeld in artikel 2. 5. De vereffenaar is verplicht de boeken en bescheiden en andere gegevensdragers van de Stichting gedurende tien jaren na ontbinding te bewaren. Tenslotte verklaarde de comparante, handelende als gemeld: - bij deze in afwijking van het vorenstaande tot eerste bestuurder van de Stichting te benoemen de op [buitenland2] gevestigde naamloze vennootschap [NV3] ; (…)” 2.3. Na oprichting zijn de zogenoemde oprichtersrechten (zie artikel 8 lid 4 oprichtingsakte) overgedragen aan belanghebbende. Deze overdracht is neergelegd in een ‘Incorporation Form [buitenland2] Private Foundation’ van [NV3] , in welk formulier tevens is vermeld dat belanghebbende de enige begunstigde (‘beneficiary’) is van de SPF , dat belanghebbende lid is van de Raad van Toezicht van de SPF en dat de facturen aan de SPF kunnen worden gestuurd naar het mailadres van belanghebbende. In dit formulier is onder meer het volgende opgenomen: “ Proposed Name: Alternative names in case the preferred name is not available: l. SPF [naamstichting1] (…) Founder If so desired [NV2] or one of our subsidiaries can act as Founder and establish the Private Foundation. At the request of the client, [NV2] , as Founder, can transfer the Founder’s authorities to the client. Only the initial Founder will be registered at the Chamber of Commerce. (…) [NV2] as Initial Founder: Yes X Founder’s Authorities Certain authorities can be vested with the Founder (or the Supervisory Board). These may include the following: Authority to appoint and/or dismiss Board Members Authority to approve the appointment of the beneficiaries of the Private Foundation. Authority to appoint another holder of the Founder’s Authorities Authority to determine the distribution of assets Founder’s Authorities should be transferable X yes O no Founder’s Authorities to be transferred to: Name [belanghebbende] Country of Residence The Netherlands Nationality Dutch (…) Settlor We consider the person on whose behalf the Private Foundation is set up by us to be the Settlor of the Foundation. (…) Source of the Funds being invested: private capital Beneficiaries In most cases the beneficiaries of a Private Foundation will not be determined until appointed by the Board. The identity of the beneficiaries of a Private Foundation need not be established until the Board, the Advisory Council or the Founder (the party in question depending on the Deed in question) has appointed them as such. When the beneficiaries are appointed, the following information should be provided: Full name of beneficiary (…) [belanghebbende] (…) [plaats] (…) The Netherlands (…) The board should consist of l director namely [NV3] (…) Supervisory Directors yes, consisting of 3 supervisory directors Name [naam3] Country of residence The Netherlands Nationality Dutch (…) Name [belanghebbende] Country of residence The Netherlands Nationality Dutch (…) Name [naam4] Country of residence The Netherlands Nationality Dutch (…) Letter of Wishes If the articles are not to disclose details as to beneficiaries and distributions to be made, the settlor should draft a confidential Letter of Wishes. This letter should be addressed to the Board Members and should contain detailed information on the beneficiaries and/or the desired distribution of assets and liabilities. Furthermore it may contain detailed instructions to the Board in case certain events take place. This can be the demise of the Founder, the beneficiaries reaching a certain age etcetera. (…) Financial Statements Although a Private Foundation is not required to prepare financial statements it is advisable to do so in order to have an annual overview of the Foundations assets and liabilities. The preparation of financial statements is just one of the many services we can provide. Would you like us to keep the Company’s books. X yes O no If the answer is no, please provide us with the name of the company and the person who will be preparing the financial statements. Contact person for the Foundation for invoices Name: [belanghebbende] (…) [plaats] (…) The Netherlands (…) +31 6(…) [belanghebbende] @(...).nl How do you wish them to receive the invoice O Mail X E-mail O Courier O Fax” 2.4. De SPF houdt aandelen in de volgende buitenlandse vennootschappen (hierna ook wel: deelnemingen), die alle (indirect) actief zijn in het aanbieden van online kansspelen: - vanaf 1 september 2004 houdt de SPF 33,3% van de aandelen in [NV4] , die op haar beurt alle aandelen houdt in [LTD1] ; - vanaf 26 oktober 2004 houdt de SPF 25% van de aandelen in [LTD2] ; voorheen: [LTD3] ), die op haar beurt alle aandelen houdt in [LTD4] en [LTD5] ; - vanaf 18 september 2007 houdt de SPF 25% van de aandelen in [NV5] . 2.5. Op 15 december 2008 heeft [NV3] als bestuurder van de SPF besloten om € 5.000.500 aan belanghebbende te doneren, alsmede alle activa - bestaande uit voornoemde deelnemingen - aan een door belanghebbende aan te wijzen vennootschap. In het bestuursbesluit is het volgende vermeld: “BOARD RESOLUTION OF Stichting Particulier Fonds [naamstichting1] (the "Private Foundation") , The undersigned, [NV3] a Private Foundation formed and existing under the laws of [...] and established in [buitenland2] in its capacity of Sole Board Member of the Foundation, hereby adopts the following resolution: WHEREAS: the Private Foundation intends to cease its existence and anticipating its dissolution the Board is considering the donation of all the assets of the Private Foundation; IT IS HEREBY RESOLVED to donate in cash EUR 5,000,500.00 to [belanghebbende] , free from any liens encumbrances or other charges whatsoever with immediate effect; to donate all the assets of the Private Foundation to a Limited Liability Company that will be designated by [belanghebbende] .” 2.6. Op 15 mei 2009 heeft belanghebbende alle aandelen in [NV6] verkregen van [NV2] . De formele bestuurder van [NV6] is [NV2] . 2.7. Ter uitvoering van het bestuursbesluit van 15 december 2008 (zie 2.5) heeft de SPF op 16 december 2009 al haar aandelen in [NV4] , [LTD2] en [NV5] , gedoneerd aan [NV6] . In de schenkingsakte is het volgende vermeld: “ THIS DEED OF DONATION is made on December 16, 2009.
Volledig
BETWEEN (1) [naamstichting1] Private Foundation , a Private Foundation formed and existing under the laws of [...] and having its registered office at (…) [buitenland2] , [...] , (hereinafter called “the Donor”) and (2) [NV6] , a limited liability company formed and existing under the laws of [...] and having its registered office at (…) [buitenland2] , [...] , (hereinafter called “the Donee”) of the other part WHEREAS Pursuant to the deed of donation dated December 15, 2008 the Donor donates all its interests in the Companies [NV5] , [NV4] and [LTD3] to the Donee; NOW THIS DEED WITNESSETH as follows: The Donor hereby donates all its interest in the Companies [NV5] , [NV4] and [LTD3] to the Donee; The Donee hereby accepts the above-mentioned donations from the Donor and in this connection commits itself to cooperate with the formalization of this donation / acceptation by signing of the thereto legally required documentation; The Donor hereby undertakes to do whatever is necessary to effectuate the donations to the Donee IN WITNESS WHEREOF this Deed has been duly executed and delivered on the date first before written. [naamstichting1] Private Foundation [NV6] hereby represented by hereby represented by [NV3] [NV2] ” 2.8. Op 31 augustus 2010 is de SPF in liquidatie getreden met benoeming van [NV1] als vereffenaar. 2.9. Blijkens de jaarrekeningen heeft [NV6] in de jaren 2009 tot en met 2012 de volgende bedragen aan dividenden ontvangen van haar deelnemingen in [NV4] , [LTD2] en [NV5] : € 2.700.013 (2009), € 3.687.315 (2010), € 4.582.119 (2011) en € 2.482.956 (2012). 2.10. Op 4 maart 2014 heeft de [buitenlandse3] vennootschap [AB1] de aandelen in [LTD2] gekocht van [NV6] . Daarnaast heeft [AB1] de activa en de passiva van [NV4] en [NV5] overgenomen. In een persbericht van 7 februari 2014 van [AB1] staat dat in 2013 door [casino2] , [casino1] en een derde gelieerde onderneming een EBIT van € 22,1 miljoen is behaald. [AB1] heeft € 100 miljoen betaald, waarvan € 60 miljoen in eigen aandelen en € 40 miljoen contant. Dit komt overeen met een prijs van EBIT (2013) maal 4,5. De prijs kan volgens het persbericht uiteindelijk nog oplopen tot € 145 miljoen (EBIT maal 6,6), afhankelijk van de ontwikkelingen in Nederland op het gebied van online kansspelen. [AB1] verwacht uiteindelijk € 130 miljoen (EBIT maal 5,9) te zullen betalen. 2.11. In juli 2015 zijn [NV4] en [NV5] in liquidatie getreden. 2.12. Belanghebbende heeft op 16 mei 2011 aangifte IB/PVV 2009 gedaan naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 211.562. De aanslag IB/PVV 2009 is opgelegd overeenkomstig deze aangifte. 2.13. Belanghebbende heeft op 12 maart 2013 aangifte IB/PVV 2010 gedaan naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 210.050. 2.14. Belanghebbende heeft op 21 april 2013 aangifte IB/PVV 2011 gedaan naar een voordeel uit aanmerkelijk belang van € 278.962 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 213.359. Het voordeel uit aanmerkelijk belang betreft een forfaitair voordeel in de zin van artikel 4.13 Wet IB 2001 ter zake van de aandelen in [NV6] . 2.15. De Inspecteur heeft op 1 april 2015 aan belanghebbende een vragenbrief gestuurd over de betrokkenheid van belanghebbende bij particuliere afgezonderde vermogens (APV’s), zijn woonplaats in fiscale zin (vanaf 2012) en het inkomen uit aanmerkelijk belang (op het moment van emigratie). 2.16. Belanghebbende heeft op 12 juni 2015 in reactie op de vragenbrief onder meer geantwoord dat hij als insteller/oprichter en gerechtigde/begunstigde betrokken is geweest bij de SPF , dat in de periode 2009 tot en met 2012 geen sprake was van enige deelnemingen van de SPF , en dat hij enige uitkeringen/schenkingen van de SPF heeft ontvangen. Verder heeft belanghebbende onder meer de oprichtingsakte en een verkorte balans per 31 december 2009 van de SPF meegestuurd. 2.17. De Inspecteur heeft op 16 juli 2015 een nadere vragenbrief aan belanghebbende verzonden over zijn betrokkenheid bij APV’s, bij de SPF en bij SPF [naamstichting2] (waarvan belanghebbende tijdelijk toezichthouder is), over de deelnemingen van de SPF , over zijn woonplaats en het inkomen uit aanmerkelijk belang. 2.18. Belanghebbende heeft op 11 september 2015 in reactie op voornoemde vragenbrief onder meer geantwoord dat de SPF in 2008 de deelnemingen heeft weggeschonken, dat deze deelnemingen pas in 2010 op de balans van [NV6] zijn verschenen omdat de overige aandeelhouders van de deelnemingen eerst in 2010 toestemming hebben gegeven voor overdracht, dat hij als insteller/oprichter en gerechtigde/begunstigde betrokken is geweest bij de SPF en dat deze rechtspositie niet is gewijzigd gedurende het bestaan van de SPF , dat voor de waarde van de aandelen [NV6] ten tijde van de emigratie (7 december 2012) kan worden aangesloten bij de balanswaarde van de beleggingen van [NV6] , dat belanghebbende in de veronderstelling was dat in de aangifte IB/PVV 2012 was uitgegaan van een balanswaarde van € 14 miljoen en dat de aangifte – die uitgaat van een waarde van € 11.199.461 – dus niet helemaal juist is ingevuld. 2.19. Op 17 november 2015 heeft tussen de toenmalige gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur een overleg plaatsgevonden. De gemaakte afspraken zijn vastgelegd in een brief van 17 november 2015, waarin onder meer het volgende is vermeld: “Tijdens ons overleg vanochtend heeft u toegezegd dat u namens [belanghebbende] bij [NV3] de volledige administratie van [de SPF ] over de jaren 2004, 2008, 2009 en 2010 gaat opvragen. In mijn eerdere vragenbrieven aan [belanghebbende] heb ik alleen onderdelen van de administratie opgevraagd. Zoals afgesproken zend ik u als bijlage bij deze brief een brief waarin ik de volledige administratie van [de SPF ] opvraag. U kunt in uw verzoek aan [NV3] verwijzen naar deze brief. Behalve de volledige administratie van [de SPF ] over de jaren 2004, 2008, 2009 en 2010 heeft u toegezegd om een expliciete nadere toelichting met betrekking tot de transacties van deelnemingen ( [NV5] / [NV4] / [LTD3] ) van [de SPF ] . En daarmee samenhangend de gerechtigdheid en de boeking van de dividenden uit de deelnemingen en een verklaring omtrent het ontstaan van activa (Securities & Bonds) bij [de SPF ] in 2009. U heeft tijdens het overleg voor wat betreft het voorgaande expliciet de toezegging gedaan alles boven tafel te krijgen.” 2.20. De Inspecteur heeft op 17 november 2015 eveneens een brief opgesteld waarin hij om nadere informatie vraagt. In deze brief is onder meer het volgende opgemerkt: “ [belanghebbende] is blijkens de eerder door u verstrekte informatie oprichter/insteller, rechthebbende/begunstigde en lid van de Supervisory Board van [de SPF ] (de SPF ) . De SPF is op 25 augustus 2004 opgericht en is per 3 september 2010 ontbonden. Blijkens de Nederlandse aangiften Inkomstenbelasting van [belanghebbende] was hij tot december 2004 (fiscaal) woonachtig in Nederland en in de periode na 4 januari 2009 eveneens (fiscaal) woonachtig in Nederland. In de tussengelegen periode zou [belanghebbende] in [buitenland2] hebben gewoond. Niet ter discussie staat dat de SPF is opgericht en is opgehouden te bestaan in perioden dat [belanghebbende] (in fiscale zin) inwoner van Nederland was. [De SPF ] heeft in 2008, 2009 en/of 2010 diverse bezittingen geschonken aan [belanghebbende] dan wel aan zijn 100%-vennootschap [NV6] . Zo heeft de SPF blijkens haar jaarrekening in 2008 ongeveer USD 7.500.000 aan liquide middelen geschonken en zijn in 2009 en/of 2010 alle overige bezittingen van de SPF , waaronder de aandelen in [LTD3] , [NV5] en [NV4] geschonken. Buiten dat het op basis van de tot nog toe verstrekte stukken onduidelijk is in welk jaar welke transactie heeft plaatsgevonden, kunnen deze schenkingen fiscaal op diverse manieren uitwerken waarbij diverse fiscale gevolgen kunnen optreden voor de heffing van inkomstenbelasting bij [belanghebbende] . Voor de bepaling welke uitwerking fiscaal de juiste is, is telkens de belangrijkste bepalende factor of de SPF naar Nederlandse fiscale maatstaven al dan niet als transparant aangemerkt moet worden.
Volledig
BETWEEN (1) [naamstichting1] Private Foundation , a Private Foundation formed and existing under the laws of [...] and having its registered office at (…) [buitenland2] , [...] , (hereinafter called “the Donor”) and (2) [NV6] , a limited liability company formed and existing under the laws of [...] and having its registered office at (…) [buitenland2] , [...] , (hereinafter called “the Donee”) of the other part WHEREAS Pursuant to the deed of donation dated December 15, 2008 the Donor donates all its interests in the Companies [NV5] , [NV4] and [LTD3] to the Donee; NOW THIS DEED WITNESSETH as follows: The Donor hereby donates all its interest in the Companies [NV5] , [NV4] and [LTD3] to the Donee; The Donee hereby accepts the above-mentioned donations from the Donor and in this connection commits itself to cooperate with the formalization of this donation / acceptation by signing of the thereto legally required documentation; The Donor hereby undertakes to do whatever is necessary to effectuate the donations to the Donee IN WITNESS WHEREOF this Deed has been duly executed and delivered on the date first before written. [naamstichting1] Private Foundation [NV6] hereby represented by hereby represented by [NV3] [NV2] ” 2.8. Op 31 augustus 2010 is de SPF in liquidatie getreden met benoeming van [NV1] als vereffenaar. 2.9. Blijkens de jaarrekeningen heeft [NV6] in de jaren 2009 tot en met 2012 de volgende bedragen aan dividenden ontvangen van haar deelnemingen in [NV4] , [LTD2] en [NV5] : € 2.700.013 (2009), € 3.687.315 (2010), € 4.582.119 (2011) en € 2.482.956 (2012). 2.10. Op 4 maart 2014 heeft de [buitenlandse3] vennootschap [AB1] de aandelen in [LTD2] gekocht van [NV6] . Daarnaast heeft [AB1] de activa en de passiva van [NV4] en [NV5] overgenomen. In een persbericht van 7 februari 2014 van [AB1] staat dat in 2013 door [casino2] , [casino1] en een derde gelieerde onderneming een EBIT van € 22,1 miljoen is behaald. [AB1] heeft € 100 miljoen betaald, waarvan € 60 miljoen in eigen aandelen en € 40 miljoen contant. Dit komt overeen met een prijs van EBIT (2013) maal 4,5. De prijs kan volgens het persbericht uiteindelijk nog oplopen tot € 145 miljoen (EBIT maal 6,6), afhankelijk van de ontwikkelingen in Nederland op het gebied van online kansspelen. [AB1] verwacht uiteindelijk € 130 miljoen (EBIT maal 5,9) te zullen betalen. 2.11. In juli 2015 zijn [NV4] en [NV5] in liquidatie getreden. 2.12. Belanghebbende heeft op 16 mei 2011 aangifte IB/PVV 2009 gedaan naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 211.562. De aanslag IB/PVV 2009 is opgelegd overeenkomstig deze aangifte. 2.13. Belanghebbende heeft op 12 maart 2013 aangifte IB/PVV 2010 gedaan naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 210.050. 2.14. Belanghebbende heeft op 21 april 2013 aangifte IB/PVV 2011 gedaan naar een voordeel uit aanmerkelijk belang van € 278.962 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 213.359. Het voordeel uit aanmerkelijk belang betreft een forfaitair voordeel in de zin van artikel 4.13 Wet IB 2001 ter zake van de aandelen in [NV6] . 2.15. De Inspecteur heeft op 1 april 2015 aan belanghebbende een vragenbrief gestuurd over de betrokkenheid van belanghebbende bij particuliere afgezonderde vermogens (APV’s), zijn woonplaats in fiscale zin (vanaf 2012) en het inkomen uit aanmerkelijk belang (op het moment van emigratie). 2.16. Belanghebbende heeft op 12 juni 2015 in reactie op de vragenbrief onder meer geantwoord dat hij als insteller/oprichter en gerechtigde/begunstigde betrokken is geweest bij de SPF , dat in de periode 2009 tot en met 2012 geen sprake was van enige deelnemingen van de SPF , en dat hij enige uitkeringen/schenkingen van de SPF heeft ontvangen. Verder heeft belanghebbende onder meer de oprichtingsakte en een verkorte balans per 31 december 2009 van de SPF meegestuurd. 2.17. De Inspecteur heeft op 16 juli 2015 een nadere vragenbrief aan belanghebbende verzonden over zijn betrokkenheid bij APV’s, bij de SPF en bij SPF [naamstichting2] (waarvan belanghebbende tijdelijk toezichthouder is), over de deelnemingen van de SPF , over zijn woonplaats en het inkomen uit aanmerkelijk belang. 2.18. Belanghebbende heeft op 11 september 2015 in reactie op voornoemde vragenbrief onder meer geantwoord dat de SPF in 2008 de deelnemingen heeft weggeschonken, dat deze deelnemingen pas in 2010 op de balans van [NV6] zijn verschenen omdat de overige aandeelhouders van de deelnemingen eerst in 2010 toestemming hebben gegeven voor overdracht, dat hij als insteller/oprichter en gerechtigde/begunstigde betrokken is geweest bij de SPF en dat deze rechtspositie niet is gewijzigd gedurende het bestaan van de SPF , dat voor de waarde van de aandelen [NV6] ten tijde van de emigratie (7 december 2012) kan worden aangesloten bij de balanswaarde van de beleggingen van [NV6] , dat belanghebbende in de veronderstelling was dat in de aangifte IB/PVV 2012 was uitgegaan van een balanswaarde van € 14 miljoen en dat de aangifte – die uitgaat van een waarde van € 11.199.461 – dus niet helemaal juist is ingevuld. 2.19. Op 17 november 2015 heeft tussen de toenmalige gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur een overleg plaatsgevonden. De gemaakte afspraken zijn vastgelegd in een brief van 17 november 2015, waarin onder meer het volgende is vermeld: “Tijdens ons overleg vanochtend heeft u toegezegd dat u namens [belanghebbende] bij [NV3] de volledige administratie van [de SPF ] over de jaren 2004, 2008, 2009 en 2010 gaat opvragen. In mijn eerdere vragenbrieven aan [belanghebbende] heb ik alleen onderdelen van de administratie opgevraagd. Zoals afgesproken zend ik u als bijlage bij deze brief een brief waarin ik de volledige administratie van [de SPF ] opvraag. U kunt in uw verzoek aan [NV3] verwijzen naar deze brief. Behalve de volledige administratie van [de SPF ] over de jaren 2004, 2008, 2009 en 2010 heeft u toegezegd om een expliciete nadere toelichting met betrekking tot de transacties van deelnemingen ( [NV5] / [NV4] / [LTD3] ) van [de SPF ] . En daarmee samenhangend de gerechtigdheid en de boeking van de dividenden uit de deelnemingen en een verklaring omtrent het ontstaan van activa (Securities & Bonds) bij [de SPF ] in 2009. U heeft tijdens het overleg voor wat betreft het voorgaande expliciet de toezegging gedaan alles boven tafel te krijgen.” 2.20. De Inspecteur heeft op 17 november 2015 eveneens een brief opgesteld waarin hij om nadere informatie vraagt. In deze brief is onder meer het volgende opgemerkt: “ [belanghebbende] is blijkens de eerder door u verstrekte informatie oprichter/insteller, rechthebbende/begunstigde en lid van de Supervisory Board van [de SPF ] (de SPF ) . De SPF is op 25 augustus 2004 opgericht en is per 3 september 2010 ontbonden. Blijkens de Nederlandse aangiften Inkomstenbelasting van [belanghebbende] was hij tot december 2004 (fiscaal) woonachtig in Nederland en in de periode na 4 januari 2009 eveneens (fiscaal) woonachtig in Nederland. In de tussengelegen periode zou [belanghebbende] in [buitenland2] hebben gewoond. Niet ter discussie staat dat de SPF is opgericht en is opgehouden te bestaan in perioden dat [belanghebbende] (in fiscale zin) inwoner van Nederland was. [De SPF ] heeft in 2008, 2009 en/of 2010 diverse bezittingen geschonken aan [belanghebbende] dan wel aan zijn 100%-vennootschap [NV6] . Zo heeft de SPF blijkens haar jaarrekening in 2008 ongeveer USD 7.500.000 aan liquide middelen geschonken en zijn in 2009 en/of 2010 alle overige bezittingen van de SPF , waaronder de aandelen in [LTD3] , [NV5] en [NV4] geschonken. Buiten dat het op basis van de tot nog toe verstrekte stukken onduidelijk is in welk jaar welke transactie heeft plaatsgevonden, kunnen deze schenkingen fiscaal op diverse manieren uitwerken waarbij diverse fiscale gevolgen kunnen optreden voor de heffing van inkomstenbelasting bij [belanghebbende] . Voor de bepaling welke uitwerking fiscaal de juiste is, is telkens de belangrijkste bepalende factor of de SPF naar Nederlandse fiscale maatstaven al dan niet als transparant aangemerkt moet worden.
Volledig
De mate waarin het bestuur discretionair handelt en de mate waarin de insteller/begunstigde kan beschikken over de bezittingen van de SPF zijn naar vaste jurisprudentie tot 1/1/2010 de belangrijkste beslissende factoren voor het al dan niet fiscaal transparant zijn voor (o.a.) een SPF . Ik ben daarom van mening dat het voor de fiscale heffing bij [belanghebbende] van essentieel belang is te weten hoe de handelingen tussen het bestuur van de SPF en [belanghebbende] dan wel [NV6] zijn geïnitieerd, hebben plaatsgevonden en zijn vastgesteld. Om dit te kunnen beoordelen verzoek ik u om mij in Nederland inzage te verlenen in de volledige originele administratie van de SPF over de jaren 2004, 2008, 2009 en 2010. Zo hoop ik te kunnen beoordelen of en in hoeverre het bestuur feitelijk discretionair heeft opgetreden namens de SPF . Het gaat mij dus om de feiten en omstandigheden van de onderhavige structuur. Een beoordeling en kwalificatie van de structuur op basis van de tot nog toe door u overgelegde stukken acht ik niet mogelijk. (…) Naar mijn mening moet [belanghebbende] kunnen beschikken over de volledige originele administratie van de SPF . In andere, vergelijkbare dossiers is mij gebleken dat instellers en/of begunstigden kunnen beschikken over de volledige administratie van de SPF waarvan zij insteller en/of begunstigde zijn. Zeker met betrekking tot structuren die ook nog eens zijn opgeheven lijken er geen belemmeringen te zijn dat het bestuur dan wel de bewaarder van boeken en bescheiden meewerkt aan het 'openleggen van de boeken' richting de insteller dan wel de begunstigde(n). [belanghebbende] als insteller en/of begunstigde kan de stukken opvragen en verstrekken aan de Belastingdienst. Ik stel me zo voor dat hij het bestuur dan wel de bewaarder van boeken en bescheiden verzoekt mee te werken aan het verstrekken van alle gevraagde gegevens. Op dit moment vraag ik de administratie over de periode 2005 tot en met 2007 niet op. Uitdrukkelijk wil ik hierbij het voorbehoud maken dat ik de administratie over deze jaren alsnog kan opvragen indien de administratie over 2004, 2008, 2009 en 2010 niet afdoende is om mijn opinie over de fiscale transparantie van de SPF te vormen, dan wel indien een ander fiscaal belang blijkt waarvoor ik de beschikking van de administratie over (een deel van) de periode 2005 tot en met 2007 nodig heb.” 2.21. De Inspecteur heeft met dagtekening 29 december 2015 een navorderingsaanslag IB/PVV 2009 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 150.000, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 40.576.081 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 303.303. Daarbij is tevens een vergrijpboete (25%) opgelegd van € 2.560.260. Verder is € 2.018.911 aan heffingsrente in rekening gebracht. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. 2.22. Belanghebbendes gemachtigde heeft informatie bij de [groepsmaatschap1] te [buitenland2] opgevraagd over de SPF , [NV6] en SPF [naamstichting2] . In brieven van 14 januari 2016 is door [NV3] en [NV2] geantwoord dat het hen bevreemdt dat de Nederlandse Belastingdienst informatie over [buitenland2] entiteiten opvraagt terwijl daartoe andere officiële kanalen bestaan, maar dat zij niet onbereidwillig zijn om medewerking aan het onderzoek te verlenen. 2.23. De Inspecteur heeft in zijn brief van 10 maart 2016 belanghebbende om informatie gevraagd in het kader van de behandeling van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag (zie 2.21). Daarbij is verzocht om inzage in de volledige administratie van de SPF over de periode van oprichting tot en met 2009. Ook heeft de Inspecteur het informatieverzoek over [NV6] herhaald en heeft hij nadere informatie gevraagd over onder meer de waarde van de deelnemingen in [LTD2] , [NV4] en [NV5] en om een specificatie van alle in box 3 aangegeven vermogensbestanddelen. 2.24. Belanghebbendes gemachtigde heeft bij brief van 15 april 2016 gereageerd op voornoemd informatieverzoek en daarbij onder meer opgemerkt dat belanghebbende niet in het bezit is van de gevraagde administraties, dat de SPF een onafhankelijk bestuur had, en dat het feit dat belanghebbende zowel insteller als toezichthouder van de SPF was niet daaraan afdoet en hem evenmin het recht geeft op deze informatie. Verder is opgemerkt dat belanghebbende niet de oprichter noch voormalig aandeelhouder van de onderliggende vennootschappen is (geweest), dat was immers de SPF , en dat belanghebbende niet in het bestuur van deze vennootschappen heeft gezeten en dan ook niet beschikt over de administraties van deze vennootschappen. 2.25. De Inspecteur heeft bij brief van 22 april 2016 andermaal om informatie verzocht. 2.26. Belanghebbendes gemachtigde heeft bij brief van 13 mei 2016 aan de Inspecteur geantwoord dat contact is gezocht met het bestuur van [NV6] en dat zij per e-mailbericht het volgende hebben laten weten: “Wij zullen als bestuur van [NV6] niet overgaan tot de gehele of gedeeltelijke ter beschikking stelling van de administratie van de vennootschap. Wij zijn echter bereid om eenmalig de gevraagde toelichting te geven en komen hierop terug.” 2.27. De Inspecteur heeft bij brief van 20 mei 2016 aan belanghebbende meegedeeld dat als niet voor 2 juni 2016 aan de informatieverplichting voor het jaar 2009 is voldaan, dit zal worden vastgesteld in een informatiebeschikking. 2.28. Belanghebbendes gemachtigde heeft op 2 juni 2016 aan de Inspecteur geschreven dat het belanghebbende niet is gelukt de gevraagde volledige administratie van [NV6] te verkrijgen. Ook van de SPF is geen nadere informatie voorhanden. 2.29. De Inspecteur heeft op 9 juni 2016 de informatiebeschikking over 2009 aan belanghebbende opgelegd. Daarin heeft de Inspecteur als heffingsbelang genoemd: de fiscale gevolgen van de betrokkenheid van belanghebbende bij de – al dan niet fiscaal transparante – SPF , ter beoordeling waarvan inzage in de administratie van de SPF over de jaren 2004 tot en met 2010 is vereist; de fiscale gevolgen voor box 2 (aanmerkelijk belang) wat betreft: i) de overdracht van de deelnemingen door de (transparante) SPF aan [NV6] in 2009 (zie 2.7), ter beoordeling waarvan nadere informatie is verzocht; ii) de gerechtigheid tot de dividendopbrengsten uit de deelnemingen in 2009 (zie 2.9), ter beoordeling waarvan een nadere toelichting is gevraagd; en iii) de verkrijgingsprijs van de deelnemingen bij de remigratie naar Nederland in januari 2009 (zie 2.1), ter beoordeling waarvan om inzage in de administraties van de SPF en de deelnemingen is gevraagd. 2.30. Wat betreft de jaren 2010 en 2011 heeft de Inspecteur in zijn brief van 12 april 2016 belanghebbende verzocht om informatie. Dit verzoek komt grotendeels overeen met de hiervoor genoemde brief van 10 maart 2016 (zie 2.23). 2.31. Belanghebbendes gemachtigde heeft bij e-mailbericht van 6 juni 2016 gereageerd door te verwijzen naar zijn brief van 2 juni 2016 (zie 2.28). 2.32. De Inspecteur heeft bij brief van 14 juni 2016 aan belanghebbende meegedeeld dat als niet voor 1 juli 2016 aan de informatieverplichting voor de jaren 2010 en 2011 is voldaan, dit zal worden vastgesteld in een informatiebeschikking. 2.33. Belanghebbendes gemachtigde heeft bij brief van 30 juni 2016 aan de Inspecteur onder meer geschreven dat eerder via de SPF de administraties van de onderliggende deelnemingen zijn opgevraagd, maar dat [NV3] daarop niet heeft gereageerd. Bij deze brief zijn concept-jaarrekeningen van [NV6] over de jaren 2009 en 2010 verstrekt, welke jaarrekeningen op 2 juni 2016 waren aangepast omdat toen was gebleken dat de in december 2009 verworven deelnemingen (zie 2.7) onjuist in de jaarrekeningen waren verwerkt. 2.34. De Inspecteur heeft bij brief van 11 juli 2016 belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld de volledige administraties over te leggen. Ook heeft hij belanghebbende erop gewezen dat niet is gereageerd op de vragen over het box 3-vermogen. 2.35. Belanghebbendes gemachtigde heeft bij brief van 4 september 2016 gereageerd en de herziene jaarrekeningen 2009 tot en met 2012 van [NV6] ingebracht. 2.36.
Volledig
De mate waarin het bestuur discretionair handelt en de mate waarin de insteller/begunstigde kan beschikken over de bezittingen van de SPF zijn naar vaste jurisprudentie tot 1/1/2010 de belangrijkste beslissende factoren voor het al dan niet fiscaal transparant zijn voor (o.a.) een SPF . Ik ben daarom van mening dat het voor de fiscale heffing bij [belanghebbende] van essentieel belang is te weten hoe de handelingen tussen het bestuur van de SPF en [belanghebbende] dan wel [NV6] zijn geïnitieerd, hebben plaatsgevonden en zijn vastgesteld. Om dit te kunnen beoordelen verzoek ik u om mij in Nederland inzage te verlenen in de volledige originele administratie van de SPF over de jaren 2004, 2008, 2009 en 2010. Zo hoop ik te kunnen beoordelen of en in hoeverre het bestuur feitelijk discretionair heeft opgetreden namens de SPF . Het gaat mij dus om de feiten en omstandigheden van de onderhavige structuur. Een beoordeling en kwalificatie van de structuur op basis van de tot nog toe door u overgelegde stukken acht ik niet mogelijk. (…) Naar mijn mening moet [belanghebbende] kunnen beschikken over de volledige originele administratie van de SPF . In andere, vergelijkbare dossiers is mij gebleken dat instellers en/of begunstigden kunnen beschikken over de volledige administratie van de SPF waarvan zij insteller en/of begunstigde zijn. Zeker met betrekking tot structuren die ook nog eens zijn opgeheven lijken er geen belemmeringen te zijn dat het bestuur dan wel de bewaarder van boeken en bescheiden meewerkt aan het 'openleggen van de boeken' richting de insteller dan wel de begunstigde(n). [belanghebbende] als insteller en/of begunstigde kan de stukken opvragen en verstrekken aan de Belastingdienst. Ik stel me zo voor dat hij het bestuur dan wel de bewaarder van boeken en bescheiden verzoekt mee te werken aan het verstrekken van alle gevraagde gegevens. Op dit moment vraag ik de administratie over de periode 2005 tot en met 2007 niet op. Uitdrukkelijk wil ik hierbij het voorbehoud maken dat ik de administratie over deze jaren alsnog kan opvragen indien de administratie over 2004, 2008, 2009 en 2010 niet afdoende is om mijn opinie over de fiscale transparantie van de SPF te vormen, dan wel indien een ander fiscaal belang blijkt waarvoor ik de beschikking van de administratie over (een deel van) de periode 2005 tot en met 2007 nodig heb.” 2.21. De Inspecteur heeft met dagtekening 29 december 2015 een navorderingsaanslag IB/PVV 2009 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 150.000, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 40.576.081 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 303.303. Daarbij is tevens een vergrijpboete (25%) opgelegd van € 2.560.260. Verder is € 2.018.911 aan heffingsrente in rekening gebracht. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. 2.22. Belanghebbendes gemachtigde heeft informatie bij de [groepsmaatschap1] te [buitenland2] opgevraagd over de SPF , [NV6] en SPF [naamstichting2] . In brieven van 14 januari 2016 is door [NV3] en [NV2] geantwoord dat het hen bevreemdt dat de Nederlandse Belastingdienst informatie over [buitenland2] entiteiten opvraagt terwijl daartoe andere officiële kanalen bestaan, maar dat zij niet onbereidwillig zijn om medewerking aan het onderzoek te verlenen. 2.23. De Inspecteur heeft in zijn brief van 10 maart 2016 belanghebbende om informatie gevraagd in het kader van de behandeling van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag (zie 2.21). Daarbij is verzocht om inzage in de volledige administratie van de SPF over de periode van oprichting tot en met 2009. Ook heeft de Inspecteur het informatieverzoek over [NV6] herhaald en heeft hij nadere informatie gevraagd over onder meer de waarde van de deelnemingen in [LTD2] , [NV4] en [NV5] en om een specificatie van alle in box 3 aangegeven vermogensbestanddelen. 2.24. Belanghebbendes gemachtigde heeft bij brief van 15 april 2016 gereageerd op voornoemd informatieverzoek en daarbij onder meer opgemerkt dat belanghebbende niet in het bezit is van de gevraagde administraties, dat de SPF een onafhankelijk bestuur had, en dat het feit dat belanghebbende zowel insteller als toezichthouder van de SPF was niet daaraan afdoet en hem evenmin het recht geeft op deze informatie. Verder is opgemerkt dat belanghebbende niet de oprichter noch voormalig aandeelhouder van de onderliggende vennootschappen is (geweest), dat was immers de SPF , en dat belanghebbende niet in het bestuur van deze vennootschappen heeft gezeten en dan ook niet beschikt over de administraties van deze vennootschappen. 2.25. De Inspecteur heeft bij brief van 22 april 2016 andermaal om informatie verzocht. 2.26. Belanghebbendes gemachtigde heeft bij brief van 13 mei 2016 aan de Inspecteur geantwoord dat contact is gezocht met het bestuur van [NV6] en dat zij per e-mailbericht het volgende hebben laten weten: “Wij zullen als bestuur van [NV6] niet overgaan tot de gehele of gedeeltelijke ter beschikking stelling van de administratie van de vennootschap. Wij zijn echter bereid om eenmalig de gevraagde toelichting te geven en komen hierop terug.” 2.27. De Inspecteur heeft bij brief van 20 mei 2016 aan belanghebbende meegedeeld dat als niet voor 2 juni 2016 aan de informatieverplichting voor het jaar 2009 is voldaan, dit zal worden vastgesteld in een informatiebeschikking. 2.28. Belanghebbendes gemachtigde heeft op 2 juni 2016 aan de Inspecteur geschreven dat het belanghebbende niet is gelukt de gevraagde volledige administratie van [NV6] te verkrijgen. Ook van de SPF is geen nadere informatie voorhanden. 2.29. De Inspecteur heeft op 9 juni 2016 de informatiebeschikking over 2009 aan belanghebbende opgelegd. Daarin heeft de Inspecteur als heffingsbelang genoemd: de fiscale gevolgen van de betrokkenheid van belanghebbende bij de – al dan niet fiscaal transparante – SPF , ter beoordeling waarvan inzage in de administratie van de SPF over de jaren 2004 tot en met 2010 is vereist; de fiscale gevolgen voor box 2 (aanmerkelijk belang) wat betreft: i) de overdracht van de deelnemingen door de (transparante) SPF aan [NV6] in 2009 (zie 2.7), ter beoordeling waarvan nadere informatie is verzocht; ii) de gerechtigheid tot de dividendopbrengsten uit de deelnemingen in 2009 (zie 2.9), ter beoordeling waarvan een nadere toelichting is gevraagd; en iii) de verkrijgingsprijs van de deelnemingen bij de remigratie naar Nederland in januari 2009 (zie 2.1), ter beoordeling waarvan om inzage in de administraties van de SPF en de deelnemingen is gevraagd. 2.30. Wat betreft de jaren 2010 en 2011 heeft de Inspecteur in zijn brief van 12 april 2016 belanghebbende verzocht om informatie. Dit verzoek komt grotendeels overeen met de hiervoor genoemde brief van 10 maart 2016 (zie 2.23). 2.31. Belanghebbendes gemachtigde heeft bij e-mailbericht van 6 juni 2016 gereageerd door te verwijzen naar zijn brief van 2 juni 2016 (zie 2.28). 2.32. De Inspecteur heeft bij brief van 14 juni 2016 aan belanghebbende meegedeeld dat als niet voor 1 juli 2016 aan de informatieverplichting voor de jaren 2010 en 2011 is voldaan, dit zal worden vastgesteld in een informatiebeschikking. 2.33. Belanghebbendes gemachtigde heeft bij brief van 30 juni 2016 aan de Inspecteur onder meer geschreven dat eerder via de SPF de administraties van de onderliggende deelnemingen zijn opgevraagd, maar dat [NV3] daarop niet heeft gereageerd. Bij deze brief zijn concept-jaarrekeningen van [NV6] over de jaren 2009 en 2010 verstrekt, welke jaarrekeningen op 2 juni 2016 waren aangepast omdat toen was gebleken dat de in december 2009 verworven deelnemingen (zie 2.7) onjuist in de jaarrekeningen waren verwerkt. 2.34. De Inspecteur heeft bij brief van 11 juli 2016 belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld de volledige administraties over te leggen. Ook heeft hij belanghebbende erop gewezen dat niet is gereageerd op de vragen over het box 3-vermogen. 2.35. Belanghebbendes gemachtigde heeft bij brief van 4 september 2016 gereageerd en de herziene jaarrekeningen 2009 tot en met 2012 van [NV6] ingebracht. 2.36.
Volledig
Belanghebbendes gemachtigde heeft bij brief van 10 oktober 2016 geschreven dat een reactie is ontvangen van [NV1] en van [NV4] . [NV4] zou hebben geschreven dat de vereffenaar de vereffening aangaande [NV4] heeft afgerond en aansluitend de boeken en alle overige bescheiden heeft overgedragen aan de bewaarder. De reactie van [NV1] is bijgevoegd en luidt onder meer als volgt: “In haar functie als bewaarder van de boeken van de ontbonden SPF is ondergetekende niet bevoegd om enige informatie aan een derde te verstrekken tenzij er daaraan een wettelijke grondslag ligt.” 2.37. De Inspecteur heeft op 17 oktober 2016 de informatiebeschikking over 2010 aan belanghebbende opgelegd. Daarin heeft de Inspecteur als heffingsbelang genoemd: de fiscale gevolgen van de betrokkenheid van belanghebbende bij de – al dan niet fiscaal transparante – SPF , ter beoordeling waarvan om inzage in de administratie van de SPF over de jaren 2004 tot en met 2010 is verzocht, alsmede om inzage in de administraties van de deelnemingen tot en met 2010; de fiscale gevolgen voor box 2 (aanmerkelijk belang) wat betreft: i) de overdracht van de deelnemingen door de (transparante) SPF aan [NV6] (zie 2.7), ter beoordeling waarvan nadere informatie is verzocht; ii) het forfaitaire voordeel uit buitenlandse beleggingslichamen, ter beoordeling waarvan om inzage in de administratie van [NV6] over de jaren 2010 tot en met 2014 is verzocht; en - de fiscale gevolgen voor box 3 (sparen en beleggen), ter beoordeling waarvan om een specificatie van alle in box 3 aangegeven vermogensbestanddelen is verzocht voor de jaren 2010, 2011 en 2012. 2.38. De Inspecteur heeft op 20 oktober 2016 de informatiebeschikking over 2011 aan belanghebbende opgelegd. Daarin heeft de Inspecteur als heffingsbelang genoemd: - de fiscale gevolgen voor box 2 (aanmerkelijk belang), wat betreft het forfaitaire voordeel uit buitenlandse beleggingslichamen, ter beoordeling waarvan om inzage in de administratie van [NV6] over de jaren 2010 tot en met 2014 is verzocht; en - de fiscale gevolgen voor box 3 (sparen en beleggen), ter beoordeling waarvan om een specificatie van alle in box 3 aangegeven vermogensbestanddelen is verzocht voor de jaren 2010, 2011 en 2012. 2.39. Op 22 november 2016 heeft een derdenonderzoek plaatsgevonden bij de voormalig belastingadviseur van belanghebbende. Daarbij zijn diverse stukken ontvangen ten aanzien van belanghebbende, waaronder een eerdere (definitieve) versie van de jaarrekening 2009 van [NV6] , gedateerd 3 september 2010. 2.40. Belanghebbende heeft op 21 juli 2016 en 1 december 2016 bezwaar gemaakt tegen de informatiebeschikkingen. Bij uitspraken op bezwaar van 23 januari 2017 en 10 juli 2017 heeft de Inspecteur de informatiebeschikkingen gehandhaafd. 2.41. De Rechtbank heeft in de uitspraak van 15 mei 2019 geoordeeld dat de informatiebeschikkingen voor de jaren 2009, 2010 en 2011 terecht zijn opgelegd. Aangezien belanghebbende heeft gesteld niet over de gevraagde administraties, stukken en overige informatie te kunnen beschikken, heeft de Rechtbank ervan afgezien een nadere termijn te geven om de inlichtingen alsnog te verstrekken. Alleen met betrekking tot de informatie over het box 3-vemogen heeft de Rechtbank een termijn van vier weken gesteld om alsnog de gevraagde informatie (een specificatie van het box 3-vermogen voor de jaren 2010, 2011 en 2012) te verstrekken. 2.42. Belanghebbende heeft op 12 juni 2019 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld, waarna de Inspecteur een verweerschrift heeft ingediend. 2.43. Nadat partijen op 19 juli 2021 waren uitgenodigd voor de zitting van het Hof op 16 september 2021, heeft belanghebbendes gemachtigde verzocht de zaken aan te houden in verband met de inbeslagname van stukken van belanghebbende. 2.44. In reactie op een brief van het Hof heeft belanghebbendes gemachtigde op 3 november 2023 meegedeeld dat ondanks de verzoeken daartoe er nog geen zicht is op teruggaaf van de in beslag genomen stukken en bescheiden. 2.45. In reactie op een bericht van het Hof heeft belanghebbendes gemachtigde op 1 oktober 2025 meegedeeld dat hij in onderhavige zaken niet langer als gemachtigde optreedt. Belanghebbende heeft zelf aan het Hof laten weten dat er nog steeds geen zicht is op teruggaaf van de in beslag genomen stukken en bescheiden . 2.46. Het Hof heeft 14 januari 2026 een zogenoemde regiezitting gehouden om met partijen te overleggen hoe de zaken verder zullen worden behandeld. Op deze zitting is aan partijen meegedeeld dat de zaken op 18 maart 2026 inhoudelijk worden behandeld. 3 Geschil 3.1. In geschil is of de Inspecteur terecht de informatiebeschikkingen met betrekking tot de jaren 2009 tot en met 2011 heeft afgegeven. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. 3.2. Belanghebbende heeft voor het eerst ter zitting van het Hof betoogd dat het informatieverzoek van de Inspecteur disproportioneel is en vooral is ingegeven met het doel om belasting te heffen bij andere belastingplichtigen. 3.3. Verder heeft belanghebbende in hoger beroep betoogd dat hij alle in redelijkheid van hem te vergen inspanningen heeft verricht om de ontbrekende administraties van de SPF , [NV6] en de deelnemingen ter beschikking te krijgen, dat het feitelijk onmogelijk is gebleken om aan het inlichtingenverzoek van de Inspecteur te voldoen, zodat het inlichtingenverzuim hem niet kan worden aangerekend en de informatiebeschikkingen moeten worden vernietigd. Verder betoogt belanghebbende dat het belang aan de informatiebeschikkingen is komen te ontvallen, omdat de Inspecteur ten aanzien van de opgevraagde administraties reeds over de stukken beschikt die in andere procedures zijn ingebracht. 3.4. Wat betreft de gevraagde specificaties van het box 3-vermogen voor de jaren 2010, 2011 en 2012 betoogt belanghebbende dat hij aan de Inspecteur heeft gevraagd ten aanzien van welke bezittingen de opheldering is gewenst, dat hij daarop geen antwoord heeft ontvangen en dat de informatiebeschikkingen op dit punt dus prematuur zijn. 3.5. Verder betoogt belanghebbende dat de Rechtbank ten onrechte geen nieuwe termijn heeft gesteld voor de gevraagde administraties, en dat als het Hof de informatiebeschikkingen in stand zou laten, wel alsnog een nadere termijn zou moeten worden gegeven om die administraties alsnog te verstrekken. 3.6. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur, en tot vernietiging van de informatiebeschikkingen. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4 Beoordeling van het geschil Verzoek aanhouding zitting afgewezen 4.1. Op de regiezitting heeft het Hof aangezegd dat de inhoudelijke behandeling ter zitting zal plaatsvinden op 18 maart 2026. Daarop heeft belanghebbende verzocht de behandeling ter zitting aan te houden totdat de – in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen belanghebbende plaatsgevonden – beslaglegging op zijn vermogen is opgeheven en hij weer in staat is beroepsmatige rechtsbijstand in te schakelen en te bekostigen. 4.2. Naar belanghebbendes verklaring is de reden voor dit verzoek dat hij sinds 1 mei 2025 niet langer wordt bijgestaan door zijn advocaat-gemachtigde, dat vanwege de beslaglegging medio 2021 op zijn vermogen en de bevriezing daarvan door het Openbaar Ministerie hij niet in staat is zelf rechtsbijstand te bekostigen en hij bovendien geen aanspraak kan maken op gefinancierde rechtsbijstand aangezien zijn vermogen uitkomt boven de normen van de Raad voor Rechtsbijstand. Zoals op de regiezitting reeds medegedeeld, geeft het Hof geen gevolg aan dit verzoek tot aanhouding. Redengevend daarvoor is het volgende. 4.3. Onderhavige procedure inzake de informatiebeschikkingen neemt al bijna tien jaren in beslag, waarbij de procedure in hoger beroep al bijna 6,5 jaar duurt. Belanghebbendes advocaat-gemachtigde heeft op 12 juni 2019 een beroepschrift ingediend met daarin de gronden van het hoger beroep, waarop de Inspecteur in zijn verweerschrift van 23 september 2019 vervolgens inhoudelijk heeft gereageerd.
Volledig
Belanghebbendes gemachtigde heeft bij brief van 10 oktober 2016 geschreven dat een reactie is ontvangen van [NV1] en van [NV4] . [NV4] zou hebben geschreven dat de vereffenaar de vereffening aangaande [NV4] heeft afgerond en aansluitend de boeken en alle overige bescheiden heeft overgedragen aan de bewaarder. De reactie van [NV1] is bijgevoegd en luidt onder meer als volgt: “In haar functie als bewaarder van de boeken van de ontbonden SPF is ondergetekende niet bevoegd om enige informatie aan een derde te verstrekken tenzij er daaraan een wettelijke grondslag ligt.” 2.37. De Inspecteur heeft op 17 oktober 2016 de informatiebeschikking over 2010 aan belanghebbende opgelegd. Daarin heeft de Inspecteur als heffingsbelang genoemd: de fiscale gevolgen van de betrokkenheid van belanghebbende bij de – al dan niet fiscaal transparante – SPF , ter beoordeling waarvan om inzage in de administratie van de SPF over de jaren 2004 tot en met 2010 is verzocht, alsmede om inzage in de administraties van de deelnemingen tot en met 2010; de fiscale gevolgen voor box 2 (aanmerkelijk belang) wat betreft: i) de overdracht van de deelnemingen door de (transparante) SPF aan [NV6] (zie 2.7), ter beoordeling waarvan nadere informatie is verzocht; ii) het forfaitaire voordeel uit buitenlandse beleggingslichamen, ter beoordeling waarvan om inzage in de administratie van [NV6] over de jaren 2010 tot en met 2014 is verzocht; en - de fiscale gevolgen voor box 3 (sparen en beleggen), ter beoordeling waarvan om een specificatie van alle in box 3 aangegeven vermogensbestanddelen is verzocht voor de jaren 2010, 2011 en 2012. 2.38. De Inspecteur heeft op 20 oktober 2016 de informatiebeschikking over 2011 aan belanghebbende opgelegd. Daarin heeft de Inspecteur als heffingsbelang genoemd: - de fiscale gevolgen voor box 2 (aanmerkelijk belang), wat betreft het forfaitaire voordeel uit buitenlandse beleggingslichamen, ter beoordeling waarvan om inzage in de administratie van [NV6] over de jaren 2010 tot en met 2014 is verzocht; en - de fiscale gevolgen voor box 3 (sparen en beleggen), ter beoordeling waarvan om een specificatie van alle in box 3 aangegeven vermogensbestanddelen is verzocht voor de jaren 2010, 2011 en 2012. 2.39. Op 22 november 2016 heeft een derdenonderzoek plaatsgevonden bij de voormalig belastingadviseur van belanghebbende. Daarbij zijn diverse stukken ontvangen ten aanzien van belanghebbende, waaronder een eerdere (definitieve) versie van de jaarrekening 2009 van [NV6] , gedateerd 3 september 2010. 2.40. Belanghebbende heeft op 21 juli 2016 en 1 december 2016 bezwaar gemaakt tegen de informatiebeschikkingen. Bij uitspraken op bezwaar van 23 januari 2017 en 10 juli 2017 heeft de Inspecteur de informatiebeschikkingen gehandhaafd. 2.41. De Rechtbank heeft in de uitspraak van 15 mei 2019 geoordeeld dat de informatiebeschikkingen voor de jaren 2009, 2010 en 2011 terecht zijn opgelegd. Aangezien belanghebbende heeft gesteld niet over de gevraagde administraties, stukken en overige informatie te kunnen beschikken, heeft de Rechtbank ervan afgezien een nadere termijn te geven om de inlichtingen alsnog te verstrekken. Alleen met betrekking tot de informatie over het box 3-vemogen heeft de Rechtbank een termijn van vier weken gesteld om alsnog de gevraagde informatie (een specificatie van het box 3-vermogen voor de jaren 2010, 2011 en 2012) te verstrekken. 2.42. Belanghebbende heeft op 12 juni 2019 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld, waarna de Inspecteur een verweerschrift heeft ingediend. 2.43. Nadat partijen op 19 juli 2021 waren uitgenodigd voor de zitting van het Hof op 16 september 2021, heeft belanghebbendes gemachtigde verzocht de zaken aan te houden in verband met de inbeslagname van stukken van belanghebbende. 2.44. In reactie op een brief van het Hof heeft belanghebbendes gemachtigde op 3 november 2023 meegedeeld dat ondanks de verzoeken daartoe er nog geen zicht is op teruggaaf van de in beslag genomen stukken en bescheiden. 2.45. In reactie op een bericht van het Hof heeft belanghebbendes gemachtigde op 1 oktober 2025 meegedeeld dat hij in onderhavige zaken niet langer als gemachtigde optreedt. Belanghebbende heeft zelf aan het Hof laten weten dat er nog steeds geen zicht is op teruggaaf van de in beslag genomen stukken en bescheiden . 2.46. Het Hof heeft 14 januari 2026 een zogenoemde regiezitting gehouden om met partijen te overleggen hoe de zaken verder zullen worden behandeld. Op deze zitting is aan partijen meegedeeld dat de zaken op 18 maart 2026 inhoudelijk worden behandeld. 3 Geschil 3.1. In geschil is of de Inspecteur terecht de informatiebeschikkingen met betrekking tot de jaren 2009 tot en met 2011 heeft afgegeven. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. 3.2. Belanghebbende heeft voor het eerst ter zitting van het Hof betoogd dat het informatieverzoek van de Inspecteur disproportioneel is en vooral is ingegeven met het doel om belasting te heffen bij andere belastingplichtigen. 3.3. Verder heeft belanghebbende in hoger beroep betoogd dat hij alle in redelijkheid van hem te vergen inspanningen heeft verricht om de ontbrekende administraties van de SPF , [NV6] en de deelnemingen ter beschikking te krijgen, dat het feitelijk onmogelijk is gebleken om aan het inlichtingenverzoek van de Inspecteur te voldoen, zodat het inlichtingenverzuim hem niet kan worden aangerekend en de informatiebeschikkingen moeten worden vernietigd. Verder betoogt belanghebbende dat het belang aan de informatiebeschikkingen is komen te ontvallen, omdat de Inspecteur ten aanzien van de opgevraagde administraties reeds over de stukken beschikt die in andere procedures zijn ingebracht. 3.4. Wat betreft de gevraagde specificaties van het box 3-vermogen voor de jaren 2010, 2011 en 2012 betoogt belanghebbende dat hij aan de Inspecteur heeft gevraagd ten aanzien van welke bezittingen de opheldering is gewenst, dat hij daarop geen antwoord heeft ontvangen en dat de informatiebeschikkingen op dit punt dus prematuur zijn. 3.5. Verder betoogt belanghebbende dat de Rechtbank ten onrechte geen nieuwe termijn heeft gesteld voor de gevraagde administraties, en dat als het Hof de informatiebeschikkingen in stand zou laten, wel alsnog een nadere termijn zou moeten worden gegeven om die administraties alsnog te verstrekken. 3.6. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur, en tot vernietiging van de informatiebeschikkingen. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4 Beoordeling van het geschil Verzoek aanhouding zitting afgewezen 4.1. Op de regiezitting heeft het Hof aangezegd dat de inhoudelijke behandeling ter zitting zal plaatsvinden op 18 maart 2026. Daarop heeft belanghebbende verzocht de behandeling ter zitting aan te houden totdat de – in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen belanghebbende plaatsgevonden – beslaglegging op zijn vermogen is opgeheven en hij weer in staat is beroepsmatige rechtsbijstand in te schakelen en te bekostigen. 4.2. Naar belanghebbendes verklaring is de reden voor dit verzoek dat hij sinds 1 mei 2025 niet langer wordt bijgestaan door zijn advocaat-gemachtigde, dat vanwege de beslaglegging medio 2021 op zijn vermogen en de bevriezing daarvan door het Openbaar Ministerie hij niet in staat is zelf rechtsbijstand te bekostigen en hij bovendien geen aanspraak kan maken op gefinancierde rechtsbijstand aangezien zijn vermogen uitkomt boven de normen van de Raad voor Rechtsbijstand. Zoals op de regiezitting reeds medegedeeld, geeft het Hof geen gevolg aan dit verzoek tot aanhouding. Redengevend daarvoor is het volgende. 4.3. Onderhavige procedure inzake de informatiebeschikkingen neemt al bijna tien jaren in beslag, waarbij de procedure in hoger beroep al bijna 6,5 jaar duurt. Belanghebbendes advocaat-gemachtigde heeft op 12 juni 2019 een beroepschrift ingediend met daarin de gronden van het hoger beroep, waarop de Inspecteur in zijn verweerschrift van 23 september 2019 vervolgens inhoudelijk heeft gereageerd.
Volledig
Vervolgens is op verzoek van belanghebbende de onderhavige procedure vanaf september 2021 aangehouden wegens de beslaglegging op stukken. 4.4. Het belang van een voortvarende procesgang brengt mee dat het Hof de behandeling van de zaak in hoger beroep niet langer zal aanhouden. Naar het oordeel van het Hof weegt dit belang, gelet op voornoemde tijdspanne, zwaarder dan het belang van belanghebbende om zich ter zitting te laten bijstaan door een beroepsmatige rechtsbijstandverlener. Bij deze afweging laat het Hof meewegen dat door belanghebbendes advocaat-gemachtigde de inhoudelijke gronden van het hoger beroep reeds in 2019 zijn ingediend, dat deze advocaat-gemachtigde na ontvangst van het verweerschrift ruim 5,5 jaar in de gelegenheid is geweest daarop te reageren, dat door belanghebbendes toedoen de behandeling ter zitting al bijna 4,5 jaar is aangehouden en dat volgens belanghebbende geen zicht bestaat op verandering in de huidige situatie van beslaglegging en bevriezing. 4.5. Daarbij komt nog dat onvoldoende is komen vast te staan over de beslaglegging op en de bevriezing van belanghebbendes vermogen, alsmede over het verzoek en de afwijzing van het verzoek om gefinancierde rechtsbijstand, om daaruit de gevolgtrekking te kunnen maken dat belanghebbende daadwerkelijk niet in staat is rechtsbijstand te bekostigen, ook niet door bijdragen of ter leen verstrekte bedragen van anderen. Deze twijfel wordt verder gevoed door de vaststelling dat belanghebbende en zijn partner zeer wel in staat zijn gebleken om per trein (eerste klasse, kosten ruim € 2.000 per keer) vanuit de woonplaats in [buitenland1] tweemaal naar de zitting in Arnhem te reizen. 4.6. Verder heeft belanghebbende betoogd dat hij door de beslaglegging door het Openbaar Ministerie op zijn administratie en die van de betrokken rechtspersonen, niet in staat is zich effectief te verweren in deze procedure. Ook dit algemene betoog kan niet slagen. Belanghebbende heeft in deze procedure namelijk steeds betoogd (zie ook 4.12) dat hij niet over de gevraagde administraties en stukken kan beschikken, zodat zonder nadere motivering en onderbouwing, die belanghebbende niet heeft gegeven, niet duidelijk is welke stukken waarover hij zou kunnen beschikken zonder de beslaglegging, van belang zouden kunnen zijn om effectief verweer te kunnen voeren. Ook overigens valt aan het dossier geen enkele aanwijzing te ontlenen dat belanghebbende door de beslaglegging in zijn verdedigingsbelang is geschaad. Juridische uitgangspunten 4.7. In artikel 52a, lid 1, AWR is bepaald dat de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking (informatiebeschikking) kan vaststellen dat niet of niet volledig is voldaan aan de in die bepaling genoemde informatie- en administratieverplichtingen. Voor zover het gaat om informatieverplichtingen, zoals in dit geval de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 47 AWR, strekt deze regeling ertoe te bevorderen dat een belanghebbende zo snel mogelijk duidelijkheid krijgt over de gevolgen, met name voor zijn bewijspositie, indien hij niet voldoet aan een informatieverzoek van de inspecteur. 4.8. Uit artikel 47, lid 1, AWR volgt dat een ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken en boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan beschikbaar te stellen welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. 4.9. Voor het ontstaan van de in artikel 47, lid 1, AWR genoemde verplichting tot het verstrekken van de door de inspecteur verlangde gegevens en inlichtingen, is voldoende dat de inspecteur zich op grond van hetgeen hem reeds bekend is in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat het antwoord op zijn vragen van belang kan zijn voor de belastingheffing ten aanzien van degene tot wie zij zijn gericht. 4.10. Tijdens de parlementaire behandeling van de AWR (Handelingen II 1957/58, blz. 870) is opgemerkt dat het niet-voldoen aan verplichtingen zoals in artikel 47, lid 1, AWR genoemd, zonder nadelige gevolgen voor de belastingplichtige moet blijven indien het niet naleven van het wettelijk voorschrift hem niet kan worden aangerekend. Daarbij moet worden beoordeeld of de belanghebbende de in redelijkheid van hem te vergen maatregelen heeft getroffen om te bevorderen dat aan de uit artikel 47 AWR voortvloeiende verplichtingen zou kunnen worden voldaan. Informatieverplichting; van belang zijnde gegevens 4.11. Tussen partijen is niet in geschil dat de gegevens en inlichtingen die de Inspecteur heeft gevraagd, van belang kunnen zijn voor de belastingheffing ten aanzien van belanghebbende. Dit is voldoende voor het ontstaan van de in artikel 47, lid 1, AWR genoemde informatieverplichting (zie 4.9). Dat de Inspecteur ten aanzien van de opgevraagde administraties reeds over stukken beschikt die in andere procedures zijn ingebracht, doet anders dan belanghebbende voorstaat niet af aan de ontstane informatieverplichting voor belanghebbende. Daarbij komt nog dat de Inspecteur ook niet gehouden is tot het raadplegen van (digitale) dossiers die zijn aangelegd voor andere belastingplichtigen of andere belastingen. Verder is belanghebbendes stelling dat de gevraagde informatie ook voor andere doeleinden zal worden gebruikt, op generlei wijze onderbouwd, en neemt deze stelling bovendien niet weg dat de gevraagde informatie, zoals belanghebbende niet heeft weersproken, van belang kan zijn voor zijn belastingheffing. De informatieverplichting wordt daardoor dus niet weggenomen. Inspanningsverplichting 4.12. Belanghebbende betoogt dat hij niet over de gevraagde administraties en stukken kan beschikken. Dit betoog komt erop neer dat belanghebbende alle in redelijkheid van hem te vergen inspanningen heeft verricht om de gevraagde informatie ter beschikking te krijgen, dat het niet-voldoen aan de in artikel 47, lid 1, AWR genoemde informatieverplichting hem dus niet kan worden aangerekend, en dat de informatiebeschikkingen daarom moeten worden vernietigd. 4.13. Het niet-voldoen aan de informatieverplichting moet zonder nadelige gevolgen voor de bewijspositie van de belastingplichtige (de zogenoemde omkering van de bewijslast) blijven indien dit verzuim hem niet kan worden aangerekend (zie 4.10). Daarbij moet worden beoordeeld of de belanghebbende de in redelijkheid van hem te vergen maatregelen heeft getroffen om te bevorderen dat aan de uit artikel 47 AWR voortvloeiende verplichtingen zou kunnen worden voldaan (zie 4.10). 4.14. De schending van de informatieverplichting dient te worden beoordeeld naar de momenten waarop de informatiebeschikkingen in 2016 zijn vastgesteld. Dit brengt mee dat ook de vraag of belanghebbende alle in redelijkheid van hem te vergen inspanningen heeft verricht om de gevraagde informatie te verkrijgen, moet worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden op die toetsingsmomenten in 2016. 4.15. Vaststaat dat belanghebbende de SPF heeft opgericht en ingesteld (zie 2.3 en 2.16), en dat hij als begunstigde en toezichthouder betrokken is geweest bij de SPF (zie 2.3 en 2.16). Ook staat vast dat alle deelnemingen in de SPF in december 2009 zijn geschonken aan [NV6] (zie 2.7), een vennootschap waarvan belanghebbende de enige aandeelhouder was (zie 2.6). Verder heeft belanghebbende aan de beheerder van de SPF ( [NV3] ) verzocht jaarrekeningen op te stellen en de boekhouding te voeren, alsmede facturen voor de SPF te sturen naar zijn mailadres (zie 2.3). Gelet op voornoemde (financiële) betrokkenheid en positie van belanghebbende ten aanzien van de SPF , de verzoeken van belanghebbende aan de beheerder met betrekking tot de boekhouding en jaarrekeningen en de omvang van het betrokken vermogen, is aannemelijk dat de beheerder gehouden was (jaarlijks) rekening en verantwoording aan belanghebbende af te leggen en dat belanghebbende over deze jaarlijkse rapportages kon beschikken. Het niet voldoen aan de in artikel 47 AWR genoemde informatieverplichting, wat betreft de administratie van SPF , kan belanghebbende dus worden aangerekend. 4.16. Hetzelfde heeft te gelden voor de administratie van [NV6] , waarvan belanghebbende de enig aandeelhouder is.
Volledig
Vervolgens is op verzoek van belanghebbende de onderhavige procedure vanaf september 2021 aangehouden wegens de beslaglegging op stukken. 4.4. Het belang van een voortvarende procesgang brengt mee dat het Hof de behandeling van de zaak in hoger beroep niet langer zal aanhouden. Naar het oordeel van het Hof weegt dit belang, gelet op voornoemde tijdspanne, zwaarder dan het belang van belanghebbende om zich ter zitting te laten bijstaan door een beroepsmatige rechtsbijstandverlener. Bij deze afweging laat het Hof meewegen dat door belanghebbendes advocaat-gemachtigde de inhoudelijke gronden van het hoger beroep reeds in 2019 zijn ingediend, dat deze advocaat-gemachtigde na ontvangst van het verweerschrift ruim 5,5 jaar in de gelegenheid is geweest daarop te reageren, dat door belanghebbendes toedoen de behandeling ter zitting al bijna 4,5 jaar is aangehouden en dat volgens belanghebbende geen zicht bestaat op verandering in de huidige situatie van beslaglegging en bevriezing. 4.5. Daarbij komt nog dat onvoldoende is komen vast te staan over de beslaglegging op en de bevriezing van belanghebbendes vermogen, alsmede over het verzoek en de afwijzing van het verzoek om gefinancierde rechtsbijstand, om daaruit de gevolgtrekking te kunnen maken dat belanghebbende daadwerkelijk niet in staat is rechtsbijstand te bekostigen, ook niet door bijdragen of ter leen verstrekte bedragen van anderen. Deze twijfel wordt verder gevoed door de vaststelling dat belanghebbende en zijn partner zeer wel in staat zijn gebleken om per trein (eerste klasse, kosten ruim € 2.000 per keer) vanuit de woonplaats in [buitenland1] tweemaal naar de zitting in Arnhem te reizen. 4.6. Verder heeft belanghebbende betoogd dat hij door de beslaglegging door het Openbaar Ministerie op zijn administratie en die van de betrokken rechtspersonen, niet in staat is zich effectief te verweren in deze procedure. Ook dit algemene betoog kan niet slagen. Belanghebbende heeft in deze procedure namelijk steeds betoogd (zie ook 4.12) dat hij niet over de gevraagde administraties en stukken kan beschikken, zodat zonder nadere motivering en onderbouwing, die belanghebbende niet heeft gegeven, niet duidelijk is welke stukken waarover hij zou kunnen beschikken zonder de beslaglegging, van belang zouden kunnen zijn om effectief verweer te kunnen voeren. Ook overigens valt aan het dossier geen enkele aanwijzing te ontlenen dat belanghebbende door de beslaglegging in zijn verdedigingsbelang is geschaad. Juridische uitgangspunten 4.7. In artikel 52a, lid 1, AWR is bepaald dat de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking (informatiebeschikking) kan vaststellen dat niet of niet volledig is voldaan aan de in die bepaling genoemde informatie- en administratieverplichtingen. Voor zover het gaat om informatieverplichtingen, zoals in dit geval de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 47 AWR, strekt deze regeling ertoe te bevorderen dat een belanghebbende zo snel mogelijk duidelijkheid krijgt over de gevolgen, met name voor zijn bewijspositie, indien hij niet voldoet aan een informatieverzoek van de inspecteur. 4.8. Uit artikel 47, lid 1, AWR volgt dat een ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken en boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan beschikbaar te stellen welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. 4.9. Voor het ontstaan van de in artikel 47, lid 1, AWR genoemde verplichting tot het verstrekken van de door de inspecteur verlangde gegevens en inlichtingen, is voldoende dat de inspecteur zich op grond van hetgeen hem reeds bekend is in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat het antwoord op zijn vragen van belang kan zijn voor de belastingheffing ten aanzien van degene tot wie zij zijn gericht. 4.10. Tijdens de parlementaire behandeling van de AWR (Handelingen II 1957/58, blz. 870) is opgemerkt dat het niet-voldoen aan verplichtingen zoals in artikel 47, lid 1, AWR genoemd, zonder nadelige gevolgen voor de belastingplichtige moet blijven indien het niet naleven van het wettelijk voorschrift hem niet kan worden aangerekend. Daarbij moet worden beoordeeld of de belanghebbende de in redelijkheid van hem te vergen maatregelen heeft getroffen om te bevorderen dat aan de uit artikel 47 AWR voortvloeiende verplichtingen zou kunnen worden voldaan. Informatieverplichting; van belang zijnde gegevens 4.11. Tussen partijen is niet in geschil dat de gegevens en inlichtingen die de Inspecteur heeft gevraagd, van belang kunnen zijn voor de belastingheffing ten aanzien van belanghebbende. Dit is voldoende voor het ontstaan van de in artikel 47, lid 1, AWR genoemde informatieverplichting (zie 4.9). Dat de Inspecteur ten aanzien van de opgevraagde administraties reeds over stukken beschikt die in andere procedures zijn ingebracht, doet anders dan belanghebbende voorstaat niet af aan de ontstane informatieverplichting voor belanghebbende. Daarbij komt nog dat de Inspecteur ook niet gehouden is tot het raadplegen van (digitale) dossiers die zijn aangelegd voor andere belastingplichtigen of andere belastingen. Verder is belanghebbendes stelling dat de gevraagde informatie ook voor andere doeleinden zal worden gebruikt, op generlei wijze onderbouwd, en neemt deze stelling bovendien niet weg dat de gevraagde informatie, zoals belanghebbende niet heeft weersproken, van belang kan zijn voor zijn belastingheffing. De informatieverplichting wordt daardoor dus niet weggenomen. Inspanningsverplichting 4.12. Belanghebbende betoogt dat hij niet over de gevraagde administraties en stukken kan beschikken. Dit betoog komt erop neer dat belanghebbende alle in redelijkheid van hem te vergen inspanningen heeft verricht om de gevraagde informatie ter beschikking te krijgen, dat het niet-voldoen aan de in artikel 47, lid 1, AWR genoemde informatieverplichting hem dus niet kan worden aangerekend, en dat de informatiebeschikkingen daarom moeten worden vernietigd. 4.13. Het niet-voldoen aan de informatieverplichting moet zonder nadelige gevolgen voor de bewijspositie van de belastingplichtige (de zogenoemde omkering van de bewijslast) blijven indien dit verzuim hem niet kan worden aangerekend (zie 4.10). Daarbij moet worden beoordeeld of de belanghebbende de in redelijkheid van hem te vergen maatregelen heeft getroffen om te bevorderen dat aan de uit artikel 47 AWR voortvloeiende verplichtingen zou kunnen worden voldaan (zie 4.10). 4.14. De schending van de informatieverplichting dient te worden beoordeeld naar de momenten waarop de informatiebeschikkingen in 2016 zijn vastgesteld. Dit brengt mee dat ook de vraag of belanghebbende alle in redelijkheid van hem te vergen inspanningen heeft verricht om de gevraagde informatie te verkrijgen, moet worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden op die toetsingsmomenten in 2016. 4.15. Vaststaat dat belanghebbende de SPF heeft opgericht en ingesteld (zie 2.3 en 2.16), en dat hij als begunstigde en toezichthouder betrokken is geweest bij de SPF (zie 2.3 en 2.16). Ook staat vast dat alle deelnemingen in de SPF in december 2009 zijn geschonken aan [NV6] (zie 2.7), een vennootschap waarvan belanghebbende de enige aandeelhouder was (zie 2.6). Verder heeft belanghebbende aan de beheerder van de SPF ( [NV3] ) verzocht jaarrekeningen op te stellen en de boekhouding te voeren, alsmede facturen voor de SPF te sturen naar zijn mailadres (zie 2.3). Gelet op voornoemde (financiële) betrokkenheid en positie van belanghebbende ten aanzien van de SPF , de verzoeken van belanghebbende aan de beheerder met betrekking tot de boekhouding en jaarrekeningen en de omvang van het betrokken vermogen, is aannemelijk dat de beheerder gehouden was (jaarlijks) rekening en verantwoording aan belanghebbende af te leggen en dat belanghebbende over deze jaarlijkse rapportages kon beschikken. Het niet voldoen aan de in artikel 47 AWR genoemde informatieverplichting, wat betreft de administratie van SPF , kan belanghebbende dus worden aangerekend. 4.16. Hetzelfde heeft te gelden voor de administratie van [NV6] , waarvan belanghebbende de enig aandeelhouder is.
Volledig
Dit geldt te meer nu de [NV2] , de formele bestuurder van [NV6] , heeft aangegeven bereid te zijn om medewerking aan het onderzoek te verlenen (zie 2.22). 4.17. Ook wat betreft de administraties van de deelnemingen [LTD2] , [NV4] en [NV5] , acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende daarover kon beschikken. Redengevend daarvoor is belanghebbendes betrokkenheid en belang bij deze deelnemingen. Daarbij komt nog dat belanghebbende op grond van artikel 2:34, lid 2, [buitenlands wetboek] hoe dan ook om inzage kan verzoeken in de administraties van de in 2015 ontbonden vennootschappen [NV4] en [NV5] (zie 2.11). Verder is niet gebleken dat belanghebbende enige noemenswaardige inspanning heeft geleverd ter verkrijging van de administraties van deze deelnemingen. Het niet voldoen aan de informatieverplichting voor wat betreft de administraties van de deelnemingen (tot en met 2010), kan belanghebbende dus ook worden aangerekend. Box 3 (sparen en beleggen) 4.18. Anders dan belanghebbende betoogt, was het inlichtingenverzoek van de Inspecteur om specificaties van het box 3-vermogen voor de jaren 2010, 2011 en 2012 voldoende helder, zodat daarover door de Inspecteur geen opheldering verschaft hoefde te worden alvorens aan dit verzoek uitvoering kon worden gegeven. Dit betoog van belanghebbende kan derhalve niet slagen. Slotsom 4.19. Gelet op het vorenoverwogene heeft de Rechtbank terecht de informatiebeschikking in stand gelaten. Het hoger beroep van belanghebbende dient ongegrond te worden verklaard. Anders dan belanghebbende betoogt, ziet het Hof – evenals de Rechtbank – geen aanleiding om een nieuwe termijn te stellen om de gevraagde administraties alsnog te verstrekken. 4.20. Dat de onderhavige informatiebeschikkingen worden gehandhaafd, neemt niet weg dat de vraag of de omkering en verzwaring van de bewijslast op haar plaats is, ook nog aan de orde kan worden gesteld in de eventuele procedure over de belastingaanslagen waarop deze informatiebeschikkingen betrekking hebben. Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn 4.21. Belanghebbendes gemachtigde heeft in het hogerberoepschrift verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Nu daar voor het eerst in hoger beroep om is verzocht, moet de totale procedure tot de onderhavige uitspraak in hoger beroep in ogenschouw worden genomen. 4.22. De Hoge Raad hanteert als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als het gerechtshof niet binnen vier jaar uitspraak doet na het moment dat de Inspecteur het bezwaarschrift heeft ontvangen. Voor het bedrag aan schadevergoeding wordt uitgegaan van een tarief van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. 4.23. Vast staat dat het (oudste) bezwaarschrift op 21 juli 2016 door de Inspecteur is ontvangen (zie 2.40) en dat op 28 april 2026 onderhavige uitspraak in hoger beroep is gedaan. Dit brengt een overschrijding van de redelijke termijn mee van bijna vijf jaar en negen maanden. Het tijdsverloop tussen belanghebbendes verzoek kort na 19 juli 2021 om aanhouding van de zaak in hoger beroep (zie 2.43) en de regiezitting op 14 januari 2026, ofwel een periode van vier jaar en zes maanden, dient echter als bijzondere omstandigheid buiten beschouwing te blijven. Daardoor resteert een overschrijding van de redelijke termijn van één jaar en drie maanden, zodat het bedrag van de vergoeding van immateriële schade wordt berekend op € 1.500. 4.24. Voor de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase met twee maanden zal de Inspecteur worden veroordeeld tot een vergoeding van 2/15 deel van € 1.500, ofwel € 200. Voor de overschrijding van de redelijke termijn in de gerechtelijke fase zal de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) worden veroordeeld tot een vergoeding van € 1.300. 5 Proceskosten en griffierecht 5.1. Omdat het hoger beroep op zichzelf beschouwd ongegrond is, wordt uitsluitend een vergoeding van proceskosten toegekend voor de proceshandelingen die samenhangen met het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de berekening van die vergoeding wordt een wegingsfactor 0,25 gehanteerd. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 233,50 (1 punt voor verzoekschrift, wegingsfactor 0,25, waarde per punt € 934). Deze vergoeding dient voor de helft door de Inspecteur te worden betaald, en voor de helft door de Staat. 5.2. Indien het hoger beroep ongegrond wordt verklaard, wordt geen griffierecht meer vergoed, tenzij vóór 31 mei 2024 om schadevergoeding is verzocht en de redelijke termijn op 31 mei 2024 al was overschreden. Aan beide voorwaarden is in dit geval voldaan, zodat het Hof aanleiding ziet het griffierecht van € 128 te vergoeden. Deze vergoeding dient voor de helft door de Inspecteur te worden betaald, en voor de helft door de Staat. 6 Beslissing Het Hof: bevestigt de uitspraak van de Rechtbank; veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 200; veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.300; veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 116,75; veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 116,75; gelast de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het in hoger beroep betaalde griffierecht tot een bedrag van € 64; en gelast de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) aan belanghebbende te vergoeden het in hoger beroep betaalde griffierecht tot een bedrag van € 64. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. G.B.A. Brummer, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026. De griffier, De voorzitter, (E.D. Postema) (A.J.H. van Suilen) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Earnings before interest and taxes. Zie de pleitnota van belanghebbende, onderdeel 29. HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3602, r.o. 2.2.1; HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:130, r.o. 3.3.2. HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498, r.o.
Volledig
Dit geldt te meer nu de [NV2] , de formele bestuurder van [NV6] , heeft aangegeven bereid te zijn om medewerking aan het onderzoek te verlenen (zie 2.22). 4.17. Ook wat betreft de administraties van de deelnemingen [LTD2] , [NV4] en [NV5] , acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende daarover kon beschikken. Redengevend daarvoor is belanghebbendes betrokkenheid en belang bij deze deelnemingen. Daarbij komt nog dat belanghebbende op grond van artikel 2:34, lid 2, [buitenlands wetboek] hoe dan ook om inzage kan verzoeken in de administraties van de in 2015 ontbonden vennootschappen [NV4] en [NV5] (zie 2.11). Verder is niet gebleken dat belanghebbende enige noemenswaardige inspanning heeft geleverd ter verkrijging van de administraties van deze deelnemingen. Het niet voldoen aan de informatieverplichting voor wat betreft de administraties van de deelnemingen (tot en met 2010), kan belanghebbende dus ook worden aangerekend. Box 3 (sparen en beleggen) 4.18. Anders dan belanghebbende betoogt, was het inlichtingenverzoek van de Inspecteur om specificaties van het box 3-vermogen voor de jaren 2010, 2011 en 2012 voldoende helder, zodat daarover door de Inspecteur geen opheldering verschaft hoefde te worden alvorens aan dit verzoek uitvoering kon worden gegeven. Dit betoog van belanghebbende kan derhalve niet slagen. Slotsom 4.19. Gelet op het vorenoverwogene heeft de Rechtbank terecht de informatiebeschikking in stand gelaten. Het hoger beroep van belanghebbende dient ongegrond te worden verklaard. Anders dan belanghebbende betoogt, ziet het Hof – evenals de Rechtbank – geen aanleiding om een nieuwe termijn te stellen om de gevraagde administraties alsnog te verstrekken. 4.20. Dat de onderhavige informatiebeschikkingen worden gehandhaafd, neemt niet weg dat de vraag of de omkering en verzwaring van de bewijslast op haar plaats is, ook nog aan de orde kan worden gesteld in de eventuele procedure over de belastingaanslagen waarop deze informatiebeschikkingen betrekking hebben. Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn 4.21. Belanghebbendes gemachtigde heeft in het hogerberoepschrift verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Nu daar voor het eerst in hoger beroep om is verzocht, moet de totale procedure tot de onderhavige uitspraak in hoger beroep in ogenschouw worden genomen. 4.22. De Hoge Raad hanteert als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als het gerechtshof niet binnen vier jaar uitspraak doet na het moment dat de Inspecteur het bezwaarschrift heeft ontvangen. Voor het bedrag aan schadevergoeding wordt uitgegaan van een tarief van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. 4.23. Vast staat dat het (oudste) bezwaarschrift op 21 juli 2016 door de Inspecteur is ontvangen (zie 2.40) en dat op 28 april 2026 onderhavige uitspraak in hoger beroep is gedaan. Dit brengt een overschrijding van de redelijke termijn mee van bijna vijf jaar en negen maanden. Het tijdsverloop tussen belanghebbendes verzoek kort na 19 juli 2021 om aanhouding van de zaak in hoger beroep (zie 2.43) en de regiezitting op 14 januari 2026, ofwel een periode van vier jaar en zes maanden, dient echter als bijzondere omstandigheid buiten beschouwing te blijven. Daardoor resteert een overschrijding van de redelijke termijn van één jaar en drie maanden, zodat het bedrag van de vergoeding van immateriële schade wordt berekend op € 1.500. 4.24. Voor de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase met twee maanden zal de Inspecteur worden veroordeeld tot een vergoeding van 2/15 deel van € 1.500, ofwel € 200. Voor de overschrijding van de redelijke termijn in de gerechtelijke fase zal de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) worden veroordeeld tot een vergoeding van € 1.300. 5 Proceskosten en griffierecht 5.1. Omdat het hoger beroep op zichzelf beschouwd ongegrond is, wordt uitsluitend een vergoeding van proceskosten toegekend voor de proceshandelingen die samenhangen met het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de berekening van die vergoeding wordt een wegingsfactor 0,25 gehanteerd. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 233,50 (1 punt voor verzoekschrift, wegingsfactor 0,25, waarde per punt € 934). Deze vergoeding dient voor de helft door de Inspecteur te worden betaald, en voor de helft door de Staat. 5.2. Indien het hoger beroep ongegrond wordt verklaard, wordt geen griffierecht meer vergoed, tenzij vóór 31 mei 2024 om schadevergoeding is verzocht en de redelijke termijn op 31 mei 2024 al was overschreden. Aan beide voorwaarden is in dit geval voldaan, zodat het Hof aanleiding ziet het griffierecht van € 128 te vergoeden. Deze vergoeding dient voor de helft door de Inspecteur te worden betaald, en voor de helft door de Staat. 6 Beslissing Het Hof: bevestigt de uitspraak van de Rechtbank; veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 200; veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.300; veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 116,75; veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 116,75; gelast de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het in hoger beroep betaalde griffierecht tot een bedrag van € 64; en gelast de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) aan belanghebbende te vergoeden het in hoger beroep betaalde griffierecht tot een bedrag van € 64. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. G.B.A. Brummer, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026. De griffier, De voorzitter, (E.D. Postema) (A.J.H. van Suilen) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Earnings before interest and taxes. Zie de pleitnota van belanghebbende, onderdeel 29. HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3602, r.o. 2.2.1; HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:130, r.o. 3.3.2. HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498, r.o.