Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-03-05
ECLI:NL:GHARL:2026:1351
Strafrecht
Hoger beroep
4,061 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1351 text/xml public 2026-04-09T09:13:19 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-05 Wahv 200.354.473/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1351 text/html public 2026-04-09T09:11:38 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1351 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 05-03-2026 / Wahv 200.354.473/01 Als bestuurder van een snorfiets geen deugdelijk bevestigde helm dragen. Geen schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat aan de passagier geen sanctie is opgelegd. Dat de ambtenaar hiervan geen melding heeft gemaakt, maakt niet dat de inleidende beschikking moet worden vernietigd. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.354.473/01 CJIB-nummer : 257631035 Uitspraak d.d. : 5 maart 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2025, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats]. De gemachtigde van de betrokkene is L. Berkes, kantoorhoudende te Ridderkerk. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 323,50. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De griffier van het hof heeft de gemachtigde van de betrokkene bij brief van 8 december 2025 in de gelegenheid gesteld nadere informatie te verstrekken. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling 1. Artikel 14 van de Wahv - zoals die bepaling luidt per 1 januari 2023 - bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter: - wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,- - wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de betrokkene de juistheid van die beslissing in hoger beroep betwist. 2. Van geen van deze situaties is hier sprake. De sanctie bedraagt € 100,- en de kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. 3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter uitsluitend is verzonden naar de betrokkene, terwijl uit de processtukken en correspondentie is gebleken dat de gemachtigde namens de betrokkene optrad. Nadien heeft de gemachtigde - via Zivver - contact gehad met de griffie van de rechtbank, waarbij aan hem is toegezegd dat een nieuwe oproeping zou volgen in verband met een opnieuw ingeroosterde zittingsdatum. Zowel de betrokkene als de gemachtigde hebben deze uitnodiging niet ontvangen. 4. In artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ligt het recht op toegang tot de rechter besloten. Wanneer een beroep wordt gedaan op schending van dit recht en dit beroep wordt gegrond bevonden, kan het wettelijk appelverbod buiten toepassing worden gelaten. 5. Uit het dossier blijkt het volgende. De griffier van de rechtbank heeft de betrokkene per brief d.d. 20 november 2024 opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 8 januari 2025. De gemachtigde heeft vervolgens per e-mail d.d. 6 januari 2025 aan de griffier van de rechtbank verzocht om de zitting te verplaatsen. In deze e-mail heeft de gemachtigde gevraagd om de uitnodiging voor de zitting naar hem te sturen. Per e-mail d.d. 7 januari 2025 heeft de griffier van de rechtbank laten weten dat het verzoek om aanhouding door de kantonrechter is ingewilligd. Vervolgens heeft de griffier van de rechtbank de gemachtigde per brief van 15 januari 2025 opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 6 maart 2025. Nu niet is gebleken dat deze brief aangetekend is verzonden dan wel dat de rechtbank beschikte over een deugdelijke verzendadministratie, kan het hof niet vaststellen dat deze brief is verzonden. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat de gemachtigde behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Aldus is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Wahv. Dit brengt mee dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten. 6. Gelet op het voorgaande moet het hoger beroep ontvankelijk worden geacht en moet de beslissing van de kantonrechter worden vernietigd. Vervolgens zal het hof overgaan tot de beoordeling van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie. 7. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 160,- voor: “R536C – als bestuurder of passagier geen goedgekeurde, goedpassende/deugdelijk bevestigde helm dragen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 4 mei 2023 om 14.27 uur op de Strevelsweg in Rotterdam met het voertuig met het kenteken DPS-96-P. 8. De officier van justitie heeft bij beslissing op het administratief beroep de feitcode en omschrijving gewijzigd naar: “R536A - Bestuurder of passagier brom/snorfiets, brommobiel draagt geen goedgekeurde, goedpassende/deugdelijk bevestigde helm”. Het sanctiebedrag daarbij bedraagt € 100,-. 9. De gemachtigde voert aan dat de oorspronkelijke beschikking is gebaseerd op feitcode R536C inhoudende het niet dragen van een deugdelijk bevestigde goedgekeurde helm op een motorfiets. De betrokkene bestuurde ten tijde van de gedraging een snorfiets. Bovendien is de speed-pedelechelm - die de betrokkene droeg - conform het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) en de Wegenverkeerswet 1994 toegestaan voor snorfietsers, maar niet voor motorrijders. De gemachtigde is van mening dat de oorspronkelijke sanctie is gebaseerd op een onjuiste feitelijke en juridische grondslag, hetgeen een materieel gebrek vormt dat vernietiging van de beschikking had moeten meebrengen. Voorts stelt de gemachtigde dat er tevens een passagier aanwezig was die zich in exact dezelfde positie als de betrokkene op het voertuig bevond, maar die niet is beboet. Deze eenzijdige sanctionering vormt een onverklaarbare en ongerechtvaardigde inbreuk op het gelijkheidsbeginsel, hetgeen onder de gegeven omstandigheden leidt tot strijdigheid met artikel 1 van de Grondwet en artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Hierbij merkt de gemachtigde op dat in het aanvullend proces-verbaal (naar het hof begrijpt: het zaakoverzicht) in het geheel geen melding is gemaakt van de aanwezigheid van een passagier, noch van enige constatering omtrent diens gedragingen. Gelet daarop is sprake van een verzuim, nu het besluit is gebaseerd op een onvolledig en ondeugdelijk vastgesteld feitencomplex ex artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en verhindert dit verzuim het bestuursorgaan om een controleerbare motivering te geven voor de ongelijke beboeting ex artikel 7:12 van de Awb. Ook belemmert het de verdediging van de betrokkene, nu deze zich niet effectief kan verweren tegen een sanctie waarvan de feitelijke grondslag onvolledig en partijdig is vastgelegd hetgeen strijdig is met artikel 6 van het EVRM. Het ontbreken van enige vermelding van de passagier in het proces-verbaal (naar het hof begrijpt: zaakoverzicht) roept bovendien vragen op omtrent de objectiviteit en volledigheid van de vastlegging van gegevens door de ambtenaar. 10.
Volledig
De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: “Ik zag dat voornoemd voertuig werd bestuurd. Ik zag dat het voertuig reed op het fietspad. Ik zag dat de bestuurder wel een helm droeg, maar dat deze helm niet deugdelijk op zijn hoofd bevestigd had. Ik zag dat de kinband niet gesloten was. (…) Merk van voertuig: La Souris. Type voertuig: E-Sourini. (…) Aan de betrokkene is de cautie verleend. (…) Verklaring betrokkene: verdachte/betrokkene gaf geen verklaring. Omschrijving door verbalisant: geen verklaring.” 11. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat de betrokkene als bestuurder van het voertuig, een snorfiets, een helm droeg, maar dat deze niet deugdelijk op het hoofd van de bestuurder bevestigd was nu de kinband van de helm niet gesloten was. De gedraging, zoals in administratief beroep door de officier van justitie gewijzigd, kan aldus worden vastgesteld. 12. Voor zover de gemachtigde van mening is dat de officier van justitie de inleidende beschikking had moeten vernietigen en niet had kunnen wijzigen zoals hij heeft gedaan, wordt als volgt overwogen. Volgens vaste jurisprudentie van het hof is het geoorloofd om de feitcode en de omschrijving van de gedraging te wijzigen indien de betrokkene daardoor niet in zijn verdedigingsbelangen is geschaad. Uit het verweer van de gemachtigde blijkt dat het voor de betrokkene duidelijk was waartegen zij zich had te verdedigen. Nu het aan de gewijzigde kwalificatie ten grondslag liggende feitencomplex hetzelfde blijft, de hoogte van het bedrag van de sanctie horend bij de gedraging met feitcode R536A lager is dan het bedrag van de sanctie van de in de inleidende beschikking genoemde gedraging is het hof van oordeel dat de betrokkene door de wijziging van de feitcode en de omschrijving van de gedraging niet in haar belangen is geschaad. Deze grond treft geen doel. 13. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat aan de bijrijder van de betrokkene geen sanctie is opgelegd, wordt verworpen. Ambtenaren beschikken over een discretionaire bevoegdheid op grond waarvan zij een zekere vrijheid hebben om te bepalen of zij in een concreet geval al dan niet een sanctie opleggen. De enkele omstandigheid dat aan de passagier – om welke reden dan ook – geen sanctie is opgelegd, brengt niet mee dat de betrokkene, die de gedraging heeft verricht, daarvan gevrijwaard zou moeten blijven. Van schending van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de betrokkene zou slechts dan sprake zijn indien zonder (juridisch) geldige reden ten nadele van de betrokkene zou zijn afgeweken van het met betrekking tot gedragingen als de onderhavige geldende beleid. Daarvan is niet gebleken. 14. Dat de ambtenaar geen melding heeft gemaakt van de aanwezigheid van een passagier aan wie geen sanctie is opgelegd, maakt niet dat de inleidende beschikking moet worden vernietigd. De betrokkene is hierdoor niet in haar verdedigingsbelang geschaad nu zij deze omstandigheid zelf naar voren kan brengen en ook heeft gebracht. Het betreft geen op de zaak betrekking hebbende gegevens die de ambtenaar moet verstrekken. Deze grond faalt ook. 15. Het hof stelt vast dat de officier van justitie, beslissende op het administratief beroep, de omschrijving van de gedraging en de feitcode heeft gewijzigd. Dit betekent dat de betrokkene in het gelijk is gesteld, zoals bedoeld in het arrest van het hof van 28 april 2020. De officier van justitie heeft ten onrechte geen vergoeding toegekend als waar om was verzocht voor de proceskosten, gemaakt in administratief beroep nu de inleidende beschikking moest worden herroepen wegens een aan de ambtenaar te wijten onrechtmatigheid. Het hof zal met gegrondverklaring van het beroep daartegen, de beslissing van de officier van justitie in zoverre vernietigen en een proceskostenvergoeding toekennen. 16. Met betrekking tot de hoogte daarvan overweegt het hof het volgende. Het hof stelt vast dat de beslissing van de officier van justitie en de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 zijn bekendgemaakt. Derhalve dient in het onderhavige geval te worden beoordeeld of de vermenigvuldigingsfactor als bedoeld in het tweede lid van artikel 13a van de Wahv op de proceskosten, gemaakt in beroep bij de kantonrechter en in hoger beroep, dient te worden toegepast. 17. Op 24 juni 2025 heeft de Hoge Raad arrest gewezen op het beroep in cassatie in het belang der wet. 18. In dat arrest heeft de Hoge Raad over de werkingssfeer van de regeling van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv opgemerkt dat de wetgever met de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: Whpkv), ook met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over Wahv, het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Whpkv worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende. 19. De Hoge Raad heeft vervolgens geoordeeld dat gelet op deze afbakening van de werkingssfeer van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv niet kan worden gezegd dat de wetgever verder is gegaan dan nodig om het als legitiem aangemerkte doel van het wetsvoorstel te bereiken, te weten voorkomen dat proceskostenvergoedingen dermate hoog uitvallen dat afbreuk wordt gedaan aan het uitgangspunt van het Bpb dat proceskostenvergoedingen niet méér beogen te zijn dan een tegemoetkoming in de werkelijk gemaakte proceskosten. Van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling is daarom geen sprake. 20. Het hof volgt het oordeel van de Hoge Raad. Aangezien het arrest van de Hoge Raad is gewezen nadat de gemachtigde hoger beroep had ingesteld, hoefde hij niet bedacht te zijn op de in dat arrest geformuleerde regels. Daarom is de gemachtigde door de griffier van het hof in de gelegenheid gesteld om te reageren op de in dat arrest geformuleerde regels en in dat verband zo nodig nadere gegevens te verstrekken. De gemachtigde heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Aldus is niet komen vast te staan dat in de situatie hier met het oog op het vaststellen van de proceskostenvergoeding sprake is een bijzonder geval als bedoeld in r.o. 5.3 van voornoemd arrest. De vergoeding van de proceskosten zal daarom worden berekend met inachtneming van de Whpkv. 21. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal 3 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 666,- en voor het (hoger) beroep € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt in administratief beroep de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de betrokkene in beroep bij de kantonrechter en in hoger beroep alleen in het gelijk wordt gesteld ten aanzien van de proceskostenvergoeding, wordt voor de vaststelling van de vergoeding van de in beroep bij de kantonrechter en in hoger beroep gemaakte proceskosten de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast.