Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-02-19
ECLI:NL:GHARL:2025:930
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
4,823 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000379-24
Uitspraak van 19 februari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 17 januari 2024 met parketnummer 05-158389-23 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
thans verblijvende in [P.I.] , [locatie] te [plaats] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 5 februari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Winters, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft het tenlastegelegde feite bewezen verklaard, dat gekwalificeerd als verkrachting en verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Anders dan in eerste aanleg heeft verdachte in hoger beroep erkend het bewezenverklaarde te hebben begaan. Het hof zal evenwel het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de nacht van 1 juni 2003 op 2 juni 2003 in de [gemeente] , door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handeling(en) die (mede) bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het brengen/duwen van een of meer van zijn, verdachtes vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of welk geweld en/of andere feitelijkhe(i)d(en) en/of welke bedreiging met geweld en/of andere feitelijkhe(i)d(en) hierin heeft hebben bestaan dat verdachte
- de (studenten)kamer van die [slachtoffer] (via een openstaand raam) is binnengeklommen/gedrongen en/of
- op het bed van die [slachtoffer] is gesprongen en/of
- op die [slachtoffer] is gaan liggen/zitten en/of
- de polsen van die [slachtoffer] op haar rug heeft vastgebonden/vastgesnoerd en/of
- de mond van die [slachtoffer] heeft dichtgeplakt met tape en/of
- het T-shirt en/of de string van die [slachtoffer] heeft opengesneden en/of
- de benen van die [slachtoffer] naar zich toe heeft getrokken en/of
- die [slachtoffer] bij haar billen heeft gepakt en haar (vervolgens) naar zijn kruis heeft getrokken en/of
- een of meerma(a)l(en) opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer] zei dat ze stil moest zijn omdat hij haar anders zou vermoorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd van tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Oordeel van het hof
Het feit kan naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen worden. Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van
het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de
bewijsmiddelen, te weten:
de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van het hof op 5 februari 2025;
het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] van 2 juni 2003, p. 206-211.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in of omstreeks de nacht van 1 juni 2003 op 2 juni 2003 in de [gemeente] , door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meerdere handeling(en) die (mede) bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het brengen/duwen van een of meer van zijn, verdachtes vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of welk geweld en/of andere feitelijkhe(i)d(en) en/of welke bedreiging met geweld en/of andere feitelijkhe(i)d(en) hierin heeft hebben bestaan dat verdachte
- de (studenten)kamer van die [slachtoffer] (via een openstaand raam) is binnengeklommen/gedrongen en/of
- op het bed van die [slachtoffer] is gesprongen en/of
- op die [slachtoffer] is gaan liggen/zitten en/of
- de polsen van die [slachtoffer] op haar rug heeft vastgebonden/vastgesnoerd en/of
- de mond van die [slachtoffer] heeft dichtgeplakt met tape en/of
- het T-shirt en/of de string van die [slachtoffer] heeft opengesneden en/of
- de benen van die [slachtoffer] naar zich toe heeft getrokken en/of
- die [slachtoffer] bij haar billen heeft gepakt en haar (vervolgens) naar zijn kruis heeft getrokken en/of
- een of meerma(a)l(en) opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer] zei dat ze stil moest zijn omdat hij haar anders zou vermoorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
verkrachting.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Het betreft een ernstig feit. Het is zeer ingrijpend wat mevrouw [slachtoffer] in haar eigen woning ’s nachts heeft moeten ondergaan. Verder zijn, ondanks het tijdsverloop, de strafdoelen generale preventie en vergelding onverminderd van toepassing. Het afnemen van handpalmafdrukken was destijds niet ongebruikelijk en ook niet onrechtmatig. Dat de handpalmafdrukken niet uit het systeem zijn verwijderd is geen reden om de straf te matigen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend.
Conclusie
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden is.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door
mr. S. Taalman, voorzitter,
mr. J.M. Rowel-van der Linde en mr. E.P.J. Schelkers, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T. Lammerdink, griffier,
en op 19 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr E.P.J. Schelkers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie [regio] , opgemaakte proces-verbaal, onderzoek ONRAB22105 (Graafteam), gesloten en ondertekend op 7 september 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina's van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Besluit van 4 mei 2016, houdende wijziging van het Besluit identiteitsvaststelling verdachten en veroordeelden en het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek in verband met de implementatie van het Kaderbesluit 2009/905/JBZ van de Raad van de Europese Unie over de accreditatie van aanbieders van forensische diensten die laboratoriumactiviteiten verrichten (PbEU 2009, L 322) en in verband met enige andere onderwerpen
Inleiding
Daarbij is verwezen naar andere uitspraken die betrekking hebben op opgeloste cold case-zaken waarbij sprake is van een verkrachting. Voornoemd strafvoorstel is verder in lijn met de strafdoelen vergelding en preventie. Deze straf doet ook recht aan het vormverzuim, namelijk dat bij de verdachte onrechtmatig handpalmafdrukken zijn afgenomen, deze vervolgens ten onrechte zijn opgeslagen in de databank en daar niet uit zijn verwijderd.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich ruim twintig jaar geleden schuldig gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit, namelijk de verkrachting van een 19-jarige studente. In de nacht van 1 op 2 juni 2003 is hij via de tuin en daarna door het openstaande raam geklommen en in haar studentenkamer binnengedrongen, waar zij lag te slapen. Daar is de verdachte bij het slachtoffer op haar bed gesprongen, heeft hij haar handen vastgebonden met een trekbandje, haar T-shirt en string met een mes losgesneden en heeft hij haar mond met tape afgedekt. Aangeefster heeft tot op zekere hoogte weerstand kunnen bieden tegen de verdachte. De verdachte ging echter zo hardhandig tewerk dat hij de benen van het slachtoffer uit elkaar heeft kunnen krijgen en het shirt vastgedrukt heeft op haar gezicht. Toen heeft hij het slachtoffer verkracht door met zijn vinger de vagina van het slachtoffer binnen te gaan. Dat deed haar pijn. De verdachte is, nadat hij het slachtoffer naar zijn kruis heeft getrokken en haar billen had betast, nog een keer met zijn vinger haar vagina binnen gegaan. Tevens heeft hij slachtoffer bedreigd met de dood als ze niet stil zou zijn en ook aangegeven dat hij terug zou komen als zij naar de politie zou gaan.
Het behoeft geen uitleg dat het slachtoffer zeer angstige momenten heeft moeten doormaken. Seksuele delicten hebben voor slachtoffers vaak ernstige en langdurige psychische gevolgen. Het slachtoffer heeft gelukkig de heftige gebeurtenis een plek kunnen geven. Dit heeft haar wel veel moeite gekost. Dit onderschrijft de ernst van het feit.
Persoon van de verdachte
Het hof heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 30 december 2024. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor zedendelicten. Dit heeft echter geen invloed op de hoogte van de op te leggen straf.
Uit het reclasseringsadvies van 20 september 2024 (Detentie & Re-integratieplan) blijkt dat verdachte voor zijn detentie zijn leven op de rit had. Het risico op recidive kan niet worden ingeschat door de reclassering, vanwege zijn -toen nog- ontkennende proceshouding.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij ten tijde van de verkrachting in een moeilijke periode zat, waarin zijn relatie net was verbroken, hij geen vaste woon- of verblijfsplaats had en verdovende middelen gebruikte. Kort daarna is hij als zelfstandige begonnen en heeft hij een eigen bedrijf opgebouwd. Hij verklaart sindsdien een stabieler leven te hebben opgebouwd.
Strafuitgangspunt
Het hof heeft acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Dit betreft een oriëntatiepunt dat recentelijk is gewijzigd en is gedifferentieerd naar de mate van dwang. Zij gaan bij verkrachting met geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang als vertrekpunt voor de op te leggen straf uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. Het hof zal dit oriëntatiepunt als uitgangspunt voor de op te leggen straf nemen, gelet op de manier waarop de verdachte op handhandige wijze te werk is gegaan. De verdachte heeft het slachtoffer overrompeld en daarbij zijn fysieke overwicht gebruikt, net zo lang tot het slachtoffer geen weerstand meer kon bieden. Zij is met kracht van haar rug op haar buik gedraaid, vastgebonden met een trekbandje, haar T-shirt en string zijn losgesneden met een mes en haar benen zijn uit elkaar geduwd. Het kapotgesneden shirt heeft hij daarbij op haar gezicht geduwd. Daarnaast heeft de verdachte zijn vinger zo hard in de vagina binnengebracht dat het slachtoffer hier pijn van ondervond.
Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met de angstaanjagende manier waarop het slachtoffer is verkracht. Door bij het slachtoffer haar studentenkamer naar binnen te klimmen en gelijk op haar te springen, heeft de verdachte het slachtoffer ‘overvallen’ in haar eigen woonruimte, waar zij volledig veilig moet zijn.
Ter terechtzitting bij het hof heeft de verdachte bekend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de verkrachting van het slachtoffer. Voordat de verdachte deze bekennende verklaring heeft afgelegd, heeft hij kort voor de inhoudelijke behandeling bij het hof een brief geschreven (gericht aan het slachtoffer) waarin hij zijn excuses aanbiedt voor datgene wat is gebeurd. De verdachte heeft hiermee na bijna 21 jaren openheid van zaken gegeven. Door al die tijd te zwijgen en in eerste aanleg in haar bijzijn nog stellig heeft ontkend, heeft de verdachte gedurende lange tijd leed toegebracht bij het slachtoffer. Het slachtoffer heeft zich zeer lange tijd moeten afvragen wie haar heeft verkracht waardoor zij zich lang onveilig heeft gevoeld. De verdachte heeft vaak de mogelijkheid gehad, bijvoorbeeld bij de politie, de rechtbank of het instellen van het hoger beroep, om die onzekerheid bij het slachtoffer weg te nemen. Door zo te lang te wachten met openheid van zaken te geven, heeft verdachte het slachtoffer de mogelijkheid ontnomen om in een veel eerder stadium deze verkrachting te kunnen verwerken. Aan de andere kant heeft de verdachte het recht om niet mee te werken aan zijn eigen veroordeling. De verdachte heeft zijn (excuus)brief in de gevangenis opgesteld na overleg met zijn herstelconsulent. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij veel met haar heeft gesproken over het opstellen van de brief. Uit die brief en hetgeen de verdachte in zijn laatste woord heeft verklaard, blijkt dat de verdachte vanaf dat moment pas oog heeft gekregen voor het leed dat hij het slachtoffer heeft aangedaan. Het hof ziet dit als een signaal van de verdachte dat hij nu enige verantwoordelijkheid neemt. Ondanks dat hij die verantwoordelijkheid in een laat stadium toont, neemt het hof dit in strafmatigende zin mee in de strafoplegging.
Verder speelt in deze zaak het feit dat het een cold case-zaak betreft een rol in de strafoplegging. Het tijdsverloop in het algemeen is geen omstandigheid om de op te leggen straf te matigen. Ook het vergeldingselement en het strafdoel preventie, in het bijzonder generale preventie, is nog onverkort aan de orde en voor het hof geen reden om de straf te matigen. Het feit dat de verkrachting in 2003 heeft plaatsgevonden, maakt het feit namelijk niet minder ernstig. Het hof heeft begrepen dat het slachtoffer er op eigen kracht bovenop is gekomen maar dat het slachtoffer zelf die veerkracht had en de gebeurtenis in de tussentijd een plek heeft kunnen geven, is niet van invloed op dit vergeldingselement.
Het hof heeft zich er daarentegen rekenschap van gegeven dat in 2003 in de regel iets lagere straffen werden opgelegd voor een verkrachting dan de straffen die vandaag de dag gebruikelijk zijn. Daarbij heeft het hof gekeken naar andere zaken waarbij een slachtoffer op een soortgelijke wijze is verkracht. Verder heeft het hof, evenals als de raadsvrouw, gekeken naar opgeloste cold case-zaken waarbij sprake was van een verkrachting.