Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-12-16
ECLI:NL:GHARL:2025:8202
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
12,125 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2025:8202 text/xml public 2026-01-30T14:28:41 2025-12-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2025-12-16 24/449 t/m 24/450 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8202 text/html public 2026-01-16T14:41:08 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2025:8202 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 16-12-2025 / 24/449 t/m 24/450 Bartels, clustergewijze afdoening, HAW I, poort B. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, omdat de heffingsambtenaar het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege een overschrijding van de bezwaartermijn. Het hof vernietigt de uitspraak voor zover deze gaat over de vergoeding van immateriële schade en nevenbeslissingen, toepassing ECLI:NL:GHARL:2025:3894. Van de mogelijkheid om feiten en omstandigheden aan te dragen tegen de ongegrondverklaring heeft de gemachtigde geen gebruik gemaakt. R GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers BK-ARN 24/449 en 24/450 uitspraakdatum: 16 december 2025 Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] . te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 25 januari 2024, nummers UTR 23/2071 en 23/2072, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Amersfoort (hierna: de heffingsambtenaar) en de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat) 1 Procesverloop 1.1. De heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) één of meerdere beschikkingen ten name van belanghebbende gegeven en/of één of meerdere belastingaanslagen opgelegd. 1.2. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard. 1.3. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 8 juli 2021 de daartegen ingestelde beroepen (met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht) ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank verzet gedaan. De Rechtbank heeft dit verzet bij uitspraak van 28 december 2021 gegrond verklaard en bepaald dat het onderzoek dient te worden hervat. Daarbij heeft de Rechtbank een proceskostenvergoeding toegekend. 1.5. Bij uitspraak van 25 januari 2024 heeft de Rechtbank de beroepen ongegrond verklaard. Zij heeft daarnaast een vergoeding voor immateriële schade vastgesteld van € 300,00. 1.6. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.7. Onderhavig hoger beroep ziet op één of meer zaken in een cluster van zaken (B) waarin de gemachtigde mr. D.A.N. Bartels MRE voor verschillende belanghebbenden optreedt, telkens met (onder meer) de heffingsambtenaar als wederpartij. Op 28 mei 2025 heeft het Hof op een regiezitting met partijen procesafspraken gemaakt voor de behandeling van de zaken die tot het cluster behoren. Van de regiezitting is een proces-verbaal opgesteld dat aan partijen is verzonden. 1.8. Partijen zijn overeenkomstig de procesafspraken in de gelegenheid gesteld nadere stukken in te dienen. 1.9. Het onderzoek ter zitting heeft via beeldverbinding plaatsgevonden op 30 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord de gemachtigde namens belanghebbende en namens de heffingsambtenaar [naam1] . Het proces-verbaal van de zitting is aan partijen toegezonden. 1.10. Het Hof heeft in de na de zitting door de gemachtigde ingediende berichten geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen. Het Hof motiveert deze beslissing hieronder. 2 Overwegingen Clustergewijze behandeling 2.1. Het onderhavige hoger beroep maakt onderdeel uit van een cluster van zaken. De reden voor clustering van de zaken is dat in deze zaken (nagenoeg) gelijkluidende geschilpunten spelen. Een individuele afdoeningswijze heeft dan geen meerwaarde en leidt bovendien tot vertraging in de afdoening, ook van andere bij het Hof aanhangige zaken. Dit cluster bestaat uit de aanhangige hoger beroepen die zijn ingesteld door de gemachtigde tegen uitspraken van de Rechtbank waarbij de heffingsambtenaren van de gemeenten Hilversum, Wijdemeren en Amersfoort het verwerend bestuursorgaan waren, en die bij het Hof zijn ingekomen vóór 7 mei 2025. Het cluster omvat – na intrekkingen – 147 zaaknummers, verdeeld over 58 aangevallen uitspraken ten name van 34 belanghebbenden. 2.2. Op de regiezitting van 28 mei 2025 heeft het Hof de behandelwijze en planning van de zaken van het cluster toegelicht. Die behandelwijze houdt in dat de zaken worden verdeeld in zaken (A) met een formeel probleem in de voorfase van het hoger beroep, zaken (B) met een formeel probleem in bezwaar en/of beroep en zaken (C) waarin in hoger beroep het materiële geschilpunt aan de orde is. Daaronder bevinden zich in enkele gevallen de zaken (D) waarin sprake is van incidenteel hoger beroep. In de zaken (B), (C) en (D) spelen daarnaast zaaksoverstijgende geschilpunten over de vergoeding voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht. Het Hof heeft overzichtsbestanden opgemaakt en aan partijen verstrekt. In deze overzichtsbestanden zijn opgenomen de voor de beoordeling van de zaken relevante zaaksgegevens. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld die overzichtsbestanden op juistheid te controleren. Het Hof heeft de gemachtigde in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de in die overzichtsbestanden vermelde formele problemen in de voorfase van het Hof wat betreft de zaken (A) en de formele problemen zoals die door de heffingsambtenaar en/of de Rechtbank zijn geconstateerd in de zaken (B). Het Hof heeft tot slot ter regiezitting als voorlopig oordeel gegeven dat in de zaken (C) de ingediende materiële hogerberoepsgronden te algemeen van aard zijn om te kunnen leiden tot een gegrondverklaring van het hoger beroep. Om die reden is de gemachtigde in de gelegenheid gesteld om de gronden inzake het materiële geschil per zaak dan wel per object voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling op een zitting in een (half) A4 puntsgewijs te concretiseren, waarbij feitelijke stellingen die in geschil zijn moeten worden voorzien van controleerbaar bewijs. De heffingsambtenaar heeft hierop voorafgaand aan de zitting schriftelijk kunnen reageren. 2.3. Het Hof heeft bij brief van 12 juni 2025 deze afspraken, inclusief de met partijen afgestemde termijnen en zittingsdata, bevestigd aan partijen en daarbij een lijst gezonden van de zaken waarop de afspraken betrekking hebben. Bij brief van 21 juli 2025 heeft het Hof overzichtsbestanden gestuurd en de gemachtigde in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de zaken (A) en (B). Partijen zijn in die brief ook in de gelegenheid gesteld hun zienswijze te geven op de uitspraak van het Hof van 24 juni 2025 over de beslissingen van de Rechtbank over de vergoeding voor immateriële schade en nevenbeslissingen in een vergelijkbaar cluster. Bij brief van 11 september 2025 heeft het Hof partijen een stand van zaken van de procesafspraken gezonden. Bij die brief zijn ook gevoegd de voorwaarden waaronder het Hof partijen toestaat in dit cluster gebruik te maken van e-mail. Bij brief van 3 oktober 2025 heeft het Hof partijen bevestigd dat het schriftelijk vooronderzoek is afgerond. Bij brief van 10 oktober 2025 heeft het Hof de concept-agenda voor de zitting aan partijen toegezonden, alsmede een rollijst. Procesdossier compleet? 2.4. Het Hof heeft partijen overzichtsbestanden verstrekt in de vorm van excelbestanden. Hierin zijn de relevante zaaksgegevens en de analyse van het Hof opgenomen over de redelijke termijn en de nevenbeslissingen op basis van de eerder door het Hof gegeven oordelen. Daarnaast heeft het Hof van de zaken (A) en (B) excelbestanden verstrekt en de gemachtigde in de gelegenheid gesteld te reageren op de daarin weergegeven geconstateerde verzuimen in hoger beroep, dan wel te reageren op de door de Rechtbank en/of de heffingsambtenaar geconstateerde verzuimen in beroep en/of bezwaar. 2.5.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2025:8202 text/xml public 2026-01-30T14:28:41 2025-12-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2025-12-16 24/449 t/m 24/450 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8202 text/html public 2026-01-16T14:41:08 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2025:8202 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 16-12-2025 / 24/449 t/m 24/450 Bartels, clustergewijze afdoening, HAW I, poort B. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, omdat de heffingsambtenaar het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege een overschrijding van de bezwaartermijn. Het hof vernietigt de uitspraak voor zover deze gaat over de vergoeding van immateriële schade en nevenbeslissingen, toepassing ECLI:NL:GHARL:2025:3894. Van de mogelijkheid om feiten en omstandigheden aan te dragen tegen de ongegrondverklaring heeft de gemachtigde geen gebruik gemaakt. R GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers BK-ARN 24/449 en 24/450 uitspraakdatum: 16 december 2025 Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] . te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 25 januari 2024, nummers UTR 23/2071 en 23/2072, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Amersfoort (hierna: de heffingsambtenaar) en de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat) 1 Procesverloop 1.1. De heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) één of meerdere beschikkingen ten name van belanghebbende gegeven en/of één of meerdere belastingaanslagen opgelegd. 1.2. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard. 1.3. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 8 juli 2021 de daartegen ingestelde beroepen (met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht) ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank verzet gedaan. De Rechtbank heeft dit verzet bij uitspraak van 28 december 2021 gegrond verklaard en bepaald dat het onderzoek dient te worden hervat. Daarbij heeft de Rechtbank een proceskostenvergoeding toegekend. 1.5. Bij uitspraak van 25 januari 2024 heeft de Rechtbank de beroepen ongegrond verklaard. Zij heeft daarnaast een vergoeding voor immateriële schade vastgesteld van € 300,00. 1.6. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.7. Onderhavig hoger beroep ziet op één of meer zaken in een cluster van zaken (B) waarin de gemachtigde mr. D.A.N. Bartels MRE voor verschillende belanghebbenden optreedt, telkens met (onder meer) de heffingsambtenaar als wederpartij. Op 28 mei 2025 heeft het Hof op een regiezitting met partijen procesafspraken gemaakt voor de behandeling van de zaken die tot het cluster behoren. Van de regiezitting is een proces-verbaal opgesteld dat aan partijen is verzonden. 1.8. Partijen zijn overeenkomstig de procesafspraken in de gelegenheid gesteld nadere stukken in te dienen. 1.9. Het onderzoek ter zitting heeft via beeldverbinding plaatsgevonden op 30 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord de gemachtigde namens belanghebbende en namens de heffingsambtenaar [naam1] . Het proces-verbaal van de zitting is aan partijen toegezonden. 1.10. Het Hof heeft in de na de zitting door de gemachtigde ingediende berichten geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen. Het Hof motiveert deze beslissing hieronder. 2 Overwegingen Clustergewijze behandeling 2.1. Het onderhavige hoger beroep maakt onderdeel uit van een cluster van zaken. De reden voor clustering van de zaken is dat in deze zaken (nagenoeg) gelijkluidende geschilpunten spelen. Een individuele afdoeningswijze heeft dan geen meerwaarde en leidt bovendien tot vertraging in de afdoening, ook van andere bij het Hof aanhangige zaken. Dit cluster bestaat uit de aanhangige hoger beroepen die zijn ingesteld door de gemachtigde tegen uitspraken van de Rechtbank waarbij de heffingsambtenaren van de gemeenten Hilversum, Wijdemeren en Amersfoort het verwerend bestuursorgaan waren, en die bij het Hof zijn ingekomen vóór 7 mei 2025. Het cluster omvat – na intrekkingen – 147 zaaknummers, verdeeld over 58 aangevallen uitspraken ten name van 34 belanghebbenden. 2.2. Op de regiezitting van 28 mei 2025 heeft het Hof de behandelwijze en planning van de zaken van het cluster toegelicht. Die behandelwijze houdt in dat de zaken worden verdeeld in zaken (A) met een formeel probleem in de voorfase van het hoger beroep, zaken (B) met een formeel probleem in bezwaar en/of beroep en zaken (C) waarin in hoger beroep het materiële geschilpunt aan de orde is. Daaronder bevinden zich in enkele gevallen de zaken (D) waarin sprake is van incidenteel hoger beroep. In de zaken (B), (C) en (D) spelen daarnaast zaaksoverstijgende geschilpunten over de vergoeding voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht. Het Hof heeft overzichtsbestanden opgemaakt en aan partijen verstrekt. In deze overzichtsbestanden zijn opgenomen de voor de beoordeling van de zaken relevante zaaksgegevens. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld die overzichtsbestanden op juistheid te controleren. Het Hof heeft de gemachtigde in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de in die overzichtsbestanden vermelde formele problemen in de voorfase van het Hof wat betreft de zaken (A) en de formele problemen zoals die door de heffingsambtenaar en/of de Rechtbank zijn geconstateerd in de zaken (B). Het Hof heeft tot slot ter regiezitting als voorlopig oordeel gegeven dat in de zaken (C) de ingediende materiële hogerberoepsgronden te algemeen van aard zijn om te kunnen leiden tot een gegrondverklaring van het hoger beroep. Om die reden is de gemachtigde in de gelegenheid gesteld om de gronden inzake het materiële geschil per zaak dan wel per object voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling op een zitting in een (half) A4 puntsgewijs te concretiseren, waarbij feitelijke stellingen die in geschil zijn moeten worden voorzien van controleerbaar bewijs. De heffingsambtenaar heeft hierop voorafgaand aan de zitting schriftelijk kunnen reageren. 2.3. Het Hof heeft bij brief van 12 juni 2025 deze afspraken, inclusief de met partijen afgestemde termijnen en zittingsdata, bevestigd aan partijen en daarbij een lijst gezonden van de zaken waarop de afspraken betrekking hebben. Bij brief van 21 juli 2025 heeft het Hof overzichtsbestanden gestuurd en de gemachtigde in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de zaken (A) en (B). Partijen zijn in die brief ook in de gelegenheid gesteld hun zienswijze te geven op de uitspraak van het Hof van 24 juni 2025 over de beslissingen van de Rechtbank over de vergoeding voor immateriële schade en nevenbeslissingen in een vergelijkbaar cluster. Bij brief van 11 september 2025 heeft het Hof partijen een stand van zaken van de procesafspraken gezonden. Bij die brief zijn ook gevoegd de voorwaarden waaronder het Hof partijen toestaat in dit cluster gebruik te maken van e-mail. Bij brief van 3 oktober 2025 heeft het Hof partijen bevestigd dat het schriftelijk vooronderzoek is afgerond. Bij brief van 10 oktober 2025 heeft het Hof de concept-agenda voor de zitting aan partijen toegezonden, alsmede een rollijst. Procesdossier compleet? 2.4. Het Hof heeft partijen overzichtsbestanden verstrekt in de vorm van excelbestanden. Hierin zijn de relevante zaaksgegevens en de analyse van het Hof opgenomen over de redelijke termijn en de nevenbeslissingen op basis van de eerder door het Hof gegeven oordelen. Daarnaast heeft het Hof van de zaken (A) en (B) excelbestanden verstrekt en de gemachtigde in de gelegenheid gesteld te reageren op de daarin weergegeven geconstateerde verzuimen in hoger beroep, dan wel te reageren op de door de Rechtbank en/of de heffingsambtenaar geconstateerde verzuimen in beroep en/of bezwaar. 2.5.
Volledig
De gemachtigde heeft bij berichten van 12 juni 2025, 9 augustus 2025 en 2 september 2025 het Hof verzocht om uitgeprinte versies van die excelbestanden. Volgens de gemachtigde was hij niet in staat de excelbestanden te lezen, te vergroten of uit te printen. 2.6. Het Hof heeft bij bericht van 11 september 2025 herhaald dat stukken niet op papier worden toegezonden, gelet op de afspraken die zijn gemaakt voor elektronische verzending van stukken. Daarnaast heeft het Hof aangegeven dat van een professionele rechtsbijstandverlener mag worden verwacht dat hij beschikt over gangbare software, waarmee excelbestanden kunnen worden gelezen. De gemachtigde heeft in geen van zijn berichten aangegeven wat de reden is dat hij de excelbestanden niet kan lezen en op welke manier hij al heeft geprobeerd het probleem op te lossen. Bij controle is het Hof niet gebleken dat de bestanden zijn beschadigd en ook de wederpartij heeft daar niet over geklaagd. Het Hof gaat er daarom vanuit dat er geen sprake is van een technische storing of een andere oorzaak die ligt binnen de invloedssfeer van het Hof. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, moet de conclusie zijn dat het niet goed kunnen lezen van de excelbestanden een oorzaak heeft die uitsluitend is gelegen in de invloedssfeer van de gemachtigde. Niet gebleken is dat de gemachtigde het probleem niet op eenvoudige wijze heeft kunnen oplossen. Naar het oordeel van het Hof bestaat dan ook geen aanleiding om te betwijfelen dat de gemachtigde in staat is geweest kennis te nemen van de inhoud van de excelbestanden. Correcte uitnodiging voor de zitting? 2.7. Gemachtigde heeft vóór en tijdens de zitting gesteld dat hij niet overeenkomstig de desbetreffende voorschriften van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is uitgenodigd voor de zitting. 2.8. Het Hof heeft in overleg met partijen ter regiezitting twee zittingsdata met partijen afgestemd en heeft deze data, alsmede de samenstelling van de zetel, bevestigd in de brief van 12 juni 2025. De op die zittingen te behandelen zaken zijn daarbij, onder vermelding van alle relevante zaaksgegevens, in de vorm van excelbestanden met partijen gedeeld. In de brief van 11 september 2025 is de zitting nogmaals bevestigd, onder vermelding van plaats en tijd (artikel 8:56 van de Awb). Deze brief is, gelet op de met partijen gemaakte afspraken daarover, per e-mail aan de gemachtigde verzonden, waarmee is voldaan aan artikel 8:37, eerste lid, ad finem, van de Awb. Tot slot mag uit de verschillende berichten over de zitting voorafgaand aan de zitting alsmede uit het verschijnen ter zitting – die op verzoek van gemachtigde via beeldverbinding heeft plaatsgehad – worden afgeleid dat de uitnodiging de gemachtigde daadwerkelijk en tijdig heeft bereikt. Belanghebbende is dan ook op regelmatige wijze uitgenodigd. Aanhouden onderzoek vanwege versnipperde dossiers? 2.9. In het bericht van de gemachtigde van 23 oktober 2025 stelt hij dat zijn schoonmaker abusievelijk een grote hoeveelheid dossiers heeft weggegooid van zaken die geagendeerd stonden voor de zitting van 30 oktober 2025. De gemachtigde heeft verzocht om een kopie van die dossiers van het Hof, inclusief de rechtbankdossiers. Het Hof begrijpt de opmerkingen dienaangaande als een verzoek om het onderzoek in deze zaken aan te houden, totdat het Hof kopieën heeft verstrekt. Het Hof wijst dit verzoek af. Van een professioneel rechtsbijstandverlener mag worden verwacht dat hij zijn dossiers zorgvuldig bewaart en bijhoudt. Daarvan is in dit geval kennelijk geen sprake geweest en het beweerdelijke teloorgaan van de dossiers zo kort voor de zitting valt dan ook binnen de risicosfeer van de gemachtigde. Dat heeft de gemachtigde ter zitting ook erkend. Omdat in de dossiers van dit cluster de communicatie elektronisch is geschied en in de door het Hof verstrekte excelbestanden alle relevante gegevens van de zaak en de procedure zijn vermeld is ook niet aannemelijk dat de gemachtigde is gehinderd in zijn werkzaamheden. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat het vooronderzoek van dit cluster op 3 oktober 2025 is afgerond. Ter zitting is voorts niet gesteld of gebleken dat de gemachtigde is gehinderd in zijn werkzaamheden; de gemachtigde heeft telkens op vragen van het Hof kunnen reageren. Heropening onderzoek ter zitting vanwege storing in de beeldverbinding? 2.10. Op verzoek van de gemachtigde heeft de zitting via beeldverbinding plaatsgevonden. Gemachtigde heeft direct na het sluiten van het onderzoek ter zitting per gewone post een brief aan het Hof gezonden waarin hij stelt dat tijdens de zitting sprake was van één of meer storingen aan de kant van het Hof waardoor de digitale verbinding van uitermate slechte kwaliteit was. Volgens gemachtigde heeft hij daardoor herhaaldelijk hele stukken van de discussie niet kunnen horen en tal van aan hem gestelde vragen in het geheel niet gehoord. 2.11. Het Hof heeft hierin geen aanleiding gezien om het onderzoek ter zitting te heropenen. Aan het begin van de zitting is bij partijen gecontroleerd of de beeldverbinding goed werkte, hetgeen het geval was. Tijdens de zitting bleef het beeld van de gemachtigde enkele keren stilstaan en op die momenten viel ook het geluid weg, maar dat duurde in alle gevallen slechts kort, waarna het geluid versneld werd afgespeeld, totdat het beeld weer "bij" was met het geluid. Hierdoor is de gemachtigde steeds aaneengesloten hoorbaar geweest zonder dat delen van hetgeen is gezegd zijn weggevallen. Op geen van de momenten dat het Hof of de heffingsambtenaar aan het woord was, is opgevallen dat het beeld van de gemachtigde stil stond. De gemachtigde heeft tijdens de zitting weliswaar een aantal keer aangegeven dat hij een vraag niet had gehoord, maar heeft daarbij niet aangegeven dat dat het gevolg was van een technische storing. Ook de heffingsambtenaar heeft geen enkele keer, ook niet op de momenten waarop de gemachtigde zei dat hij de vraag niet had gehoord, aangegeven dat er sprake was van een storing in de verbinding aan de kant van het Hof waardoor het geluid niet hoorbaar was. Gelet hierop, is het Hof van oordeel dat geen sprake is geweest van zodanig technische storingen dat de zitting niet goed is verlopen. Wanneer de gemachtigde aangaf een vraag niet te hebben gehoord, of wanneer dat duidelijk werd omdat de gemachtigde geen antwoord gaf op een vraag, heeft het Hof de vraag (zo nodig enkele malen) herhaald tot de gemachtigde deze had gehoord en vervolgens had gereageerd. Beoordeling van het geschil over de ontvankelijkheid van het bezwaar en/of beroep 2.12. In geschil is of het oordeel van de Rechtbank over de ontvankelijkheid van het bezwaar en/of beroep juist is. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar op 28 maart 2023 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet binnen de bezwaartermijn is ingediend. De Rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. 2.13. Het Hof heeft de gemachtigde bij brief van 21 juli 2025 in de gelegenheid gesteld aan te geven op grond van welke feiten en omstandigheden het beroep ten onrechte ongegrond is verklaard. De gemachtigde is daar niet inhoudelijk op ingegaan. Het Hof stelt vast dat geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat het oordeel van de Rechtbank onjuist is en dat dat ook overigens niet is gebleken. Het hoger beroep is in zoverre ongegrond. Beoordeling van het geschil over de vergoeding van immateriële schade en/of nevenbeslissingen in beroep 2.14. Belanghebbende stelt dat de Rechtbank wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg (de bezwaar- en beroepsfase tezamen) (hogere) vergoedingen voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht had moeten toekennen. 2.15. Meer in het bijzonder is daarbij in geschil of de Rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat als gevolg van zijn algemene procesgedrag in alle zaken waarin de gemachtigde optreedt de redelijke termijn generiek dient te worden verlengd van twee naar drie jaar, zoals de heffingsambtenaar stelt.
Volledig
De gemachtigde heeft bij berichten van 12 juni 2025, 9 augustus 2025 en 2 september 2025 het Hof verzocht om uitgeprinte versies van die excelbestanden. Volgens de gemachtigde was hij niet in staat de excelbestanden te lezen, te vergroten of uit te printen. 2.6. Het Hof heeft bij bericht van 11 september 2025 herhaald dat stukken niet op papier worden toegezonden, gelet op de afspraken die zijn gemaakt voor elektronische verzending van stukken. Daarnaast heeft het Hof aangegeven dat van een professionele rechtsbijstandverlener mag worden verwacht dat hij beschikt over gangbare software, waarmee excelbestanden kunnen worden gelezen. De gemachtigde heeft in geen van zijn berichten aangegeven wat de reden is dat hij de excelbestanden niet kan lezen en op welke manier hij al heeft geprobeerd het probleem op te lossen. Bij controle is het Hof niet gebleken dat de bestanden zijn beschadigd en ook de wederpartij heeft daar niet over geklaagd. Het Hof gaat er daarom vanuit dat er geen sprake is van een technische storing of een andere oorzaak die ligt binnen de invloedssfeer van het Hof. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, moet de conclusie zijn dat het niet goed kunnen lezen van de excelbestanden een oorzaak heeft die uitsluitend is gelegen in de invloedssfeer van de gemachtigde. Niet gebleken is dat de gemachtigde het probleem niet op eenvoudige wijze heeft kunnen oplossen. Naar het oordeel van het Hof bestaat dan ook geen aanleiding om te betwijfelen dat de gemachtigde in staat is geweest kennis te nemen van de inhoud van de excelbestanden. Correcte uitnodiging voor de zitting? 2.7. Gemachtigde heeft vóór en tijdens de zitting gesteld dat hij niet overeenkomstig de desbetreffende voorschriften van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is uitgenodigd voor de zitting. 2.8. Het Hof heeft in overleg met partijen ter regiezitting twee zittingsdata met partijen afgestemd en heeft deze data, alsmede de samenstelling van de zetel, bevestigd in de brief van 12 juni 2025. De op die zittingen te behandelen zaken zijn daarbij, onder vermelding van alle relevante zaaksgegevens, in de vorm van excelbestanden met partijen gedeeld. In de brief van 11 september 2025 is de zitting nogmaals bevestigd, onder vermelding van plaats en tijd (artikel 8:56 van de Awb). Deze brief is, gelet op de met partijen gemaakte afspraken daarover, per e-mail aan de gemachtigde verzonden, waarmee is voldaan aan artikel 8:37, eerste lid, ad finem, van de Awb. Tot slot mag uit de verschillende berichten over de zitting voorafgaand aan de zitting alsmede uit het verschijnen ter zitting – die op verzoek van gemachtigde via beeldverbinding heeft plaatsgehad – worden afgeleid dat de uitnodiging de gemachtigde daadwerkelijk en tijdig heeft bereikt. Belanghebbende is dan ook op regelmatige wijze uitgenodigd. Aanhouden onderzoek vanwege versnipperde dossiers? 2.9. In het bericht van de gemachtigde van 23 oktober 2025 stelt hij dat zijn schoonmaker abusievelijk een grote hoeveelheid dossiers heeft weggegooid van zaken die geagendeerd stonden voor de zitting van 30 oktober 2025. De gemachtigde heeft verzocht om een kopie van die dossiers van het Hof, inclusief de rechtbankdossiers. Het Hof begrijpt de opmerkingen dienaangaande als een verzoek om het onderzoek in deze zaken aan te houden, totdat het Hof kopieën heeft verstrekt. Het Hof wijst dit verzoek af. Van een professioneel rechtsbijstandverlener mag worden verwacht dat hij zijn dossiers zorgvuldig bewaart en bijhoudt. Daarvan is in dit geval kennelijk geen sprake geweest en het beweerdelijke teloorgaan van de dossiers zo kort voor de zitting valt dan ook binnen de risicosfeer van de gemachtigde. Dat heeft de gemachtigde ter zitting ook erkend. Omdat in de dossiers van dit cluster de communicatie elektronisch is geschied en in de door het Hof verstrekte excelbestanden alle relevante gegevens van de zaak en de procedure zijn vermeld is ook niet aannemelijk dat de gemachtigde is gehinderd in zijn werkzaamheden. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat het vooronderzoek van dit cluster op 3 oktober 2025 is afgerond. Ter zitting is voorts niet gesteld of gebleken dat de gemachtigde is gehinderd in zijn werkzaamheden; de gemachtigde heeft telkens op vragen van het Hof kunnen reageren. Heropening onderzoek ter zitting vanwege storing in de beeldverbinding? 2.10. Op verzoek van de gemachtigde heeft de zitting via beeldverbinding plaatsgevonden. Gemachtigde heeft direct na het sluiten van het onderzoek ter zitting per gewone post een brief aan het Hof gezonden waarin hij stelt dat tijdens de zitting sprake was van één of meer storingen aan de kant van het Hof waardoor de digitale verbinding van uitermate slechte kwaliteit was. Volgens gemachtigde heeft hij daardoor herhaaldelijk hele stukken van de discussie niet kunnen horen en tal van aan hem gestelde vragen in het geheel niet gehoord. 2.11. Het Hof heeft hierin geen aanleiding gezien om het onderzoek ter zitting te heropenen. Aan het begin van de zitting is bij partijen gecontroleerd of de beeldverbinding goed werkte, hetgeen het geval was. Tijdens de zitting bleef het beeld van de gemachtigde enkele keren stilstaan en op die momenten viel ook het geluid weg, maar dat duurde in alle gevallen slechts kort, waarna het geluid versneld werd afgespeeld, totdat het beeld weer "bij" was met het geluid. Hierdoor is de gemachtigde steeds aaneengesloten hoorbaar geweest zonder dat delen van hetgeen is gezegd zijn weggevallen. Op geen van de momenten dat het Hof of de heffingsambtenaar aan het woord was, is opgevallen dat het beeld van de gemachtigde stil stond. De gemachtigde heeft tijdens de zitting weliswaar een aantal keer aangegeven dat hij een vraag niet had gehoord, maar heeft daarbij niet aangegeven dat dat het gevolg was van een technische storing. Ook de heffingsambtenaar heeft geen enkele keer, ook niet op de momenten waarop de gemachtigde zei dat hij de vraag niet had gehoord, aangegeven dat er sprake was van een storing in de verbinding aan de kant van het Hof waardoor het geluid niet hoorbaar was. Gelet hierop, is het Hof van oordeel dat geen sprake is geweest van zodanig technische storingen dat de zitting niet goed is verlopen. Wanneer de gemachtigde aangaf een vraag niet te hebben gehoord, of wanneer dat duidelijk werd omdat de gemachtigde geen antwoord gaf op een vraag, heeft het Hof de vraag (zo nodig enkele malen) herhaald tot de gemachtigde deze had gehoord en vervolgens had gereageerd. Beoordeling van het geschil over de ontvankelijkheid van het bezwaar en/of beroep 2.12. In geschil is of het oordeel van de Rechtbank over de ontvankelijkheid van het bezwaar en/of beroep juist is. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar op 28 maart 2023 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet binnen de bezwaartermijn is ingediend. De Rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. 2.13. Het Hof heeft de gemachtigde bij brief van 21 juli 2025 in de gelegenheid gesteld aan te geven op grond van welke feiten en omstandigheden het beroep ten onrechte ongegrond is verklaard. De gemachtigde is daar niet inhoudelijk op ingegaan. Het Hof stelt vast dat geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat het oordeel van de Rechtbank onjuist is en dat dat ook overigens niet is gebleken. Het hoger beroep is in zoverre ongegrond. Beoordeling van het geschil over de vergoeding van immateriële schade en/of nevenbeslissingen in beroep 2.14. Belanghebbende stelt dat de Rechtbank wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg (de bezwaar- en beroepsfase tezamen) (hogere) vergoedingen voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht had moeten toekennen. 2.15. Meer in het bijzonder is daarbij in geschil of de Rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat als gevolg van zijn algemene procesgedrag in alle zaken waarin de gemachtigde optreedt de redelijke termijn generiek dient te worden verlengd van twee naar drie jaar, zoals de heffingsambtenaar stelt.
Volledig
Subsidiair stelt de heffingsambtenaar dat het algemene procesgedrag ook in individuele procedures heeft geleid tot aan de belanghebbende toe te rekenen vertraging, maar dat hij niet beschikt over alle stukken, waardoor hij zijn stelling niet kan onderbouwen. Dat ligt in deze procedure daarom op de weg van het Hof. Volgens de heffingsambtenaar moet het hoger beroep daarom ongegrond worden verklaard. 2.16. Het Hof verklaart het hoger beroep met betrekking tot de beslissing over de vergoeding van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn gegrond. Voor de motivering van dit oordeel verwijst het Hof naar de uitspraak van 24 juni 2025 De hiertegen door de heffingsambtenaar aangevoerde stellingen komen in de kern grotendeels overeen met die welke het Hof in die uitspraak heeft beoordeeld. Het Hof ziet geen aanleiding om in de individuele zaken alsnog het procesdossier van de Rechtbank te onderzoeken om te beoordelen of daarin feiten en omstandigheden kunnen worden gevonden die aanleiding geven de redelijke termijn in een individuele zaak te verlengen. De Rechtbank heeft daar zelf geen aanleiding voor gezien en de heffingsambtenaar heeft niet concreet aangegeven op grond waarvan het vermoeden is gerechtvaardigd dat zich dergelijke feiten en omstandigheden hebben voorgedaan. Het Hof heeft in deze procedure vastgesteld dat in eerste aanleg de redelijke termijn van twee jaar is overschreden. 2.17. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat deze procedure betrekking heeft op WOZ-beschikkingen en/of belastingaanslagen die zien op het belastingjaar 2019. De daartegen gerichte bezwaarschriften zijn door de heffingsambtenaar ontvangen op 12 april 2019 en op 20 december 2019 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De daartegen ingestelde beroepen zijn, na verzet, gegrond verklaard en de Rechtbank heeft de heffingsambtenaar opgedragen opnieuw op de bezwaren te beslissen. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren opnieuw niet-ontvankelijk verklaard op 28 maart 2023. De redelijke termijn in eerste aanleg is in dit geval aangevangen met de ontvangst van het bezwaar op 12 april 2019 en geëindigd met de uitspraak van de Rechtbank van 25 januari 2024. 2.18. Wat de hoogte van de vergoeding van de proceskosten in beroep betreft, is het Hof van oordeel dat, in het geval het beroep ongegrond wordt verklaard en een vergoeding voor immateriële schade moet worden toegekend, de procesvergoeding moet worden vastgesteld op basis van één punt voor het verzoekschrift, tegen een factor 0,25 wegens het gewicht van de zaak. 2.19. Wat de vergoeding van het griffierecht betreft in het geval het beroep ongegrond wordt verklaard en een vergoeding voor immateriële schade moet worden toegekend, moet geen griffierecht worden vergoed, tenzij in dat geval op 31 mei 2024 reeds een verzoek om vergoeding van immateriële schade was gedaan en de redelijke termijn van berechting al was overschreden. 2.20. Deze oordelen leiden in dit hoger beroep tot de volgende conclusies over de vergoeding van immateriële schade, de proceskostenvergoeding en de vergoeding van het griffierecht in beroep (waarbij het Hof rekening houdt met een eventuele verdeling tussen de heffingsambtenaar en de Staat): Datum ontvangst bezwaar Datum uitspraak op bezwaar Datum uitspraak Rechtbank 12 april 2019 20 december 2019 29 december 2021 30 december 2021 28 maart 2023 25 januari 2024 Totaal Heffingsambtenaar Staat Overschrijding redelijke termijn 34 maanden 17 maanden 17 maanden Vergoeding immateriële schade € 3.000,00 € 1.500,00 € 1.500,00 Proceskostenvergoeding € 226,75 € 113,37 € 113,38 Griffierecht € 365,00 € 182,50 € 182,50 De Rechtbank heeft ten onrechte geen vergoedingen voor proceskosten en griffierecht toegekend. Redelijke termijn in hoger beroep 2.21. Belanghebbende heeft ook voor de hogerberoepsfase verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Het hogerberoepschrift is op 14 februari 2024 door het Hof ontvangen en het Hof doet heden uitspraak, zodat er geen sprake is van een overschrijding van de voor de hogerberoepsfase geldende redelijke termijn van twee jaar. Het Hof wijst belanghebbendes verzoek af. Griffierecht en proceskosten in hoger beroep 2.22. Omdat het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 559,00 aan belanghebbende te worden vergoed. 2.23. Het Hof ziet in de clustergewijze afdoening van de zaken aanleiding om voor de hoogte van de proceskostenvergoeding toepassing te geven aan artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De clustergewijze afdoening is een bijzondere omstandigheid omdat daarmee de in een zeer groot aantal zaken gelijkluidende geschilpunten in één keer zijn behandeld. Deze zaken kenmerken zich door het sterk repetitieve karakter van de proceshandelingen die inhoudelijk nagenoeg gelijkluidend zijn. Als gevolg hiervan gaat een groot aantal hoger beroepen gegrond. Indien in al die gevallen een forfaitaire proceskostenvergoeding zou worden toegekend, zou die vergoeding ver uitstijgen boven de daadwerkelijk gemaakte kosten waardoor afbreuk zou worden gedaan aan het karakter van de proceskostenvergoeding van het Bpb dat als een tegemoetkoming in de kosten is bedoeld. Het Hof stelt de proceskostenvergoeding in hoger beroep vast op € 100. 2.24. De voor het hoger beroep te vergoeden proceskosten en griffierecht komen voor rekening van de heffingsambtenaar. 3 Beslissing Het Hof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de (ontbrekende) beslissingen omtrent de vergoeding voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht, bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige, veroordeelt de heffingsambtenaar respectievelijk de Staat tot vergoeding van de in de onderstaande tabel weergegeven bedragen, wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade in hoger beroep af, en bepaalt dat wettelijke rente is verschuldigd door de heffingsambtenaar respectievelijk de Staat vanaf vier weken na openbaarmaking van de uitspraak van het Hof tot aan de dag van algehele voldoening. Vergoeding Totaal Heffingsambtenaar Staat Immateriële schade € 3.000,00 € 1.500,00 € 1.500,00 Proceskosten beroep € 226,75 € 113,37 € 113,38 Proceskosten hoger beroep € 100,00 € 50,00 € 50,00 Griffierecht beroep € 365,00 € 182,50 € 182,50 Griffierecht hoger beroep € 559,00 € 279,50 € 279,50 Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr. J.W. Keuning en mr. V.F.R. Woeltjes, in tegenwoordigheid van mr. J. Hollander als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025. De griffier, De voorzitter, (J. Hollander) (J.M.W. van de Sande) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie.
Volledig
Subsidiair stelt de heffingsambtenaar dat het algemene procesgedrag ook in individuele procedures heeft geleid tot aan de belanghebbende toe te rekenen vertraging, maar dat hij niet beschikt over alle stukken, waardoor hij zijn stelling niet kan onderbouwen. Dat ligt in deze procedure daarom op de weg van het Hof. Volgens de heffingsambtenaar moet het hoger beroep daarom ongegrond worden verklaard. 2.16. Het Hof verklaart het hoger beroep met betrekking tot de beslissing over de vergoeding van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn gegrond. Voor de motivering van dit oordeel verwijst het Hof naar de uitspraak van 24 juni 2025 De hiertegen door de heffingsambtenaar aangevoerde stellingen komen in de kern grotendeels overeen met die welke het Hof in die uitspraak heeft beoordeeld. Het Hof ziet geen aanleiding om in de individuele zaken alsnog het procesdossier van de Rechtbank te onderzoeken om te beoordelen of daarin feiten en omstandigheden kunnen worden gevonden die aanleiding geven de redelijke termijn in een individuele zaak te verlengen. De Rechtbank heeft daar zelf geen aanleiding voor gezien en de heffingsambtenaar heeft niet concreet aangegeven op grond waarvan het vermoeden is gerechtvaardigd dat zich dergelijke feiten en omstandigheden hebben voorgedaan. Het Hof heeft in deze procedure vastgesteld dat in eerste aanleg de redelijke termijn van twee jaar is overschreden. 2.17. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat deze procedure betrekking heeft op WOZ-beschikkingen en/of belastingaanslagen die zien op het belastingjaar 2019. De daartegen gerichte bezwaarschriften zijn door de heffingsambtenaar ontvangen op 12 april 2019 en op 20 december 2019 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De daartegen ingestelde beroepen zijn, na verzet, gegrond verklaard en de Rechtbank heeft de heffingsambtenaar opgedragen opnieuw op de bezwaren te beslissen. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren opnieuw niet-ontvankelijk verklaard op 28 maart 2023. De redelijke termijn in eerste aanleg is in dit geval aangevangen met de ontvangst van het bezwaar op 12 april 2019 en geëindigd met de uitspraak van de Rechtbank van 25 januari 2024. 2.18. Wat de hoogte van de vergoeding van de proceskosten in beroep betreft, is het Hof van oordeel dat, in het geval het beroep ongegrond wordt verklaard en een vergoeding voor immateriële schade moet worden toegekend, de procesvergoeding moet worden vastgesteld op basis van één punt voor het verzoekschrift, tegen een factor 0,25 wegens het gewicht van de zaak. 2.19. Wat de vergoeding van het griffierecht betreft in het geval het beroep ongegrond wordt verklaard en een vergoeding voor immateriële schade moet worden toegekend, moet geen griffierecht worden vergoed, tenzij in dat geval op 31 mei 2024 reeds een verzoek om vergoeding van immateriële schade was gedaan en de redelijke termijn van berechting al was overschreden. 2.20. Deze oordelen leiden in dit hoger beroep tot de volgende conclusies over de vergoeding van immateriële schade, de proceskostenvergoeding en de vergoeding van het griffierecht in beroep (waarbij het Hof rekening houdt met een eventuele verdeling tussen de heffingsambtenaar en de Staat): Datum ontvangst bezwaar Datum uitspraak op bezwaar Datum uitspraak Rechtbank 12 april 2019 20 december 2019 29 december 2021 30 december 2021 28 maart 2023 25 januari 2024 Totaal Heffingsambtenaar Staat Overschrijding redelijke termijn 34 maanden 17 maanden 17 maanden Vergoeding immateriële schade € 3.000,00 € 1.500,00 € 1.500,00 Proceskostenvergoeding € 226,75 € 113,37 € 113,38 Griffierecht € 365,00 € 182,50 € 182,50 De Rechtbank heeft ten onrechte geen vergoedingen voor proceskosten en griffierecht toegekend. Redelijke termijn in hoger beroep 2.21. Belanghebbende heeft ook voor de hogerberoepsfase verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Het hogerberoepschrift is op 14 februari 2024 door het Hof ontvangen en het Hof doet heden uitspraak, zodat er geen sprake is van een overschrijding van de voor de hogerberoepsfase geldende redelijke termijn van twee jaar. Het Hof wijst belanghebbendes verzoek af. Griffierecht en proceskosten in hoger beroep 2.22. Omdat het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 559,00 aan belanghebbende te worden vergoed. 2.23. Het Hof ziet in de clustergewijze afdoening van de zaken aanleiding om voor de hoogte van de proceskostenvergoeding toepassing te geven aan artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De clustergewijze afdoening is een bijzondere omstandigheid omdat daarmee de in een zeer groot aantal zaken gelijkluidende geschilpunten in één keer zijn behandeld. Deze zaken kenmerken zich door het sterk repetitieve karakter van de proceshandelingen die inhoudelijk nagenoeg gelijkluidend zijn. Als gevolg hiervan gaat een groot aantal hoger beroepen gegrond. Indien in al die gevallen een forfaitaire proceskostenvergoeding zou worden toegekend, zou die vergoeding ver uitstijgen boven de daadwerkelijk gemaakte kosten waardoor afbreuk zou worden gedaan aan het karakter van de proceskostenvergoeding van het Bpb dat als een tegemoetkoming in de kosten is bedoeld. Het Hof stelt de proceskostenvergoeding in hoger beroep vast op € 100. 2.24. De voor het hoger beroep te vergoeden proceskosten en griffierecht komen voor rekening van de heffingsambtenaar. 3 Beslissing Het Hof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de (ontbrekende) beslissingen omtrent de vergoeding voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht, bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige, veroordeelt de heffingsambtenaar respectievelijk de Staat tot vergoeding van de in de onderstaande tabel weergegeven bedragen, wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade in hoger beroep af, en bepaalt dat wettelijke rente is verschuldigd door de heffingsambtenaar respectievelijk de Staat vanaf vier weken na openbaarmaking van de uitspraak van het Hof tot aan de dag van algehele voldoening. Vergoeding Totaal Heffingsambtenaar Staat Immateriële schade € 3.000,00 € 1.500,00 € 1.500,00 Proceskosten beroep € 226,75 € 113,37 € 113,38 Proceskosten hoger beroep € 100,00 € 50,00 € 50,00 Griffierecht beroep € 365,00 € 182,50 € 182,50 Griffierecht hoger beroep € 559,00 € 279,50 € 279,50 Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr. J.W. Keuning en mr. V.F.R. Woeltjes, in tegenwoordigheid van mr. J. Hollander als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025. De griffier, De voorzitter, (J. Hollander) (J.M.W. van de Sande) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b.