Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-12-16
ECLI:NL:GHARL:2025:8266
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
8,115 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2025:8266 text/xml public 2026-01-30T14:01:11 2025-12-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2025-12-16 24/1300 t/m 24/1303 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8266 text/html public 2026-01-16T14:55:45 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2025:8266 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 16-12-2025 / 24/1300 t/m 24/1303 Bartels, clustergewijze afdoening, BghU I, poort B. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat niet binnen de gestelde termijn een geldige machtiging is overgelegd. Het Hof oordeelt dat de rechter vanwege een efficiënte rechtspleging in staat gesteld moet worden om binnen een redelijke termijn te controleren of een geldige machtiging aanwezig is. Verwijzing naar een in bezwaar overgelegde machtiging of het aanleveren daarvan (ver) buiten door de rechtbank gestelde termijnen is onvoldoende. Geen vergoeding van immateriële schade in beroep omdat er niet vanuit kan worden gegaan dat het verzoek namens belanghebbende is gedaan. Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer(s) BK-ARN 24/1300 t/m 24/1303 uitspraakdatum: 16 december 2025 Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (België) (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 10 mei 2024, nummer(s) UTR 22/3783 t/m 22/3786 in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) een of meer beschikking(en) ten name van belanghebbende vastgesteld en/of aanslagen gemeentelijke heffingen bekendgemaakt. 1.2. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraken op bezwaar beslist op de daartegen gemaakte bezwaren. 1.3. De Rechtbank heeft de daartegen ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. Bij brief van 19 september 2024 heeft het Hof partijen uitgenodigd om deel te nemen aan een comparitiezitting. In deze brief is aangekondigd dat het Hof voornemens is om een groot aantal zaken waarbij de gemachtigde, namens meerdere belanghebbenden, en de heffingsambtenaar betrokken zijn, waaronder de onderhavige zaken, clustergewijs te behandelen. 1.6. Op 8 november 2024 heeft een comparitiezitting plaatsgevonden. Namens belanghebbende is gemachtigde, mr. D.A.N. Bartels, verschenen en namens de heffingsambtenaar is verschenen mr. [naam1] , bijgestaan voor mr. [naam2] . Na de zitting is een proces-verbaal van de comparitiezitting aan partijen toegezonden. 1.7. Op 13 december 2024 heeft via beeldverbinding een tweede comparitiezitting plaatsgevonden. Namens belanghebbende is gemachtigde, mr. D.A.N. Bartels, verschenen en namens de heffingsambtenaar is verschenen mr. [naam2] , bijgestaan door [naam3] . Na de zitting is een proces-verbaal van de comparitiezitting aan partijen toegezonden. 1.8. Op 8 januari 2025 heeft een derde comparitiezitting plaatsgevonden. Namens belanghebbende is gemachtigde, mr. D.A.N. Bartels, verschenen en namens de heffingsambtenaar is verschenen mr. [naam4] , bijgestaan door [naam5] . Na de zitting is een proces-verbaal van de comparitiezitting aan partijen toegezonden. 1.9. Partijen hebben voorafgaand aan de comparitiezittingen en het onderzoek ter zitting nadere stukken ingediend. 1.10. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. D.A.N. Bartels namens belanghebbende en mr. [naam4] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door mr. [naam2] en [naam5] . Na de zitting is een proces-verbaal aan partijen toegezonden. 2 Vaststaande feiten 2.1. De gemachtigde heeft namens belanghebbende op 11 juli 2022 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Bij die brief is geen machtiging overgelegd. 2.2. De Rechtbank heeft de gemachtigde bij brief van 2 september 2022 in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen door het overleggen van een door belanghebbende getekende, schriftelijke machtiging. 2.3. De gemachtigde heeft bij brief, door de Rechtbank op 30 september 2022 ontvangen, aangegeven dat hetgeen de Rechtbank heeft verzocht reeds deel uitmaakt van het dossier. Bij deze brief bevinden zich geen bijlagen. 2.4. De Rechtbank heeft bij aangetekende brief van 12 januari 2023 nogmaals gewezen op het ontbreken van een machtiging en heeft gelegenheid gegeven het verzuim te herstellen door het overleggen van een door belanghebbende getekende, schriftelijke machtiging. Daarbij heeft de Rechtbank aangegeven dat dit binnen vier weken moet zijn ingediend en dat om uitstel van die termijn kan worden gevraagd uiterlijk een week voor afloop van deze termijn onder vermelding van redenen. Tot slot heeft de Rechtbank aangegeven dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het verzuim niet tijdig wordt hersteld. 2.5. De gemachtigde heeft bij brief, door de Rechtbank op 27 februari 2023 ontvangen, aangegeven dat hetgeen de Rechtbank heeft verzocht reeds deel uitmaakt van het dossier. Bij deze brief bevinden zich geen bijlagen. 2.6. Gemachtigde is uitgenodigd voor de zitting. Bij afzonderlijke brief van 9 februari 2024 heeft de Rechtbank aangegeven dat het onderzoek ter zitting in beginsel wordt beperkt tot de vraag of het niet binnen de gestelde termijn herstellen van het verzuim verschoonbaar is. Ook is de gemachtigde uitgenodigd om schriftelijk aan te geven waarom naar zijn mening op grond van eerder overgelegde machtigingen geen sprake is van een verzuim. 2.7. Gemachtigde heeft bij brief, bij de Rechtbank ingekomen op 28 februari 2024, een door (onder meer) belanghebbende, op 2 juni 2023, getekende machtiging overgelegd. 2.8. De Rechtbank heeft de beroepen niet-ontvankelijk verklaard omdat niet binnen de termijn een toereikende volmacht is overgelegd. De Rechtbank heeft het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen omdat de gemachtigde niet gerechtigd was het ingestelde rechtsmiddel in te dienen, zodat er geen aanleiding is te veronderstellen dat sprake is van spanning en frustratie bij degene op wiens naam het beroep is ingediend. 3 Geschil 3.1. In geschil is of de beroepen terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. Belanghebbende meent van niet, de heffingsambtenaar is de tegengestelde mening toegedaan. 3.2. Voorts is in geschil of het verzoek om vergoeding van immateriële schade terecht is afgewezen. 3.3. Daarnaast heeft belanghebbende in hoger beroep eveneens verzocht om vergoeding van immateriële schade, indien de redelijke termijn wordt overschreden. 4 Beoordeling van het geschil Vooraf: clustergewijze behandeling 4.1. De onderhavige zaken staan niet op zichzelf, maar maken onderdeel uit van een cluster van zaken (hierna: het cluster). Dit cluster bestaat uit alle hoger beroepen – bij het Hof ingekomen tot medio oktober 2024 – die zijn ingesteld door de gemachtigde tegen uitspraken van de Rechtbank waarbij de heffingsambtenaar het verwerend bestuursorgaan is. Het cluster omvat 423 zaaknummers, verdeeld over 177 aangevallen uitspraken ten name van 126 belanghebbenden. 4.2. Het Hof heeft bij brief van 19 september 2024 het initiatief genomen om in overleg met partijen – zijnde de gemachtigde, de heffingsambtenaar en uiteindelijk ook de Staat – te komen tot een effectievere wijze van afdoening van de zaken die tot dit cluster behoren. De reden voor dit initiatief is de constatering dat in een zeer omvangrijk aantal zaken (nagenoeg) gelijkluidende geschilpunten spelen. Een individuele afdoeningswijze heeft dan geen meerwaarde en leidt bovendien tot onnodige en ongewenste vertraging in de afdoening, ook van andere bij het Hof aanhangige zaken.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2025:8266 text/xml public 2026-01-30T14:01:11 2025-12-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2025-12-16 24/1300 t/m 24/1303 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8266 text/html public 2026-01-16T14:55:45 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2025:8266 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 16-12-2025 / 24/1300 t/m 24/1303 Bartels, clustergewijze afdoening, BghU I, poort B. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat niet binnen de gestelde termijn een geldige machtiging is overgelegd. Het Hof oordeelt dat de rechter vanwege een efficiënte rechtspleging in staat gesteld moet worden om binnen een redelijke termijn te controleren of een geldige machtiging aanwezig is. Verwijzing naar een in bezwaar overgelegde machtiging of het aanleveren daarvan (ver) buiten door de rechtbank gestelde termijnen is onvoldoende. Geen vergoeding van immateriële schade in beroep omdat er niet vanuit kan worden gegaan dat het verzoek namens belanghebbende is gedaan. Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer(s) BK-ARN 24/1300 t/m 24/1303 uitspraakdatum: 16 december 2025 Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (België) (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 10 mei 2024, nummer(s) UTR 22/3783 t/m 22/3786 in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) een of meer beschikking(en) ten name van belanghebbende vastgesteld en/of aanslagen gemeentelijke heffingen bekendgemaakt. 1.2. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraken op bezwaar beslist op de daartegen gemaakte bezwaren. 1.3. De Rechtbank heeft de daartegen ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. Bij brief van 19 september 2024 heeft het Hof partijen uitgenodigd om deel te nemen aan een comparitiezitting. In deze brief is aangekondigd dat het Hof voornemens is om een groot aantal zaken waarbij de gemachtigde, namens meerdere belanghebbenden, en de heffingsambtenaar betrokken zijn, waaronder de onderhavige zaken, clustergewijs te behandelen. 1.6. Op 8 november 2024 heeft een comparitiezitting plaatsgevonden. Namens belanghebbende is gemachtigde, mr. D.A.N. Bartels, verschenen en namens de heffingsambtenaar is verschenen mr. [naam1] , bijgestaan voor mr. [naam2] . Na de zitting is een proces-verbaal van de comparitiezitting aan partijen toegezonden. 1.7. Op 13 december 2024 heeft via beeldverbinding een tweede comparitiezitting plaatsgevonden. Namens belanghebbende is gemachtigde, mr. D.A.N. Bartels, verschenen en namens de heffingsambtenaar is verschenen mr. [naam2] , bijgestaan door [naam3] . Na de zitting is een proces-verbaal van de comparitiezitting aan partijen toegezonden. 1.8. Op 8 januari 2025 heeft een derde comparitiezitting plaatsgevonden. Namens belanghebbende is gemachtigde, mr. D.A.N. Bartels, verschenen en namens de heffingsambtenaar is verschenen mr. [naam4] , bijgestaan door [naam5] . Na de zitting is een proces-verbaal van de comparitiezitting aan partijen toegezonden. 1.9. Partijen hebben voorafgaand aan de comparitiezittingen en het onderzoek ter zitting nadere stukken ingediend. 1.10. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. D.A.N. Bartels namens belanghebbende en mr. [naam4] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door mr. [naam2] en [naam5] . Na de zitting is een proces-verbaal aan partijen toegezonden. 2 Vaststaande feiten 2.1. De gemachtigde heeft namens belanghebbende op 11 juli 2022 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Bij die brief is geen machtiging overgelegd. 2.2. De Rechtbank heeft de gemachtigde bij brief van 2 september 2022 in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen door het overleggen van een door belanghebbende getekende, schriftelijke machtiging. 2.3. De gemachtigde heeft bij brief, door de Rechtbank op 30 september 2022 ontvangen, aangegeven dat hetgeen de Rechtbank heeft verzocht reeds deel uitmaakt van het dossier. Bij deze brief bevinden zich geen bijlagen. 2.4. De Rechtbank heeft bij aangetekende brief van 12 januari 2023 nogmaals gewezen op het ontbreken van een machtiging en heeft gelegenheid gegeven het verzuim te herstellen door het overleggen van een door belanghebbende getekende, schriftelijke machtiging. Daarbij heeft de Rechtbank aangegeven dat dit binnen vier weken moet zijn ingediend en dat om uitstel van die termijn kan worden gevraagd uiterlijk een week voor afloop van deze termijn onder vermelding van redenen. Tot slot heeft de Rechtbank aangegeven dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het verzuim niet tijdig wordt hersteld. 2.5. De gemachtigde heeft bij brief, door de Rechtbank op 27 februari 2023 ontvangen, aangegeven dat hetgeen de Rechtbank heeft verzocht reeds deel uitmaakt van het dossier. Bij deze brief bevinden zich geen bijlagen. 2.6. Gemachtigde is uitgenodigd voor de zitting. Bij afzonderlijke brief van 9 februari 2024 heeft de Rechtbank aangegeven dat het onderzoek ter zitting in beginsel wordt beperkt tot de vraag of het niet binnen de gestelde termijn herstellen van het verzuim verschoonbaar is. Ook is de gemachtigde uitgenodigd om schriftelijk aan te geven waarom naar zijn mening op grond van eerder overgelegde machtigingen geen sprake is van een verzuim. 2.7. Gemachtigde heeft bij brief, bij de Rechtbank ingekomen op 28 februari 2024, een door (onder meer) belanghebbende, op 2 juni 2023, getekende machtiging overgelegd. 2.8. De Rechtbank heeft de beroepen niet-ontvankelijk verklaard omdat niet binnen de termijn een toereikende volmacht is overgelegd. De Rechtbank heeft het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen omdat de gemachtigde niet gerechtigd was het ingestelde rechtsmiddel in te dienen, zodat er geen aanleiding is te veronderstellen dat sprake is van spanning en frustratie bij degene op wiens naam het beroep is ingediend. 3 Geschil 3.1. In geschil is of de beroepen terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. Belanghebbende meent van niet, de heffingsambtenaar is de tegengestelde mening toegedaan. 3.2. Voorts is in geschil of het verzoek om vergoeding van immateriële schade terecht is afgewezen. 3.3. Daarnaast heeft belanghebbende in hoger beroep eveneens verzocht om vergoeding van immateriële schade, indien de redelijke termijn wordt overschreden. 4 Beoordeling van het geschil Vooraf: clustergewijze behandeling 4.1. De onderhavige zaken staan niet op zichzelf, maar maken onderdeel uit van een cluster van zaken (hierna: het cluster). Dit cluster bestaat uit alle hoger beroepen – bij het Hof ingekomen tot medio oktober 2024 – die zijn ingesteld door de gemachtigde tegen uitspraken van de Rechtbank waarbij de heffingsambtenaar het verwerend bestuursorgaan is. Het cluster omvat 423 zaaknummers, verdeeld over 177 aangevallen uitspraken ten name van 126 belanghebbenden. 4.2. Het Hof heeft bij brief van 19 september 2024 het initiatief genomen om in overleg met partijen – zijnde de gemachtigde, de heffingsambtenaar en uiteindelijk ook de Staat – te komen tot een effectievere wijze van afdoening van de zaken die tot dit cluster behoren. De reden voor dit initiatief is de constatering dat in een zeer omvangrijk aantal zaken (nagenoeg) gelijkluidende geschilpunten spelen. Een individuele afdoeningswijze heeft dan geen meerwaarde en leidt bovendien tot onnodige en ongewenste vertraging in de afdoening, ook van andere bij het Hof aanhangige zaken.
Volledig
Het Hof heeft partijen daarom uitgenodigd om tijdens een comparitiezitting op een zaaksoverstijgende wijze in gesprek te gaan over de mogelijkheden van een effectievere behandeling en daarnaast om te onderzoeken of het wenselijk is om ook voor (andere) knelpunten in de samenwerking tussen de gemachtigde en de heffingsambtenaar oplossingen te vinden. 4.3. Namens de heffingsambtenaar is na de (digitale) comparitiezitting van 13 december 2024 aangegeven dat deze geen schikking wilde beproeven. Vervolgens heeft het Hof bij brief van 19 december 2024 partijen uitgenodigd voor de regiezitting van 8 januari 2025. In die brief heeft het Hof aangekondigd afspraken te willen maken over de behandelwijze en planning van de zaken van het cluster. In de meegezonden agenda heeft het Hof een onderscheid gemaakt in de behandeling van (A) zaken met een formeel probleem in de voorfase van het hoger beroep, (B) zaken waarin een formeel probleem speelde bij de heffingsambtenaar en/of de Rechtbank en (C) zaken waarin in hoger beroep het materiële geschilpunt aan de orde is. Daarnaast heeft het Hof als afzonderlijk agendapunt benoemd de behandeling van de in die zaken gelijkluidende geschilpunten over de redelijke termijn en bijbehorende nevenbeslissingen in beroep. Het cluster is vervolgens op de zitting van 19 maart 2025 inhoudelijk behandeld. In een deel van het cluster, waaronder de onderhavige zaken, is het onderzoek vervolgens gesloten. In een ander deel is het onderzoek voortgezet. Het Hof heeft partijen nogmaals een voorstel voor een schikking gedaan, maar ook dat is door de heffingsambtenaar, op 18 april 2025, afgewezen. Vervolgens zijn de resterende zaken verder behandeld. Is het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat niet tijdig een machtiging is overgelegd? 4.4. Een beroepschrift kan op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. 4.5. Een bezwaar- of beroepschrift moet op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb worden ondertekend en bevat in ieder geval de naam van degene die het indient. Als een beroepschrift wordt ingediend door iemand die stelt daartoe gemachtigd te zijn, dan moet bij het beroepschrift bewijs van die machtiging worden overgelegd. Als een schriftelijke machtiging niet bij het beroepschrift wordt overgelegd, dan bevat het beroepschrift in zoverre een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb. 4.6. De Rechtbank heeft belanghebbende tot tweemaal toe in de gelegenheid gesteld om een schriftelijke machtiging over te leggen. Binnen de termijn die de Rechtbank daarbij heeft gegeven om het verzuim te herstellen heeft de gemachtigde geen (geldige) machtiging overgelegd. 4.7. In hoger beroep heeft de gemachtigde aangevoerd dat hij geen brief heeft ontvangen waarin hij op het verzuim is gewezen. Daarnaast heeft de gemachtigde aangevoerd dat hij al jaren namens deze belanghebbende procedeert, zodat aannemelijk was dat hij ook voor deze beroepsprocedure was gemachtigd. 4.8. De Rechtbank heeft de tweede brief van 12 januari 2023 aangetekend verzonden. Uit de uitspraak volgt dat de Rechtbank onderzoek heeft gedaan naar het Track & Trace-systeem van PostNL en dat daaruit is gebleken dat de brief is afgehaald en dat voor ontvangst is getekend. Het Hof ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen, reeds omdat uit de reactie van de gemachtigde die is ontvangen op 27 februari 2023 volgt dat hij de aangetekend verzonden brief heeft ontvangen (zie 2.5.). Gelet hierop is de enkele, niet nader onderbouwde ontkenning van de ontvangst van de brief door de gemachtigde niet geloofwaardig en moet worden aangenomen dat hij kennis heeft genomen van het verzuim en de mogelijkheid om het te herstellen binnen de termijn. 4.9. Dat belanghebbende een vaste klant is van de gemachtigde en dat daarom aannemelijk was dat de gemachtigde ook voor de procedure in beroep was gemachtigd doet – veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid van deze stelling – naar het oordeel van het Hof niet af aan het bestaan van het verzuim. Voor ieder ingesteld rechtsmiddel moet kunnen worden vastgesteld dat het is ingesteld door iemand die daartoe is gerechtigd. Als het rechtsmiddel door een ander namens diegene is ingesteld, moet bovendien vastgesteld kunnen worden dat die ander daadwerkelijk daartoe is gevolmachtigd. In het belang van een efficiënte rechtspleging mag van rechthebbenden en hun gemachtigden worden verlangd dat zij de rechter in staat stellen om binnen een redelijke termijn en op eenvoudige wijze te kunnen beoordelen of een rechtsmiddel bevoegdelijk is ingesteld, in dit geval door de rechter binnen een redelijke termijn van alle benodigde schriftelijke bewijsstukken te voorzien. Dit geldt in het bijzonder voor gevallen als deze, waarin – zoals het Hof op 24 juni 2025 reeds eerder uitvoerig heeft geoordeeld – sprake is van een beroepsmatig rechtsbijstandverlener die grote aantallen beroepen instelt maar vervolgens op onprofessionele en chaotische wijze procedeert met als (beoogd) gevolg dat het gebruikelijke werkproces van een gerecht ernstig wordt gehinderd. In zo’n geval is het van belang dat het de rechter, na het bieden van de mogelijkheid om het verzuim te herstellen, vrij staat om te kunnen bepalen hoe een zaak vervolgens wordt behandeld. Het past daarbij niet dat buiten de gestelde termijn nog de vertegenwoordigingsbevoegdheid aannemelijk gemaakt kan worden, zoals de gemachtigde in dit geval heeft gedaan daags vóór de zitting waarop uitsluitend het onderzoek naar de eventuele verschoonbaarheid van het verzuim zou worden onderzocht. Dit zou tot gevolg hebben dat de zaak weer zou moeten worden teruggewezen naar het vooronderzoek om vervolgens weer inhoudelijk op een zitting te worden behandeld met alle vertraging en verlies van zittingscapaciteit van dien. Gelet hierop, en omdat de gemachtigde al jaren op grote schaal procedeert in vergelijkbare zaken en volledig op de hoogte is van de vereisten voor een toereikende machtiging, en omdat van enige reden van verschoonbaarheid niet is gebleken, heeft de Rechtbank onder deze omstandigheden zonder schending van enige rechtsregel het beroep niet-ontvankelijk kunnen verklaren. 4.10. Verder heeft de gemachtigde nog gesteld dat de heffingsambtenaar beschikte over de machtiging en dat die de machtiging kon toesturen. Zoals hierboven al is geoordeeld, moet de bestuursrechter in staat worden gesteld om binnen een redelijke termijn en op eenvoudige wijze te kunnen vaststellen of, indien een rechtsmiddel door een ander is ingesteld, dat bevoegdelijk is gedaan. De verplichting om een machtiging tijdig ter beschikking te stellen rust op degene die stelt bevoegd te zijn. Hierbij past niet dat diegene zich aan zijn verplichting kan onttrekken door te verwijzen naar de op de zaak betrekking hebbende stukken, terwijl die stukken er nog niet zijn en nog niet vaststaat dat het rechtsmiddel bevoegdelijk is ingesteld. Daarbij past evenmin dat de bestuursrechter ambtshalve die stukken zou onderzoeken om te beoordelen of zich daarin een geldige machtiging bevindt, alsmede stukken op grond waarvan die geldigheid zo nodig kan worden onderzocht. 4.11. Het voorgaande brengt met zich mee dat voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade in beroep ervan moet worden uitgegaan dat de gemachtigde het verzoek niet namens belanghebbende heeft gedaan. De Rechtbank heeft het verzoek dan ook terecht op die grond afgewezen, ongeacht de vraag of de redelijke termijn in eerste aanleg was overschreden. 4.12. Gelet hierop is het hoger beroep ongegrond. Redelijke termijn in hoger beroep 4.13. Belanghebbende heeft voor de hogerberoepsfase ook verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn voor het doen van uitspraak in hoger beroep bedraagt twee jaar.
Volledig
Het Hof heeft partijen daarom uitgenodigd om tijdens een comparitiezitting op een zaaksoverstijgende wijze in gesprek te gaan over de mogelijkheden van een effectievere behandeling en daarnaast om te onderzoeken of het wenselijk is om ook voor (andere) knelpunten in de samenwerking tussen de gemachtigde en de heffingsambtenaar oplossingen te vinden. 4.3. Namens de heffingsambtenaar is na de (digitale) comparitiezitting van 13 december 2024 aangegeven dat deze geen schikking wilde beproeven. Vervolgens heeft het Hof bij brief van 19 december 2024 partijen uitgenodigd voor de regiezitting van 8 januari 2025. In die brief heeft het Hof aangekondigd afspraken te willen maken over de behandelwijze en planning van de zaken van het cluster. In de meegezonden agenda heeft het Hof een onderscheid gemaakt in de behandeling van (A) zaken met een formeel probleem in de voorfase van het hoger beroep, (B) zaken waarin een formeel probleem speelde bij de heffingsambtenaar en/of de Rechtbank en (C) zaken waarin in hoger beroep het materiële geschilpunt aan de orde is. Daarnaast heeft het Hof als afzonderlijk agendapunt benoemd de behandeling van de in die zaken gelijkluidende geschilpunten over de redelijke termijn en bijbehorende nevenbeslissingen in beroep. Het cluster is vervolgens op de zitting van 19 maart 2025 inhoudelijk behandeld. In een deel van het cluster, waaronder de onderhavige zaken, is het onderzoek vervolgens gesloten. In een ander deel is het onderzoek voortgezet. Het Hof heeft partijen nogmaals een voorstel voor een schikking gedaan, maar ook dat is door de heffingsambtenaar, op 18 april 2025, afgewezen. Vervolgens zijn de resterende zaken verder behandeld. Is het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat niet tijdig een machtiging is overgelegd? 4.4. Een beroepschrift kan op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. 4.5. Een bezwaar- of beroepschrift moet op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb worden ondertekend en bevat in ieder geval de naam van degene die het indient. Als een beroepschrift wordt ingediend door iemand die stelt daartoe gemachtigd te zijn, dan moet bij het beroepschrift bewijs van die machtiging worden overgelegd. Als een schriftelijke machtiging niet bij het beroepschrift wordt overgelegd, dan bevat het beroepschrift in zoverre een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb. 4.6. De Rechtbank heeft belanghebbende tot tweemaal toe in de gelegenheid gesteld om een schriftelijke machtiging over te leggen. Binnen de termijn die de Rechtbank daarbij heeft gegeven om het verzuim te herstellen heeft de gemachtigde geen (geldige) machtiging overgelegd. 4.7. In hoger beroep heeft de gemachtigde aangevoerd dat hij geen brief heeft ontvangen waarin hij op het verzuim is gewezen. Daarnaast heeft de gemachtigde aangevoerd dat hij al jaren namens deze belanghebbende procedeert, zodat aannemelijk was dat hij ook voor deze beroepsprocedure was gemachtigd. 4.8. De Rechtbank heeft de tweede brief van 12 januari 2023 aangetekend verzonden. Uit de uitspraak volgt dat de Rechtbank onderzoek heeft gedaan naar het Track & Trace-systeem van PostNL en dat daaruit is gebleken dat de brief is afgehaald en dat voor ontvangst is getekend. Het Hof ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen, reeds omdat uit de reactie van de gemachtigde die is ontvangen op 27 februari 2023 volgt dat hij de aangetekend verzonden brief heeft ontvangen (zie 2.5.). Gelet hierop is de enkele, niet nader onderbouwde ontkenning van de ontvangst van de brief door de gemachtigde niet geloofwaardig en moet worden aangenomen dat hij kennis heeft genomen van het verzuim en de mogelijkheid om het te herstellen binnen de termijn. 4.9. Dat belanghebbende een vaste klant is van de gemachtigde en dat daarom aannemelijk was dat de gemachtigde ook voor de procedure in beroep was gemachtigd doet – veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid van deze stelling – naar het oordeel van het Hof niet af aan het bestaan van het verzuim. Voor ieder ingesteld rechtsmiddel moet kunnen worden vastgesteld dat het is ingesteld door iemand die daartoe is gerechtigd. Als het rechtsmiddel door een ander namens diegene is ingesteld, moet bovendien vastgesteld kunnen worden dat die ander daadwerkelijk daartoe is gevolmachtigd. In het belang van een efficiënte rechtspleging mag van rechthebbenden en hun gemachtigden worden verlangd dat zij de rechter in staat stellen om binnen een redelijke termijn en op eenvoudige wijze te kunnen beoordelen of een rechtsmiddel bevoegdelijk is ingesteld, in dit geval door de rechter binnen een redelijke termijn van alle benodigde schriftelijke bewijsstukken te voorzien. Dit geldt in het bijzonder voor gevallen als deze, waarin – zoals het Hof op 24 juni 2025 reeds eerder uitvoerig heeft geoordeeld – sprake is van een beroepsmatig rechtsbijstandverlener die grote aantallen beroepen instelt maar vervolgens op onprofessionele en chaotische wijze procedeert met als (beoogd) gevolg dat het gebruikelijke werkproces van een gerecht ernstig wordt gehinderd. In zo’n geval is het van belang dat het de rechter, na het bieden van de mogelijkheid om het verzuim te herstellen, vrij staat om te kunnen bepalen hoe een zaak vervolgens wordt behandeld. Het past daarbij niet dat buiten de gestelde termijn nog de vertegenwoordigingsbevoegdheid aannemelijk gemaakt kan worden, zoals de gemachtigde in dit geval heeft gedaan daags vóór de zitting waarop uitsluitend het onderzoek naar de eventuele verschoonbaarheid van het verzuim zou worden onderzocht. Dit zou tot gevolg hebben dat de zaak weer zou moeten worden teruggewezen naar het vooronderzoek om vervolgens weer inhoudelijk op een zitting te worden behandeld met alle vertraging en verlies van zittingscapaciteit van dien. Gelet hierop, en omdat de gemachtigde al jaren op grote schaal procedeert in vergelijkbare zaken en volledig op de hoogte is van de vereisten voor een toereikende machtiging, en omdat van enige reden van verschoonbaarheid niet is gebleken, heeft de Rechtbank onder deze omstandigheden zonder schending van enige rechtsregel het beroep niet-ontvankelijk kunnen verklaren. 4.10. Verder heeft de gemachtigde nog gesteld dat de heffingsambtenaar beschikte over de machtiging en dat die de machtiging kon toesturen. Zoals hierboven al is geoordeeld, moet de bestuursrechter in staat worden gesteld om binnen een redelijke termijn en op eenvoudige wijze te kunnen vaststellen of, indien een rechtsmiddel door een ander is ingesteld, dat bevoegdelijk is gedaan. De verplichting om een machtiging tijdig ter beschikking te stellen rust op degene die stelt bevoegd te zijn. Hierbij past niet dat diegene zich aan zijn verplichting kan onttrekken door te verwijzen naar de op de zaak betrekking hebbende stukken, terwijl die stukken er nog niet zijn en nog niet vaststaat dat het rechtsmiddel bevoegdelijk is ingesteld. Daarbij past evenmin dat de bestuursrechter ambtshalve die stukken zou onderzoeken om te beoordelen of zich daarin een geldige machtiging bevindt, alsmede stukken op grond waarvan die geldigheid zo nodig kan worden onderzocht. 4.11. Het voorgaande brengt met zich mee dat voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade in beroep ervan moet worden uitgegaan dat de gemachtigde het verzoek niet namens belanghebbende heeft gedaan. De Rechtbank heeft het verzoek dan ook terecht op die grond afgewezen, ongeacht de vraag of de redelijke termijn in eerste aanleg was overschreden. 4.12. Gelet hierop is het hoger beroep ongegrond. Redelijke termijn in hoger beroep 4.13. Belanghebbende heeft voor de hogerberoepsfase ook verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn voor het doen van uitspraak in hoger beroep bedraagt twee jaar.