Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-08-07
ECLI:NL:GHARL:2025:4952
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht, Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
1,274 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.349.696/01
CJIB-nummer
: 258105281
Uitspraak d.d.
: 7 augustus 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank NoordHolland van 19 november 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Het hoger beroep richt zich tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek van de gemachtigde tot vaststelling van de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen, door de officier van justitie, op het administratief beroep. De kantonrechter heeft onder meer overwogen dat de beslissing van de officier van justitie op 31 januari 2024 en dus tijdig is bezorgd. Het hof leest de beslissing van de kantonrechter daarom zo dat het verzoek tot het vaststellen van de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom is afgewezen.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat een deugdelijke verzendadministratie ontbreekt op basis waarvan moet blijken wanneer het poststuk aan PostNL is aangeboden. De kantonrechter is zonder verzendadministratie tot de conclusie gekomen dat de beslissing op 31 januari 2024 is bezorgd. De gemachtigde voert aan dat de beslissing pas op 15 februari 2024 door zijn kantoor is ontvangen. Daarom is een dwangsom verbeurd van 2 februari 2024 tot en met 14 februari 2024.
3. Niet ter discussie staat dat de beslistermijn voor de officier van justitie is geëindigd op 12 januari 2024. Op 18 januari 2024 is door het Parket CVOM de ingebrekestelling ontvangen. De eerste dag waarop een dwangsom verschuldigd zou kunnen zijn, is 2 februari 2024. De motivering van de beslissing van de officier van justitie is gedateerd 23 januari 2024. Verder blijkt uit het zaakoverzicht dat het CJIB de beslissing op 30 januari 2024 heeft verzonden.
4. Uit rechtspraak van het hof volgt dat de bepalingen over de termijnen waarbinnen het bestuursorgaan een besluit dient te nemen, (mede) ertoe strekken te waarborgen dat belanghebbenden binnen de in het desbetreffende geval geldende termijn worden geïnformeerd over de besluitvorming, en bij voorkeur over de inhoud daarvan (vgl. het arrest van het hof van 17 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4926). Voor het antwoord op de vraag wanneer de betrokkene is geïnformeerd en of en zo ja over welke periode een dwangsom verschuldigd is, is van belang wanneer een beslissing wordt gegeven. Dat is op de dag van verzending van het besluit. Dat is de laatste dag waarop een dwangsom verschuldigd is. Van verzending is sprake als het besluit aan het postbedrijf wordt aangeboden ter bezorging.
Motivering
6. Gelet op wat hiervoor is overwogen gaat het hof er in dit geval van uit dat het eerste moment waarop de motivering van de beslissing van de officier van justitie is verzonden 30 januari 2024 is. Dit betekent dat de officier van justitie geen dwangsom heeft verbeurd. Dat de gemachtigde stelt dat hij de beslissing pas op 15 februari 2024 heeft ontvangen doet hier aan niet af. Daar merkt het hof bij op dat zich ook een aan de betrokkene geadresseerde brief met dagtekening 23 januari 2024 in het dossier bevindt. Het is vaste rechtspraak dat, wanneer de beslissing alleen aan de betrokkene is gestuurd, daarmee ook sprake is van het bekendmaken van de beslissing in de zin van de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen.
7. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.