Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-06-12
ECLI:NL:GHARL:2025:3593
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht, Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
2,699 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.344.401/01
CJIB-nummer
: 255121037
Uitspraak d.d.
: 12 juni 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 18 juni 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
Dictum
De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding en het verzoek tot vaststelling van de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom zijn afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Gelet op wat de kantonrechter heeft overwogen, leest het hof het dictum van de beslissing van de kantonrechter zo dat de kantonrechter het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond heeft verklaard, de beslissing van de officier van justitie heeft vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond heeft verklaard.
2. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 350,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 14 januari 2023 om 12:44 uur op de Nieuwe Leeuwarderweg in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene erbij blijft dat zij geen telefoon heeft vastgehouden tijdens het rijden. Onduidelijk is gebleven waaruit de ambtenaar heeft opgemaakt dat het om een mobiele telefoon zou gaan en niet om iets anders, zoals het hoesje van een TomTom dat de betrokkene heeft aangevoerd vast te hebben gehouden. De zoon en dochter van de betrokkene van 6 en 4 jaar zaten op dat moment bij haar in de auto. De betrokkene zou ook niet met de hand bellen, omdat zij gewoon een carkit in de auto heeft. Dit is bovendien de eerste keer dat zij een sanctie opgelegd krijgt voor het vasthouden van een mobiele telefoon. De betrokkene navigeerde met de TomTom omdat zij niet bekend is in Amsterdam-Noord, maar daar wel een afspraak had.
4. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat met de linkerhand, ter hoogte van het stuur, vasthield. Tijdens mijn waarneming heb ik duidelijk en onbelemmerd in het voertuig en naar het mobiel elektronisch apparaat kunnen kijken. Ik zag een mobiele telefoon.´
6. De advocaat-generaal heeft een aanvullend proces-verbaal van 13 oktober 2024 overlegd. Hierin verklaart de ambtenaar, voor zover van belang, het volgende:
“Ik, verbalisant, ben er 100% zeker van dat het een mobiele telefoon betrof. Bij enige twijfel had ik nooit een bekeuring uitgeschreven. Het mobiele elektronische apparaat dat de betrokkene vasthield had alle uiterlijke kenmerken van een mobiele telefoon. Het was zeker GEEN hoesje van de TomTom. Ik, verbalisant, reed tijdens de overtreding naast het genoemde voertuig en had hierdoor voor een aantal seconden goed en onbelemmerd zicht op de betrokkene en de mobiele telefoon. Ik ben er daarom zeker van dat het een mobiele telefoon betrof.”
7. Het hof ziet in wat de gemachtigde aanvoert geen reden te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat de betrokkene een mobiele telefoon vasthield. Wat de gemachtigde aanvoert betreft in feite een enkele ontkenning van de gedraging. Dit is onvoldoende om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar. Dat de ambtenaar niet heeft aangegeven hoe hij de mobiele telefoon als zodanig heeft herkend geeft geen reden aan deze verklaring te twijfelen. Deze grond treft geen doel. In zoverre kan de beslissing van de kantonrechter worden bevestigd.
8. De gemachtigde is verder van mening dat de kantonrechter ten onrechte het verzoek om de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het administratief beroep heeft afgewezen. Op 20 juli 2024 (het hof leest: 2023) heeft de gemachtigde een ingebrekestelling naar de officier van justitie verzonden. De beslistermijn was op dat moment verstreken. De betrokkene en de gemachtigde betwisten uitdrukkelijk een brief te hebben ontvangen waarmee de beslistermijn wordt verlengd. De officier van justitie heeft niet gereageerd op de ingebrekestelling. Dit past niet bij een behoorlijk handelend bestuursorgaan.
9. Het hof stelt het volgende vast. De inleidende beschikking is verzonden op 24 januari 2023. De beslistermijn eindigde in beginsel op 27 juni 2023. In het dossier bevindt zich een brief van de officier van justitie met dagtekening 19 juni 2023, waarin wordt medegedeeld dat de beslistermijn met 10 weken wordt verlengd. Deze brief is verzonden naar mr. Voorbach. Uit het dossier blijkt dat zowel mr. Voorbach als mr. Bergers namens de betrokkene administratief beroep hebben ingesteld, maar dat de betrokkene bij brief van 27 maart 2023, door de officier van justitie ontvangen op
29 maart 2023, de officier van justitie heeft laten weten dat mr. Bergers contactpersoon is in deze zaak. Dat de brief waarmee de beslistermijn wordt verlengd niet naar mr. Bergers, op dat moment de contactpersoon van de betrokkene voor de officier van justitie, is verzonden, is in strijd met artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht.
10. Deze enkele omstandigheid maakt nog niet dat dat de beslistermijn niet is verlengd.
Het dossier bevat namelijk ook een brief met dagtekening 19 juni 2023, waarin wordt medegedeeld dat de beslistermijn met 10 weken wordt verlengd, die is gericht aan de betrokkene. Het hof heeft in het arrest van 13 mei 2025 vastgesteld dat het verzendproces zo is ingericht, dat de kans op fouten nagenoeg is uitgesloten. Daarom mag ervan worden uitgegaan dat deze brief daadwerkelijk is verzonden. De enkele betwisting van de ontvangst is onvoldoende om hieraan te twijfelen. Het hof heeft in het hiervoor genoemde arrest verder overwogen dat het hof voor de brieven betreffende het verlengen van de beslistermijn door de officier van justitie ervan uitgaat dat de bezorging van die brieven acht dagen na dagtekening bij de (gemachtigde van de) betrokkene plaatsvindt. Het hof houdt het ervoor dat de brief met dagtekening 19 juni 2023 op 27 juni 2023 bij de betrokkene is bezorgd. Gelet hierop is de beslistermijn tijdig verlengd.
11. De beslistermijn eindigde op 5 september 2023. De op 25 juli 2023 door de officier van justitie ontvangen ingebrekestelling is prematuur. De kantonrechter heeft terecht geoordeeld dat de officier van justitie geen dwangsom verschuldigd is. Dat de officier van justitie niet heeft gereageerd op de ingebrekestelling, maakt het voorgaande niet anders. Ook in zoverre kan de beslissing van de kantonrechter worden bevestigd.
12. De gemachtigde voert tot slot aan dat hij aan de kantonrechter heeft verzocht om vergoeding van de kosten voor het verschijnen ter zitting op 11 januari 2024 ongeacht of het beroep gegrond of ongegrond wordt verklaard, maar dat de kantonrechter aan dit verzoek voorbij is gegaan. De gemachtigde is op deze zitting verschenen, maar de behandeling van de zaak is aangehouden omdat de rechtbank geen dossier had ontvangen van de officier van justitie. De gemachtigde verwijst daarbij naar arresten van het hof van 15 juni 2020 en 6 april 2021.
13. De gemachtigde heeft in beroep bij de kantonrechter verzocht om een vergoeding voor het verschijnen op de zitting van 11 januari 2024, ongeacht de uitkomst van de beslissing. De kantonrechter heeft dit verzoek afgewezen zonder hier in zijn beslissing op in te gaan.
14. De betrokkene wordt niet in het gelijk gesteld als bedoeld in het arrest van het hof van
28 april 2020. Dit neemt niet weg dat er omstandigheden kunnen zijn waaronder het redelijk is om een proceskostenvergoeding toe te kennen (vgl. de door de gemachtigde genoemde arresten). Dergelijke omstandigheden doen zich hier voor. Uit het dossier blijkt dat de behandeling van de zaak op de zitting van 11 januari 2024, waar de gemachtigde was verschenen, is aangehouden omdat de kantonrechter en de vertegenwoordiger van de officier van justitie niet beschikten over het dossier.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 680,25;
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
vgl. de arresten van het hof van 16 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4974 en 1 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:754.
ECLI:NL:GHARL:2025:2912
resp. ECLI:NL:GHARL:2020:4520 en ECLI:NL:GHARL:2021:3244
ECLI:NL:GHARL:2020:3336
vgl. de arresten van het hof van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764, 7768 en 7769